Het devies van kabinet-Schoof was dat werken moet gaan lonen. De lasten zouden moeten verschuiven van arbeid naar consumptie en de marginale druk moest afnemen. Nu het kabinet zijn laatste maanden ingaat, stellen we de vast dat de lagere inkomens de dupe zijn.
In het kort
- Lagere inkomens gaan erop achteruit door de wijze van inflatiecorrectie in de arbeidskorting.
- Ook de lagere heffingskorting pakt specifiek voor de lagere inkomens nadelig uit.
- In 2026 zullen ongeveer 800.000 lagere inkomens tot 600 euro per jaar meer inkomstenbelasting betalen dan in 2024.
De lasten moesten volgens kabinet-Schoof van arbeid naar consumptie (Trouw, 2024). Het viel daarom in het voorjaar van 2025 extra op toen mensen met een inkomen onder het voltijds minimumloon, zoals apotheekmedewerkers, winkelpersoneel en barmannen, er netto niet op vooruit maar er juist op achteruit gingen (AD, 2025). Voor sommige werknemers ging het zelfs om meer dan 30 euro per maand, oftewel bijna 400 euro per jaar.
Inmiddels is die zogenaamde buffelboete voor mensen in de sociale werkvoorziening gecompenseerd, maar veel andere sectoren kampen er nog mee. In dit stuk laten we zien dat het mechanisme achter de buffelboete de belastingdruk voor lagere inkomens tussen de 11.100 en 26.500 euro zowel in 2025 als in 2026 verhoogt.
Verschillende indexaties arbeidskorting
De verandering in de arbeidskorting is de grootste boosdoener van de netto daling in 2025 voor de lagere inkomens. Het is een korting op de inkomstenbelasting die de belastingdruk voor werkenden verlicht. Deze korting wordt jaarlijks geïndexeerd, maar dat gaat anders voor de maximale korting dan voor de tariefgroepen erbinnen. In 2025 heeft die inconsistentie als gevolg dat de korting voor inkomens tot 26.194 euro lager is dan in 2024.
Het probleem is dat de maximale korting geïndexeerd wordt aan de hand van de tabelcorrectiefactor – op 1 januari 2025 steeg deze met 1,2 procent. Terwijl de opbouw van de arbeidskorting gekoppeld is aan de stijging van het minimumloon – in 2024 was die toename 5,9 procent. Deze minimumloonstijging bepaalt de grenzen van de vier tariefgroepen, waarbij de arbeidskorting opbouwt in de eerste drie tariefgroepen en afbouwt in de laatste.
Doordat de tariefgroepen van de arbeidskorting een stuk harder stijgen dan de maximale arbeidskorting, bouwt de arbeidskorting minder snel op en ook minder snel af, zie figuur 1. Dit leidt tot de situatie dat lagere inkomens pas van de 1,2 procent extra arbeidskorting genieten als ze 5,9 procent meer inkomen hebben. Zo bouwde de korting in de eerste schijf in 2024 nog met 8,24 cent per euro arbeidsinkomen op, terwijl dat in 2025 was gedaald tot 8,05 cent.

Figuur 2a geeft het effect weer op de verschuldigde belasting door de aanpassing in arbeidskorting. Tot 26.194 euro wordt er in 2025 minder arbeidskorting opgebouwd dan met hetzelfde inkomen in 2024. Met een inkomen net onder de 25.000 euro betalen werkenden hierdoor bijna 380 euro meer belasting op jaarbasis. Vanaf 26.194 euro wordt er weer meer arbeidskorting opgebouwd dan in 2024.

Niet geheel toepassen tabelcorrectiefactor
Volgend jaar zal de tabelcorrectiefactor wederom lager uitvallen dan de stijging van het minimumloon, waardoor eenzelfde effect op de arbeidskorting zal plaatsvinden. De tabelcorrectiefactor voor 2026 zal worden vastgesteld op 2,9 procent, op basis van het gemiddelde van de afgeleide inflatie (de consumentenprijsindex exclusief het effect van veranderingen in de tarieven van productgebonden belastingen) voor de periode tussen juli 2024 en juni 2025. De minimumloonstijging zal met 4,6 procent wederom hoger uitkomen. Deze stijging is opgebouwd uit de minimumloonstijging van de reeds op 1 juli doorgevoerde verhoging (2,4 procent) en de op basis van de Concept-Macro Economische Verkenning 2026 verwachte stijging op 1 januari 2026 (2,2 procent).
Het effect van de verschillende aanpassingen voor de arbeidskorting wordt volgend jaar vergroot door de keuze van het kabinet om bij de voorjaarsnota de tabelcorrectiefactor maar voor 46,2 procent toe te passen. Het verschil tussen de correctiefactor en minimumloonstijging is in 2026 met 1,7 procentpunt kleiner dan de 4,7 procentpunt in 2025. Maar door de beperkte verhoging van 1,34 procent van de arbeidskorting loopt het gat met de minimumloonstijging in 2026 toch op tot 3,3 procentpunt. Hierdoor ontvangen mensen met een laag inkomen in 2026 tot wel 282 euro minder arbeidskorting bij een gelijkblijvend inkomen (figuur 2b).
Verlaging van de algemene heffingskorting
Maar niet alleen de arbeidskorting is het probleem. Vanaf 1 januari 2025 valt de belasting voor lagere inkomens ook hoger uit doordat de invoering van een lagere extra schijf in de inkomstenbelasting deels gefinancierd is door de algemene heffingskorting met 294 euro te verminderen. Deze korting op de inkomstenbelasting die zowel werkenden als niet werkenden ontvangen, zorgt net zoals de arbeidskorting voor een lagere belastingdruk. Het gemis aan 294 euro algemene heffingskorting wordt voor de meeste mensen meer dan goed gemaakt door de lagere extra schijf (figuur 3). Voor arbeidsinkomens tot 24.923 euro is dit echter niet het geval, waardoor mensen met een inkomen rond de 10.000 euro 190 euro extra betalen.

Impact en oplossing
Als gevolg van de veranderende arbeids- en heffinskorting, zal het cumulatieve verschil in belastingen voor lagere inkomens met 2024 oplopen tot maximaal 600 euro per jaar, terwijl alle hogere inkomens juist minder belasting gaan betalen. Deze domper geldt voor mensen die een inkomen hebben tussen de 11.100 en 26.500 euro, zie figuur 4. De omvang van deze groep bedraagt ongeveer 800.000 werkenden, zie kader 1.

Kader 1: Omvang groep lagere inkomens met toegenomen belastingdruk
De negatieve belastingontwikkeling betreft de groep die volgend jaar een bruto-arbeidsinkomen heeft tussen de 11.100 en 26.500 euro. Om een inschatting te maken van hoe groot die groep is, combineren we de meest recente inkomensstatistiek van het CBS (over 2023) en de loonontwikkeling sindsdien volgens de Macro Economische Verkenningen 2025 van het CPB. Het CPB verwacht dat de cao-lonen tussen 2023 en 2026 met 16,2 procent stijgen. Als we ervan uitgaan dat de lagere arbeidsinkomens sinds 2023 ook met 16,2 procent zijn gestegen, dan zou de groep die in 2026 tussen de 11.100 en 26.500 euro verdient vergelijkbaar qua grootte moeten zijn als de groep die in 2023 tussen de 9.550 en 22.800 euro verdiende.
In 2023 waren er 602.600 mensen met een primair inkomen tussen de 10.000 en 20.000 euro dat voornamelijk uit arbeid bestond. Daarnaast waren er 870.000 werkenden met een primair inkomen voornamelijk uit arbeid tussen de 20.000 en 30.000 euro. Als we ervan uitgaan dat een kwart daarvan minder verdiende dan 22.800 euro, dan waren er in 2023 dus naar schatting 820.000 mensen met een arbeidsinkomen tussen de 10.000 en 22.800 euro.
Om dergelijke gevolgen van maatregelen voor specifieke inkomensgroepen aan te pakken, zal ons gecompliceerde belastingstelsel eenvoudiger moeten (Van Koesveld, 2024). Het gesplitste systeem van het indexeren van de arbeidskorting zal telkens leiden tot problemen: bij een tabelcorrectiefactor boven de minimumloonstijging hebben de lagere inkomens nadeel, andersom zijn het voornamelijk de andere inkomens. Een arbeidskorting die niet meer opbouwt, maar hoogstens na een bepaald inkomen alleen afbouwt, zou dit probleem verhelpen en het systeem versimpelen. De huidige complexiteit zorgt er ook voor dat een maatregel die generiek bedoeld was, zoals het maar gedeeltelijk toepassen van de tabelcorrectiefactor, het zwaarste neerslaat bij één groep.
Het demissionaire kabinet-Schoof zal deze versimpeling echter niet meer voor zijn rekening kunnen nemen. Daarom is op de korte termijn een andere oplossing nodig. Daar is een precedent voor. Toen in 2023 het minimumloon eenmalig hard steeg door de extra verhoging van 8,05 procent, had de arbeidskorting van lagere inkomens ook hard kunnen dalen. Het Ministerie van Financiën greep echter in door de inkomensgrenzen niet mee te laten stijgen met het minimumloon, maar met de tabelcorrectiefactor (Rijksoverheid, 2023). Hier was toen 700 miljoen euro voor nodig. Het gat tussen de minimumloonstijging en de correctiefactor van de afgelopen twee jaar is wel groter dan in 2023: iets meer dan negen procentpunt in plaats van ongeveer zes procentpunt. Een volledige hersteloperatie is daarmee omvangrijker. Indien alleen aankomend jaar gecompenseerd wordt is minder geld benodigd dan in 2023.

Literatuur
AD (2025) 400 euro meer belasting dit jaar: 700.000 mensen ondervinden last van ‘buffelboete’. AD, 15 april.
Koesveld, E. van (2024) Belastingen in maatschappelijk perspectief: Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel. ABDTOPConsult Rapport, 12 februari. Te vinden op www.eerstekamer.nl.
Rijksoverheid (2023) Inkomensbeleid. Ministerie van Financiën, Memorie van toelichting d17e1110. Te vinden op www.rijksfinancien.nl.
Trouw (2024) Kamer heeft nog altijd geen alternatief voor de btw-verhoging op sport en cultuur. Trouw, 8 november.