Inflatie raakt niet alle huishoudens evenredig. Vaak wordt er uitgegaan van de gemiddelde inflatie, maar wanneer er wordt gekeken naar een index van de primaire levensbehoeften, zoals woonlasten, energie en voeding, ontstaat er een ander beeld.
In het kort
- In normale tijden zorgen woonlasten ervoor dat de inflatie van basisbehoeften hoger is dan die van de consumentenprijsindex.
- De hoge olieprijzen werken vooralsnog minder door in de inflatie van basisbehoeften dan de hoge gasprijzen van 2022–2023.
De consumentenprijsindex (CPI) meet het prijsniveau voor een gemiddeld mandje goederen van Nederlandse huishoudens, maar verhult consumptieverschillen tussen inkomensgroepen en soorten huishoudens. Inflatiecijfers zeggen ook weinig over de impact die huishoudens van de inflatie ervaren. Het is immers makkelijker om een vliegvakantie over te slaan, dan een maaltijd. Huishoudens met lage inkomens hebben bovendien minder buffers om schokken op te vangen.
Er bestaat geen consensus in de literatuur over hoe inflatie verschilt tussen huishoudens met verschillende inkomens: verschillen hangen af van de onderzochte tijdsperiode, de bron van de inflatie en de gebruikte maatstaf (Darmanin, 2021; van Dijk, 2018; Morrow, 1986; Schulenberg, 2021;).
Om tot een benadering te komen van inflatie voor huishoudens op het sociaal minimum, ontwikkelen we in dit artikel, samen met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud), een indicator voor inflatie van primaire levensbehoeften, de Primaire Levensbehoefte-index (PLI) (CBS et al., 2024). Omdat het gaat om een inflatie-indicator, kijken we puur naar uitgaven en laten we eventuele compensatie via koopkrachtmaatregelen of toeslagen buiten beschouwing, tenzij het een directe subsidie op uitgaven betreft. Zo had de inkomensondersteunende energietoeslag geen effect op de inflatie, maar het prijsdempende effect van het energieplafond wel.
Een indicator voor inflatie van basisbehoeften
Het Nibud hanteert voorbeeldbegrotingen voor acht typen huishoudens op het sociaal minimum. De PLI gebruikt deze typen als consumptiemandjes voor primaire levensbehoeften. De groep huishoudens op het sociaal minimum bestaat voor zeventig procent uit eenpersoonshuishoudens, voor tien procent uit eenoudergezinnen, voor twaalf procent uit paren met kinderen, zes procent paren zonder kinderen en één procent meerpersoonshuishoudens. Voor eenoudergezinnen en paren met kinderen gaan we uit van twee kinderen van acht en dertien jaar, om aan te sluiten bij het gemiddelde van deze gezinstypen. Aan de hand van de verschillende typen huishoudens komen we tot één uitgavenmandje, waarbij we de productcategorieën op basis van kennis van het Nibud verder invullen.
De werkelijke consumptiepatronen van huishoudens op het sociaal minimum kunnen van de PLI afwijken, bijvoorbeeld bij autobezit, tabaksgebruik of huisdierbezit. Deze werkelijke patronen zijn niet opgenomen in het mandje van primaire levensbehoeften. Zo gaat de PLI voor vervoer uit van een fiets, het ov en een tweedehandsauto, in plaats van een nieuwe auto in de CPI. Inflatie voor de PLI berekenen we op basis van de Narrow Inflation Projection Exercise (NIPE) van de Europese Centrale Bank. Het Centraal Bureau voor de Statistiek berekent de inflatie van de CPI.
In vergelijking met de CPI bestaat in de PLI een veel groter deel van de kosten voor levensonderhoud uit woonlasten, en veel minder uit overige goederen (figuur 1). Ook het aandeel diensten is iets minder dan in de CPI.
Figuur 1: Gewichten van de productcategorieën

Verschillen in inflatie
Vóór de energiecrisis in 2022 was de inflatie voor de PLI lange tijd hoger dan die voor de CPI (figuur 2). Vanaf 2014 tot aan het begin van de inflatiepiek in 2021 was de CPI-inflatie gemiddeld 1,3 procent terwijl de PLI-inflatie in dezelfde periode 1,7 procent was.
Figuur 2: Jaarmutaties inflatie

De verschillen in de inflatieniveaus werden met name veroorzaakt door woonlasten. De bijdrage hiervan aan de PLI-inflatie is hoger dan voor de CPI (figuur 3a). Bij de PLI wordt uitgegaan van daadwerkelijke huur, die voor driekwart bestaat uit prijsstijgingen in de sociale huursector. Voor de CPI wordt uitgegaan van een combinatie van werkelijke woninghuur en ‘toegerekende’ huur voor huiseigenaren. Omdat huiseigenaren in de praktijk in Nederland hun hypotheekrente vaak over langere tijd vastzetten, zullen deze woonlasten vaak een nog kleiner deel uitmaken van het consumptiemandje dan de CPI veronderstelt, en minder hard stijgen. Dit betekent dat de verschillen tussen de CPI en PLI in de praktijk groter zouden kunnen zijn.
Figuur 3: Bijdrage huren en diensten

De huurverhoging voor de sociale sector wordt jaarlijks per 1 juli doorgevoerd, wat de schokken in figuur 3a en verklaart. Zo werden in juli 2021 de huurprijzen van corporatiewoningen tijdelijk bevroren, terwijl in juli 2024 deze huren juist met 5,8 procent mochten stijgen.
Vanaf medio 2021 nam de inflatie sterk toe door de aanbodschokken rondom corona. Daarop volgde de stijging van de energieprijzen door de Russische invasie van Oekraïne in februari 2022. Deze zorgde voor een ongeveer gelijke stijging van de CPI- en PLI-inflatie. De CPI-inflatie bleef vervolgens gedurende 2023 langer hoger door de verschillen in compositie en weging van de diensteninflatie (figuur 3b). Hierbij gaat het bijvoorbeeld om vliegvakanties, hotels en (afhaal-)restaurants, die geen onderdeel zijn van de PLI. Vanaf begin 2025 is de PLI-inflatie weer hoger dan de CPI-inflatie, wederom met name door de huurprijsstijging (figuur 3a).
De ene energiecrisis is de andere niet
De huidige stijgende olieprijs zal waarschijnlijk vooral de CPI verhogen, en de PLI minder. Tijdens de vorige energiecrisis namen de gas- en elektriciteitsprijzen sterk toe, wat leidde tot een forse stijging van de energierekening en een toename van beide indices. De huidige energiecrisis wordt met name veroorzaakt door een stijging van de olieprijs, en omdat de PLI uitgaat van zeer beperkt brandstofgebruik, blijven de directe effecten van een hogere olieprijs beperkt voor de PLI-inflatie.
Olie- en elektriciteitsprijzen werken in het NIPE-model in beperkte mate door in de prijzen van voedsel, waardoor de voedselprijzen toenemen. Omdat het aandeel van het inkomen dat aan voedsel besteed wordt niet veel verschilt tussen de PLI en de CPI, zorgt dit waarschijnlijk niet voor grote inflatieverschillen tussen de twee indicatoren. Op termijn kunnen de doorwerking van de olieprijs in overige producten en de tweederonde-effecten zorgen voor hogere inflatie voor zowel de CPI als de PLI. Of dit tot verschillen tussen de CPI en de PLI leidt, is nog niet met zekerheid te zeggen.
Conclusie
De CPI verbergt belangrijke verschillen in consumptiepatronen tussen huishoudens. De PLI laat zien dat inflatie voor huishoudens op het sociaal minimum structureel kan afwijken van de CPI. Inflatie is dan ook geen uniform fenomeen: Voor de ene groep pakt het anders uit dan voor de andere.

Literatuur
CBS, SCP en Nibud (2024) De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten. CBS, SCP en Nibud, 17 oktober. Te vinden op www.scp.nl.
Darmanin, J. (2021) The inflation experience of low income households. Central Bank of Malta, Policy Note.
Dijk, J.H. van (2018) Meer inflatie voor lage inkomens. ESB, 103(4765), 396-397.
Morrow, A.M.M. (1986) The measurement of inflation experienced by the poor, 1970–80. Canadian Public Policy / Analyse de Politiques, 12(1), 245–252.
Schulenberg, R. (2021) Inflatie verschilt weinig tussen inkomensgroepen. ESB, 2 november.
Auteurs
Categorieën