Ga direct naar de content

In het betalingsverkeer kan weerbaarheid burgers verder worden vergroot

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 3 2026

Als consument wil je altijd kunnen betalen, ook als de stroom, de IT-omgeving van je bank of het internet het laat afweten. Het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer adviseert daarom om voor de eerste 72 uur voldoende contant geld achter de hand te houden. Zijn Nederlandse huishoudens voldoende voorbereid?

In het kort

  • Aanbevolen wordt om zeventig euro per volwassene aan ­contant geld en meerdere betaalmiddelen aan te houden.
  • Zeventig procent van de Nederlanders had in 2024 minder dan vijftig euro aan contant geld op zak of in de huishoudpot.
  • Een derde van alle Nederlanders beschikt over geen of één digitale betaalmogelijkheid voor aankopen in fysieke winkels.

Op 28 april 2025 trof een stroomstoring het Iberisch schiereiland.  Daardoor was betalen met een betaalpas of smartphone op veel plekken niet meer mogelijk en sloten veel winkels hun deuren. Consumenten­bestedingen in Spanje daalden die dag met 34 procent, op basis van kaarttransacties, online aankopen en geldopnames, aldus de Spaanse CaixaBank (Mestres Domènech en Martín Vilató, 2025). In de daaropvolgende dagen herstelden de uitgaven iets, maar bleven ze nog vijftien procent onder het normale niveau. Uiteindelijk zal de stroomstoring naar verwachting een eenmalige impact op de consumentenbestedingen hebben van minder dan 400 miljoen euro. De totale economische schade is vele malen groter, als ook de schade aan andere sectoren wordt meegenomen, zoals de industrie en het vervoer.

Ook in Nederland kan zoiets gebeuren en daarom adviseert het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer huishoudens om voorbereid te zijn op mogelijke verstoringen in het betalingsverkeer (MOB, 2025a; 2025b). Want ook al is de kans op een verstoring behoorlijk klein, de gevolgen ervan kunnen groot zijn.

Volgens het MOB doen huishoudens er verstandig aan om zich voor te bereiden op een noodsituatie waarin “het (maximaal) drie dagen (72 uur) geheel of gedeeltelijk niet mogelijk is om:

  1. elektronisch te betalen bij fysieke verkooppunten (winkels, horeca, op stations en dergelijke) én online verkooppunten (webwinkels, online publieksdiensten en dergelijke),
  2. contant geld op te nemen en af te storten bij geldautomaten (inclusief sealbagautomaten), en
  3. geld over te boeken via online bankieren en incasso’s te betalen.” (Nibud, 2025)

Huishoudens kunnen zich voorbereiden door ten eerste voldoende contant geld op voorraad te houden om zo’n noodsituatie van 72 uur te kunnen overbruggen. Volgens het Nibud (2025) is voor de gemiddelde Nederlander zeventig euro per volwassene en dertig euro per kind voldoende voor minimaal noodzakelijke uitgaven voor bijvoorbeeld water, voeding, medicijnen en vervoer voor een periode van maximaal drie dagen. Ten tweede wordt Nederlanders geadviseerd om toegang te hebben tot meer dan één betaalmiddel. Dus om bijvoorbeeld naast een werkende betaalapp op je smartphone, een betaalpas en contant geld te hebben.

In dit artikel maken we aan de hand van de betaaldagboekdata van De Nederlandsche Bank en Betaal­vereniging Nederland (2025) inzichtelijk in hoeverre consumenten voldoende voorbereid zijn. Data over het betaalgedrag worden gedurende het gehele jaar onder Nederlandse consumenten verzameld. Respondenten vullen een eendaags betaaldagboekje en een aanvullende vragenlijst in. Dit zijn data op persoonsniveau. We hebben de data voor het jaar 2024 geanalyseerd. De in dit artikel gepresenteerde gegevens geven dus weer hoe goed Nederlanders op een noodsituatie voorbereid waren vóór de oproep van de Nederlandse Vereniging van Banken in december 2024 (NOS, 2024) en het MOB-advies van mei 2025. De data zijn gewogen om te corrigeren voor verschillen tussen de steekproef en de populatie inwoners van Nederland van twaalf jaar en ouder.

Te weinig contant geld op voorraad

Nederlanders hebben niet genoeg contant geld op voorraad om te kunnen betalen tijdens een crisis.

Contant geld in bezit om te besteden

In 2024 had zeventig procent van de Nederlanders aan het begin van de dag minder dan vijftig euro bij zich om te besteden (figuur 1). Dit is contant geld dat de geënquêteerde op de dag waarop men aan het betaaldagboekonderzoek meedoet bij zich draagt of in huis heeft om de uitgaven buitenshuis te betalen. Dit geld kan bewaard worden in een portemonnee, broekzak, tas of huishoudpotje. Van alle Nederlanders had 19 procent geen contant geld op zak, en 51 procent had wel wat contant geld, maar minder dan 50 euro. 17 procent had 50 tot 100 euro, 9 procent had 100 tot 200 euro en 5 procent had 200 euro of meer. Gemiddeld genomen hadden zij 56 euro contant geld bij zich.

De hoeveelheid contant geld op zak of in de portemonnee hangt samen met persoonskenmerken. Mannen hadden in 2024 gemiddeld 58 euro aan contant geld bij zich en vrouwen 55 euro. Het bedrag neemt toe met het huishoudensinkomen, opleidingsniveau en leeftijd. 27 procent van de mensen van 35 jaar en jonger had geen contant geld op zak of in de portemonnee. Gemiddeld hadden ze 48 euro. Dat is 20 euro minder dan mensen ouder dan 65 jaar. Nederlanders met een hbo- of wo-diploma hadden gemiddeld 65 euro en mensen zonder zo’n diploma 53 euro. Inwoners van Overijssel en Noord-Holland hadden gemiddeld genomen het meeste contant geld (64 euro) en inwoners van Drenthe en Friesland het minste (48 euro).

Extra contant geld thuis of elders

De meeste Nederlanders bewaarden in het eerste kwartaal van 2024 geen extra contant geld in huis of elders, naast het geld dat zij in hun portemonnee of zakken hadden zitten. In deze periode zijn in het betaaldagboekonderzoek vragen gesteld over het aanhouden van extra contant geld thuis of elders, bijvoorbeeld om hun portemonnee aan te vullen, als reserve uit voorzorg of als een alternatieve manier van sparen. De grootste groep (56 procent) gaf aan geen extra contant geld te bewaren, 31 procent deed dit wel en de rest wilde het niet zeggen of wist het niet (figuur 2).

Bij de mensen die in het eerste kwartaal van 2024 extra contant geld aanhielden, zien we grote verschillen in het bedrag dat men in huis of elders bewaarde.Een meerderheid van deze groep hield maximaal een paar honderd euro aan. Of preciezer: 31 procent hield minder dan 100 euro aan, 23 procent bewaarde 100 tot 250 euro en 30 procent hield 250 euro of meer aan. Voor het overige deel is het bedrag niet bekend. Het bedrag was relatief hoog voor mannen, mensen met een hbo- of wo-diploma en mensen met een hoog huishoudensinkomen.

Te weinig digitale uitwijkmogelijkheden

Tijdens een crisis hebben Nederlanders te weinig digitale uitwijkmogelijkheden om in fysieke winkels te betalen.

Digitale betaalmiddelen in bezit

Ongeveer een derde van alle Nederlanders had in 2024 geen of slechts één digitale betaalmogelijkheid voor aankopen in fysieke winkels (tabel 1). Het betaalmiddel met de hoogste adoptiegraad was de betaalpas: 96 procent had zo’n pasje. Iets meer dan de helft had een mobiele telefoon met een betaalapp waarmee in winkels kan worden betaald (52 procent), 46 procent had een creditcard, en 10 procent een smartwatch of een andere wearable waarmee betaald kan worden.

Mensen met een hbo- of wo-diploma hadden meer digitale betaalmiddelen dan degenen zonder zo’n diploma. Daarnaast hadden mensen met een hoog huishoudensinkomen meer verschillende digitale betaal­methodes dan mensen met een laag huishoudensinkomen. Ook het geslacht maakt uit. Zo had een hoger aandeel van de mannen een creditcard en contactloos betalen op de mobiele telefoon. Leeftijd speelt ook een rol. Een voorbeeld is creditcardbezit, dat het laagst was bij mensen van 35 jaar en jonger (32 procent). Er zijn ook regionale verschillen, zo was creditcardbezit het laagst in het noorden van het land.

Betaalpassen bij meerdere banken

Ruim driekwart van de mensen had in 2024 bij slechts één bank een betaalpas (figuur 3). Als bij deze bank of het kaartmerk van deze betaalpas (voorbeelden zijn Visa of Mastercard) het betalingsverkeer verstoord is, dan kunnen deze mensen niet uitwijken naar een andere bank of kaartmerk. Bijna een kwart van de Nederlanders heeft betaalpassen bij twee of meer banken. Zij beschikken hierdoor wel over deze uitwijkmogelijkheid.

Mensen met een hoog huishoudensinkomen, een hbo- of wo-diploma en mannen hadden vaker betaalpassen bij meerdere banken dan mensen met een laag huishoudensinkomen, zonder zo’n afgeronde opleiding, en vrouwen. Het aantal betaalpassen bij verschillende banken was het hoogst onder mensen uit de Randstad en het laagst onder inwoners in het noorden van Nederland.

Op huishoudensniveau kan het zijn dat de leden bij verschillende banken een betaalpas aanhouden. De weerbaarheid op huishoudensniveau zal derhalve hoger zijn dan op persoonsniveau. De betaaldagboekdata geven echter geen informatie over bij welke banken eventuele andere huishoudensleden een betaalrekening aanhouden. Ook is niet bekend via welk kaartmerk respondenten betalen.

Rekeninghouders bij een van de drie grootbanken hadden in 2024 minder vaak ook een betaalrekening bij een andere bank dan rekeninghouders van andere banken (tabel 2). Ruim twee derde van de Nederlanders met een betaalrekening bij de Rabobank had geen betaalrekening bij een andere bank. Bij ING is dit 65 procent en bij ABN Amro 61 procent. De meeste klanten met een betaalrekening bij een middelgrote of kleine bank hadden ook nog een betaalrekening bij een andere bank.

Het aantal banken waarbij men een betaalpas had, was relatief hoog onder mensen met een hbo- of wo-diploma en mensen met een hoog huishoudensinkomen. Personen van 35 jaar en jonger en inwoners van het noorden van Nederland zaten relatief vaak bij één bank.

Gebruik internetbankieren en mobiel bankieren

De meeste Nederlanders maakten in 2024 gebruik van internetbankieren via de computer of mobiel bankieren via de telefoon (tabel 3).Iets meer dan de helft gebruikte zowel internet- als mobiel bankieren, 31 procent maakte alleen gebruik van mobiel bankieren via de telefoon en 12 procent alleen van internetbankieren via de computer; 5 procent gebruikte geen van beide. Mocht er een landelijke storing zijn in het digitale betalingsverkeer op fysieke locaties, dan kunnen mensen met internetbankieren of mobiel bankieren in principe online bestellingen plaatsen en deze betalen via bijvoorbeeld een online overschrijving, iDEAL, creditcard, PayPal, of achteraf betalen. De vraag is natuurlijk wel of deze uitwijkmogelijkheid geschikt is voor het opvangen van een langdurige of uitgebreide verstoring in het digitale betalingsverkeer op fysieke locaties. De capaciteit van de aanbieders van online aankopen en bij de bezorgers van online aankopen, en de schaalbaarheid daarbij, spelen hier een cruciale rol.

Conclusie en implicaties

Nederlandse burgers kunnen zelf stappen zetten om beter voorbereid te zijn op een verstoring van het betalingsverkeer die 72 uur (drie dagen) duurt. Via actieve communicatie kunnen zij zich bewuster worden van het belang van weerbaarheid en hoe zij deze zelf kunnen vergroten. De MOB-adviezen kunnen hen helpen inzicht te krijgen wat nodig is om goed voorbereid te zijn op een noodsituatie, in aanvulling op adviezen van de overheid hoe burgers zich kunnen voorbereiden op een noodsituatie die 72 uur (of langer) duurt, zoals in de Denk Vooruit-campagne.

De stappen die gezet kunnen worden om weerbaarder te zijn, omvatten zowel het aanhouden van contant geld als het vergroten van de digitale uitwijkmogelijkheden. De meeste consumenten betalen hun aankopen aan de kassa digitaal en ter plekke. Het MOB adviseert huishoudens daarom om zeventig euro per volwassene en dertig euro per kind aan contant geld op voorraad te houden om zo’n noodsituatie van 72 uur te kunnen overbruggen.

In 2024 hielden velen minder contant geld aan: zeventig procent had minder dan vijftig euro op zak of in de huishoudpot. Een derde van de consumenten had in 2024 geen of slechts één digitale mogelijkheid die geschikt was voor betalingen bij fysieke verkooppunten, zoals winkels. Personen met geen of maar één digitale uitwijkmogelijkheid kunnen overwegen om hun weerbaarheid te vergroten door meerdere digitale betaalmiddelen te gaan aanhouden. Denk aan het bezit van verschillende betaalmiddelen en een werkende bankapp. Specifieke aandachtsgroepen zijn jonge mensen, vrouwen, mensen met een laag huishoudensinkomen en mensen zonder een hbo- of wo-diploma.

Het belangrijkste is dat huishoudens zich voorbereiden op een verstoring in het betalingsverkeer, niet hoe zij dat doen. Zij kunnen daarbij zelf het beste oordelen of ze met het advies over het aanhouden van contant geld en extra digitale terugvalopties uit de voeten kunnen, of dat ze deze aanpassen aan eigen uitgaven, behoeften, vaardigheden en budget.

Getty Images

Literatuur

DNB en Betaalvereniging Nederland (2025) Vooral jongeren en ouderen pinnen vaker aan de kassa. DNB Nieuwsbericht, 1 april.

Mestres Domènech, J. en Z. Martín Vilató (2025) The economic impact of the blackout in detail. CaixaBank Nieuwsbericht, 18 juni.

MOB (2025a) Advies MOB: Bereid je voor op drie dagen uitval ‘pinnen’. MOB Persbericht, 20 mei.

MOB (2025b) Denk vooruit, ook voor betalen. MOB Advies, 20 mei.

Nibud (2025) Advies minimumbedrag contant geld in huis voor nood­situaties. Nibud Rapport, mei.

NOS (2024) Banken komen met advies over cash in crisissituatie, 11 december. Te vinden op nos.nl.

Auteurs

Plaats een reactie