Importheffingen kennen, met name sinds het aangescherpte handelsbeleid van de VS, een heropleving. Economen zetten importheffingen vaak weg als plat protectionisme, maar voorspelbare importheffingen kunnen potentieel een doelmatig instrument zijn voor het terugdringen van aanhoudende handelstekorten.
In het kort
- Kapitaalinstroom kan de wisselkoers van een land kunstmatig hoog houden en voor een aanhoudend handelstekort zorgen.
- Aanhoudende handelstekorten kunnen bijdragen aan schuldopbouw, strategische kwetsbaarheden en politieke spanningen.
- Importheffingen creëren prijsprikkels die het herstel van de handelsbalans kunnen bevorderen.
Het nieuwe Amerikaanse beleid van importheffingen staat niet op zichzelf, maar weerspiegelt de groeiende aandacht voor strategische soevereiniteit in een context van toenemende geopolitieke spanningen. Ook in Europa voeden de hardnekkige handelstekorten met China al geruime tijd de zorg dat de open handelsrelatie leidt tot economische afhankelijkheid.
De inzet van importheffingen staat echter op gespannen voet met het dominante vrijhandelsparadigma. In het klassiek-economische denken wordt vaak gesteld dat wisselkoersen de handelsbalans vanzelf stabiliseren via het marktmechanisme (Obstfeld en Rogoff, 2000; Krugman en Obstfeld, 2018). Een tekort op de lopende rekening zou leiden tot een depreciatie van de eigen munt, doordat importeurs buitenlandse valuta aankopen om buitenlandse leveranciers te betalen. De hieruit voortvloeiende verkoopdruk leidt tot depreciatie van de munt van het tekortland, die de import relatief duurder maakt en het binnenlandse product relatief goedkoper. Op deze wijze zou het prijsmechanisme automatisch het evenwicht terugbrengen in de internationale handel en daarmee verhinderen dat buitenlandse vorderingen op binnenlandse activa zich onbeperkt kunnen opbouwen.
Sinds de val van Bretton Woods begin jaren zeventig is het internationale handelsbeleid gebaseerd op een vertrouwen in die vermeende zelfcorrigerende werking van internationale valutamarkten. Dat vertrouwen is deels te verklaren vanuit de stabiliserende functie die wisselkoersen in het verleden ook altijd hadden. Maar die koersaanpassingen werden destijds vaak niet bewerkstelligd via marktwerking, maar via kapitaalcontroles en vaste prijzen ten opzichte van de dollar. Wanneer landen werden geconfronteerd met aanhoudende handelstekorten, werd de wisselkoers lager gezet om tekorten terug te dringen en excessieve schuldopbouw te voorkomen (Eichengreen, 2008).
Na het uiteenvallen van het Bretton Woods-systeem is de internationale prijsvorming in toenemende mate aan de markt overgelaten. Daarbij is het de afgelopen decennia steeds duidelijker geworden dat de liberalisering van de wisselkoersen niet heeft geleid tot het gewenste evenwicht in de wereldhandel. Handelstekorten kunnen langdurig aanhouden zonder dat het tot een corrigerende depreciatie leidt – en vooral economieën met open kapitaalmarkten blijken kwetsbaar.
In dit artikel betoog ik dat handelstekorten wel degelijk meer kunnen zijn dan tijdelijke marktverschijnselen en kunnen leiden tot structurele afhankelijkheden en geopolitieke kwetsbaarheid, en dat importheffingen – ingebed in een voorspelbaar institutioneel kader – wel degelijk kunnen bijdragen aan het mitigeren van de belangrijkste risico’s.
Kapitaalstromen
In een wereld van vrije valutamarkten en kapitaalverkeer worden wisselkoersen niet slechts bepaald door handelsstromen, maar ook door internationale kapitaalstromen. De Verenigde Staten vormen hierbij een sprekend voorbeeld: sinds de jaren tachtig kennen zij vrijwel onafgebroken tekorten op de lopende rekening, zonder een noemenswaardige verzwakking van de dollar. Daarbij speelt dat internationale kapitaalbezitters hun tegoeden graag aanhouden in relatief veilige activa, zoals Amerikaans staatspapier. Deze voorkeur onder beleggers leidt tot een structurele kapitaalinstroom en dollaraankopen die opwaartse prijsdruk zetten op de Amerikaanse munt (Rey, 2013; Borio, 2014). Deze kapitaalinstroom kan daarmee de depreciatie afremmen die volgens de klassieke theorie het externe evenwicht zou moeten herstellen (Bernanke, 2005; Gourinchas en Rey, 2007; Caballero et al., 2008).
De kapitaalinstroom en de daarmee samenhangende structurele appreciatie van de valuta heeft aanzienlijke destabiliserende gevolgen. Zo beïnvloedt een sterkere munt de winstgevendheid van de internationaal verhandelbare sector: binnenlandse productie wordt relatief duurder, terwijl geïmporteerde goederen goedkoper worden. Wanneer deze appreciatie een structureel karakter krijgt, werkt ze door in de investeringsbeslissingen van bedrijven: de verwachte rendementen in exportgerichte en met import concurrerende sectoren nemen af, waardoor investeringen worden uitgesteld of naar het buitenland worden verplaatst. Dit effect van kapitaalinstroom is breed onderzocht en staat bekend als het Dutch disease-effect. Het kan leiden tot de-industrialisatie en een verschuiving van economische activiteit richting consumptie, financiële dienstverlening en vastgoed (Corden en Neary, 1982). Een gebrek aan investeringen in de verhandelbare sector beperkt bovendien het vermogen van een economie om handelstekorten in de toekomst om te buigen.
Daarnaast beïnvloedt een aanhoudende kapitaalinstroom ook de kredietvoorwaarden en balansverhoudingen. Door de instroom van buitenlands kapitaal dalen de financieringskosten en neemt de beschikbaarheid van krediet toe, waardoor huishoudens en overheden hun bestedingen kunnen verhogen zonder dat daar hogere inkomens of productie tegenover staan (Bernanke, 2005; Gourinchas en Rey, 2007). Structurele handelstekorten leiden op deze wijze tot een lagere nationale spaarquote en oplopende schuldposities.
De dynamiek van ontsparing en financialisering gaat veelal samen met stijgende prijzen van bestaande activa, zoals vastgoed en aandelen, die de risico’s voor financiële stabiliteit vergroten (Jordà et al., 2016). De kapitaalmobiliteit kan tevens de effectieve belastingheffing op kapitaalaanwas bemoeilijken, waardoor de belastingdruk naar arbeid verschuift en maatschappelijke spanningen kunnen toenemen (Piketty, 2014; Zucman, 2014; Rodrik, 2018).
Institutionele correctiemechanismen
Vrije valutamarkten corrigeren handelsonevenwichtigheden dus niet altijd automatisch en kunnen die bij open kapitaalmarkten zelfs significant versterken. Dat roept de vraag op hoe het evenwicht in de handel beter zou kunnen worden gewaarborgd.
Ook in het verleden werden al institutionele correctiemechanismen ontwikkeld. Zo zorgden internationale goudstromen altijd voor een corrigerend mechanisme onder de klassieke goudstandaard. Landen met aanhoudende tekorten verloren goudreserves, wat leidde tot monetaire verkrapping, dalende prijzen en uiteindelijk een afname van de import. Overschotlanden ontvingen juist goud, wat in theorie tot ruimere kredietverlening, hogere prijzen en stijgende import zou moeten leiden. In de praktijk verliep de aanpassing echter veelal asymmetrisch en bleek deflatie vaak excessieve destabiliserende gevolgen voor de tekortlanden te hebben (Eichengreen, 1992).
Ook na de Tweede Wereldoorlog stond de vraag centraal hoe het handelsevenwicht beter kon worden bewaakt. Keynes pleitte destijds voor een internationale clearingunie, als institutioneel tegenwicht voor de hardnekkige mercantilistische reflexen waarbij landen structurele handelsoverschotten nastreven. Binnen dit systeem van een internationale clearingunie waren nationale munten gekoppeld aan een internationale rekeneenheid, terwijl wisselkoersen konden appreciëren of depreciëren om de handelsbalans te stabiliseren. Dat leidde uiteindelijk tot het Bretton Woods-systeem met instituties zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de internationale goudstandaard. Dit systeem beperkte prikkels en mogelijkheden om handelsoverschotten langdurig in stand te houden, maar de wisselkoersaanpassingen bleven in belangrijke mate afhankelijk van discretionaire internationale politieke besluitvorming. Een voorspelbaar technocratisch devaluatiemechanisme ontbrak en dat speelde uiteindelijk een grote rol bij de val van Breton Woods in de jaren zeventig (Steil, 2013).
De historische zoektocht naar stabilisatiemechanismen wijst op een terugkerend politiek-economisch uitgangspunt: duurzaam extern evenwicht geldt vaak als voorwaarde voor strategische soevereiniteit, economische beleidsruimte en politieke stabiliteit. Wanneer structurele handelstekorten deze waarden onder druk zetten, krijgt het bewaken van de handelsbalans een publiek belang dat verder reikt dan het belang van efficiëntie en onbelemmerde markttoegang.
Importheffingen als unilaterale stabilisatie
Wat de historische oplossingsrichtingen gemeen hebben, is hun multilaterale karakter. Zowel de klassieke goudstandaard als Bretton Woods was gebaseerd op internationale afspraken over monetaire verhoudingen en mechanismen om externe onevenwichtigheden te corrigeren.
In de huidige geopolitieke context staan multilaterale instituties echter steeds meer onder druk, mede door een afnemend vertrouwen in de internationale samenwerking en het gewijzigde handelsbeleid van de Verenigde Staten.
Importheffingen kunnen een unilateraal alternatief vormen op deze institutionele correctiemechanismen. Landen kunnen eenzijdig reageren op het risico van aanhoudende handelstekorten zonder daarbij afhankelijk te zijn van internationale politieke consensus. Importheffingen grijpen direct in op de prijzen en kunnen daarmee correctiemechanismen activeren die via valutamarkten niet altijd spontaan of tijdig tot stand komen.
In die zin hoeven importheffingen niet per se te worden opgevat als een afwijzing van vrijhandel. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ze ook worden gezien als een institutionele aanvulling op het marktmechanisme dat de handelsbalans door vrije prijsvorming dient te stabiliseren.
Importheffingen maken het buitenlandse product relatief duurder en hebben daarmee een effect dat vergelijkbaar is met een depreciatie: import wordt relatief duurder en binnenlandse productie daarmee relatief aantrekkelijker. Het relatieve prijsvoordeel vergroot het potentiële marktaandeel van de eigen internationaal verhandelbare sector en versterkt daarmee de investeringsprikkels in deze sector. Dit kan leiden tot nieuwe allocaties van kapitaal en arbeid richting internationaal concurrerende productie, waardoor de aanbodzijde van de economie wordt versterkt.
Tevens kunnen hogere importprijzen bijdragen aan een hogere inflatie in het land dat ze invoert, wat kan leiden tot lagere reële schuldniveaus en – afhankelijk van de monetaire beleidsreactie – hogere reële rentevoeten. Dit zou de consumptieve kredietverlening en speculatieve beleggingen kunnen afremmen, terwijl productieve investeringen in de internationaal verhandelbare sectoren juist relatief aantrekkelijker worden.
In hoeverre importheffingen daadwerkelijk een nuttig instrument zijn voor het herstellen van het handelsevenwicht, is momenteel onderwerp van debat. In de recente Nederlandse discussie, onder meer in ESB, wordt soms betoogd dat importheffingen geen effectief instrument zouden kunnen zijn (Sommer en Meijerink, 2025). Empirisch onderzoek laat ook zien dat de beoogde effecten van importheffingen zich niet onmiddellijk manifesteren. Zo constateren Feij en Stoop (2026) dat recente cijfers nog geen duidelijke heropleving van de Amerikaanse maakindustrie aantonen.
Maar het uitblijven van een directe reactie kan moeilijk worden opgevat als bewijs dat prijsprikkels geen effect hebben. Aanpassingen aan de aanbodzijde verlopen doorgaans traag, zeker in kapitaalintensieve sectoren. Bovendien hangt de effectiviteit van importheffingen sterk af van de voorspelbaarheid en geloofwaardigheid van het beleid. Wanneer maatregelen als tijdelijk of politiek wisselend worden ervaren, zullen bedrijven terughoudend blijven met investeringen, zelfs als kortetermijnprijsprikkels duidelijk in die richting wijzen.
Wel is een consistent en institutioneel geloofwaardig beleidskader essentieel voor een effectieve werking. Dat importheffingen onder bepaalde omstandigheden economisch doelmatig kunnen zijn, betekent dus niet dat iedere toepassing ervan doelmatig is. Veel kritiek op de recente Amerikaanse handelsmaatregelen betreft juist die beperkte voorspelbaarheid, de selectieve toepassing en het ontbreken van een geloofwaardig institutioneel kader. De economische vraag is daarom niet óf importheffingen ooit gerechtvaardigd kunnen zijn, maar onder welke voorwaarden deze effectief, proportioneel en voorspelbaar zouden kunnen uitwerken.
Een voorspelbaar stabilisatiemechanisme
Om de prijsprikkels van importheffingen goed te verankeren, zou een unilateraal stabilisatiemechanisme kunnen worden overwogen dat is gekoppeld aan de ontwikkeling van het saldo op de lopende rekening. Een dergelijke harde koppeling kan de beleidsdiscretie beperken en daarmee de voorspelbaarheid vergroten die nodig is om investerings- en allocatiebeslissingen duurzaam te beïnvloeden. Een mogelijke uitwerking is een uniforme importheffing die jaarlijks wordt aangepast op basis van een vijfjarig voortschrijdend gemiddelde van het saldo op de lopende rekening, zodat conjuncturele schommelingen minder zwaar wegen. Wanneer dit gemiddelde een structureel handelstekort laat zien, kan de heffing stapsgewijs worden verhoogd, bijvoorbeeld in jaarlijkse stappen van tien procent. Wanneer het tekort omslaat in een overschot, dient de heffing in dezelfde stappen weer te worden afgebouwd naar nul.
Een dergelijk unilateraal stabilisatiemechanisme kan de verwachtingen van bedrijven en investeerders op middellange termijn effectief beïnvloeden, waardoor prijsprikkels daadwerkelijk doorwerken in investeringsbeslissingen en in de allocatie van kapitaal en arbeid. Het instrument krijgt daarmee een macro-economisch karakter, gericht op het corrigeren van tekorten die voortvloeien uit structurele verstoringen van handelsprijzen door kapitaalinstroom. De Europese Unie lijkt, gezien haar sterke juridische en institutionele waarborgen, bij uitstek in staat om een dergelijk instrument geloofwaardig en autonoom in te zetten.
In een wereld van vrije kapitaalstromen, waarin wisselkoersen niet automatisch voor extern evenwicht zorgen, kunnen importheffingen onder bepaalde omstandigheden deel uitmaken van doelmatig economisch beleid. Door handelstekorten te beperken, kan een dergelijk beleid bijdragen aan Europese onafhankelijkheid en financiële weerbaarheid. Mits transparant en non-discretionair vormgegeven, kunnen importheffingen ook een positieve bijdrage leveren aan het lokale investeringsklimaat en de verduurzaming van internationale relaties.
Ten slotte biedt het instrument tevens mogelijkheden voor diversificatie, bijvoorbeeld om strategisch relevante productiecapaciteit te borgen of oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Ook het huidige Carbon Border Adjustment Mechanism is immers als importheffing bedoeld om ruimte te scheppen voor noodzakelijke investeringen in koolstofvrije productie.

Literatuur
Bernanke, B.S. (2005) The global saving glut and the U.S. current account deficit. Sandridge Lecture, Virginia Association of Economists. 10 maart, Richmond, VA.
Borio, C. (2014) The financial cycle and macroeconomics: What have we learnt? Journal of Banking & Finance, 45, 182–198.
Caballero, R.J., E. Farhi en P.-O. Gourinchas (2008) An equilibrium model of ‘global imbalances’ and low interest rates. The American Economic Review, 98(1), 358–393.
Corden, W.M. en J.P. Neary (1982) Booming sector and de-industrialisation in a small open economy. The Economic Journal, 92(368), 825–848.
Dommerholt, B. en M. van Loon (2025) Beperkt begrip van geld voedt misverstanden over economie. ESB, 110(4847), 326–329.
Eichengreen, B. (1992) Golden fetters: The gold standard and the Great Depression, 1919–1939. Oxford, VK: Oxford University Press.
Eichengreen, B. (2008) Globalizing capital: A history of the international monetary system. Tweede editie. Princeton, NJ: Princeton University Press.
Feij, G. en R. Stoop (2026) Importheffingen leiden nog niet tot wedergeboorte maakindustrie VS. ESB, 111(4856), 178–180.
Gourinchas, P.-O. en H. Rey (2007) International financial adjustment. Journal of Political Economy, 115(4), 665–703.
Jordà, Ò., M. Schularick en A.M. Taylor (2016) The great mortgaging: Housing finance, crises and business cycles. Economic Policy, 31(85), 107–152.
Krugman, P.R. en M. Obstfeld (2018) International economics: Theory and policy. Elfde editie. Harlow: Pearson.
Obstfeld, M. en K. Rogoff (2000) The six major puzzles in international macroeconomics: Is there a common cause? In: B.S. Bernanke en K. Rogoff (red.), NBER macroeconomics annual 2000. Cambridge, MA: MIT Press, p. 339–390.
Piketty, T. (2014) Kapitaal in de 21ste eeuw. Amsterdam: De Bezige Bij.
Rey, H. (2013) Dilemma not trilemma: The global financial cycle and monetary policy independence. In: Proceedings of the Federal Reserve Bank of Kansas City Economic Symposium at Jackson Hole, 285–333.
Rodrik, D. (2018) Straight talk on trade: Ideas for a sane world economy. Princeton, NJ: Princeton University Press.
Sommer, R. en G. Meijerink (2025) De (on)mogelijke redenering achter Trumps handelsbeleid. ESB, 110(4852), 552–555.
Steil, B. (2013) The battle of Bretton Woods: John Maynard Keynes, Harry Dexter White, and the making of a new world order. Princeton, NJ: Princeton University Press.
Zucman, G. (2014) Taxing across borders: Tracking personal wealth and corporate profits. The Journal of Economic Perspectives, 28(4), 121–148.
Auteur
Categorieën