Sinds het oordeel van de Hoge Raad in 2021 dat de oude forfaitaire regeling in box 3 in strijd was met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, is vermogensbelasting onderwerp geworden van een luid politiek en maatschappelijk debat. Dat debat gaat zowel over de hoogte van de belasting als de vorm. Het is van belang om die twee uit elkaar te houden.
Hoogte belasting
De hoogte van de belasting staat ter discussie tegen de achtergrond van de groeiende tweedeling tussen huishoudens met en zonder vermogen.
Die ongelijkheid ontstaat ten eerste door de snelle vermogensgroei. Ewoud Abspoel en Coen Teulings laten zien dat het vermogen van de top zestien-procent tussen 2006 en 2020 vijftig procent sneller is gegroeid dan het bruto binnenlands product. Het verschil met de grote groep huishoudens zonder enig vermogen is hierdoor fors toegenomen. Die groeiende rol van vermogen valt ook terug te zien in de arbeidsinkomensquote: kapitaalinkomen wordt steeds belangrijker ten opzichte van arbeidsinkomen (Van Moock en Hebbink, 2026).
Ten tweede, slaat het deel van de vermogensgroei dat het gevolg is van de stijgende huizenprijzen relatief vaak neer bij 75-plussers, zo tonen Dirk Brounen, Nils Kok en Jonas Wogh aan. Dit vermogen zal de komende decennia worden doorgegeven in de volgende generaties, wat zorgt voor een scherpe tweedeling tussen erfgenamen van erflaters met en zonder een eigen huis.
Vermogensongelijkheid beteugelen
Met de toenemende ongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogen nemen de pleidooien voor een hogere belasting van vermogen toe (Zucman, 2026). Zo pleit Lisa Herzog in dit nummer voor een hogere erfenisbelasting omdat groeiende ongelijkheid kan leiden tot uitholling van de democratie en maatschappelijke onvrede en polarisatie. En Jesse Kremer laat zien dat de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek of de verhoging van het eigenwoningforfait ongelijkheid op termijn kan verminderen. Andersom kan een vrijstelling op erfenissen van huurders de ongelijkheid beperken, zoals Brounen et al. suggereren.
De linkerkant van de Tweede Kamer ziet ook een belasting op vermogen (in plaats van of in aanvulling op het inkomen daaruit) als optie voor box 3. Zowel Vinzenz Ziesemer als Ruud van den Dool, Aart Gerritsen en Bas Jacobs benadrukken echter dat zo’n belasting minder effectief is in het terugdringen van de ongelijkheid. Een belasting op vermogensinkomsten nivelleert meer omdat het vooral hogere rendementen zijn die voor vermogensgroei zorgen.
De pleidooien voor hogere belastingen op vermogen stuiten op weerstand ter rechter zijde van het politieke spectrum. Zo wordt gevreesd voor een kapitaalvlucht als belastingen te hoog worden ervaren (Jacobs, 2025a), al blijft de omvang daarvan tot dusver doorgaans beperkt (Advani et al., 2025).
Vorm belasting
De politieke discussie over de hoogte van de belasting zal bij veel mensen in het achterhoofd zitten als het om box 3 gaat. Tegelijkertijd voeren economen echter nog een ander debat: hoe geven we de belasting zo vorm dat die de economie het minst verstoort? Voor economen is het een gegeven dat wanneer men een belastingstelsel ontwerpt, onnodige economische verstoringen in spaar- en investeringsgedrag vermeden moeten worden (Jacobs, 2025b). Daarmee bedoelen economen niet: hef geen belastingen. Maar: hef belastingen die het gedrag van mensen zo min mogelijk verstoren. Men zou investeringskeuzes immers niet moeten baseren op toevallige fiscale verschillen tussen vermogensvormen, maar op werkelijke risico-rendementsverhoudingen. Hoe meer belastingen die keuzes zonder duidelijke grond verstoren, hoe meer de welvaartsverliezen toenemen. Zo stimuleren de huidige belastingen nu om (meer) te lenen bij het kopen van het huis zonder dat daar een economische grond voor lijkt (Swank en Van der Windt, 2025).
Wat betreft box 3 beargumenteren Van den Dool et al. dat een vermogenswinstbelasting (vwb) minder doelmatig is dan een vermogensaanwasbelasting (vab) omdat de vwb, vanwege het rente-op-rente-effect, prikkelt tot uitstel van winstneming. En een vab benadeelt spaarders en beleggers in obligaties ook niet, evenals minder vermogenden. Dat maakt een vab doelmatiger en rechtvaardiger.
Het nadeel van een vab is dat het bij het belasten van illiquide vermogen kan leiden tot liquiditeitsproblemen, zo legt Vinzenz Ziesemer in deze ESB uit. Het kabinet wil aan dit bezwaar tegemoetkomen door vastgoed en start-upaandelen via een vwb te belasten, hoewel dat wel meer verstorende gedragseffecten met zich meebrengt. Een retrospectieve heffing lost dit op, zo betogen Bjorn Roozenbeek, Albert Jan Hummel en Vinzenz Ziesemer, en kan dezelfde opbrengst genereren als een vwb tegen een lager belastingtarief, toont Bas Jacobs.
De discussie over de vormgeving van de belasting op vermogen is overigens breder dan alleen box 3: ook door de verschillende belastingvormen en -tarieven in box 1, 2 en 3 ontstaan er ongewenste gedragseffecten. Zo wordt vermogen in box 2 en 3 minder belast dan inkomen in box 1, wat bijvoorbeeld dga’s aanzet tot het uitkeren van meer kapitaalinkomen, zien Frank van Moock en Gerbert Hebbink. Ook zorgt de vwb in box 2 voor een dalende effectieve belastingdruk bij uitstel van winstneming, wat beleggers kan motiveren vermogen naar box 2 over te hevelen, zeker als in box 3 geen achterwaartse verliesverrekening doorgevoerd wordt zoals de andere boxen die kennen. Idealiter wordt de belasting op vermogen dus integraal hervormd (Jacobs, 2025b).
Houd vorm en hoogte uit elkaar
Het economische debat over de optimale vorm van belastingheffing wordt gemakkelijk verward met het maatschappelijke debat over de gewenste hoogte van de heffing. Dat heeft als risico dat adviezen van economen over de vorm, onterecht geïnterpreteerd worden als een (impliciet) pleidooi voor of tegen een hogere belasting (Brand, 2026).
Het is dus belangrijk om vorm en hoogte te onderscheiden. Via verschillende belastingvormen kan tenslotte, afhankelijk van het tarief, dezelfde belastingopbrengst bereikt worden, terwijl de ene vorm mogelijk meer ongewenste gedragseffecten oplevert dan de andere. Voorzichtigheid is dan ook geboden in het interpreteren van belastingvormvoorstellen zoals een vab ten opzichte van een vwb; een betoog voor een bepaalde vorm impliceert niet direct een betoog voor een bepaalde hoogte.
Uiteraard is het lastig om vorm en hoogte volledig te scheiden: elke aanpassing in het belastingstelsel raakt mensen direct en zal in de praktijk winnaars en verliezers kennen. Maar laat debatten over de gewenste vorm en hoogte van de belasting niet in spraakverwarring verzanden.
Literatuur
Advani, A., D. Burgherr en A. Summers (2025) Taxation and migration by the super-rich. CESifo Working Paper, 11870.
Brand, M. (2026) Een econoom die niet in rente-op-rente gelooft?! Het Financieele Dagblad, 26 mei.
Jacobs, B. (2025a) Linkse partijen jagen belasting op vermogen ondoordacht op. Blog op esb.nu, 17 oktober.
Jacobs, B, (2025b) Volgend kabinet moet de belasting op vermogensinkomsten, vermogen en erfenissen pragmatisch hervormen. Blog op esb.nu, 28 juli.
Swank, J. en N. van der Windt (2025) Stop per direct met hypotheekrenteaftrek bij nieuwe leningen. ESB, 110(4851), 498–500.
Zucman, G. (2026) Miljardairs betalen geen inkomstenbelasting en daar gaan we een einde aan maken. Amsterdam: Atlas Contact.
Auteur
Categorieën