Ga direct naar de content

Het wordt echt tijd voor een plan B voor Tata en IJmuiden

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 2 2026

In zijn recente ESB-bijdrage verdedigt Pieter Boot de voorgenomen maatwerkafspraken van de overheid met Tata Steel Nederland (TSN). Zijn argumenten houden op beslissende punten echter geen stand: de businesscase is twijfelachtig en de maatschappelijke noodzaak voor steun ontbreekt.

In het kort

  • De effectieve stroomkosten zijn in Nederland wel degelijk relatief hoog: de groothandelsprijs is niet de relevante maatstaf.
  • De concurrenten van TSN kiezen voor het opsplitsen van de keten en vlamboogovens met extern geproduceerde ijzerinput.
  • De politiek moet serieus naar alternatieven kijken: het investeren in een vlamboogoven of een gecontroleerde sluiting.

Pieter Boot (2026) en ook Gert Jan Kramer en Machiel Mulder (Energeia, 2026), hebben recentelijk betoogd dat de kritiek op de Tata-maatwerkafspraken overdreven is. Op een aantal beslissende punten houdt hun analyse echter geen stand. De businesscase van TSN na vergroening is twijfelachtig en ook de maatschappelijke argumenten voor vergroening overtuigen niet, zo laat ik in dit artikel zien.

Businesscase niet overtuigend

De businesscase voor een vergroende staalfabriek in IJmuiden berust op een reeks aannames die bij nadere beschouwing niet houdbaar zijn.

De energieprijs die ertoe doet

Boot en Mulder stellen dat Europese groothandelsprijzen voor elektriciteit convergeren door toenemende interconnectie, en dat het kostennadeel van Nederland daarom meevalt. Dat argument gaat voorbij aan hoe de energiekosten voor een waterstofstaalfabriek daadwerkelijk tot stand komen: bij energie-intensieve productie is niet de groothandelsprijs bepalend maar de effectieve elektriciteitsprijs van opwek en transport. Met de verschuiving naar hernieuwbare energiebronnen is er een trend aan het ontstaan waarbij de industrie zich vestigt op locaties waar het zelf opwekken van hernieuwbare elektriciteit goedkoop is, de zogenaamde renewables pull (Verpoort et al., 2024). Dit geldt niet alleen voor staal, ook in de chemische industrie worden productielocaties steeds vaker ontworpen rond geïntegreerde eigen opwek, de zogenaamde ‘island mode’ (TNO, 2024). Want wanneer je je eigen elektriciteit opwekt, ben je minder afhankelijk van de groothandelsmarkt, zijn de kosten voorspelbaar, en zijn er minder netwerkkosten verschuldigd.

De trend van verschuiving naar locaties waar eigen energie-opwek goedkoop is, is ook relevant voor de staalindustrie omdat de kostprijs bij waterstofstaal fundamenteel verschuift: terwijl nu driekwart van de kosten van staalproductie uit grondstoffen bestaat, wordt bij waterstofstaal 35 tot 60 procent bepaald door elektriciteit en waterstof (BCG, 2023).

Blom en Wijers (2024) becijferden dat waterstofstaalproductie elders in Europa vijftien tot twintig procent goedkoper is. Met een gemiddelde winstmarge van TSN van 1,7 procent tussen 2013 en 2024 (zie de berekening in de online versie van dit artikel) is dat het verschil tussen een levensvatbaar bedrijf en een structureel verliesgevende operatie.

Overigens leunt de analyse van AFRY (2025) van de ontwikkeling van de Europese groothandelsprijzen, waar Boot naar verwijst, op aannames die op zijn minst optimistisch zijn: in hun model komt nieuwe offshore-wind in Nederland alleen met subsidie tot stand, en de veronderstelde uitrol van interconnectiecapaciteit is historisch zonder precedent. Naar verwachting zal een groot deel van de Europese landen hun targets voor 2030 missen (Ember, 2025). Het is bovendien niet in het belang van landen met goedkope energie om hieraan mee te betalen. Noorwegen, met een van de grootste natuurlijke energiebronnen van Europa, aarzelt om interconnectie uit te breiden omdat de kosten daarvan binnenlands neerslaan terwijl de baten Europees zijn (Silvester, 2025).

Logistieke kosten zijn beperkt

Kramer stelt dat industrie zich niet makkelijk verplaatst omdat logistieke knooppunten met goede verbindingen naar leveranciers en afnemers ook relevant zijn (Energeia, 2026). Maar logistieke kosten vertegenwoordigen bij waterstofstaal slechts vijf tot tien procent van de kostprijs (BCG, 2023). Bovendien toont de praktijk dat afstand geen onoverkomelijk obstakel is: Spaanse staalproducenten leveren nu al substantiële hoeveelheden plaatstaal aan de Duitse markt (TradeMap, 2024). Als staal vanuit Asturië (Spanje) verhandeld wordt met Duitsland, vervalt het argument dat productie per se dicht bij de afzetmarkt moet plaatsvinden.

De stelling van Kramer, dat IJmuiden gunstiger gelegen is dan Midden-Duitsland of Oostenrijk, blijkt ook niet uit de handelscijfers: Oostenrijk levert vanuit het Alpengebied meer plaatstaal aan Duitsland dan Nederland vanuit IJmuiden (figuur 1).

Markt beweegt juist naar het splitsen van de keten

Boot verwijst naar het SIL (2025) dat stelt dat ombouw makkelijker is dan nieuwbouw. Maar wat TSN voorstelt is geen ombouw: de productie van waterstofstaal vergt een volledig nieuw opgebouwde productieketen, waarin de kostenstructuur fundamenteel verandert. De productie van waterstofstaal bestaat uit twee stappen: de reductie van ijzererts tot ijzer (DRI) en de omzetting tot staal in een vlamboogoven. Die twee stappen zijn qua energieverbruik fundamenteel verschillend: de eerste vergt circa 1,9 megawattuur per ton, de tweede slechts 0,7 (cijfers volgens Vogl et al. (2018), bij dertig procent schroot: Tata’s doel voor 2030). Juist omdat de eerste reductiestap zo energie-intensief is, wil TSN in de eerste jaren fossiel gas gebruiken, in afwachting van betaalbaar groen biogas of waterstof. Maar datzelfde energieverbruik maakt het ook economisch logisch om de keten op te splitsen: produceer het ijzer daar waar energie goedkoop is, en maak het staal waar de afzetmarkt is.

Het opsplitsen van productieketens naar locaties met goedkope hernieuwbare energie is geen theoretische exercitie – de voorbeelden die Boot zelf noemt, laten zien dat dit in de markt al gaande is. ArcelorMittal heeft in Bremen en Gent de subsidies voor waterstoffabrieken respectievelijk teruggegeven en vertraagd, en investeert in plaats daarvan in vlamboogovens in Duinkerken en Asturië, gevoed met ijzer uit Texas, waar op den duur waterstofijzer vandaan kan komen. Tegelijkertijd co-investeert ArcelorMittal in HyDeal España, een project met 3.000 hectare aan zonneopwek voor geïntegreerde waterstofproductie, een model van renewables pull dat in Nederland door ruimtegebrek niet realiseerbaar is op de schaal die nodig is (ArcelorMittal, 2022; 2026a; 2026b; Argusmedia, 2025; Belga, 2025; Eurometal; 2025).

Het tweede voorbeeld dat Boot aanhaalt als een succesverhaal, Voestalpine, volgt dezelfde route. Dat bedrijf bouwt twee vlamboogovens in Linz en Donawitz (Oostenrijk) met, vanaf 2027, een jaarlijkse productiecapaciteit van 2,5 miljoen ton staal. Deze worden gevoed met schroot, aangevuld met ijzer uit een productiefaciliteit in Texas, waar Voestalpine sinds 2022 voor twintig procent in co-investeert en die op den duur waterstofijzer kan produceren (Voestalpine, 2025).

Een derde voorbeeld is Tata Steel UK, dat de fossiele hoogoven in Port Talbot heeft gesloten en nu een vlamboogoven bouwt, operationeel vanaf 2027. Veelzeggend is dat de argumentatie die Tata Steel UK zelf hanteert vóór de vlamboogroute, lijnrecht ingaat tegen de argumentatie die in Nederland wordt gehanteerd tégen diezelfde route. Zo wordt gesteld dat Nederland zonder hoogoven alleen laagwaardig staal zou kunnen produceren (Blom en Wijers; 2024); Tata Steel UK stelt daarentegen dat met de huidige vlamboogtechnologie al zo’n negentig procent van het benodigde productassortiment haalbaar is, en dat toevoeging van geïmporteerd ijzer ook de meest veeleisende (‘demanding’) toepassingen mogelijk maakt. Verder wordt in Nederland strategische autonomie aangevoerd als argument vóór de hoogoven; Tata Steel UK stelt juist dat hergebruik van eigen schroot – in plaats van import van ijzererts en steenkool voor een hoogoven – de zelfvoorzieningsgraad op Britse schaal aanzienlijk vergroot (Tata Steel UK, 2024).

Als de drie Europese staalbedrijven die inzetten op vergroening in toenemende mate kiezen voor het splitsen van de keten en het importeren van ruwijzer, is het op zijn minst opmerkelijk dat de Nederlandse overheid twee miljard euro inzet op het tegenovergestelde model: de volledige keten op één locatie, afhankelijk van duur vloeibaar fossiel gas en dure offshore-elektriciteit.

Rol op Europese staalmarkt beperkt

Boot stelt terecht dat we het belang van TSN Europees moeten beoordelen, omdat twee derde van de productie naar de rest van Europa gaat. Maar juist als je Europees kijkt, valt op hoe beperkt de rol van TSN in de staalmarkt is. De positie als leverancier aan Duitsland is niet uniek: handelscijfers uit TradeMap (2026) voor plaatstaal laten zien dat België, Frankrijk en Oostenrijk samen de helft leveren (figuur 1). Duitsland haalt slechts elf procent van zijn plaatstaal uit Nederland. Deze cijfers omvatten bovendien ook doorvoer via de havens van Rotterdam en Antwerpen, waardoor het werkelijke Nederlandse en Belgische productieaandeel nog lager zal liggen.

IJmuiden lijkt dus een van de vele leveranciers. Ook de gemiddelde winstmarge tussen 2013 en 2024 van 1,7 procent past bij een commodity-producent, niet bij een onvervangbare schakel in de keten.

Tata Steel India is ook voorzichtig

Dat de businesscase twijfelachtig is, blijkt ook uit de opstelling van Tata Steel India. Boot stelt dat we blij moeten zijn dat een Indiaas bedrijf in Nederland wil investeren. Maar zoals hoogleraar Bartman (2026) in het Financieele Dagblad laat zien, ontbreekt in de intentieverklaring elke zekerheid dat Tata Steel India daadwerkelijk bijdraagt of garant staat voor de verplichtingen. “Aanmoedigen is gratis”, aldus Bartman. Tata Steel India lijkt dus geen risico te (willen) nemen.

Maatschappelijke noodzaak ontbreekt

Terwijl de businesscase van TSN dus twijfelachtig is, overtuigen ook de maatschappelijke argumenten voor steun aan de fabriek niet.

Helpt niet voor strategische autonomie

De vervangbaarheid van IJmuiden op de Europese staalmarkt maakt dat TSN niet cruciaal lijkt voor de Europese strategische autonomie. De huidige maatwerksubsidie verruilt bovendien bestaande importafhankelijkheden (van ijzererts en kolen) in voor nieuwe: na vergroening is er immers geïmporteerd vloeibaar fossiel gas nodig. Daarnaast zal het bedrijf op een aanzienlijk smaller leveranciersbestand leunen voor speciaal DRI-erts: de Australische leveranciers, waar bijna veertig procent van het ijzererts vandaan komt, zullen grotendeels wegvallen omdat het DRI-proces een hogere ertszuiverheid vereist dan Australië momenteel exporteert (Climateworks, 2023; WorldPopulation Review, 2026).

Bij sluiting van de hoogovens zou Nederland staal kunnen importeren van tientallen leveranciers, zowel binnen als buiten Europa. Zo draaien in Europa al circa 130 vlamboogovens, op gemiddeld 65 procent van hun capaciteit (Eurofer, 2025). Strategische autonomie pleit eerder vóór diversificatie van staalimport dan voor één geconcentreerde, gasafhankelijke fabriek. Het huidige plan vergroot juist de afhankelijkheid van de VS en het Midden-Oosten – regio’s waar Europa strategisch onafhankelijker van wil worden.

CO2-reductie veel beperkter en duurder dan voorgesteld

Terwijl TSN dus niet onmisbaar lijkt, is ook de in de maatwerkafspraak gerealiseerde uitstootreductie niet zo kosteneffectief als Boot (2026) suggereert. Hij beroept zich op het advies van de AMVI (2025), waarvan hij zelf lid is, dat de maatwerkafspraken een emissiereductie opleveren van 28 euro per ton CO2. Die berekening is echter onvolledig, zo staat ook in hun eigen advies. Het AMVI zelf heeft vastgesteld dat van de 5,4 megaton jaarlijkse CO2-besparing er 2,5 megaton voortkomt uit een productiedaling (van 7,2 naar 5,9 miljoen ton staal per jaar). Die reductie zou bij krimpende productie zonder subsidie ook plaatsvinden. Corrigeer je hiervoor, dan stijgen de kosten naar circa 50 euro per ton CO2 (zie de berekening in de online bijlage). En dan is er ook nog de reductie die sowieso zou moeten plaatsvinden door het Europese emissiehandelssysteem: aangezien TSN steeds minder gratis rechten krijgt (78 procent vervalt vanaf 2031; Tata, 2024) wordt het steeds gunstiger om te investeren in CO2-reductie, dus dit zou ook gebeuren zonder subsidie. Deze reductie zou sowieso al plaatsvinden; haal je deze eraf dan komen de kosten per additioneel gerealiseerde ton CO2 nog aanzienlijk hoger uit.

Maar het werkelijke probleem zit dieper: tegenover de in IJmuiden gerealiseerde uitstootreductie staat een hogere uitstoot van de gebruikte inputs. Hoewel de eerste stap in het proces op waterstof kan draaien, is TSN voornemens om jaarlijks 500 miljoen (AMVI, 2025) tot 1,5 miljard (Haskoning, 2025) kubieke meter vloeibaar fossiel gas te importeren. Biomassa wordt door de CFO van Tata India slechts als ‘optie’ vanaf 2034 genoemd als dat kosteneffectief kan (Chatterjee, 2025). Corrigeer je de lagere uitstoot in IJmuiden voor de toename van de CO2-uitstoot als gevolg van de productie en transport van het vloeibaar gas (berekend volgens Howarth (2024)), dan lopen de effectieve kosten op tot 107 euro per ton CO2 bij tachtig procent biogas, tot 188 euro per ton bij slechts twintig procent biogas, of zelfs 250 euro bij nul procent.

De bedoeling is natuurlijk dat die inputs op termijn ook worden verduurzaamd, maar die omzetting valt niet binnen de huidige maatwerksubsidie: die dekt slechts de bouw van de fabriek. De vlamboogoven is alleen CO2-vrij als deze op groene stroom draait; het DRI-proces alleen als fossiel gas wordt vervangen door biogas of waterstof. De totstandkoming van die groene inputs moet nog apart worden gefinancierd. De minister geeft aan dat hiervoor generieke duurzaamheidssubsidies, met name SDE++, beschikbaar zijn (Tweede Kamer, 2026a). De subsidies voor de benodigde wind op zee, CCS, biogas en waterstof, komen dus bovenop de maatwerksubsidie.

Al met al houdt het beeld dat de maatwerksubsidie een goedkope manier is om CO2 te besparen bij nadere analyse geen stand. En dat is nog los van de additionele ‘voorwaarden’ voor subsidie, zoals de CFO van Tata India ze noemt. Zoals de nettariefkortingen, afschaffen nationale CO2-heffing, uitzonderingen op kolenverboden en geen kosten voor staalslakken. Die kosten hebben wij eerder in ESB op honderden miljoenen per jaar becijferd (Schellekens en Wilde-Ramsing, 2026). Boot stelt dat na een definitief contract deze “specifieke kous af is”, maar het risico is juist dat de maatwerkafspraken uitmonden in een blanco cheque en de extra kosten nog moeten beginnen.

Gezondheidswinst vereist geen subsidie

Ook het argument dat de maatwerkafspraken zullen leiden tot een snellere gezondheidsverbetering voor omwonenden, overtuigt niet. Boot stelt dat zonder subsidie “de gezondheidssituatie waarschijnlijk minder snel zal verbeteren”, omdat regelgeving trager werkt dan de maatwerkafspraken. Het probleem is echter niet alleen dat, zoals hij zelf ook aangeeft, er in de huidige afspraken “te weinig garanties voor gezondheidswinst” zijn (AMVI, 2025), maar ook dat als die er wel zouden zijn, de maatschappelijke kosten van private vervuiling in feite worden gesocialiseerd. Het de-vervuiler-betaalt-principe vereist dat TSN deze schade – door Natuur & Milieu (2025) becijferd op 1,1 miljard euro per jaar – zelf vergoedt. Gezondheidsborging voor medewerkers en omwonenden is een wettelijke verplichting, geen bovenwettelijke bijdrage die subsidie rechtvaardigt.

Bovendien lijkt Boot bij zijn inschatting dat TSN zonder subsidie de gezondheid van omwonenden langer zal schaden, de huidige al bestaande juridische druk te onderschatten. Er loopt een onderzoek van het Openbaar Ministerie (2025) tegen Tata Steel, een massaclaim van omwonenden (Frissewind, 2025) en 22 andere juridische procedures (Provincie Noord-Holland, 2026). Het RIVM (2024) concludeerde dat de fijnstofbijdragen van Tata Steel Nederland in dezelfde orde van grootte liggen als die van de staalfabriek in Taranto (Italië). In februari van dit jaar heeft de rechtbank in Milaan vanwege gezondheids­risico’s de (gedeeltelijke) sluiting van de warme kant van die fabriek opgelegd (Nova News, 2026).

Gezondheid is geen argument voor subsidie, maar een risico: als de rechter ook in ons land ingrijpt, dreigt de publieke investering van twee miljard euro verloren te gaan.

Schaarste blijft een probleem

Tot slot gaan Boot (2026) noch Kramer en Mulder (Energeia, 2026) in op een van de zwaarst wegende bezwaren: de schaarste aan arbeid, netcapaciteit, duurzame energie en fysieke ruimte. Al in 2023 concludeerde BCG dat TSN alleen op lange termijn kan concurreren als Nederland zijn offshore-windplannen volledig waarmaakt én ervoor kiest die schaarse capaciteit aan TSN toe te bedelen (BCG, 2023). Alleen al voor fase 1 van Tata’s plannen (met een enkele vlamboogoven) is circa 66 vierkante kilometer aan wind op zee nodig (Schellekens en Wilde-Ramsing, 2026), vergelijkbaar met het oppervlak van de stad Utrecht. Die capaciteit is dan niet beschikbaar voor de verduurzaming van andere industrieën.

De Wetenschappelijke Klimaatraad is hier helder over: “Het idee dat er een duurzame toekomst kan zijn voor alle bestaande bedrijven in Nederland is onhoudbaar. Het is nodig om te kiezen voor die sectoren die toekomstbestendig zijn.” (WKR, 2026) De relevante vraag is niet óf er geïnvesteerd wordt, maar of de maatschappelijke opbrengst van die schaarse middelen (kapitaal, arbeid, stikstofruimte) bij Tata het hoogst is. Die afweging, of het inzetten van schaarse middelen in de innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens doelmatiger is, lijkt door geen van de genoemde critici te worden gemaakt.

Conclusie: tijd voor een plan B

De voorgestelde gasgestookte staalfabriek op de locatie IJmuiden is geen verstandige investering van twee miljard euro publiek geld. De vraag die de politiek zich moet stellen is: wat dan wel? Er zijn ten minste twee routes. De eerste is de vlamboogroute: staalproductie op de locatie, tegen een fractie van de energie-intensiteit en de kosten. Met de huidige vlamboog-technologie is al negentig procent van het productassortiment haalbaar; toevoeging van geïmporteerd ijzer maakt ook de meest veeleisende toepassingen mogelijk, terwijl gebruik van eigen schroot de strategische zelfvoorzieningsgraad vergroot (Tata Steel UK, 2024).

De tweede is een gecontroleerde sluiting. Ook dat moet nadrukkelijker op tafel gelegd worden. Het ogenschijnlijk voornaamste bezwaar – de geschatte saneringskosten van minstens twaalf miljard euro – is niet onderbouwd met enige feiten, zo bleek uit een WOO-verzoek (Tweede Kamer, 2026b). Recentere analyses schatten de kosten op 1,5 tot 2,5 miljard euro (Busscher en Stoffels, 2025). Nog steeds een fors bedrag, maar dat de grootste gebiedsontwikkelaars van Nederland (BPD, Dura Vermeer, Amvest en AM) zich hebben verenigd in een consortium met een plan voor het gebied en de werknemers (Nieuwe IJmond; 2026), laat zien dat dit geen theoretisch scenario is.

De maatwerksubsidie zoals die er nu ligt, biedt geen overtuigend antwoord op de vragen die ertoe doen: de concurrentiepositie, schaarste, CO2-kosten en het juridische risico. De politiek ontkomt er niet aan de alternatieven serieus te overwegen.

Getty Imahes

Literatuur

AFRY (2025) Dutch industry can remain competitive as European wholesale electricity prices converge in the long run. AFRY Publicatie, 4 september.

AMVI (2025) Advies concept Joint Letter of Intent met Tata Steel Nederland en Tata Steel Limited. AMVI Advies, 17 september. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.

ArcelorMittal (2022) HyDeal España: the world’s largest integrated renewable and competitive hydrogen hub. ArcelorMittal Nieuwsbericht, 15 februari.

ArcelorMittal (2026a) ArcelorMittal confirms the construction of an electric arc furnace in Dunkirk, France. ArcelorMittal Persbericht, 10 februari.

ArcelorMittal (2026b) ArcelorMittal Texas HBI. ArcelorMittal Informatie. Te vinden op northamerica.arcelormittal.com.

Argusmedia (2025) ArcelorMittal halts DRI-EAF projects in the EU. Nieuwsbericht, 20 juni.

Bartman, S. (2026) Nederland neemt miljardenrisico met Tata. Het Financieele Dagblad, 25 maart.

BCG (2023) Documenten bij besluiten Woo-verzoeken maatwerkafspraken Tata Steel. Boston Consulting Group, 11 december. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.

Belga (2025) ArcelorMittal Belgium not ready for green steel investment due to weak market, CEO says. Belga Nieuwsbericht, 4 november.

Blom, F. en H. Wijers (2024) Hoe Tata Steel Nederland te verduurzamen? Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Rapport. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.

Boot, P. (2026) Laten we blij zijn dat Tata Steel in Nederland wil investeren. ESB, te verschijnen.

Busscher, F. en W. Stoffels (2025) Maak saneringskosten van Tata onderdeel van de subsidieonderhandelingen. ESB, te verschijnen.

Chatterjee, K. (2025) 2QFY26 Earnings Call transcript. Tata Steel Limited. Video op www.youtube.com. (vanaf minuut 47).

Climateworks (2023) Australia’s main iron ore exports may not work with green steelmaking: Here’s what we must do to prepare. ClimateWorks Centre. Te vinden op
climateworkscentre.org.

Ember (2025) Money on the line: Scaling electricity interconnection for Europe’s energy future. Ember Rapport, 1 december. Te vinden op www.ember-energy.org.

Energeia (2026) Verbazing om economenbrief Tata bij energie-onderzoekers. Energeia Nieuws, 18 maart.

Eurofer (2025) European Steel in Figures 2025. Eurofer, 19 juni.

Eurometal (2025) ArcelorMittal Spain’s Avilés EAF project advances. Eurometal Nieuwsbericht, 29 december.

Frissewind (2025) Informatie over de massaschadeclaim. Persbericht, 19 december.

Haskoning (2025) Detailstudie energie en CO2-balans. Royal HaskoningDHV, Rapport, B13580-IB-RP. Te vinden op pas.commissiemer.nl/files/nl/3730/01-Energie.pdf.

Howarth, R.W. (2024) The greenhouse gas footprint of liquefied natural gas (LNG) exported from the United States. Energy Science & Engineering, 12(11), 4843–4859.

Natuur & Milieu (2025) Schade aan de leefomgeving door de Nederlandse industrie. Rapport, april.

Nieuwe IJmond (2026) Nieuwe IJmond: Waar visie, strategie en feiten samenkomen .

Nova News (2026) Former Ilva: Milan court suspends operations in the hot zone starting August 24th. Agenzia Nova, 26 februari. Te vinden op www.agenzianova.com.

Openbaar Ministerie (2025) Reactie OM op oproep van Frisse Wind over strafrechtelijk onderzoek naar Tata Steel. Niewsbericht, 16 april. Te vinden op www.om.nl.

Provincie Noord-Holland (2026) Brief aan PS over informatievoorziening uitvoering en handhaving provinciale bedrijven, 5 februari. Te vinden op www.noord-holland.nl.

RIVM (2024) Notitie 2024-0036: Vergelijking analyse Taranto en Tata Steel Nederland. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 24 mei.

Schellekens, B. en J. Wilde-Ramsing (2026) Tata-deal trekt overheid in subsidiefuik van honderden miljoenen per jaar. ESB, 111(4853), 30–33.

SIL (2025) Hulp bij systeempijn: Uitdagingen voor de transformatie van de Nederlandse basisindustrie, en vier stoutmoedige ideeën. Rapport, te vinden op sustainableindustrylab.nl.

Silvester, B.R. (2025) Hesitation at increasing integration: The feasibility of Norway expanding cross-border renewable electricity interconnection to support European decarbonisation. Technological Forecasting and Social Change, 213, 123917.

Tata (2024) The impact of carbon costs on the EU steel industry and TSN. Publicatie, 15 februari. Te vinden op drive.google.com.

Tata Steel UK (2024) Planning statement: Electric arc furnace. Tata Steel UK, september.

TNO (2024) Comparison of future cost of renewable energy between regions. Rapport, R11348.

TradeMap (2026) Trade statistics for international business development. TradeMap.

Tweede Kamer (2026a) Vragen van de leden Kostic (PvdD), Dassen (Volt), Van Oosterhout enZalinyan (beiden GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Klimaat en GroeneGroei over de additionele kosten voor Tata Steel aangaande de maatwerkafspraak. Te vinden op www.tweedekamer.nl.

Tweede Kamer (2026b) WOO-verzoek maatwerkafspraken Tata Steel Nederland. open.overheid.nl.

Verpoort, P.C., L. Gast, A. Hofmann en F. Ueckerdt (2024) Impact of global heterogeneity of renewable energy supply on heavy industrial production and green value chains. Nature Energy, 9(4), 491–503.

Voestalpine (2025) Annual Report 2024/25. Voestalpine. Te vinden op reports.voest­alpine.com.

Vogl, V., M. Åhman en L.J. Nilsson (2018) Assessment of hydrogen direct reduction for fossil-free steelmaking. Journal of Cleaner Production, 203, 736–745.

WKR (2026) Advies verduurzaming industrie – Kiezen of verliezen: Naar een industrie die past in een toekomstbestendig Nederland. Wetenschappelijke Klimaatraad, Adviesrapport, 006. Te vinden op wkr.nl/adviezen/economie/industrie.

WorldPopulation Review (2026) Iron ore production by country.

Auteur

Plaats een reactie