Ga direct naar de content

Herverdeling bestaande woonruimte kan crisis oplossen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 17 2026

Nederland kent een oplopend woningtekort, maar er zijn genoeg vierkante meters woonruimte voor iedereen. Deze vierkante meters zijn echter niet efficiënt verdeeld.

In het kort

  • Ruim de helft van de Nederlandse huishoudens woont naar internationale maatstaven erg ruim.
  •  Een overmaat aan woonruimte is wijdverbreid, maar komt het meest voor onder hoge inkomens en huiseigenaren.
  • Als de 4,1 miljoen ruimst wonende huishoudens 11 vierkante meter zouden afstaan, zou het woningtekort opgelost zijn.

Nederland kampt met een aanhoudende woningnood. De overheid schat het woningtekort op 396.000 woningen (MinVRO, 2025). Het nieuwe minderheidskabinet (D66, VVD, CDA) houdt vast aan de ambitie deze woningnood aan te pakken door jaarlijks 100.000 nieuwe woningen te bouwen.

Toch kan de oplossing van de woningnood ook in een andere hoek gezocht worden. Nederland kent weliswaar een tekort aan woningen, maar telt ruim voldoende vierkante meters aan woonruimte. Gemiddeld genomen is er in Nederland namelijk zo’n 53 vierkante meter aan woonoppervlak per persoon beschikbaar (CBS, 2022). Daarmee is Nederland internationaal gezien een van de koplopers ‘ruim wonen’ (Eurostat, 2025).

Natuurlijk is het belangrijk dat mensen voldoende woonruimte ter beschikking hebben zodat zij prettig kunnen wonen. Tegelijkertijd is het zinnig de ‘overdadige consumptie’ van woonruimte kritisch tegen het licht te houden. Hiervoor zijn ten minste drie redenen.

Ten eerste is woonruimte ongelijk verdeeld. We wonen gemiddeld genomen weliswaar ruim, maar veel woningzoekenden slagen er maar niet in een geschikte woning te vinden. Dit blijkt uit het oplopende woningtekort. Ten tweede wil het met het bouwen van woningen om het tekort op te lossen maar niet vlotten. In zowel 2024 als 2025 bleef de nieuwbouw steken op slechts 69.000 nieuwbouwwoningen (CBS, 2026). De politieke wens om jaarlijks 100.000 woningen te bouwen, wordt bij lange na niet gehaald, wat het belangrijk maakt naar een andere oplossing te zoeken. Ten derde staat het bouwen van zo veel mogelijk woningen op gespannen voet met het Akkoord van Parijs: het bouwen van nieuwe woningen is materiaalintensief en gaat gepaard met veel CO2-uitstoot (Savini et al., 2026).

Zo geredeneerd is het een goed idee om naar andere oplossingen dan nieuwbouw te kijken om het woningtekort aan te pakken. In dit artikel stel ik voor de huidige vierkante meters efficiënter te verdelen en breng ik in kaart hoeveel en welke huishoudens in Nederland te krap wonen, voldoende woonruimte ter beschikking hebben, of juist te ruim wonen.

Krap, passend of ruim wonen

Om te kunnen vaststellen wie te krap, passend of juist te ruim woont, zijn verschillende aannames nodig: er is geen objectieve standaard. Zo kun je kijken naar de verhouding tussen het aantal slaapkamers en het aantal huishoudensleden, of naar het aantal vierkante meters. Vanwege de beschikbaarheid van data richt ik mij in deze bijdrage op dat laatste.

Vervolgens kun je simpelweg het gemiddelde woon­oppervlak per persoon berekenen door de woninggrootte af te zetten tegen het aantal huishoudensleden. Deze aanpak is echter onbevredigend. Die houdt er namelijk geen rekening mee dat huishoudens met meer leden schaalvoordelen genieten en een kleinere ruimtebehoefte per persoon hebben. Zij kunnen bijvoorbeeld een enkele woonkamer, keuken of badkamer met meerdere leden gebruiken.

Een simpel gemiddelde benadeelt dus alleenstaanden en wijst vooral hen aan als (te) ruim wonend. Om hier rekening mee te houden, hanteer ik een indeling die ontwikkeld is in internationaal onderzoek van Horn et al. (2025). Zij maken onderscheid tussen te weinig (lack), voldoende (­sufficient) en overdadig (excess) woonruimte en kijken hiervoor naar een minimumwoonoppervlak per eerste lid van het huishouden en extra woonruimte per aanvullend lid (tabel 1). Om rekening te houden met schaalvoordelen, rekent deze methode een hoger woonoppervlak voor het eerste lid dan voor daaropvolgende leden. Voor de Nederlandse casus, met relatief veel grote woningen, heb ik nog een vierde categorie toegevoegd: sterk overdadig. Door deze extra categorie toe te voegen is het mogelijk de meest extreme gevallen van ruimtegebruik vast te stellen.

Om inzicht te krijgen in de verdeling van de woonruimte in Nederland maak ik gebruik van de registerdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2023. Het gaat hier om microdata voor (nagenoeg) de hele Nederlandse bevolking en woningvoorraad. Woningen waarop meerdere huishoudens staan ingeschreven, heb ik buiten beschouwing gelaten. In veel gevallen gaat het hier namelijk niet om daadwerkelijk woningdelen, maar om registratiefouten (bijvoorbeeld hele panden die als een enkele woning staan geregistreerd). Na het verwijderen van observaties met ontbrekende gegevens bevat mijn dataset uiteindelijk 7,48 miljoen huishoudens (90 procent van het daadwerkelijke aantal van 8,27 miljoen huishoudens in 2023). Vervolgens heb ik per huishouden het ruimtegebruik volgens de indeling van tabel 1 vastgesteld.

Gebruik van woonruimte

Een aanzienlijk deel van de Nederlandse huishoudens woont ruim (figuur 1). Meer dan de helft van alle huishoudens kent overdadige (48 procent) of sterk overdadige (7 procent) woonruimte. Het goede nieuws is dat een gebrek aan woonruimte volgens deze methode een stuk zeldzamer is: het komt voor bij slechts vier procent van alle huishoudens. Dat neemt niet weg dat het voor deze huishoudens – zo’n 270.000 in totaal, met 570.000 huishoudensleden – een erg onprettige situatie kan zijn. Ruim wonen is echter de norm.

Kijken we naar de verdeling van ruimtegebruik onder verschillende inkomensgroepen, dan vallen verschillende patronen op (figuur 2). Allereerst komt overdadige woonruimte regelmatig voor onder alle inkomensgroepen. Toch bestaat er een duidelijke samenhang tussen inkomen en ruimtegebruik, waarbij (sterk) overdadige woonruimte het vaakst voorkomt onder de hoogste inkomens. Van de armste huishoudens (deciel 1) woont zo’n 33 procent (sterk) overdadig, onder de rijkste huishoudens (deciel 10) ligt dat aandeel op 79 procent. Bij de top 1 procent rijkste huishoudens gaat het zelfs om 89 procent. Sterk overdadige woonruimte is minder wijdverbreid en concentreert zich vooral bij de hoogste inkomens (19 procent van de huishoudens in het rijkste deciel, 39 procent van de huishoudens in het rijkste percentiel ten opzichte van 7 procent gemiddeld).

Het ruimtegebruik verschilt ook tussen koop- en huurwoningen (figuur 3). Overdadige en sterk overdadige woonruimte komt het vaakst voor in de koopsector, het gaat hierbij respectievelijk om zestig en tien procent van alle huiseigenaren. Ruimtegebrek komt het vaakst voor onder huurders in de private sector (dertien procent), hoewel in deze sector ook veel sterk overdadige woonruimte voorkomt (vier procent).

Woningcorporaties slagen er het best in huishoudens passend te laten wonen: 63 procent van de corporatiehuurders heeft ‘voldoende’ ruimte. Toch komt ook in deze sector overdadige woonruimte regelmatig voor (31 procent) en is ruimtegebrek er oververtegenwoordigd (6 procent). 

Het ruimtegebruik verschilt ook naar de stedelijkheidsgraad van de woonplek (figuur 4). Overdadige ruimte komt het minst voor in grote steden en het vaakst in niet-stedelijke, landelijke gemeenten. Dit is natuurlijk geen verrassing. Toch laten deze data zien dat óók in de grote steden, waar de ruimte schaars is en de woningvraag hoog, geregeld sprake is van (sterk) overdadige woonruimte (33 procent).

Ruimwoners

Een (ordinaal logistisch) regressiemodel met de ­categorieën van ruimtegebruik als afhankelijke variabele bevestigt de geanalyseerde verbanden (naar inkomen, koop- versus huurwoning, en stedelijkheid), die ook na het controleren voor verschillende andere factoren standhouden (tabel 2). Daarnaast laat het model zien dat ruim wonen sterk gecorreleerd is met leeftijd: oudere huishoudens wonen vaker (veel) te ruim. Huishoudens met een eerste- of tweede-generatie-migratieachtergrond wonen relatief minder vaak ruim. Tot slot zijn het eenpersoonshuishoudens die relatief vaak ruim wonen, terwijl het omgekeerde geldt voor gezinnen met kinderen.

Conclusie en beleidssuggesties

Overdadige woonruimte komt regelmatig voor in Nederland, met name onder hogere inkomens, huiseigenaren en in de minder verstedelijkte gebieden.

Inefficiënt woonruimtegebruik belemmert het oplossen van het woningtekort. De politieke nadruk ligt op bouwambities die niet gerealiseerd worden, terwijl een efficiëntere verdeling van de bestaande vierkante meters het woningtekort ook zou kunnen opvangen. Om dit mogelijk te maken, is het nodig overdadig en sterk overdadig ruimtegebruik terug te dringen, en werk te maken van een ‘voldoendebenadering’.

Een grove berekening laat zien dat er veel potentie ligt in het aanpakken van overdadig wonen. Als we uitgaan van een woonbehoefte van 396.000 extra woningen (het statistisch woningtekort dat het Ministerie van VRO hanteert) van gemiddeld 120 vierkante meter (de gemiddelde omvang van nieuwbouwwoningen), zou dit een totale vraag naar 46 miljoen extra vierkante meter aan woonruimte betekenen. Als de 4,1 miljoen huishoudens die overdadige (3,6 miljoen) of sterk overdadige (0,5 miljoen) woonruimte hebben gemiddeld genomen 11 vierkante meter zouden afstaan, zou het complete statistische woningtekort binnen het huidige vloeroppervlak kunnen worden opgevangen. Wanneer we uitgaan van een nieuwbouw van gemiddeld 90 in plaats van 120 vierkante meter, zou het afstaan van een kleine 9 vierkante meter al voldoende zijn. Natuurlijk stuit deze vlotte schets op allerlei praktische bezwaren (hoe ga je efficiënt die vrijkomende ruimte combineren en verdelen?), maar het laat zien dat er veel mogelijk is binnen de bestaande, onderbenutte voorraad.

Wel is het belangrijk om wonen niet alleen als een efficiëntievraagstuk te zien. Het is weliswaar hoog nodig vierkante meters beter te benutten om het woningtekort te verminderen, maar tegelijkertijd is wonen ook een geleefde ervaring. Mensen hechten zich aan hun woning en buurt en dat kan betekenen dat zij in een woning blijven wonen die eigenlijk niet meer passend is. Het is zaak deze geleefde component mee te wegen.

Toch zijn er verschillende beleidsmaatregelen mogelijk om overdadige woonruimte te bestrijden. Een deel betreft relatief pijnloze maatregelen. Zo zou ingezet kunnen worden op gemiddeld kleinere nieuwbouw (Kok en Brounen. 2025). Verder kan bij het toewijzen van sociale huurwoningen, naast met wachttijd, rekening worden gehouden met de grootte en samenstelling van het huishouden – in de regio Amsterdam wordt zo’n methode bijvoorbeeld al gehanteerd bij toewijzing. Ook kan het makkelijker en financieel aantrekkelijker worden gemaakt om woningen te delen; zo worden mensen momenteel flink op hun uitkering of AOW gekort wanneer zij een woning delen. En hospitaconstructies kunnen makkelijker worden gemaakt, waardoor mensen die ruim wonen een extra kamer kunnen verhuren (Eichholtz et al., 2026).

Daarnaast zijn er ook maatregelen nodig om te royale woonruimte te ontmoedigen. Het gaat dan bijvoorbeeld om financiële prikkels die ruim wonen minder aantrekkelijk maken, of het afschaffen van prikkels die ruim wonen momenteel stimuleren. Deze maatregelen zouden zich vooral op de koopsector en de hogere inkomens moeten richten. Daar is het ruimtegebruik immers het grootst. Het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek en het evenrediger belasten van het woonvermogen (bijvoorbeeld door het eigenwoningforfait te verhogen) zou het al minder aantrekkelijk maken om overdadige vierkante meters voor jezelf te houden. Het zou kleiner wonen stimuleren. In samenhang daarmee kan de overdrachtsbelasting worden afgeschaft om de transactiekosten bij verhuizen te verlagen.

Getty Images

Literatuur

CBS (2022) Alleenstaande oudere vrouwen wonen het grootst. CBS Statistiek, 1 december.

CBS (2026) Derde jaar op rij met minder woningen erbij. CBS Statistiek, 30 januari.

Eichholtz, P., L. Kattenberg en N. Kok (2026) Beperk woningnood door ­woningdelen te stimuleren. ESB, te verschijnen.

Eurostat (2025) Housing in Europe. Eurostat, 27 november. Te vinden op ec.europa.eu.

Horn, S., I. Gough, C. Rogers en R. Tunstall (2025) Meeting housing needs within planetary boundaries: A UK case study. Ecological Economics, 230, 108510.

Kok, N. en D. Brounen (2025) Woningtekort vraagt meer dan ‘bouwen, bouwen, bouwen’. Blog op esb.nu, 4 augustus.

MinVRO (2025) Het statistisch woningtekort uitgelegd. Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Te vinden op www.volkshuisvesting­nederland.nl.

Savini, F., M. Kopp, C. Hochstenbach et al. (2026) Socio-ecological inequalities in housing consumption: How income, urban form, and tenure drive carbon footprints. Ecological Economics, 242, 108896.

Auteur

Categorieën

1 reactie

  1. Vincent de Haan
    2 dagen geleden

    Hoewel de berekeningen waarschijnlijk kloppen, toont Hochstenbach zich in dit artikel meer politicus dan wetenschapper, en het zou hem sieren daarover transparant te zijn, in plaats van zich achter schijnbaar objectieve definities te verschuilen. Hij baseert zijn analyse op een definitie van wat hij ‘overdadig’ en ‘sterk overdadig’ ruimtegebruik noemt. Daarmee sluit hij aan bij Horn et al. (2025), die spreken over ‘excessive’ gebruik van woonruimte, maar Hochstenbach introduceert deze terminologie in het Nederlandse taalgebied, en gooit er nog een schepje bovenop, door de categorie ‘sterk overdadig’ te introduceren. Maar wat betekent het als een wetenschapper bepaald gebruik van een goed als ‘overdadig’ aanmerkt?

    Het woord ‘overdadig’ heeft een normatieve lading. Overdadig is niet alleen meer dan gemiddeld, maar ook te veel, verkeerd. Maar verkeerd volgens wie? Het is een bekend probleem dat sommige mensen ruimer wonen dan zij zouden willen, maar door moeilijkheden in het woningtoewijzingssysteem klem zitten. Deze mensen zullen met Hochstenbach eens zijn dat ze ‘overdadig’ wonen. Maar daarop is zijn betoog niet (primair) gericht. Uit de gepresenteerde cijfers blijkt namelijk dat ‘overdadig’ wonen het meeste voorkomt bij mensen met een hoog inkomen en een koopwoning. Aangenomen mag worden dat deze groep relatief het beste in staat is tot het bevredigen van de eigen materiële behoefte, en dat dit ‘overmatig’ wonen dus juist als gewenst wordt ervaren. Het is dus niet de bewoner die vindt dat sprake is van ‘overmatig’ wonen, maar de wetenschapper.

    Blijkbaar vindt Hochstenbach dat hij kan beoordelen dat bepaalde behoeften redelijk zijn en andere niet. Maar daar geeft hij een politieke opinie in plaats van een wetenschappelijke conclusie, en hij doet dat niet openlijk, maar verpakt in een ogenschijnlijk objectieve definitie.
    Overigens merkt Hochstenbach in zijn conclusie nog wel op dat wonen niet alleen als een efficiëntievraagstuk moet worden gezien. Ook de geleefde ervaring moet worden meegenomen. Maar ook hier maakt Hochstenbach weer een normatieve keuze welke geleefde ervaringen wel en welke niet moeten worden gerespecteerd: de gehechtheid aan een woning en buurt wel, maar de gehechtheid aan ruimte blijkbaar niet.

    Uit de wetenschapsfilosofie is bekend dat bijna alle sociaalwetenschappelijke begrippen ‘theoriegeladen’ zijn: begrippen worden mede vormgegeven door de theoretische vooronderstellingen van de onderzoeker. Dat neemt niet weg dat het toch een wetenschappelijke deugd is om in elk geval te proberen zo objectief mogelijke begrippen te hanteren, en waar dat niet lukt, hier ten minste transparant over te zijn. Hochstenbach is hier in zijn bijdrage duidelijk niet in geslaagd.

    Het was een stuk objectiever geweest om een moreel neutrale categorie als ‘ruim’ of ‘bovengemiddeld’ te introduceren. Maar wie het artikel herleest met deze categorieën in het achterhoofd, merkt dat er van de opzienbarende conclusies weinig overblijft. Dan verbleekt de conclusie tot de constatering dat als mensen kleiner gaan wonen, er meer woonruimte overblijft – maar dat de overheid verder maar moet uitzoeken hoe dat georganiseerd moet worden.

    In de conclusie van het artikel is duidelijk te zien hoe een normatief geladen definitie ervoor zorgt dat een politieke opvatting als wetenschappelijke conclusie kan worden gepresenteerd. Hochstenbach schrijft: ‘Om dit mogelijk te maken, is het nodig overdadig […] ruimtegebruik terug te dringen.’ Wanneer een wetenschapper stelt dat iets ‘nodig’ is, verandert hij, expliciet, en dus transparant, van het descriptieve naar het normatieve perspectief, en wordt hij gedwongen zijn normatief kader toe te lichten. Maar nu is dat niet nodig: overdadig is te veel en dus verkeerd, dus het is nodig dat terug te dringen. En dat sprake is van ‘overdadig’ ruimtegebruik, blijkt uit ‘een indeling die ontwikkeld is in internationaal onderzoek van Horn et al. (2025)’. Zo lijkt het of een objectieve conclusie gegeven wordt, terwijl het normatief kader impliciet blijft.

    Het is natuurlijk prima dat Hochstenbach zijn politieke opvattingen deelt, zoals hij naar aanleiding van zijn artikel ook gedaan heeft in een interview in NRC. Maar in een wetenschappelijke bijdrage past een dergelijke normatieve stellingname niet, en deze verpakken in een ogenschijnlijk objectieve definitie is niet transparant.

Plaats een reactie