Ga direct naar de content

Handelsbelemmeringen veranderen structuur van Nederlandse economie

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: december 16 2025

Door geopolitieke spanningen kan de globalisering vertragen en kunnen landen meer autonomie na gaan streven. Wat voor gevolgen heeft dat voor de economische groei en structuur van de economie?

In het kort

  • Handelsbeperkingen drukken de Nederlandse investeringen, import, export en productie.
  • Geopolitieke spanningen zorgen voor een verschuiving in de structuur van de  economie.
  • De structurele verschuivingen versterken de al bestaande ­economische specialisaties van regio’s binnen Nederland.

De internationale orde sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland als open handelseconomie veel welvaart opgeleverd. Recente gebeurtenissen, zoals de Russische invasie van Oekraïne in 2022 en de herverkiezing van Trump, hebben echter de internationale betrekkingen verstoord. Hoge Amerikaanse importheffingen treffen Europese, waaronder Nederlandse, producten, en handelsspanningen tussen de VS en China bedreigen wereldwijde waardeketens.

Hoe kan onze economie eruitzien als deze geopolitieke spanningen blijvend zijn en mogelijk erger worden? Om dit te verkennen, verdiepen we in dit artikel een toekomstscenario uit de toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving 2025 (WLO) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Centraal Planbureau (PBL, 2025a; 2025b; 2025c), en kijken we specifiek naar de economische impact op Nederlandse regio’s.

Modelschattingen

De WLO 2025-scenario’s (Welvaart en Leefomgeving) van het PBL zijn vier toekomstverkenningen van de mogelijke langetermijnontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van Nederland tot 2060. Ze zijn opgesteld door onzekerheden over de toekomst te combineren. Ze geven inzicht in de gevolgen van vier mogelijke toekomstscenario’s voor onder meer demografie, ruimtegebruik en energiebeleid.

Om een schatting te maken van de economische effecten van geopolitieke spanningen kijken we in dit artikel naar het lagegroeiscenario van de WLO (Laag Vertraagd). Hierbij is er relatief lage economische groei en neemt wereldwijd het tempo van globalisering af doordat landen streven naar meer autonomie binnen hun eigen handelsblokken, zoals de EU, de rest van de OESO-landen en de rest van de wereld. Handelsbelemmeringen zijn in het model opgenomen door extra importheffingen tussen de handelsblokken in te voeren. Actieve handelsbarrières zorgen voor minder groei in internationale handel, en de handel die plaatsvindt zal vaker binnen het eigen handelsblok zijn. Ook wordt er in dit scenario verondersteld dat investeringen in onderzoek en onderwijs stagneren, wat leidt tot een tragere macro-economische productiviteitsgroei. Daarnaast neemt de arbeidsmigratie vanuit lage-inkomenslanden naar hoge-inkomenslanden in de loop van tijd af als resultaat van geopolitieke spanningen. Deze aanname leidt tot lage groei van de werkzame bevolking in Nederland en andere EU-landen.

Om de impact van het gekozen WLO-scenario op de Nederlandse economie inzichtelijk te maken, gebruiken wij een algemeen-evenwichtsmodel EU-EMS, waarvan de parameters zijn bepaald aan de hand van een kwalitatieve verhaallijn in combinatie met een econometrische analyse (PBL, 2025b). Dit is een veelgebruikte methode om toekomstscenario’s te ontwikkelen en te analyseren (Guillemette en Château, 2023). EU-EMS is een mondiaal model met productie en consumptie voor Nederland op provincieniveau. Daarbij wordt expliciet rekening gehouden met internationale handelsstromen tussen Nederlandse regio’s en grote landen zoals Duitsland, Frankrijk, Japan, de VS en China, en de rest van de wereld.

Voor het onderscheiden van de sectorale productiviteitsgroei hanteren we een econometrisch model op basis van de EU KLEMS-database (O’Mahony en Timmer, 2009). De econometrische analyse verdeelt macro-productiviteit over sectoren en regio’s, rekening houdend met historische verschillen.

Groei en handelsbelemmeringen

In het scenario is er een vertraging van economische groei zichtbaar (figuur 1). In de periode 1995–2020 kende de productie een gemiddelde jaarlijkse groei van 3,4 procent, terwijl deze groei in de periode 2020–2060 volgens onze modelschatting 0,8 procent is. Een vergelijkbare trend is zichtbaar bij de uitvoer en invoer, die in de periode 1995–2020 respectievelijk met 5,0 en 4,9 procent per jaar toenamen, maar volgens onze schatting tussen 2020 en 2060 slechts met 1,3 en 1,2 per jaar zullen groeien. Investeringen vormen een uitzondering op deze trend: hoewel de groei ook afneemt, is de daling minder uitgesproken, met een jaarlijkse groei van 2,7 procent in de periode 2020–2060. Dit komt omdat strategische autonomie wat extra investeringen vereist in de Nederlandse industriële productie.

Sectorale verschuivingen

De verdeling van de wereld in concurrerende handelsblokken zorgt ervoor dat landen meer nadruk leggen op onafhankelijkheid en strategische autonomie, wat in dit scenario leidt tot een terugkeer van een deel van de maakindustrie naar EU en Nederland (re-shoring). Deze verschuiving heeft directe invloed op de samenstelling van de Nederlandse economie, waarbij het aandeel van hoogwaardige industrie in de Nederlandse economie groeit. Zo neemt het aandeel van de machine-, apparaten- en transportmiddelenindustrie in de totale productie in de periode 2020–2060 met 5,2 procent toe (figuur 2). Ook het aandeel van andere industriële sectoren, zoals de voedings- en genotmiddelenindustrie, consumentenproducten en chemie en farmaceutische industrie, groeit in die periode, met een jaarlijkse toename in het aandeel van productie tussen 0,4 en 1,3 procent.

Het aandeel van de machine-, apparaten- en transportmiddelenindustrie in de totale uitvoer groeit met 11,3 procent in dezelfde periode (figuur 3). Deze toename is te koppelen aan het EU-streven naar strategische autonomie. De EU investeert in het opbouwen van eigen productiecapaciteit, wat de vraag naar hoogwaardige Nederlandse kapitaalgoederen binnen de interne markt sterk stimuleert.

Verder zien we voor consumentenproducten ook een groei in het aandeel in de totale uitvoer, namelijk met 1,0 procent. De lichte groei van het uitvoeraandeel van consumentenproducten is een indirect gevolg, want Europese consumenten en retailers hebben een grotere voorkeur voor binnenslands geproduceerde goederen.

De overige sectoren worden relatief minder belangrijk voor de Nederlandse uitvoer: hun aandeel in de totale export daalt tussen 2020 en 2060. Dit geldt onder meer voor de chemische en farmaceutische industrie en voor de voedings- en genotmiddelenindustrie. Een groter deel van hun productie wordt namelijk ingezet voor binnenlands gebruik, zowel als input in productieprocessen als voor consumptie door huishoudens.

Kennisintensieve dienstensectoren verliezen daarentegen aandeel in de Nederlandse economie. De sectoren Financiële en zakelijke dienstverlening en Informatie en communicatie, die traditioneel sterk vertegenwoordigd zijn in de Nederlandse economie en waarvan het aandeel groeide in 1995–2020, zien het aandeel in productie afnemen met 1,8 en 0,1 procent in de periode 2020–2060. Hun belang als onderdeel van Nederlandse uitvoer daalt zelfs sterker.

Het aandeel van de sector Landbouw, bosbouw en visserij in de totale productie en export neemt ook af, met in de periode 2020–2060 een daling van respectievelijk 0,3 en 1,6 procent, maar deze afname is aanzienlijk langzamer dan in de voorgaande decennia. Dit wijst op meer productie van voedsel in Nederland als reactie op de geopolitieke spanningen. Voor de basismetaal- en metaalproductenindustrie blijft de afname van het aandeel in de Nederlandse productie beperkt tot 0,2 procent en in de export tot 0,9 procent; deze daling is kleiner dan de historische afname. Ten slotte is de sector vervoer en opslag nauw verbonden met ontwikkelingen in de internationale handel en verliest daardoor 1,0 procentpunt aan productiebijdrage en 1,9 procentpunt aan uitvoerbijdrage in de periode 2020–2060.

Specialisatie binnen Nederlandse regio’s

Naast gevolgen voor de structuur van de economie kunnen handelsbelemmeringen leiden tot verschillende sectorale ontwikkeling in de Nederlandse regio’s. Deze specialisatie meten we door het verschil te berekenen tussen het aandeel van werkgelegenheid in een bepaalde sector binnen de regio en het nationale aandeel van die sector (Brülhart en Traeger, 2005). Hoe groter het aandeel van een sector in de regionale werkgelegenheid vergeleken met het nationale gemiddelde, hoe meer gespecialiseerd deze regio is in die sector.

In 2020 waren de provincies Limburg, Noord-Brabant en Overijssel het meest gespecialiseerd in industriële productie (figuur 4a). Gezien de solide technologische basis en comparatieve voordelen zullen deze drie regio’s zich verder specialiseren in industriële productie in het scenario van geopolitieke spanningen. Opvallend is dat Limburg zich ook meer dan in 2020 gaat specialiseren in kennisintensieve diensten, die nodig zijn als ondersteuning in industriële processen, zoals informatie en communicatie. Ook Groningen, dat in 2020 minder dan de andere drie regio’s gespecialiseerd was in industriële productie gaat zich hierin verder ontwikkelen. Daarnaast is de afname in de mate van specialisatie in de Drentse industrie opmerkelijk, wat komt doordat deze regio een grote publieke dienstensector blijft houden.

De provincies Utrecht en Zuid-Holland waren in 2020 in hoge mate gespecialiseerd in kennisintensieve diensten zoals Informatie en communicatie, en Financiële en zakelijke dienstverlening (figuur 4b). Deze trend zet door in het handelsbelemmeringen-scenario, en hun mate van specialisatie neemt verder toe in de periode 2020–2060. Deze twee regio’s behouden hun comparatieve voordeel in de productie van kennisintensieve diensten. De groei van de industrie in Nederland als gevolg van de handelsbeperkingen landt dus niet in deze provincies, waar het comparatieve voordeel laag is. De provincie Noord-Holland, met een grote financiële sector, wordt minder gespecialiseerd in kennisintensieve diensten omdat de financiële sector zijn aandeel in de economie verliest.

Conclusie

Bij stagnerende globalisering en concurrerende handelsblokken neemt de groei van de Nederlandse productie en export af. De mogelijke groei van de industrie gaat ten koste van andere sectoren. Dit betekent dat er aanpassingsvermogen nodig is van onder andere de arbeidsmarkt en het arbeidsaanbod (benodigde vaardigheden) en de ruimte voor economische activiteit: niet enkel fysieke ruimte, maar ook milieuruimte en bijvoorbeeld ruimte op het elektriciteitsnet

Getty Images

Literatuur

Brülhart, M. en R. Traeger (2005) An account of geographic concentration patterns in Europe. Regional Science and Urban Economics, 35(6), 597–624.

Guillemette, Y. en J. Château (2023) Long-term scenarios: incorporating the energy transition. OECD Economic Policy Paper, 33.

O’Mahony, M. en M.P. Timmer (2009) Output, Input and Productivity Measures at the Industry Level: The EU KLEMS Database. The Economic Journal, 119(538), F374–F403.

PBL (2025a) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving 2025: Vier scenario’s voor Nederland in 2024, 2050 en 2060. Planbureau voor de Leefomgeving, 3 juli.

PBL (2025b) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving 2025: Cahier Economie. Planbureau voor de Leefomgeving.

PBL (2025c) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving 2025: Cahier Regionale ontwikkelingen en ruimtegebruik. Planbureau voor de Leefomgeving, publicatienummer 5453.

Auteurs

Plaats een reactie