Steeds meer politici lijken open te staan voor afzwakking van het Europese klimaatbeleid, mogelijk omdat ze vrezen voor electorale gevolgen. Maar stemmen mensen wel vaker tegen het klimaatbeleid in regio’s met meer industriële CO2-uitstoot? Een analyse van de uitslagen van de Europese verkiezingen in Nederlandse gemeenten.
In het kort
- Strenger Europees klimaatbeleid leidt niet tot ander stemgedrag in gemeenten met veel uitstotende industrie.
- Stemaandeel partijen die de klimaattransitie willen vertragen neemt toe, ongeacht industriële uitstoot.
- Mogelijk zijn de lokale tegenreacties beperkt door de voorspelbaarheid van het klimaatbeleid en gerichte compensatie.
De belangrijkste motor achter het terugdringen van industriële broeikasgassen in de EU is het Europese emissiehandelssysteem-1 (EU-ETS). Dit systeem geldt als een van de weinige bewezen effectieve beleidsinstrumenten voor het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen (Dechezleprêtre et al., 2023; Van den Bergh, 2024). Op basis van het huidige afbouwschema zal het aantal emissierechten dat jaarlijks in omloop wordt gebracht geleidelijk aan verminderen zodat er vanaf 2039 geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven. Dat betekent dat met name de energie-intensieve industrieën hun CO2-uitstoot fors moeten terugdringen.
In de tweede helft van 2026 staat een evaluatie van het EU-ETS gepland, waarbij ook het afbouwschema ter discussie staat (Van Lent en Uijtewaal, 2026). Niet alleen politici uit Oostenrijk, Tsjechië en Polen zijn kritisch over de huidige prijs van de emissierechten maar – en dat is nieuw – ook leiders uit Frankrijk (Macron) en Duitsland (Merz). In reactie hierop is de prijs van EU-ETS-rechten in één weekend gedaald van zo’n 81 euro per recht op vrijdag 13 februari naar 72 euro de maandag daarop (Weise, 2026).
Of politici het huidige ambitieniveau van het EU-ETS zullen handhaven, zal niet alleen afhangen van hun inhoudelijke afwegingen en de overtuigingskracht van de industriële lobby. Het zal ook afhangen van wat politici denken dat het electoraat zal doen in reactie op hun besluiten hierover. In het verleden heeft het sluiten van industrieën grote maatschappelijke onrust veroorzaakt. Zo waren er, bijvoorbeeld, midden jaren tachtig massale protesten van mijnwerkers in Groot-Brittannië in reactie op de aangekondigde sluitingen van kolenmijnen (Fothergill et al., 2024). Meer recent, in mei 2025, waren er grote protesten in Polen van werknemers uit de staalindustrie tegen de Europese Green Deal. Een van hun eisen was een maximale prijs van 60 euro voor EU-ETS-emissierechten in de staalindustrie (Byzdra, 2025). Het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen naar netto nul impliceert geen directe sluiting van industrieën, maar wel een ingrijpende transformatie daarvan, waar maatschappelijke onvrede mee gepaard kan gaan. De ondertekenaars van het Akkoord van Parijs (2016) waren zich bewust van de economische en sociale spanningen die de klimaattransitie kan oproepen. In dit akkoord staat dan ook dat er rekening moet worden gehouden met “het scheppen van fatsoenlijk werk”.
Tot op heden heeft de industriële transitie in Nederland niet tot massale stakingen geleid. Maar hoe zit het met subtielere vormen van politieke participatie, zoals stemgedrag? Het is plausibel dat in gebieden waar de industrie veel broeikasgassen uitstoot, mensen bang zijn benadeeld te worden door de transitie naar netto nul, en daardoor vaker gaan stemmen op partijen die de klimaattransitie willen vertragen.
Om het effect van klimaatbeleid op stemgedrag te analyseren, kijk ik in dit artikel naar de stemuitslagen op gemeentelijk niveau voor het Europees Parlement (EP). De Europese Unie (EU) zorgt immers voor het belangrijkste beleid voor het terugdringen van broeikasgassen, in de vorm van de EU Green Deal en het daaraan gekoppelde EU-ETS.
Mitigatiebeleid en stemgedrag
Economische overwegingen zijn een belangrijke factor bij het verklaren van stemgedrag (Allers en Rienks, 2024), al zijn ze zeker niet de enige. De herverkiezing van Donald Trump in de Verenigde Staten in 2024 wordt bijvoorbeeld voor een aanzienlijk deel toegeschreven aan de hoge inflatie onder zijn voorganger (Flavin, 2026).
Het terugdringen van industriële broeikasgassen kan stemmers in hun portemonnee raken omdat het de prijs van consumptiegoederen verhoogt en zo het stemgedrag beïnvloedt. Zo laat Voeten (2025) zien dat in reactie op hogere gasprijzen in 2015 Nederlandse huurders die direct hun eigen energierekening betaalden zo’n vijf procentpunt vaker op radicaal rechtse partijen (welke hij definieert als PVV of FvD) stemden dan huurders die indirect, via de woningeigenaar, de energierekening betaalden.
Ook aan de productiezijde van de economie kan de klimaattransitie stemgedrag beïnvloeden. Een deel van de stemmers is immers als werknemers of in andere rollen betrokken bij uitstotende bedrijven. Zo laten Egli et al. (2022) zien dat in kiesdistricten in de Verenigde Staten waar tussen 2011–2016 veel banen in de kolenindustrie verloren gingen de Republikeinse partij hierdoor zo’n vier procentpunt meer stemmen kreeg dan in vergelijkbare kiesdistricten zonder banenverlies.
Het EU-ETS kan stemgedrag beïnvloeden, omdat mensen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van bedrijven die veel broeikasgassen uitstoten, vrezen voor een verlies van reëel inkomen. Ook een verlies van identiteit kan hierbij een rol spelen, omdat op sommige plekken mensen zich sterk identificeren met hun industrie (Kirk et al., 2012). Deze angsten worden soms ook aangewakkerd door politici.
Empirisch zou de betrokkenheid bij lokale fabrieken die veel broeikasgassen uitstoten kunnen leiden tot een toename in het stemaandeel voor partijen die de klimaattransitie willen vertragen. Immers, juist in de buurt van deze fabrieken leven en stemmen disproportioneel veel mensen die voor hun inkomen en identiteit afhankelijk zijn van deze fabrieken.
Het omgekeerde effect is echter ook mogelijk: juist in de buurt van uitstotende fabrieken kan het stemaandeel toenemen van partijen die de klimaattransitie willen versnellen. Dit omdat omwonenden van vervuilende industrie het terugdringen van deze uitstoot kunnen zien als een verbetering van hun leefomgeving. Broeikasgassen worden immers vaak gelijktijdig uitgestoten met andere gassen en het reduceren van uitstoot zou zo kunnen leiden tot minder luchtvervuiling (Goerger, 2021).
Krantenartikelen over omwonenden bij Tata Steel in IJmuiden illustreren beide mechanismen. Sommige bewoners uit Wijk aan Zee zijn trots op dit bedrijf en vrezen dat sluiting ervan ertoe leidt dat zij een soort ‘Zandvoort worden’ en economische kansen verliezen; andere bewoners zien Tata Steel juist als een bedreiging voor hun gezondheid en willen graag vergaand ingrijpen (De Telegraaf, 2025).
Data en methode
Voor de analyse gebruik ik de uitslagen van de acht verkiezingen voor het Europees Parlement (EP) tussen 1989 en 2024 op gemeenteniveau in Nederland. In de analyse betrek ik enkel partijen die minstens één zetel in het EP hebben gehaald. Om te categoriseren of partijen de klimaattransitie willen vertragen of versnellen, neem ik de classificatie van CAN (2019; 2024) over, die kijkt hoe partijen in het EP stemden bij wetsvoorstellen over klimaatbeleid en hieraan scores heeft toegekend. Op basis hiervan categoriseer ik de partijen ChristenUnie-SGP, CDA, PVV en FvD als partijen die de klimaattransitie willen vertragen. De partijen GroenLinks, Europa Transparant, SP, Partij voor de Dieren, VOLT en de PvdA categoriseer ik als partijen die de klimaattransitie willen versnellen. D66, VVD en 50PLUS zijn ‘neutraal’, dat wil zeggen niet voor het versnellen van klimaatbeleid en ook niet voor het vertragen ervan. D66, VVD en 50PLUS – in Europa deel van dezelfde partijfamilie ‘RENEW Europe’ – zijn ‘neutraal’, dat wil zeggen niet voor het versnellen van klimaatbeleid en ook niet voor het vertragen ervan. Als afhankelijke variabelen kijk ik naar de som van het aantal stemmen voor partijen die voor het vertragen dan wel versnellen van de klimaattransitie zijn in een gemeente, en deel dit door het totaal aantal stemmen in die gemeente.
De onafhankelijke variabele is de hoeveelheid broeikasgassen die door bedrijven in een gemeente wordt uitgestoten, in tonnen CO2-equivalent per inwoner van de gemeente (per capita). Deze uitstoot wordt door de Rijksoverheid al sinds 1990 bijgehouden. Onder CO2-equivalent valt niet alleen de uitstoot van CO2 (koolstofdioxide) maar ook gassen als methaan of lachgas (distikstofoxide).
Ik maak een discrete variabele van de gemeentelijke uitstoot per capita door vier bins te maken. De eerste bin bestaat uit gemeenten waarvan de industrie geen broeikasgassen uitstoot (40 procent van de observaties); de tweede bin bestaat uit gemeenten waarvan de industrie per capita weinig broeikasgassen uitstoot (25 procent); de derde bin bestaat uit gemeenten waarvan de industrie per capita een matige hoeveelheid broeikasgassen uitstoot (25 procent); de vierde en laatste bin bestaat uit gemeenten waarvan de industrie veel broeikasgassen per capita uitstoot (10 procent).
Voor de analyse gebruik ik een difference-in-differences-opzet waarbij de controlegroep bestaat uit gemeenten die geen bedrijven hebben die broeikasgassen uitstoten. Ik verwacht dat in gemeenten die veel industriële broeikasgassen uitstoten mensen anders zijn gaan stemmen bij de EP verkiezingen van 2024, dus na de invoering van de Green Deal en de scherpe stijging van de EU ETS prijzen omstreeks 2020. Meer informatie betreffende de data, methode en robuustheidtesten is te vinden in Addriyati Achmad (2024) en Rienks (2024).
Resultaten
Gemeenten die veel broeikasgassen uitstoten, wijken af van de rest en stemmen relatief weinig op partijen die de klimaattransitie willen vertragen (figuur 1a). Een verklaring hiervoor is dat de algehele opkomst in deze gemeenten relatief laag is, en dat de mensen die in reactie op het klimaatbeleid hun stem zouden wijzigen toch al niet naar de stembus gingen (Rienks, 2024). Een aanvullende verklaring is dat de inwoners van deze gemeenten traditioneel vaak links stemmen en daarmee dus niet op partijen die de klimaattransitie willen vertragen.
Figuur 1: Stemaandeel naar gemeentelijke uitstoot per capita

Wel neemt het gemeentelijke stemaandeel voor partijen die de klimaattransitie willen vertragen toe na de invoeringen van de Green Deal en de stijging van de ETS prijzen rond 2020. Echter, deze toename is ongeveer hetzelfde voor alle gemeenten, ongeacht de hoeveelheid broeikasgassen die hun industrie uitstoot. De betrouwbaarheidsintervallen in 2024 voor gemeenten zonder uitstoot en gemeenten met een hoge uitstoot overlappen grotendeels, wat aangeeft dat zij niet statistisch significant van elkaar verschillen. Op basis van deze analyse is er dan ook geen aanleiding om te denken dat het terugdringen van industriële broeikasgassen middels de Green Deal of het EU-ETS gemiddeld genomen leidt tot veranderingen in stemgedrag.
Gemeenten die per capita veel broeikasgassen uitstoten, stemmen relatief veel op partijen die de transitie willen versnellen, al is dit effect niet altijd statistisch significant (figuur 1b). Het stemaandeel van partijen die de klimaattransitie willen versnellen neemt in alle groepen gemeenten af met een vergelijkbare hoeveelheid – de kleine verschillen ertussen zijn niet statistisch significant. Opnieuw geeft deze analyse geen reden om te denken dat het terugdringen van industriële broeikasgassen leidt tot veranderingen in stemgedrag omdat stemmers betrokken zijn bij deze industrieën.
De resultaten veranderen niet wezenlijk wanneer de categorisering van partijen als versnellend/vertragend iets wordt aangepast. Zo heeft Addriyati Achmad (2024) tijdens haar onderzoeksstage partijen ook gecategoriseerd op basis van partijprogramma’s zonder andere resultaten te vinden. Ook bij alternatieve specificaties van de bins, het toevoegen van fixed-effects, het schatten van first-differences-specificaties, of controleren voor gemiddeld inkomen per gemeente, percentage populatie vrouw, en populatiedichtheid veranderen de resultaten niet wezenlijk.
Dat de analyse geen verandering in stemgedrag aantoont, kan komen omdat het EU-ETS bedrijven voorziet in een voorspelbaar afbouwplan, zodat ze weten waar ze aan toe zijn en ze kunnen overschakelen op alternatieve productiemethoden. Ook voorziet het klimaatbeleid van de EU in compensatie voor mensen die door deze transitie (regionaal) benadeeld worden, onder andere middels het Just Transition Mechanism, wat tegenreacties van stemmers mogelijk tempert.
Conclusie en discussie
In gemeenten waar veel industriële CO2 wordt uitgestoten, blijft de steun voor partijen die de klimaattransitie willen versnellen, en vaak ook links zijn, relatief hoog. Dat suggereert dat politici zich geen zorgen hoeven te maken over het verliezen (of winnen) van de stemmen van mensen die direct betrokken zijn bij de uitstoot van industriële broeikasgassen, bijvoorbeeld als werknemer of omwonende.
Wel kent deze studie belangrijke beperkingen. De belangrijkste is dat de analyse is uitgevoerd op het niveau van gemeenten, wat een ‘hoog’ niveau is om dergelijke effecten te vinden. Het zou dan ook zeer interessant zijn om deze analyse te herhalen op het niveau van stembureaus (en de data hiervoor zijn ook beschikbaar). Een andere beperking is dat de afstanden in Nederland klein zijn, waardoor mensen mogelijk in een andere gemeente stemmen dan waar ze werken. De resultaten zullen mogelijk anders zijn in EU-landen waarin de industrie die broeikasgassen uitstoot sterker regionaal is geconcentreerd, zoals in Polen of Italië. Tot slot zou het interessant zijn om deze analyse te herhalen voor Tweede Kamerverkiezingen, onder meer omdat de opkomst bij deze verkiezingen hoger is.

Literatuur
Addriyati Achmad, V. (2024) Voter backlash against climate policies? The case of European elections in The Netherlands: Period 1994–2019. WUR Masterscriptie. Te vinden op library.wur.nl.
Allers, M. en H. Rienks (2024) Voters’ influence on local tax policy. European Journal of Political Economy, 85, 102575.
Bergh, J. van den (2024) De tien geboden van effectief klimaatbeleid. ESB, 109(4836), 362–365.
Byzdra, K. (2025) Polish steelworkers protest against EU climate policies. Notes from Poland, Nieuwsbericht, 21 mei.
CAN (2019) Defenders, delayers, dinosaurs. Ranking of EU political groups and national parties on climate change. Climate Action Network Europe, Publicatie, 10 april. Te vinden op caneurope.org.
CAN (2024) EU parliament scoreboard: Ranking of 2019–2024 EU Parliament political groups and national parties on their votes for climate, nature and pollution legislation. Climate Action Network Europe. Te vinden op caneurope.org.
Dechezleprêtre, A., D. Nachtigall en F. Venmans (2023) The joint impact of the European Union emissions trading system on carbon emissions and economic performance. Journal of Environmental Economics and Management, 118, 102758.
De Telegraaf (2025) Bewoners Wijk aan Zee blij met ‘redding’ Tata Steel. De Telegraaf, 30 september.
Egli, F., N. Schmid en T.S. Schmidt (2022) Backlash to fossil fuel phase-outs: the case of coal mining in US presidential elections. Environmental Research Letters, 17(9), 094002.
Flavin, P. (2026) Did Trump do better where inflation was worse? Evidence from country-level data. Electoral studies, 99, 103039.
Fothergill, S., T. Gore en D. Leather (2024) The State of the Coalfields 2024: Economics and social conditions in the former coalfields of England, Scotland and Wales. Rapport, 19 april.
Goerger, A. (2021) The effects of the EU ETS on pollution abatement investments. Social Science Research Network.
Kirk, J., S. Jefferys en C. Wall (2012) Representing identity and work in transition: The case of South Yorkshire coal-mining communities in the UK. Londen: Palgrave Macmillan, p. 184–216.
Rienks, H. (2024) Voter backlash against climate policies? The case of European Elections in the Netherlands. Working Paper.
Voeten, E. (2025) The energy transition and support for the radical right: Evidence from the Netherlands. Comparative Political Studies, 58(2), 394–428.
Weise, Z. (2026) The week the EU’s climate foundations started to shake. Artikel op www.politico.eu, 16 februari.
Auteur
Categorieën