Kinderbrillen vallen doorgaans niet onder de verzekerde zorg. Brillen zijn duur, en kinderen hebben met regelmaat een nieuwe nodig. Er zijn regelingen beschikbaar voor kinderen in armoede, maar deze blijken vaak lastig te vinden of onbegrijpelijk. Loont het om kinderbrillen laagdrempelig en gratis te verstrekken?
In het kort
- Een project in Utrecht laat zien dat toegankelijke regelingen leiden tot meer verstrekte kinderbrillen.
- Iedere euro die wordt geïnvesteerd in kinderbrillen leidt tot een maatschappelijke opbrengst van ten minste drie euro.
- De overheid verdient de investering terug omdat kinderen minder doubleren op school en eerder de arbeidsmarkt betreden.
In Nederland heeft ongeveer één op de vijf kinderen tot achttien jaar een bril nodig, wat neerkomt op zo’n 550.000 kinderen. Dit aandeel varieert sterk met de leeftijd: bij kinderen rond drie jaar is het percentage nog laag, terwijl bijna veertig procent van de zeventienjarigen een bril draagt. De vraag naar kinderbrillen neemt toe, mede door factoren als minder buitenspelen en – in mindere mate – vaker dichtbij kijken (zoals op schermen), die bijziendheid onder kinderen versterken (Jones-Jordan et al., 2011; Morgan et al., 2021).
Voor veel gezinnen is het lastig om de kosten van een kinderbril te dragen. Naar schatting hebben ouders van minstens 28.000 kinderen in Nederland moeite om een bril te betalen (Stichting Vision, 2020). Dit probleem leidt ertoe dat kinderen soms zonder noodzakelijke bril rondlopen, wat hun schoolprestaties en ontwikkeling negatief kan beïnvloeden. Dat kan bijdragen aan de kansenongelijkheid: kinderen uit gezinnen met lage inkomens lopen dan een achterstand op die niet het gevolg is van hun capaciteiten, maar van hun financiële situatie.
Kinderbrillen worden vanuit de basisverzekering in beginsel niet vergoed, behalve in een beperkt aantal uitzonderingen. Als een kind bijvoorbeeld aan een of beide ogen geopereerd is vanwege een lensafwijking, kunnen de kosten van een bril wel voor een deel worden vergoed. Hierbij geldt echter nog steeds een eigen bijdrage per glas (64 euro). Monturen worden nooit vergoed (Zorginstituut Nederland, 2025). Aangezien de gemiddelde bril 150 euro kost, moeten gezinnen dikwijls de volledige eigen bijdrage betalen.
Aanvullende verzekeringen vergoeden in sommige gevallen wel (een deel van) de kosten van een kinderbril. Daarvoor betaalt men echter een (hoge) extra premie. De Consumentenbond (2025) schrijft over aanvullende verzekeringen voor brildragende consumenten die geen andere zorg uit een aanvullende verzekering nodig hebben: “Het is vaak goedkoper om zelf te sparen voor een bril of lenzen.”
Om kinderen in armoede aan brillen te helpen, kennen sommige gemeenten daarom sociale regelingen die (in beperkte mate) ondersteuning bieden bij de aanschaf van brillen, vaak als onderdeel van bredere minimaregelingen of via bijzondere bijstand. Maar zoals blijkt uit bijvoorbeeld de situatie in de gemeente Utrecht (kader 1) lijkt er weinig gebruik te worden gemaakt van deze regelingen.
Kader 1: Sociale regelingen voor kinderbrillen in Utrecht
De huidige sociale regelingen hebben slechts een zeer beperkt effect op het daadwerkelijk verstrekken van kinderbrillen aan Utrechtse kinderen. Voor Utrechtse huishoudens met een laag inkomen kan voor maximaal 200 euro per gezinslid per jaar een vergoeding uit de bijzondere bijstand worden toegekend voor bepaalde, specifieke zorgkosten (Gemeente Utrecht, 2025a). Ook voor kinderbrillen kan een beroep worden gedaan op deze regeling, mits wordt voldaan aan inkomens- en vermogenseisen.
Bijzondere bijstand voor een kinderbril moet worden aangevraagd door de inwoner, die de kosten voor de bril eerst zelf moet voorschieten. Bij de aanvraag bij de gemeente moet hij namelijk een kopie van de factuur van de bril én een declaratieoverzicht van de zorgverzekeraar meesturen. Uit dat overzicht moet blijken welke kosten de verzekeraar niet of niet geheel vergoedt. Als de inwoner geen bijstandsuitkering heeft, moeten daarnaast inkomens- en vermogensbewijzen worden meegestuurd (Gemeente Utrecht, 2025b). De specifieke documenten zijn afhankelijk van de aanvraag, maar veelvoorkomende bewijzen zijn documenten die het inkomen en vermogen aantonen, zoals een loonstrook en de laatste bankafschriften van alle rekeningen, met daarop het saldo. Deze regeling geldt vanaf 1 januari 2025, daarvóór was er een andere regeling die aansloot bij een eventuele vergoeding vanuit de aanvullende verzekering.
Om een inschatting te maken van het aantal kinderen in de gemeente Utrecht dat een bril nodig heeft, en aanspraak zou kunnen maken op sociale regelingen, gebruiken we gegevens van de Armoedemonitor Utrecht (2021) in combinatie met de gezondheidsenquête van het CBS (2023) en de meest recente cijfers over brildragende jonge kinderen (Iyer et al, 2022). Hieruit blijkt dat het percentage kinderen dat een bril (of lenzen) nodig heeft, oploopt van circa 1,5 procent van de 0- tot 3-jarigen, tot 36 procent van de 12- tot 18-jarigen. Gekoppeld aan de cijfers van de Armoedemonitor, hebben daarmee naar schatting in Utrecht meer dan 2.000 kinderen in gezinnen met een inkomen tot 125 procent van het sociaal minimum een bril of contactlenzen nodig (tabel 1).
Gezien de relatief hoge frequentie waarmee kinderen een nieuwe bril nodig hebben, zou een flink deel van hen in de afgelopen vijf jaar aanspraak hebben kunnen maken op de bijzondere bijstand. Registratie van de bijzondere bijstand door de gemeente Utrecht laat echter zien dat tussen 2020 en 2024 het aantal verstrekte brillen rond de dertig tot veertig per jaar schommelt. Circa een kwart hiervan betreft kinderbrillen – dat zijn dus nog geen tien brillen per jaar. Dat is in een periode van vijf jaar tijd nog geen drie procent van de totale groep kinderen die een bril nodig heeft, en zeer waarschijnlijk moeite heeft deze te bekostigen.
De gemeente Utrecht heeft sinds februari 2025 een samenwerking met Hogeschool Utrecht (HU). Kinderen die in het bezit zijn van een U-pas, een gratis voordeelpas voor mensen met een laag inkomen in de regio Utrecht, kunnen via deze samenwerking een bril krijgen, zonder het jaarlijkse budget van inwoners op de U-pas aan te spreken. Via de nieuwsbrief van de U-pas (en mond-tot-mond reclame) krijgen mensen bericht van deze mogelijkheid. De kinderen krijgen een gratis oogonderzoek bij het HU GEZOND&WEL Centrum uitgevoerd door studenten orthoptie onder supervisie van docenten; als daaruit blijkt dat een bril nodig is, wordt deze volledig vergoed door de gemeente. In de periode van februari–oktober (de loopduur van de samenwerking tot dusver) zijn inmiddels circa 80 kinderen gezien en 65 kinderbrillen verstrekt.
De voornaamste reden dat via de regeling van HU in korte tijd meer kinderbrillen zijn verstrekt dan via de bijzondere bijstand, is vermoedelijk de toegankelijkheid en laagdrempeligheid van de regeling. De bijzondere bijstand vereist een aanvraagprocedure waarbij ouders zelf het initiatief moeten nemen en bewijsstukken moeten aanleveren. Hierdoor maken relatief weinig mensen gebruik van de regeling, ondanks dat ze er recht op hebben. Een fenomeen van niet-gebruik dat ook voor de algemene bijstand beschreven is (Van Beukering et al., 2022).
Wij betogen dat kinderbrillen laagdrempelig en kostenloos aan kinderen in armoede verstrekt zouden moeten worden. Dat is niet alleen rechtvaardig vanuit het perspectief van kansengelijkheid, maar ook maatschappelijk gezien de investering waard. Dit onderbouwen we met een indicatieve maatschappelijke kosten-batenanalyse (iMKBA).
Maatschappelijke kosten-batenanalyse
In de iMKBA brengen we de belangrijkste kosten en baten van het gratis verstrekken van kinderbrillen in kaart en vergelijken we deze om te beoordelen of de maatregel maatschappelijk de moeite waard is.
Kosten van een kinderbril
De consumentenprijs van een kinderbril varieert doorgaans tussen de 100 en 200 euro. Omdat de ogen van kinderen zich tijdens de groei blijven ontwikkelen, is het gebruikelijk dat zij gemiddeld elke twee tot drie jaar een nieuwe bril nodig hebben. Uitgaande van een gemiddelde van zes brillen per kind tussen het derde en achttiende levensjaar, en een gemiddelde aanschafprijs van 150 euro per bril (dit is inclusief servicevergoeding), komt de totale investering voor een achttienjarig kind in prijzen van 2025 uit op 900 euro. Uitgaande van een uniforme verdeling van aanschafmomenten over de tijd en een discontovoet van 2,8 procent (MinFin, 2025) is dit circa 747 euro in netto contante waarde.
Maatschappelijke baten van kinderbrillen
De baten zijn in wezen het spiegelbeeld van de negatieve effecten die optreden wanneer kinderen niet over een bril kunnen beschikken. Het gaat hierbij vooral om vermijdbare kosten als kinderen wél de benodigde visuele ondersteuning krijgen.
Allereerst leidt het ontbreken van een noodzakelijke bril tot slechtere schoolprestaties. Kinderen met ongecorrigeerde visuele beperkingen kunnen het schoolbord of leesmateriaal minder goed zien, wat hun concentratie en leerprestaties vermindert (Dudovitz et al., 2016; Hopkins et al., 2020). Ook hun ‘visual health’ komt onder druk te staan; zo kan het niet-dragen van een bril met plussterkte leiden tot hoofdpijn, concentratieproblemen en minder motivatie om te lezen (Ntodie et al., 2021). Diverse studies tonen aan dat kinderen zonder noodzakelijke bril gemiddeld lagere toetsresultaten behalen, terwijl interventies met het verstrekken van brillen juist tot significante verbetering van leesprestaties leiden (Neitzel et al., 2021).
Verbeterde schoolprestaties kunnen in de iMKBA via verschillende kanalen tot baten leiden. Zo leiden verbeterde schoolprestaties tot minder zittenblijven. Drost et al. (2014) berekenden in 2014 al dat zittenblijven in het basisonderwijs 5.092,88 euro per leerling per jaar kost. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen zijn deze kosten in 2025 6.865,65 euro per leerling per jaar. Bovendien heeft doubleren een negatief effect op de arbeidsproductiviteit omdat men later toetreedt tot de arbeidsmarkt. De Nooij (2021) berekent deze maatschappelijke kosten voor een jaar later gaan werken, door uit te gaan van een minimumjaarloon inclusief werkgeverslasten. Voor 2020 komt De Nooij op deze wijze uit op een bedrag van 24.192 euro, oftewel 30.245,06 euro in prijzen van 2025.
Hoewel een passende bril naar verwachting een gunstig effect heeft op bijvoorbeeld het risico van doubleren, wordt dit risico door meer factoren bepaald. Om het voorzichtigheidsprincipe te waarborgen, hanteren we twee scenario’s met verschillende impactpercentages, waarbij de aannames in het tweede scenario bewust conservatief zijn. In Nederland doubleert grofweg 1 op de 10 kinderen tijdens het basisonderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2025). Volgens het Vision Impact Institute (2012) is de kans op doubleren voor de doelgroep driemaal hoger. We gaan ervan uit dat de kans op doubleren gelijk verdeeld is over de leeftijden drie tot en met zeventien jaar. In scenario A halveert de interventie het aandeel kinderen dat tijdens de jeugd een keer blijft zitten van dertig naar vijftien procent (attributie: vijftien procent), terwijl dit in scenario B afneemt tot twintig procent (attributie: tien procent). Omdat doubleren automatisch leidt tot een jaar later instromen op de arbeidsmarkt, passen we hiervoor dezelfde percentages toe.
Daarnaast kunnen slechte schoolprestaties aanleiding zijn tot voortijdig schoolverlaten. De schattingen van de kosten hiervan lopen sterk uiteen. De Groot en Mateman (2014) becijferen de totale kosten op 10.000 euro per uitvaller. Een EU-rapport uit 2011 schat de maatschappelijke kosten van voortijdig schoolverlaten voor Nederland op 1,8 miljard euro per jaar (Nevala et al., 2011). Meer recent schat De Nooij (2021) het effect van het betreden van de arbeidsmarkt zonder startkwalificatie op 81.000 euro per persoon. Omdat het lastig is het verband met het tijdig beschikken over een passende bril vast te stellen, laten we deze baten buiten beschouwing in de berekening.
Naast leerachterstanden zijn er psychosociale gevolgen, zoals verminderd zelfvertrouwen, sociaal isolement en een verhoogde psychosociale stress (Dudovitz et al., 2016). Kinderen zonder noodzakelijke bril kunnen minder goed meedoen aan buitenspelen, groepsactiviteiten en sport, wat hun mentale gezondheid en veerkracht negatief beïnvloedt (Meisters et al., 2021). Onderzoek van Leih (2018) in opdracht van het Ministerie van VWS wijst uit dat onvoldoende weerbaarheid bij jongeren leidt tot gemiddeld 1.000 euro extra zorgkosten per jongere per jaar (1.295,44 euro in prijzen van 2025). Onderzoek van Meisters et al. (2021) laat zien dat een eenzaam persoon jaarlijks gemiddeld 3.462 euro hogere zorgkosten heeft dan een niet-eenzaam persoon (4.315,02 euro in prijzen van 2025). En onderzoek van de Universiteit van Maastricht (2021) laat zien dat eenzaamheid vooral bij mensen tussen negentien en veertig jaar verband houdt met hogere zorgkosten. Genoemde bedragen laten zien dat het tijdig kunnen beschikken over een noodzakelijke bril kan leiden tot aanzienlijke besparingen.
We veronderstellen dat – voorzichtig geschat – één op de 200 doelgroepkinderen (scenario A) of één op de 400 doelgroepkinderen (scenario B) op enig moment hulp nodig heeft wegens problemen gerelateerd aan gebrek aan weerbaarheid of eenzaamheid. Deze kosten treden gemiddeld tien jaar na het bereiken van de volwassen leeftijd op, en houden telkens één jaar aan (Universiteit Maastricht, 2021).
Tot slot verdisconteren we alle kosten en baten met een discontovoet van 2,8 procent (MinFin, 2025).
Kosten-batenvergelijking
Voor de kosten-batenvergelijking nemen we een willekeurige groep van honderd doelgroepkinderen als uitgangspunt. We veronderstellen dat deze kinderen in 2025 drie jaar oud zijn en tot hun achttiende in totaal zes brillen ontvangen. De aanschafmomenten zijn daarbij uniform over de tijd verdeeld. Dit betreft na verdisconteren een hoge schatting van de kosten, omdat jonge kinderen in werkelijkheid minder vaak een nieuwe bril nodig hebben dan oudere kinderen (tabel 1). Hierdoor zijn de totale kosten waarschijnlijk overschat, waardoor de kosten-batenvergelijking conservatief uitvalt.

De iMKBA laat een social return on investment (SROI) zien van 4,96 euro in scenario A en 3,30 euro in scenario B (tabel 2). Dit betekent dat elke geïnvesteerde euro in kinderbrillen tussen de 3,30 en 4,96 euro aan maatschappelijke baten oplevert. Een groot deel van deze baten betreft directe financiële opbrengsten voor de overheid, zoals lagere kosten door minder kinderen die blijven zitten en hogere belastinginkomsten omdat jongeren eerder de arbeidsmarkt betreden. Daarmee is het aannemelijk dat de interventie zich voor de overheid ook in financiële zin grotendeels terugverdient. Bovendien blijven aanvullende maatschappelijke baten – zoals een mogelijke afname van vroegtijdig schoolverlaten – buiten de iMKBA. Hoewel de berekening onvermijdelijk leunt op verschillende aannames, en daarom slechts als indicatieve schatting moet worden gezien, wijzen de resultaten er in algemene zin op dat de interventie zich maatschappelijk terugbetaalt.

Conclusie
In Nederland worden kinderbrillen in beginsel niet vergoed op grond van de Zorgverzekeringswet. Weliswaar bestaan er sociale regelingen voor de bekostiging, maar deze variëren per gemeente en worden bovendien slecht gevonden, zoals geïllustreerd voor de gemeente Utrecht. Kinderbrillen zijn daarmee exemplarisch voor voorzieningen die zich in het grensgebied bevinden tussen zorg (zorgverzekering) en het sociaal domein (gemeentelijke ondersteuning): ze zijn medisch noodzakelijk voor de ontwikkeling van het kind, maar worden niet standaard vergoed vanuit de zorgverzekering. Daarmee vallen veel kinderen tussen wal en schip.
De maatschappelijke kosten-batenanalyse laat zien dat de baten van het laagdrempelig verstrekken van kinderbrillen ruimschoots opwegen tegen de kosten. In een brief over brilarmoede onder kinderen uit 2024, gericht aan het Ministerie van VWS, stellen Stichting VISION 2020 Netherlands, de Nederlandse Vereniging van Orthoptisten (NVVO), de Optometristen Vereniging Nederland (OVN), het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG) en de Oogvereniging dat in Nederland naar schatting 550.000 kinderen een bril dragen. Van hen leeft 3,6 procent in armoede (CBS, 2023). Wanneer deze 19.800 kinderen gedurende hun jeugd zes brillen zouden ontvangen, bedragen de kosten circa 14,8 miljoen euro, tegenover verwachte baten van 48,9 miljoen euro.
Investeren in toegang tot kinderbrillen is niet alleen een kwestie van gelijke kansen, maar ook van doelmatig beleid. De resultaten tonen aan dat het verstrekken van een bril aan ieder kind dat er een nodig heeft zowel rechtvaardig als economisch verstandig is. Kinderen met een onbehandelde visuele beperking lopen risico op leerachterstanden, sociale uitsluiting en verminderde ontwikkelingskansen. Een bril is een eenvoudige, bewezen interventie met grote impact.
Een vergoeding vanuit de Zorgverzekeringswet zou een logische stap zijn, zeker gezien de maatschappelijke baten. Toch is het de vraag of dit politiek haalbaar is, gezien de actuele discussies over pakketuitbreiding en kostenbeheersing. Indien landelijke vergoeding niet haalbaar blijkt, zou ten minste op lokaal niveau een passende regeling moeten worden getroffen. De regeling in de gemeente Utrecht kan hierbij dienen als best practice: laagdrempelig, effectief en gericht op gelijke kansen voor ieder kind.

Literatuur
Armoedemonitor Utrecht (2021) Armoedemonitor – Armoederegelingen. Te vinden op utrecht.incijfers.nl.
Beukering, I. van, W. Luiten, H. Zuurbier en J. van der Pauw (2022) Van elke drie huishoudens met recht op bijstand, maakt er één geen gebruik van. ESB, 107(4813), 416–418.
CBS (2023) 62 procent bevolking draagt weleens een bril. CBS Statistiek, 8 september.
Consumentenbond (2025) Vergoeding zorgverzekering: Brillen of lenzen. Consumentenbond.
Drost, R.M.W.A., A.T.C. Paulus, D. Ruwaard en S.M.A.A. Evers (2014) Handleiding intersectorale kosten en baten van (preventieve) interventies: Classificatie, identificatie en kostprijzen. Universiteit Maastricht.
Dudovitz, R.N., N. Izadpanah, P.J. Chung en W. Slusser (2016) Parent, teacher, and student perspectives on how corrective lenses improve child wellbeing and school function. Maternal and Child Health Journal, 20(6), 974–983.
Gemeente Utrecht (2025a) Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht. Te vinden op lokaleregelgeving.overheid.nl.
Gemeente Utrecht (2025b) Zorgkosten, extra bedrag aanvragen. Te vinden op loket.digitaal.utrecht.nl.
Groot, N. de, en H. Mateman (2014) Zicht op effect: Een overzicht van instrumenten om zelf het effect van je aanpak te meten. Movisie Publicatie, juni.
Hopkins, S., S. Narayanasamy, S.J. Vincent et al. (2020) Do reduced visual acuity and refractive error affect classroom performance? Clinical and Experimental Optometry, 103(3), 278–289.
Inspectie van het Onderwijs (2025) De staat van het onderwijs 2025. Technisch rapport primair onderwijs, april.
Iyer, V., Enthoven, C.A., van Dommelen, P. et al. (2022) Rates of spectacle wear in early childhood in the Netherlands. BMC Pediatrics, 22(1), 409.
Jones-Jordan, L.A., G.L. Mitchell, S.A. Cotter et al. (2011) Visual activity before and after the onset of juvenile myopia. Investigative Ophthalmology & Visual Science, 52(3), 1841–1850.
Leih, E. (2018) Besparingspotentieel jongerenwerk geschat op 45 miljoen euro. Jeugdbeleid, 12(3), 127–134.
Meisters, R., D. Westra, P. Putrik et al. (2021) Does loneliness have a cost? A population-wide study of the association between loneliness and healthcare expenditure. International Journal of Public Health, 66, 581286.
MinFin (2025) Rapport Werkgroep discontovoet 2025. Ministerie van Financiën, 19 september. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Morgan, I.G., P.-C. Wu, L.A. Ostrin et al. (2021) IMI risk factors for myopia. Investigative Ophthalmology & Visual Science, 62(5), artikel 3.
Neitzel, A.J., B. Wolf, X. Guo et al. (2021) Effect of a randomized interventional school-based vision program on academic performance of students in grades 3 to 7. JAMA Ophthalmology, 139(10), 1104–1114.
Nevala, A.-M., J. Hawley, D. Stokes et al. (2011) Terugdringen van voortijdig schoolverlaten in de EU: Studie – samenvatting. Europees Parlement, Directoraat-Generaal Intern Beleid van de Unie, Beleidsondersteunende Afdeling B. Te vinden op www.europarl.europa.eu.
Nooij, M. de (2021) Maatschappelijke kosten-batenanalyse Van Overleven Naar Leven. Onderzoek in opdracht van de gemeente Amsterdam., 21 mei. Te vinden op www.sezo.nl.
Ntodie, M., K.J. Saunders en J.-A. Little (2021) Correction of low-moderate hyperopia improves accommodative function for some hyperopic children during sustained near work. Investigative Ophthalmology & Visual Science, 62(4), artikel 6.
Stichting VISION 2020 Netherlands (2024) Brilarmoede bij kinderen: Kinderbrillen in de basisverzekering. Te vinden op www.vision2020.nl.
Universiteit Maastricht (2021) Aanpakken eenzaamheid drukt ook zorgkosten. Universiteit Maastricht, Nieuwsbericht, 8 februari.
Vision Impact Institute (2012) The social and economic impact of poor vision. The Boston Consulting Group and Essilor, White Paper, mei.
Zorginstituut Nederland (2025) Hulpmiddelen voor blinden en slechtzienden (visuele hulpmiddelen) (Zvw). Zorginstituut Nederland, Informatie.
Auteurs
Categorieën