Door de opzet van hun uitkering hebben gedeeltelijk arbeidsongeschikten een sterke financiële prikkel om te werken. Deze prikkel vergroot de arbeidsparticipatie bij de meeste groepen, maar nauwelijks bij de laagst betaalden. Hoe komt dit?
In het kort
- Hoe lager het laatstverdiende loon, hoe slechter de gezondheid van gedeeltelijk arbeidsongeschikten.
- De slechtere gezondheid van laagbetaalden kan een verklaring zijn voor het geringere arbeidsparticipatie-effect van de prikkel.
- De prikkel heeft geen meetbare invloed op de gezondheid van arbeidsongeschikten, behalve tijdelijk bij de laagstbetaalden.
Arbeidsongeschikten kunnen in Nederland onder de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een uitkering krijgen. Duurzaam volledig arbeidsongeschikten krijgen een IVA-uitkering van 75 procent van het laatstverdiende loon. Gedeeltelijk of tijdelijk volledig arbeidsongeschikten krijgen een WGA-uitkering. Zij starten in een loongerelateerde uitkering: deze bedraagt in de eerste twee maanden 75 en vervolgens 70 procent van het laatstverdiende loon. Inkomsten uit werk worden voor 70 procent met deze uitkering verrekend. De loongerelateerde uitkering duurt maximaal twee jaar, zo lang als de arbeidsongeschikte recht gehad zouden hebben op WW.
Na de loongerelateerde fase volgt in de WGA de vervolgfase. Voor tijdelijk volledig arbeidsongeschikten blijft de hoogte van de uitkering daarin gelijk. Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten daalt de uitkering sterk, tenzij zij voldoende inkomsten uit werk hebben. Wie minder dan vijftig procent van de resterende verdiencapaciteit benut, valt terug op een uitkering gebaseerd op het minimumloon in plaats van op het laatstverdiende loon. Daarmee ontstaat in de vervolgfase een duidelijke financiële prikkel om te werken, waar mensen mogelijk al tijdens de loongerelateerde fase op anticiperen.
De voornemens van het nieuwe kabinet versterken deze werkprikkel. De duur van de loongerelateerde uitkering wordt, net als die van de WW, beperkt tot maximaal één jaar, waardoor de prikkel sneller komt. Bovendien wordt de IVA afgeschaft waardoor meer mensen het risico lopen ooit met de prikkel in de WGA te maken te krijgen.
Hoewel de wet aanvankelijk zorgde voor een grote daling van het aantal uitkeringen, is de instroom de afgelopen jaren fors gestegen (Berendsen et al., 2025). Daarnaast is de kritiek op de scherpe kanten van de wet gaandeweg toegenomen. Zowel de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS, 2023) als een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) (Rijksoverheid, 2025) zien de complexiteit van het stelsel en de daaruit voortvloeiende problemen in de uitvoering als het grootste knelpunt. In haar eindrapport stelt OCTAS (2024) een hervorming voor, waarbij het systeem eenvoudiger wordt maar de werkprikkels in de WGA worden afgezwakt. In het IBO wordt ook voorgesteld om het systeem te vereenvoudigen, maar blijven de werkprikkels intact en gaat de vereenvoudiging ten koste van een lagere uitkering voor duurzaam volledig arbeidsongeschikten.
Bij het maken van een keuze over eventuele afzwakking van de financiële prikkels, is het zaak te weten of de werkprikkels daadwerkelijk effect hebben en of er onbedoelde neveneffecten zijn. In Kantarcı et al. (2024) analyseerden we de effectiviteit van de financiële prikkels in de WGA en concludeerden dat deze, ondanks de complexiteit die ze meebrengen, de werkgelegenheid bevorderen. Daarbij bleek dat arbeidsongeschikten met een hoger loon vóór ziekte sterker reageren op de financiële prikkel en vaker aan het werk gaan dan die met een lager loon. Dit heterogene effect kan verschillende oorzaken hebben. Zo neemt de financiële prikkel zelf toe met het eerdere loon, en beschikken hogerbetaalden vaak over bredere vaardigheden en betere arbeidsmarktkansen. Maar ook een betere gezondheid van hogerbetaalden zou een verklaring kunnen bieden voor hun grotere kans op werk en sterkere reactie op een financiële prikkel.
In dit artikel onderzoeken we de gezondheid van hoger- én lagerbetaalde arbeidsongeschikten in de tijd. Daarnaast onderzoeken we hoe de overgang van de loongerelateerde naar de vervolgfase in de WGA de gezondheid van gedeeltelijk arbeidsongeschikten beinvloedt.
Financiële prikkels en gezondheid
De verwachting is dat laagbetaalde gedeeltelijk arbeidsongeschikten in slechtere gezondheid verkeren dan hoogbetaalde gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Dit sociaal-economische gezondheidsverschil is bekend uit de gehele Nederlandse bevolking (Loef et al., 2021), maar niet evident voor de populatie arbeidsongeschikten. Arbeidsongeschikten verkeren immers allemaal in slechtere gezondheid, of ze nu laag- dan wel hoogbetaald zijn. Echter: omdat de WIA verzekert tegen een loonverlies van minimaal 35 procent van het laatstverdiende loon, is het voor laagbetaalden lastiger om gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard te worden (Lammers et al., 2025). Hogerbetaalden die alleen nog laagbetaalde banen kunnen uitoefenen verliezen meer dan 35 procent van hun loon en krijgen een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering. Wanneer laagbetaalden alleen nog laagbetaalde banen kunnen uitoefenen, verliezen zij minder dan 35 procent van hun loon en krijgen geen uitkering. De laagbetaalden die wél een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben kunnen bemachtigen, zijn daarom naar verwachting ongezonder dan hun hogerbetaalde arbeidsongeschikte collega’s.
Financiële prikkels kunnen ook effect hebben op de gezondheid van arbeidsongeschikten. Aan de ene kant kan een (mogelijke) inkomensachteruitgang stress veroorzaken, wat kan leiden tot verslechtering van de gezondheid. Bovendien kan een verslechtering van de gezondheid optreden als mensen door financiële druk meer of sneller aan de slag gaan dan goed voor hun gezondheid is. Aan de andere kant zou het vinden van werk kunnen leiden tot een verbetering van de (mentale) gezondheid omdat werk zorgt voor inkomen en goed is voor het sociale netwerk, de structuur in het leven en zelfrespect.
Over de invloed van financiële prikkels op de gezondheid van de arbeidsongeschikten is nog vrijwel niets bekend. García‐Gómez en Gielen (2018) onderzoeken de gezondheidseffecten van een grootscheepse herbeoordelingsoperatie bij arbeidsongeschikten in de jaren negentig. Ze vinden dat vrouwen die tegen strengere criteria beoordeeld werden (en daardoor noodgedwongen aan het werk gingen) vaker vroegtijdig overleden, ten opzichte van een groep die tegen minder strenge criteria beoordeeld werd. De gezondheid van mannen verbeterde juist wanneer zij strenger beoordeeld werden en daardoor aan het werk gingen. Koning en Van Sonsbeek (2017) laten onder meer zien dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten met mentale diagnoses bovengemiddeld vaak aan het werk gaan als gevolg van de financiële prikkel in de WGA, maar rapporteren niet over de omgekeerde relatie: het effect van de prikkels op de gezondheid.
Data en methode
We gebruiken een dataset met maandelijkse observaties van alle in totaal meer dan 500.000 personen die tussen 2006 en 2020 in de WIA zijn gekomen. Daaruit selecteren we de groep die in de onderzochte periode tot twee jaar na de financiële prikkel gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Dit resulteert in een onderzoekspopulatie van ruim 46.000 personen.
Voor alle personen hebben we data over onder meer leeftijd, geslacht, contracttype, mate van arbeidsongeschiktheid, laatstverdiende loon, en de eventuele verdiensten gedurende de arbeidsongeschiktheid. We koppelen deze data aan bestanden van het Centraal Bureau voor de Statistiek met informatie over medicijnen die vergoed zijn vanuit de Zorgverzekeringswet. We gebruiken medicijngebruik als indicator voor gezondheid en vinden verwachte resultaten conform de wetenschappelijke literatuur (Maron et al., 2019), zoals een toename van medicijngebruik met leeftijd en een hoger medicijngebruik onder vrouwen dan onder mannen. Het medicijngebruik is berekend voor degenen die in een bepaalde maand nog steeds een WGA-uitkering ontvangen. Er is niet veel herstel uit de WGA, dus de resultaten worden niet sterk vertekend doordat we niet naar (effecten van) volledige werkhervatting kijken.
Gezondheid tijdens arbeidsongeschiktheid
Het medicijngebruik is zowel in de loongerelateerde fase als in de eerste jaren van de vervolgfase van de uitkering gemiddeld relatief stabiel. Ook blijkt dat het medicijngebruik hoger is naarmate het laatstverdiende loon lager is. Het verschil is aanzienlijk: de groep waarvan het loon minstens 2,5 keer het minimumloon bedroeg, gebruikt gemiddeld één medicijn minder dan de groep waarvan het loon gelijk was aan het minimumloon of lager. Dit verschil in medicijngebruik tussen loongroepen treedt op bij vrijwel alle soorten diagnoses.

Daarbij zijn de sociaal-economische gezondheidsverschillen binnen de populatie gedeeltelijk arbeidsongeschikten aanzienlijk. Deze verschillen houden bovendien aan gedurende het verblijf in de uitkering. Dat impliceert dat op het moment dat de loongerelateerde uitkeringsfase is afgelopen en de gedeeltelijk arbeidsongeschikten met een financiële prikkel te maken hebben, de lagere loongroep in gezondheid nog steeds op achterstand staat. Mogelijk is deze ongelijkheid in gezondheidstoestand op het moment dat de loongerelateerde fase afloopt een deel van de verklaring voor het geringere effect op de arbeidsparticipatie van laagbetaalden: met een slechtere gezondheid is het lastiger om aan het werk te gaan als reactie op een financiële prikkel.
Er is ook een duidelijk verschil te zien in medicijngebruik tussen leeftijdsgroepen. Vijftigplussers gebruiken in alle inkomenscategorieën ongeveer één medicijn meer dan vijftigminners. Vijftigplussers passen hun arbeidsparticipatie minder sterk aan als reactie op de financiele prikkel (Kantarcı et al., 2024). Hun slechtere gezondheid ligt hier mogelijk (deels) aan ten grondslag.
De combinatie van leeftijd en loon biedt verder goed zicht op een groep waarbij kwetsbaarheden stapelen: oudere arbeidsongeschikten die een laag loon hadden, gebruikten gemiddeld twee medicijnen meer dan jongere arbeidsongeschikten die een hoger loon verdienden.
Effect van financiële prikkels op gezondheid
Om het effect van de financiële prikkels op de gezondheid te onderzoeken, voeren we een regressieanalyse uit (volgens een zogenaamde event study design in de lijn van Koning en Van Sonsbeek, 2017). We verklaren daarbij het aantal gebruikte medicijnen uit de periode vóór en na het moment waarop de financiële prikkel in werking treedt. We controleren daarbij voor tijdonafhankelijke verschillen in medicijngebruik tussen individuen, verstreken uitkeringsduur en conjunctuur.
We definiëren een tijdschaal die het aantal maanden voor en na de prikkel weergeeft en verdelen deze in zes tijdblokken. De maanden −18 t/m −13 (dus de periode van 1 tot 1,5 jaar voor de prikkel) is daarbij de basis waartegen de ontwikkelingen worden afgezet.
In geen enkele van de tijdblokken in de vervolgfase van de WGA is een significante verschuiving in het medicijngebruik te zien (tabel 1). Daaruit concluderen we dat de financiële prikkel gemiddeld geen meetbaar effect op de gezondheid heeft.

Wel is er voor de laagst betaalde groep een significante stijging van het medicijngebruik vlak voordat de loongerelateerde fase afloopt. De gezondheid van deze groep gaat dus tijdelijk achteruit als gevolg van de in het verschiet liggende verlaging van hun inkomen.
De conclusies houden stand als we een alternatieve baseline gebruiken, de maanden −24 t/m −19 (1,5 tot 2 jaar voor de prikkel).
Conclusie
Er is, ook onder gedeeltelijk arbeidsongeschikten, een duidelijke relatie tussen sociaal-economische positie en gezondheid. De slechtere gezondheid van de arbeidsongeschikten met de laagste lonen kan een verklaring zijn waarom hun arbeidsdeelname nauwelijks stijgt in de loop van de uitkering en weinig gevoelig blijkt voor financiële prikkels. Zij hebben door hun slechtere gezondheid minder mogelijkheden om hun arbeidsparticipatie te verhogen. Tegelijkertijd verslechtert hun gezondheid tijdelijk in anticipatie op het vooruitzicht van een nog lager inkomen in de vervolgfase van de WGA. Gerichte interventies op vergroting van arbeidsmarktkansen of verbetering van de gezondheid kunnen bijdragen aan verbetering van de positie van deze groep, waar meerdere kwetsbaarheden lijken samen te komen.
Voor de meeste arbeidsongeschikten stijgt de arbeidsdeelname substantieel als gevolg van de financiële prikkels (Kantarcı et al., 2024), terwijl ze geen effect hebben op het medicijngebruik. Dat is een argument om de huidige financiële prikkels in het stelsel te behouden. Wel is er aandacht nodig voor de laagstbetaalde groep, waarbij in aanloop naar de prikkel wel tijdelijk negatieve gezondheidseffecten te zien zijn.
Onze analyse is beperkt tot de groep gedeeltelijk arbeidsongeschikten, die aangetoond arbeidsvermogen heeft en voor wie de financiële prikkels in de WGA gelden. In toekomstig onderzoek willen we de gezondheidsontwikkeling van een bredere groep arbeidsongeschikten bekijken, waaronder ook degenen aan wie geen WIA-uitkering wordt toegekend en de duurzaam volledig arbeidsongeschikten. We kunnen dan bepalen in hoeverre de gevonden gezondheidsverschillen tussen lage en hoge lonen specifiek zijn voor mensen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, een regeling waarvoor laagbetaalden minder snel in aanmerking komen (Van der Toorn et al., 2023).

Literatuur
Berendsen, E., M. de Vries en J.M. van Sonsbeek (2025) WIA-instroom 2018–2024 geduid. UWV Kennisverslag, 2025-7.
García-Gómez, P. en A.C. Gielen (2018) Mortality effects of containing moral hazard: Evidence from disability insurance reform. Health Economics, 27(3), 606–621.
Kantarcı, T., W. Mesman en J.-M. van Sonsbeek (2024) Werkprikkels bij arbeidsongeschiktheid zijn complex maar effectief. ESB, 109(4839), 518–521.
Koning, P. en J.-M. van Sonsbeek (2017) Making disability work? The effects of financial incentives on partially disabled workers. Labour Economics, 47, 202–215.
Lammers, M., S. van der Wal en M. Zijl (2025) Minder dan 35% arbeidsongeschikt: en dan? UWV Kennisverslag, 2025-5.
Loef, B., I. Meulman, G.-C. M. Herber et al. (2021) Socioeconomic differences in healthcare expenditure and utilization in The Netherlands. BMC Health Services Research, 21, 643.
Maron, J., E. Gomes de Matos, D. Piontek et al. (2019) Exploring socio-economic inequalities in the use of medicines: is the relation mediated by health status? Public Health, 169, 1–9.
OCTAS (2023) Beoordeling van het arbeidsongeschiktheidsstelsel. OCTAS Rapport, oktober. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
OCTAS (2024) Toekomst van het arbeidsongeschiktheidsstelsel: Meer aandacht, vertrouwen en zekerheid. OCTAS Rapport, 29 februari. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Rijksoverheid (2025) Werk aan de WIA – naar een stelsel dat weer werkt: IBO Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Rapport, december. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Toorn, A.-J. van der, P. de Hek, M. den Hartog en D. Bos (2023) Afgewezen voor een WIA-uitkering: tussen wal en schip? SEOR Rapport, december. Te vinden op www.uwv.nl.
Auteurs
Categorieën