Zonder internationale handel zou Nederland straatarm en doodongelukkig zijn. Onze bedrijven exporteren goederen en leveren diensten over de hele wereld. Daarmee verdienen we ruim een derde van het bruto binnenlands product (CBS, 2025), en van de opbrengsten financieren we mede onze verzorgingsstaat. Dezelfde handel stelt ons in staat om producten uit het buitenland te halen die we niet zelf produceren, en om te profiteren van wereldwijde kennis en innovaties; de handel dwingt onze bedrijven om zich te vernieuwen, wat de productiviteit verhoogt.
Een nieuwe geopolitieke realiteit

De afgelopen jaren is vrijhandel geen vanzelfsprekendheid meer. Overheden grijpen vaker in hun economieën in, en het aantal maatregelen dat de handel verstoort, neemt toe (IMF, 2025), zoals ook gesteld in het nieuwjaarsartikel in ESB (Gaastra, 2026). Er kunnen legitieme redenen zijn voor overheidsingrijpen. De regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bieden ruimte om bijvoorbeeld de voedselveiligheid te beschermen, de rechten van arbeiders te waarborgen, om de klimaatdoelen te halen of om ander marktfalen op te lossen. Maar handelsbeleid wordt steeds vaker ingezet voor politieke doeleinden: de grens tussen het borgen van publieke belangen, protectionisme en oneerlijke concurrentie vervaagt. Dit bleek in 2025: een jaar van importheffingen en exportcontrolemaatregelen.
Tijdens Liberation Day op 2 april 2025 kondigde Trump zijn reciprocal tariffs aan – met het doel om banen terug naar de VS de verplaatsen, maar ook om de nationale veiligheid te beschermen en de onderhandelingsmacht en invloed van de VS in de wereld te versterken. Twee dagen later kondigde China exportcontrolemaatregelen aan op zeven zeldzame aardmetalen en gerelateerde producten – een zet die pijnlijk duidelijk maakte hoe zeer de wereldeconomie afhankelijk is van China, en dat het land niet bang is dit als drukmiddel in te zetten.
Naar second best-beleid
Het op regels gebaseerde handelssysteem staat onder druk, en acties van overheden wereldwijd leiden ertoe dat first best-oplossingen als het wegnemen van handelsbelemmeringen niet altijd meer voor de hand liggen. Daarom is soms second best-beleid nodig, beleid waarbij de overheid actief ingrijpt in de internationale handel.
Het is ingewikkeld om zulk second best-beleid goed vorm te geven, want de overheid heeft een relatief beperkt inzicht in het handelen en de positie van bedrijven en sectoren, en is slecht in staat voorspellingen te doen over economie van de toekomst. Daarnaast kunnen bedrijven economische weerbaarheid als gelegenheidsargument gebruiken als zij concurrentie uit het buitenland vrezen. Deze risico’s van overheidsingrijpen nemen toe naarmate de overheid een grotere rol gaat spelen en meer actief gaat sturen op ‘strategische’ sectoren.
Om second best-beleid goed vorm te geven staat bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken de afruil tussen de drie W’s (welvaart, weerbaarheid en waarden) centraal. Deze afruil werd in 2024 door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR, 2024) gemunt. Zij stelt dat Nederland niet meer uit kan gaan van een gunstige internationale context, gezien de verschuivende machtsverhoudingen, toenemende conflicten en verzwakkende multilaterale samenwerking. Onze veiligheid, paraatheid (weerbaarheid), democratie, mensenrechten, rechtsstatelijkheid (waarden) en welvaart onder druk – wat kan leiden tot pijnlijke keuzes.
De afruil tussen de drie W’s komt steeds weer terug in de internationale economie. Denk bijvoorbeeld aan clouddiensten die we importeren uit de VS. Door specialisatie en schaalgrootte zijn Amerikaanse aanbieders concurrerend, en onze eigen economie profiteert van het gebruik hiervan (welvaart). Tegelijkertijd is het een risico om voor clouddiensten afhankelijk te zijn van een ander land (weerbaarheid). Bovendien brengt dit zorgen over privacy met zich mee (waarden).
Een ander voorbeeld waar welvaart en weerbaarheid botsen is de dominantie die China heeft in de mijnbouw en raffinage van kritieke grondstoffen dankzij jarenlang industriebeleid. Het land laat zien niet bang te zijn om deze dominantie te gebruiken. Met exportbeperkingen zoals op gallium, germanium (in 2023) en een aantal zeldzame aardmetalen (in april en oktober 2025). Wanneer de risico’s voor ten minste een van de drie W’s onacceptabel hoog worden, kan de overheid besluiten in te grijpen.
Tegelijkertijd hoeven de drie W’s niet per definitie met elkaar te botsen – ze kunnen ook hand in hand gaan. Zo is het in het belang van onze welvaart dat we weerbaar zijn tegen economische schokken. Internationale handel zorgt voor afhankelijkheden over en weer, en daarmee voor potentiële kwetsbaarheden. Maar handel met meerdere handelspartners zorgt juist ook voor diversificatie en daarmee risicospreiding.
Oproep aan economen
Economen kunnen helpen bij het maken van goede afwegingen. Erken dat first best in de wereldeconomie nu niet altijd mogelijk is. Dit is realisme over de wereld waarin we leven. En lever vanuit dat vertrekpunt vernieuwende analyses door met ons mee te denken over second best beleid in deze wereld.
Er zijn een aantal belangrijke openstaande vragen. Ten eerste moet de vraag worden gesteld wat de kosten zijn van niets doen. Alleen zo kunnen we bepalen of de baten opwegen tegen de kosten. Bijvoorbeeld: wat zijn de economische gevolgen van een leveringsstop van kritieke grondstoffen of belangrijke halffabricaten? Wie worden daardoor geraakt? Voor een dergelijke analyse moeten veel aannames worden gedaan, net als in de meeste economische modellen. Maar het kan ons een inschatting geven van de orde van grootte van effecten, en of het de moeite waard is voor overheden om in te grijpen.
Ten tweede kunnen economen ons helpen door de afruil tussen de drie W’s inzichtelijk te maken met heldere analyses. Wat zijn bijvoorbeeld de maatschappelijke kosten en baten van weerbaarheidsverhogende maatregelen, hoeveel welvaart mag een beetje extra weerbaarheid kosten, en wie moet de rekening dragen? Neem het aanleggen van (publieke) voorraden: om hier een keuze over te maken moet de overheid weten wat de afruil is tussen de kosten en de mate waarin de weerbaarheid wordt verhoogd. En is het te verantwoorden dat de belastingbetaler die kosten draagt, of kunnen we ze beter bij gebruikers neerleggen?
Ten derde zijn er maatregelen nodig die het bedrijfsleven prikkelen om de nieuwe realiteit zelf adequaat mee te wegen. Het voorlichten van bedrijven alleen, wat het ministerie van Buitenlandse Zaken nu veel doet, is niet voldoende. Tekorten aan halfgeleiders bij autofabrikanten laten zien dat de grote bedrijven nog niet goed voorbereid zijn. Je zou kunnen beargumenteren dat bedrijven zelf het beste zicht hebben op deze risico’s en dus ook voor een oplossing verantwoordelijk zijn. Tegelijkertijd speelt de auto-industrie in een aantal Europese landen een grote economische en maatschappelijke rol. Daardoor zijn overheden toch geneigd in te grijpen, met alle bijbehorende complicaties. En bedrijven leunen wellicht te veel achterover; hier ontstaat een moreel risico.
Tot besluit
Hoe langer deze turbulente geopolitieke situatie duurt, hoe meer lastige vragen we voor onze kiezen krijgen. Als economen consequent en met een open blik een bijdrage aan het weerbaarheidsdebat leveren, dan stellen we de politiek in staat om onze weerbaarheid te verhogen met effectieve en doelgerichte maatregelen.
Literatuur
CBS (2025) Nederland Handelsland 2025: export, import en investeringen. CBS Statistiek, 15 september.
Gaastra, S. (2026) Geopolitieke macht heeft economische waarde. ESB, 111(4853), 6–9.
IMF (2025) Industrial policy: Managing trade-offs to promote growth and resilience. IMF, World Economic Outlook, oktober.
WRR (2024) Nederland in een fragmenterende wereldorde. WRR Rapport, 109.
Auteur
Categorieën