De onzichtbare hand maakt plaats voor de gebalde vuist
Dit is de derde blog in de reeks blogs over geo-economie, waarin geschetst wordt hoe het economisch denken en beleid herijkt kan worden in de huidige veranderende wereldorde.
In deze serie verschijnen:
- De wortels van het vrijhandelsdenken – 5 februari
- Van vrijhandel naar machtspolitiek – 5 februari
- Geo-economische macht als collectief goed – 10 februari
- Offensieve en defensieve geo-economische macht – 13 februari
- De bronnen van geo-economische macht – 17 februari
- Het opbouwen van control points – 20 februari
- Aandachtspunten voor beleid – 24 februari
Deze blogreeks bouwt voort op het nieuwjaarsartikel van 19 januari 2026 van Sandor Gaastra.
Volgens een orthodoxe lezing van het Ricardiaanse denkkader zou je concurrentieverstorende subsidies in het buitenland niet moeten beantwoorden met sancties, maar met een bedankbriefje: waarom protesteren als andere landen ten koste van hun eigen welvaart je consumptie financieren? Voormalig Fed-voorzitter en Amerikaans minister van Financiën Janet Yellen gaf in 2024 aan dat dit lang haar grondhouding tegenover buitenlandse subsidies is geweest (Wall Street Journal, 2024). Michael Boskin, een voorganger van Yellen als hoofd van de Council of Economics Advisers, redeneerde in 1992 naar verluidt al even Ricardiaans: “potato chips or computer chips, what’s the difference?” (Atkinson, 2022). Als je met de inkomsten van hyperefficiënte aardappelchipsproductie je computerchips – en de rest van je consumptie – kan betalen, is er toch geen probleem?
In geopolitiek kalmere jaren was de Ricardiaanse stelling wellicht nog een te verdedigen heuristiek. Helaas is ze onhoudbaar geworden, concludeerde ook Yellen. In blog 2 beschreven we hoe economische instrumenten steeds vaker worden ingezet voor geopolitieke doeleinden.
De geo-economische macht die een land heeft, is nauw verbonden met de structuur van zijn economie. Dat het ertoe doet of je aardappelchips maakt of (machines voor de productie van) computerchips, is in weinig landen evidenter dan in Nederland: onze geopolitieke relevantie hangt voor een aanzienlijk deel samen met de aanwezigheid van een enkel ecosysteem rondom één bepalend bedrijf (ASML).
We definiëren geo-economische macht als de capaciteit om met economische macht invloed uit te oefenen op buitenlandse entiteiten. Of preciezer – conform de klassieke definitie van macht (Dahl, 1961) – de capaciteit om deze entiteiten te bewegen iets te doen dat ze anders niet hadden gedaan. In de geo-economische literatuur is het gebruikelijk om geo-economische macht speltheoretisch te funderen: macht berust op het vermogen de incentives van andere actoren te beïnvloeden (Clayton et al., 2025). Dat omvat ook het vermogen om te voorkomen dat andere actoren jouw incentives beïnvloeden. De concrete instrumenten hiervoor zijn talrijk; zie de tabel in blog 2.
Geo-economische macht is geen recent verschijnsel, maar de waardering ervan wel. Door de fragmenterende wereldorde is het belang van geo-economische macht sterk gegroeid. In feite fungeert geo-economische macht als een vorm van risicomitigatie, die vooral van waarde is in geopolitiek onstuimige tijden. Dat betekent ook dat in tijden waarin risico’s kleiner zijn het minder aantrekkelijk wordt om dit type verzekering af te sluiten.
Collectief goed
Geo-economische macht is in welvaartseconomische termen een collectief goed. Het is van belang voor een samenleving: het is immers essentieel voor het behartigen van Nederlandse belangen op het wereldtoneel en het vermogen van de Nederlandse overheid om beleid te voeren naargelang de politieke keuzes van de eigen burgers. En het is zowel niet-rivaliserend als niet-uitsluitbaar: consumptie van geo-economische macht van de ene inwoner gaat niet ten koste van consumptie van de andere, en niemand binnen een land kan worden uitgesloten van de baten ervan.
Het collectieve goed van geo-economische macht vertoont sterke parallellen met het collectieve goed van defensie. Defensie is gericht op het versterken van de nationale positie in de ernstigste vorm van internationaal conflict, te weten oorlog – en misschien nog wel meer om de afschrikkende werking die het heeft in de schaduw van oorlog. Analoog hieraan is geo-economische macht als gevolg van strategische economische activiteiten van waarde in handelsconflicten en militaire conflicten, maar ook in de schaduw van handelsconflicten (Kooi, 2024). Het is daarmee te zien als een aanvulling op militaire macht, die met name lager op de diplomatieke escalatieladder van waarde is en een bescherming is tegen dwang op thema’s waar militaire dreiging ver buiten proportie ligt.
Het is in de praktijk niet eenvoudig om te zeggen wanneer de waarde van geo-economische macht precies naar voren komt. Het duidelijkst zijn gevallen waarin geo-economische macht direct wordt ingezet in de context van een conflict. De afschrikkende werking kan minstens zo belangrijk zijn, maar is deels minder zichtbaar vanwege een preventieparadox: situaties waar geo-economische macht voorkomt dat een andere mogendheid dwang inzet, zijn lastig om te herkennen.
Toch is aannemelijk dat geo-economische macht wel degelijk van grote waarde is: het is geen toeval dat grootmachten minder vaak geopolitiek onder druk worden gezet. Geo-economische macht biedt op die manier ruimte om zelfstandig beleid te voeren, economische dwang te voorkomen en belangen te beschermen.
Ten slotte kan geo-economische macht ook buiten de context van spanningen en conflict helpen bij de positionering als strategisch partner. Zo kunnen grote mogendheden de toegang tot een afzetmarkt of samenwerking op strategische technologieën ter beschikking stellen bij onderhandelingen over economische samenwerking.
Positieve externe effecten
Als geo-economische macht een collectief goed is, is de bijdrage van een bedrijf hieraan te conceptualiseren als een positief extern effect (Kooi, 2024). De aanwezigheid van een strategisch belangrijk bedrijf levert immers een maatschappelijke voordeel op – geo-economische macht – dat niet in de marktprijs van het geproduceerde goed of dienst zit.
Het doet ertoe of je aardappelchips of computerchips maakt, omdat enkel het tweede een wezenlijke bijdrage levert aan het geopolitieke handelingsperspectief van een land. Een bedankbriefje voor gesubsidieerde goederen is nog steeds vaak op zijn plaats – maar niet als deze subsidies gericht zijn op het monopoliseren van een strategische waardeketen.
De omvang van geo-economische externe effecten is zeer ongrijpbaar: hoe bepaalde economische activiteiten precies leiden tot geo-economische macht, en hoe belangrijk die in de toekomst zullen zijn, is lastig te voorspellen. Het is onmogelijk te kwantificeren hoeveel waarde je eraan ontleent dat je computerchips in plaats van aardappelchips produceert. Je weet niet wanneer je de computerchips in een conflict kunt inzetten, en al helemaal niet wat de waarde is van de conflicten die niet plaatsvinden omdat andere mogendheden weten dat hun toevoer van chips onder druk zou komen te staan als ze escaleren. Die ongrijpbaarheid impliceert niet per se dat beleid onverstandig is, maar wel dat het een serieuze uitdaging is om het effectief te doen.
Literatuur
Atkinson, R.D. (2022) Computer chips vs. potato chips: the case for a U.S. strategic‑industry policy. Information Technology and Innovation Foundation, 3 januari.
Clayton, C., M. Maggiori en J. Schreger (2025) Putting economics back into geoeconomics. NBER Working Paper 33681.
Dahl, R.A. (1961) Who Governs? Democracy and Power in an American City. Yale University Press, New Haven, CT.
Kooi, O. (2025) Overheid moet voortouw nemen bij organiseren weerbaarheid. ESB, 110(4848), 150–152.
Duehren, A. (2024) Janet Yellen missed the first ‘China shock.’ Can she stop the second? Wall Street Journal, 3 april.
Auteurs
Categorieën