Ga direct naar de content

De verregaande en onfortuinlijke invloed van het economisch denken

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 26 2004

De verregaande en onfortuinlijke invloed van het economisch denken
Aute ur(s ):
Arjo Klamer (auteur)
De auteur is cultureel econoom en is verb onden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. www.klamer.nl
Ve rs che ne n in:
ESB, 89e jaargang, nr. 4447, pagina 557, 26 november 2004 (datum)
Rubrie k :
prikkel
Tre fw oord(e n):

Het land is in rep en roer. Het volk is in de war. ‘Waar staan we voor?’ lijkt menigeen zich af te vragen na weer een moord op een bekende
Nederlander. De cultuur van tolerantie botst met de geïmporteerde intolerantie. Het vertrouwen in de overheid en in de medemens lijkt
zoek. Het merendeel van de burgers ervaart een verharding en smacht naar meer geborgenheid en solidariteit, zo weet het Sociaal
Cultureel Planbureau (scp). En wat zegt de economische wetenschap? Wat heeft de economische wetenschap te bieden aan inzichten en
wijsheden? In een andere woelige tijd, de jaren dertig, schreef Keynes (1936): “At the present moment people are unusually expectant of
a more fundamental diagnosis; more particularly ready to receive it; eager to try it out, if it should be even plausible.” Hij had een
voorstel voor toen. Wat is het voorstel nu?
“Economen hebben een superieur denkkader, maar weten minder dan u,” grapte de nieuwe decaan van de economische faculteit van
de Vrije Universiteit in Amsterdam, Harmen Verbruggen, onlangs in een toespraak voor collega’s van de andere faculteiten. Met hun
talloze ingewikkelde modellen en duizenden wetenschappelijke artikelen over van alles en nog wat, hebben economen bijster weinig in te
brengen in de maatschappij. ‘Dit is niet ons onderwerp,’ werpt de econoom terug. ‘Wij gaan niet over deze sociale toestanden.’ Dat was
evenwel geen excuus voor grote economen zoals Adam Smith,
John Stuart Mill, John Maynard Keynes, Milton Friedman, Gary Becker, John Kenneth Galbraith en Amartya Sen. Zij allen waren en zijn
bereid hun economische visie op maatschappelijke ontwikkelingen te geven. Wat is die visie nu?
Het cynisme onder economen is opmerkelijk groot. Ondanks het superieure denkkader gelooft men dat de eigen wetenschap weinig te
melden heeft over actuele aangelegenheden. De wereld is te complex om effecten van beleidsmaatregelen duidelijk te voorspellen. Maar
daarmee doen economen hun wetenschap geen recht. De invloed van de economische wetenschap is veel groter dan wordt bevroed. Ze
is misschien niet direct, maar indirect heeft de economische wetenschap grote invloed op het denken van vandaag en daarmee op het
handelen van mensen in beleidsposities. Herinner de woorden van Keynes (1936):
“[..] the ideas of economists and political philosophers, both when they are right and when they are wrong, are more powerful than is
commonly understood. Indeed the world is ruled by little else. Practical men, who believe themselves to be quite exempt from any
intellectual influences, are usually the slaves of some defunct economist. Madmen in authority, who hear voices in the air, are
distilling their frenzy from some academic scribbler of a few years back.”
Tegenwoordig hebben praktische autoriteiten, van minister tot theaterdirecteur, het over producten die ze in de markt willen zetten, over
efficiëntie, resultaatgericht handelen en belonen naar prestatie. Het is alsof ze hun inleiding economie na zitten te praten. Niet dat deze
economische manier van denken recht doet aan de huidige stand van de economische wetenschap; ze komt wel uit haar koker.
Dit economisch denken heeft verregaande consequenties voor de wijze waarop mensen hun wereld en samenleving begrijpen. Het
denken in termen van de markt heeft als gevolg dat men alles als een markt gaat zien. Precies zoals economen dat doen. Voor je het weet,
leveren ouders een product, hun kind, dat ze voor een prijs op de markt zetten. Wie biedt? Kunstenaars werken al voor de markt en
ziekenhuizen doen dat ook. Economisch denken stemt cynisch, zoals economen laten zien. Het maakt achterdochtig. ‘Welk eigenbelang
schuilt achter dit ogenschijnlijk nobele gedrag?’ Overal ziet men zwartrijders, of de kans daarop. Overheidsuitkeringen vragen natuurlijk
om misbruik. Ze maken mensen lui. Denk als een econoom en je snapt dat mensen alleen maar meer en beter zullen werken wanneer ze
meer betaald worden. Vandaar het prestatieloon.
Het leidt ook tot de zo versmaadde verharding. Overheidsbeleid leidt immers tot niets. ‘Laat het over aan de markt,’ roept de minister en
de Kamer gaat mee. Iedereen wil alles afrekenen. ‘Wat schuift het?’ is de eerste gedachte die opkomt bij een verzoek. Gedacht wordt dat
dit economisch denken zakelijk is. En realistisch. ‘Zo is de menselijke natuur nu eenmaal.’ Het lijkt superieur denken, maar wat weet men
eigenlijk? Je vergeet erdoor dat altruïstisch en coöperatief gedrag eerder de norm is dan de uitzondering, dat sociale waardering meer
motiverend werkt dan extra geld en dat vertrouwen gegenereerd wordt in de sociale samenleving, niet in de markt. Wat dat betreft weten
de andere sociale wetenschappen meer. Toch is het de inleiding in de economie die het moderne denken beheerst, met al het wantrouwen
en cynisme dat daarmee gepaard gaat.
Keynes zette aan tot een andere manier van denken. Hij liet bijvoorbeeld zien dat de markt niet zo heilzaam is als werd gedacht en dat
speculatief gedrag funest kan zijn. Het Nederlandse volk (en ook het Amerikaanse!) heeft een nieuwe Keynes nodig, oftewel een denker
die de mensen tot andere gedachten kan zetten, die de aandacht verzet naar het vertrouwen dat er wel is, naar het goede in en onder de

mensen en naar zoiets inspirerends als intrinsieke motivatie. Het wordt hoog tijd dat economen de verantwoordelijkheid nemen voor de
wantoestanden van nu en met een alternatief komen.
Literatuur
Keynes, J.M. (1936) The General Theory on Employment, Interest and Money. HBJ Book, New York, London.

Copyright © 2004 – 2005 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur