Ga direct naar de content

Onderwijs, vroeg én laat

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 18 2003

Onderwijs, vroeg én laat
Aute ur(s ):
Emmerij, L.J. (auteur)
Co-directeur van het United Nations Intellectual History Project.emmerij@netzero.net
Ve rs che ne n in:
ESB, 88e jaargang, nr. 4400, pagina 171, 18 april 2003 (datum)
Rubrie k :
Prikkel
Tre fw oord(e n):

Het economisch rendement van kwalitatief goed onderwijs is hoger dan van investeringen in vele andere sectoren van de economie. Dat
is sinds de renaissance van de onderwijseconomie, zo’n 45 jaar geleden, vele malen aangetoond. Nu, in een zich mondialiserende
economie met steeds scherpere concurrentie, kunnen landen het zich nog minder veroorloven grote delen van de bevolking beneden hun
kwaliteiten op te leiden. Het oude debat over gelijkheid van onderwijskansen en -prestaties is weer helemaal actueel. In de jaren zeventig
toonde ik aan dat de belangrijkste verklarende factor van ongelijkheid in schoolprestaties en onderwijskansen de sociale achtergrond
van de leerlingen was, eerder dan financiële uitgaven per leerling of de grootte van de klas1. Mijn conclusie was toen dat een doelmatige
manier om de onafhankelijke invloed van het onderwijs te vergroten en de overwegende invloed van sociale achtergronden te verkleinen,
het invoeren van een stelsel van wederkerend onderwijs is. We zij nu bijna dertig jaar verder en wat is er veranderd? Niets, volgens een
recente unicef-studie2. Volgens dit rapport heeft de grote meerderheid van de oeso-landen gelijkheid van onderwijskansen – vooral
kwalitatief gezien – impliciet in de ijskast gezet en gaat de kwaliteit van het onderwijs (gedefinieerd volgens schoolprestaties van de
leerlingen) achteruit. In de studie wordt geen correlatie tussen onderwijsuitgaven en de kwaliteit van het onderwijs gevonden. Korea, de
nummer 1 van 24 landen in de enquête, geeft bijvoorbeeld per leerling evenveel uit aan onderwijs als Griekenland en Portugal, die
onderaan bungelen. Evenmin zijn het aantal leerlingen per leraar of het percentage migratiekinderen indicatoren voor de kwaliteit. De
studie bevestigt de oude conclusie dat de overheersende invloed op onderwijskansen en schoolprestaties de sociale achtergrond van de
leerling is. Indicatoren als inkomen, professionele status van de ouders of het aantal boeken thuis zijn nog steeds de beste verklarende
factoren. In alle oeso-landen – en ondanks verschillen in schoolstelsels – worden zodoende bestaande ongelijkheden gereproduceerd,
precies zoals in het verleden. Natuurlijk zijn er individuele uitzonderingen en hebben hoogbegaafde kinderen, ook uit lagere milieus, een
grotere kans door te leren met goede resultaten. Die uitzonderingen zijn er altijd geweest. Maar in het gemeen is er nog steeds geen
gelijkheid van kansen, laat staan van prestaties. Hoe kan de onafhankelijke invloed van de school op de bestaande sociaal-economische
orde worden verhoogd? De studie pleit voor compenserende programma’s, zoals het Amerikaanse Headstart, die echter zo vroeg mogelijk
moeten beginnen voordat de formele schooling aanvangt. Dat is het idee van ‘early childhood education and care’ (ecec – een oeso-idee).
Natuurlijk is ecec onderhevig aan dezelfde maatschappelijke invloeden als het onderwijs in het algemeen. Kinderen uit de lagere milieus
krijgen kwalitatief minder goede zorg. Evenmin moet vergeten worden dat programma’s als Headstart (begonnen in de jaren zestig en vele
malen geëvalueerd) en analoge projecten nog steeds omringd zijn door controverses. Kleine, zeer arbeidsintensieve en dus dure
proefprojecten hebben succes gehad, maar zijn vanwege de kosten nooit op grote schaal ingevoerd. Het is teleurstellend dat de enige
aanbeveling in deze studie om de ‘reproductie’ te doorbreken slechts meer van hetzelfde is, meer compenserend onderwijs vroeg in het
leven, ondanks controverse en matige resultaten3. Het is voor mij onbegrijpelijk waarom niet evenveel nadruk wordt gelegd op het geven
van onderwijskansen later in het leven, wanneer velen hun motivatie pas vinden. Dat is het idee van wederkerend onderwijs en betaald
educatief verlof. Geef mensen de reële mogelijkheid terug te gaan naar school op latere leeftijd wanneer zij zich hebben kunnen toetsen
aan anderen in de arbeidsmarkt en zodoende hun begaafdheid en motivatie hebben ontdekt. Natuurlijk zou het economisch en
individueel beter zijn als elk begaafd kind de kans krijgt door te gaan naar het hoogste onderwijsniveau. Dat houdt echter in dat de
onafhankelijke invloed van de school groter moet worden dan ze is. Dat is nog steeds niet het geval, ondanks alle compenserende
inspanningen vroeg in het leven. De vraag is dan wat te doen met de begaafden die te vroeg hebben afgehaakt en pas op latere leeftijd
hun motivatie ontdekken. Deze groep vertegenwoordigt een groot gederfd inkomen, zowel maatschappelijk als individueel. Een antwoord
is het invoeren van betaald educatief verlof, vooral voor hen die gemotiveerd raken op niet al te late leeftijd. Om gelijkheid van
onderwijskansen te vergroten is actie nodig, zowel vroeg als later in het leven.

1 L.J. Emmerij, Can the school build a new social order?, Elsevier, Amsterdam, 1974.
2 UNICEF, A league table of educational disadvantage in rich nations, Innocenti Research Centre, Florence, 2002.
3 US Department of Health and Public Services, Building their futures: how early Headstart programs are enhancing the lives of infants
and todlers in low-income families; summary report, Washington DC, 2001.

Copyright © 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur