Ga direct naar de content

Draagvlak voor een nieuwe coalitie

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 25 2010

Burgers konden in de aanloop naar de verkiezingen door het
invullen van de bezuinigingswijzer op internet aangeven op
welke collectieve uitgaven zij wilden bezuinigingen. Op alle
uitgaven kon worden bezuinigd, maar ook lastenverhogingen
behoorden tot de mogelijkheden. De preferenties wijzen in
de richting van een beperkt aantal coalities.

A

an de hand van het invulgedrag van de
bezuinigingswijzer zijn de preferenties
per partijachterban in kaart gebracht. In
het onderzoek is onder meer gevraagd op
welke politieke partij de invuller bij de verkiezingen
voor de Tweede Kamer ging stemmen. De invullers
hebben voor 112 begrotingsposten, variërend van de
AWBZ tot het Koninklijk Huis, aangegeven hoeveel
zij hierop willen bezuinigen. Bij het invullen werden
ook de mogelijke effecten van de bezuinigingen
getoond. Verder was het mogelijk om belastingen
te verhogen of te bezuinigen op fiscale facilitei­
ten, zoals de hypotheekrenteaftrek of de algemene
heffingskorting.
Meer dan 50.000 mensen hebben in de twee
maanden voorafgaand aan de verkiezingen hun
preferenties duidelijk gemaakt. Na een opschoning
van de data is een analysebestand overgebleven,
waarin de voorkeuren van 29.000 respondenten zijn
opgenomen. Figuur 1 geeft een overzicht van de
gemiddelde bezuinigingen en lastenverzwaring, per
achterban van een politieke partij. In deze figuur is
te zien dat de kiezers op de SGP, VVD, PVV en het
CDA gemiddeld meer bezuinigen dan het ­ lectoraat
e
van de PvdA, ChristenUnie, GroenLinks en SP.
De aanhang van de partijen D66 en Partij voor de
Dieren bevinden zich rond het gemiddelde van 28,8
miljard euro. De ombuigingen variëren van 27,4
Figuur 1

miljard euro (PvdA) tot 33,6 miljard euro (SGP).
Hierbij moet bedacht worden dat de bezuinigingen
zich uitstrekken tot 2020.

Methode
Voor de nadere analyse van de de gegevens is
gebruiktgemaakt van Multidimensional Scaling
(Groenen en Van de Velden, 2004). Deze statisti­
sche techniek maakt het mogelijk om de verschillen
en overeenkomsten tussen de bezuinigingen op de
112 begrotingsposten te visualiseren. Hoe dichter
bij elkaar de achterbannen van de partijen in een
overzicht weergegeven worden, hoe sterker de
overeenkomsten in het invulgedrag. Omgekeerd: hoe
verder de achterbannen van de partijen van elkaar
verwijderd zijn in een afbeelding, hoe groter ook de
verschillen zijn voor wat betreft de posten waarop zij
willen bezuinigen en de daarmee gemoeide bedra­
gen. Allereerst figuur 2 met een totaaloverzicht.
In figuur 2 worden de onderlinge afstanden tussen
de kiezers op de verschillende partijen duidelijk
zichtbaar. Allereerst laat figuur 2 zien dat de achter­
bannen van de VVD en het CDA qua bezuinigings­
voorkeuren dicht bij elkaar liggen. Ook de kiezers
op de SGP vertonen een grote gelijkenis als het
op ombuigen aankomt met het electoraat van de
VVD en het CDA. De achterban van de PVV onder­
scheidt zich echter duidelijk van VVD en CDA. Aan
de andere kant van het politieke spectrum staan de
achterbannen van de PvdA en GroenLinks. D66 en
de ChristenUnie nemen een middenpositie in.
Figuur 3 geeft wat meer inzicht in de wijze waarop
de indeling tot stand komt. Door middel van een
regressieanalyse van de post ontwikkelingshulp, met
de dimensies uit de figuur als voorspellers, worden
de onderlinge verhoudingen tussen de achterbannen
Figuur 2

Gemiddelde extra inkomsten per partij.

Jan van der Bij
Directeur van het Instituut
­
voor Onderzoek van

40

Overheidsuitgaven

Relatieve positie van de achterbannen van
politieke partijen.

Miljard euro

35

PVV

30

Marten Jan van Rijn
Onderzoeker bij het Instituut voor Onderzoek van
Overheidsuitgaven

Tom Weijnen
Senior-onderzoeker bij het
Instituut voor Onderzoek

25
20

CDA

15

CU

10

SGP
D66

5
0

SGP

VVD

PVV

CDA

D66 PvdD

Gemiddelde bezuiniging

GL

SP

CU

SP

PvdD

VVD

PvdA
GL

PvdA

Lastenverzwaring

van Overheidsuitgaven

ESB

95(4588) 25 juni 2010

397

binnenland

Draagvlak voor een nieuwe
coalitie

in kaart gebracht. De pijl in figuur 3 geeft aan in welke richting het meeste wordt
bezuinigd op ontwikkelingshulp. De hellingshoek van de pijl is geconstrueerd
door de regressiecoëfficiënten op elkaar te delen. Bij de punt van de pijl wordt
het meest bezuinigd en aan de staart het minst.
Om de interpretatie te vergemakkelijken zijn voor iedere partij stippellijntjes
getrokken in de richting van de pijl. De afstand tot de pijl doet er niet toe, want
het gaat uitsluitend om de afstand tot de kop of de staart. Zo wil de achterban
van de PVV het meest bezuinigen op ontwikkelingshulp en GroenLinks-stemmers
het minst.
In figuur 4 zijn, naast ontwikkelingshulp, de tien posten weergegeven waarop
het meeste is bezuinigd. Zij zijn goed voor ongeveer de helft van de in totaal 28
miljard euro aan bezuinigingen. Voor deze tien posten is een regressieanalyse
uitgevoerd, zoals in figuur 3 voor ontwikkelingshulp. De pijlen zijn weggelaten,
maar voor iedere post kan een pijl worden getrokken door het middenpunt, het
kruisje, in de richting van de naam van de bezuinigingspost.
Figuur 4 maakt duidelijk dat er eigenlijk drie clusters van ombuigingen zijn, die
de verschillen tussen de achterbannen het meest treffend weergeven. Ten eerste
bezuinigen de achterbannen van VVD, CDA en SGP voornamelijk op de sociale
zekerheid: arbeidsongeschiktheidsregelingen, WW en Ziektewet, AOW, AWBZ en
de zorgverzekeringen. De achterbannen van de PvdA en GroenLinks zoeken het
meer dan andere kiezers in het beperken van fiscale faciliteiten, zoals de hypo­
theekrenteaftrek, de algemene heffingskorting en de fiscale begunstiging van de
opbouw van pensioenen. De PVV-kiezers staan op relatief grote afstand van de
overige partijen en willen vooral korten op ontwikkelingshulp, de afdracht aan de
EU en de uitkeringen aan de decentrale overheden.
Een andere interessante constatering is dat er een soort middelpuntvliedende
kracht is ontstaan die achterbannen van de grote politieke partijen uit het
midden verdrijft. Terwijl alleen de achterbannen van de drie kleinere partijen,
Partij voor de Dieren, ChristenUnie en D66, zich rond het midden centreren,
bevinden alle grotere partijen zich op de flanken.

Figuur 3

Relatieve positie van de achterbannen van
politieke partijen, voor de bezuinigingen
op ontwikkelingshulp.

PVV

CDA
CU

De verkiezingsuitslag van 9 juni 2010 maakt coalitievorming lastig. Door de
verpulvering van het politieke landschap zijn minimaal drie partijen noodzakelijk
voor het vormen van een kabinet dat op een meerderheid kan rekenen in de
Tweede Kamer. Door de grote politieke verschillen tussen de partijen lijkt de
vorming van een stabiel kabinet geen sinecure.
Gesteld kan worden dat de optimale coalitie bestaat uit die partijen waarvan de
achterbannen het minste afstand hoeven te nemen van hun preferenties, terwijl
toch een meerderheid in de Tweede Kamer aanwezig is. De meest geprefereerde
coalitie is dus de coalitie waar de onderlinge afstanden tussen de verschillende
deelnemende partijen het kleinst zijn. De overeenstemming tussen de achterban­
nen kan ook een bijdrage leveren aan de stabiliteit binnen het kabinet.

Coalities
Op basis van een nadere analyse van de relatieve afstanden, zoals die weergege­
ven zijn in figuur 4, is een top drie van coalities opgesteld. Deze luidt als volgt:
ten eerste: VVD–PVV–CDA; ten tweede: VVD–PvdA–GroenLinks–D66; ten
slotte: VVD–CDA–PvdA.
De achterbannen van de VVD, PVV en het CDA hoeven dus het minste van hun
voorkeuren in te leveren, om een coalitie te vormen die over een meerderheid
beschikt in de Tweede Kamer. Zij staan met andere woorden het dichtste bij
elkaar als het gaat om bezuinigingsvoorkeuren. De SGP zou prima kunnen aan­
sluiten bij een dergelijke coalitie, maar dat is voor het behalen van een meer­
derheid in de Tweede Kamer niet noodzakelijk. Op de tweede plaats komt een
coalitie met VVD–PvdA–GroenLinks–D66. Weliswaar staan de achterbannen van
de VVD en de PvdA ver van elkaar af, maar dit effect wordt gecompenseerd door
de grote overeenstemming tussen vooral de kiezers op de PvdA en GroenLinks.
D66 vervult hier de traditionele brugfunctie en brengt een meerderheid in zetels
tot stand. De minst voor de hand liggende coalitie is VVD–CDA–PvdA. De PvdAkiezers hebben een grote afstand tot zowel de VVD als het CDA en vice versa.

398

ESB

95(4588) 25 juni 2010

PvdA

SGP

GL

D66

Bron: IOO
Figuur 4

De grootste bezuinigingsposten en voor­
keuren van de achterbannen.

Ontwikkelingshulp

EU

Provincie- en
gemeentefonds

PVV
SP

PvdD

VVD
Arbeidsongeschiktheids regelingen
WW Ziektewet CDA
AOW

CU

PvdA

SGP

GL

D66
AWBZ

Vorming van een nieuw kabinet

SP

PvdD

VVD

Zorgverzekering

Algemene
heffingskorting
Pensioenen

Hypotheekrenteaftrek

Bron: IOO

Uiteraard is enige nuancering op zijn plaats. In het
onderzoek is bijvoorbeeld geen rekening gehouden
met het feit dat bepaalde voorkeuren zwaarder
kunnen wegen dan andere. In de tweede plaats is
uitsluitend gevraagd naar bezuinigingsvoorkeuren en
spelen ethische overwegingen, bijvoorbeeld in het
kader van het integratiebeleid, hierbij geen expliciete
rol. Ten slotte is de vorming van een coalitie in een
formatieproces van veel meer afhankelijk dan van de
voorkeuren van de achterbannen.
Dit laat onverlet dat het komende kabinet diep in
de collectieve uitgaven zal moeten snijden, om de
overheidsfinanciën duurzaam op orde te brengen.
Draagvlak voor dergelijke pijnlijke keuzes is daarbij
onontbeerlijk.

Literatuur
Groenen, P.J.F. en M. van de Velden (2004) Multidimensional
scaling, Econometric Institute Report, EI 2004(15).

Auteurs