Ga direct naar de content

Mondialisering en de arbeidsmarkt

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juli 13 2006

arbeidsmarkt

Mondialisering en de
arbeidsmarkt
Over de mogelijke gevolgen van mondialisering
bestaat veel onrust. De angst leeft dat allerlei banen
naar lagelonenlanden vertrekken en dat immigranten
in Nederland de banen inpikken. Deze angstvisioenen zijn gebaseerd op klassieke denkfouten. Ricardo
wordt nog altijd niet begrepen.

V

Arjen van
Witteloostuijn
en Joop Hartog
Hoogleraar Universiteit
Antwerpen en hoogleraar Universiteit van
Amsterdam

36

ESB juli

olgens de bekende New York Timesjournalist Thomas Friedman is de
wereld veel platter geworden. In
metaforische zin krijgt Galileo alsnog
ongelijk. De stelling van Friedman is dat de
wereld een dorp is geworden, waarbij alles
met iedereen is vervlochten. De consequenties op Westerse arbeidsmarkten zijn volgens
deze logica desastreus: banen worden met
scheepsladingen tegelijk naar de andere
kant van de wereld – met China en India
als hoofdbestemmingen – verscheept. Lage
lonen en hoge werkloosheid liggen in het
verschiet. De Amerikaanse werknemer moet
immers de strijd aangaan met zijn ultragoedkope Chinese concurrent. Daarmee wordt
– weer – mondialisering als veroorzaker van
veel ellende in het beklaagdenbankje gezet.
Dat deze logica op vruchtbare bodem valt,
blijkt alleen al uit het aantal hits dat een
eenvoudige Google-zoekopdracht geeft voor
Friedmans bestseller: bijna 1,2 miljoen. De
boerenwijsheden van Friedman, verpakt in
tientallen aansprekende anekdotes, vinden in
brede kring weerklank.
Mondialisering bestaat in soorten en maten.
Met McDonaldisering van de wereld wordt
heel wat anders bedoeld dan met een verwijzing naar de dreiging vanuit lagelonenlanden.
Culturele mondialisering is niet hetzelfde als
economische mondialisering. Economische
mondialisering impliceert een toenemende
vervlechting van economische processen rond

2007

de aardbol. Vooral drie uitingen daarvan zijn
belangrijk: internationale handel, investeringen en verplaatsingen. Veel markten zijn
internationaler geworden. De vrijmaking van
de financiële markten spreekt boekdelen,
maar ook veel productmarkten zijn minder
lokaal geworden. Hieraan liggen institutionele
en technologische oorzaken ten grondslag. De
vrijmakende deregulering van allerlei markten
heeft de weg naar verdere internationalisering
geopend, en met de opkomst van moderne
internet- en communicatietechnologieën zijn
coördinatie- en transactiekosten drastisch
verlaagd. Multinationale ondernemingen
profiteren daarvan via de geografische fragmentatie van bedrijfsinterne activiteiten (het
zogenoemde slicing up the value chain).

Een veelkoppig monster
Aan mondialisering wordt veel ellende toegeschreven. Het zou verklaren waarom binnen
de Westerse wereld de ongelijkheid toeneemt,
waarom veel arme landen alleen maar armer
worden, waarom multinationale ondernemingen de macht overnemen, et cetera. Deze
doembeelden verdienen enige nuancering,
zeker ook in het licht van de discussie omtrent de arbeidsmarkt. Mondialisering is
van alle menselijke tijden. Ook onder de
Romeinen en de Renaissance-Italianen
nam de internationale verstrengeling toe.
In de Gouden Eeuw leverde de Republiek
der Zeven Provinciën een forse bijdrage.
Het proces van mondialisering in het tijdvak
na de industriële revolutie vertoont pieken
en dalen. Een belangrijke piek lag rond de
vorige eeuwwisseling. Pas in de loop van de
jaren negentig in de vorige eeuw is deze piek
weer gepasseerd in termen van de relatieve
omvang van de internationale handelsstromen. Het overgrote deel van de handel vindt

echter nog altijd plaats binnen geografische
blokken, en niet daartussen. En hoewel via
internationale investeringen bedrijfsinterne
activiteiten in toenemende mate geografisch
worden losgekoppeld, blijft nabijheid in veel
gevallen van grote betekenis vanwege agglomeratie-effecten (zoals prikkels voor innovatie door interactie en concurrentie en snelle
verspreiding van innovatie door contacten en
arbeidsmobiliteit).
Aan misverstanden bestaat in de discussie rond mondialisering, en de effecten en
gevolgen daarvan, geen gebrek. Tekenend is
de populaire verwijzing naar het concurrentievoordeel van landen. Landen beschikken niet
over concurrentievoordelen. Tussen landen
vindt geen nul-somspel plaats, zoals tussen
bedrijven op dezelfde markt. Landen zijn
alleen verbonden met comparatieve voordelen. Volgens de economische theorie zijn
de effecten van mondialisering uiteindelijk
positief. De theorie van Ricardo omtrent comparatieve voordelen is een klassieker in de
economische wetenschappen. Zelfs als land
x efficiënter is op alle relevante markten dan
land y, dan zijn internationale arbeidsverdeling en dito handel gunstig indien land y zich
toelegt op die activiteiten waarin het verhoudingsgewijs efficiënt is. Internationale arbeidsverdeling gaat ook gepaard met gunstige
macro-economische effecten in termen van
lagere inflatie en hogere groei. In de politieke
arena wordt vaak voorbijgegaan aan deze
fundamentele Ricardiaanse inzichten. Het
gevolg is dat op grond van onjuiste argumenten wordt gegrepen naar contraproductieve
maatregelen in de sfeer van protectionisme.
Hier is dit ook van belang omdat de angst
voor mondialisering met enige regelmaat het
debat over arbeidsmarktbeleid binnensluipt.
Met een verwijzing naar concurrentie uit
lagelonenlanden wordt het ene na het andere
pleidooi voor deze of gene hervorming op de
arbeidsmarkt onderbouwd. Is dat terecht?

Factorprijzenegalisatie
Ook een analyse van het effect van mondialisering op verschillende arbeidsmarkten
vergt veel nuance. Vooral relevant is de
theorie van factorprijzenegalisatie. In een

vrije wereldeconomie bewegen arbeid en kapitaal rond de aardbol
op zoek naar hogere rendementen. Arbeid komt (immigratie) en
gaat (emigratie); kapitaal komt (inbesteding) en gaat (uitbesteding).
Het eindresultaat is – ceteris paribus – dat de reële beloning voor
beide productiefactoren mondiaal wordt gelijk geschakeld. Vanuit
het perspectief van de arbeidsmarkt kan dat op- of neerwaartse
bewegingen van het nationale loonniveau betekenen. Uiteraard is de
vrees dat vanwege de overvloedige beschikbaarheid van goedkope
arbeidskrachten in grote delen van de wereld deze beweging in het
rijke Nederland vooral neerwaarts zal zijn. De vraag is daarom in
welke mate deze loondruk zich inderdaad voordoet. Omdat die wereldeconomie niet zo vrij is als in de theorie wordt verondersteld en
omdat ook aan de ceteris-paribusclausule niet wordt voldaan, is een
eenvoudig antwoord niet te geven. Voorzover de arme landen dichterbij lijken te komen, is dat toe te schrijven aan de enorme opkomst
van China (en, in veel mindere mate, India). Dat is niet zozeer een
effect van mondialisering, maar veel meer van interne hervormingen
in deze twee mammoetlanden. De razendsnelle en radicale verbouwing van de Chinese economie sinds het begin van de jaren negentig
in de vorige eeuw heeft een slapende reus wakker geschud, met alle
gevolgen van dien voor internationale handelstromen en investeringen. Dat internationale handel geen majeure rol kan spelen bij de
verklaring van arbeidsmarktuitkomsten in het rijke Westen, blijkt uit
de verhoudingsgewijs geringe omvang van de handelstromen tussen
de EU en de VS enerzijds en de rest van de wereld anderzijds. Ook
staat de constatering dat het gemiddelde loonverschil tussen hoogen laagwaardige arbeid in de rijke landen stijgt of constant blijft, in
plaats van te dalen, haaks op de voorspelling van de factorprijzenegalisatietheorie. Ook voor Nederland geldt dat veel ontwikkelingen
op de locale arbeidsmarkten bijzonder weinig van doen lijken te hebben met het proces van mondialisering. De verhoudingsgewijs omvangrijke laaggeschoolde arbeidsimmigratie uit Marokko, Suriname
en Turkije in de jaren zestig en zeventig in de vorige eeuw heeft voor
het loonpeil van Nederlandse arbeiders weinig effecten gehad. Bij
nationale productie onder constante schaaleffecten en voldoende
beschikbaarheid van kapitaal is ook niet anders te verwachten.
Inmiddels komt een beperkte instroom vanuit Oost-Europa op gang.
Ook deze keer leidt dat vooral tot een groter aanbod van laagwaardige arbeid. Deze ontwikkeling kan een klein deel van het oplopende
beloningverschil tussen de onder- en bovenkant van de arbeidsmarkt
verklaren. Vooral technologische ontwikkelingen spelen echter een
sleutelrol, in Nederland en de andere rijke landen in het Westen. Ten
gevolge van automatisering, informatisering en deïndustrialisering is
met name de onderkant van de arbeidsmarkt onder druk komen te
staan. In het ene land vertaalt dit zich vooral in lagere beloningen
(bijvoorbeeld in de Verenigde Staten), en in het andere in hogere
werkloosheid (bijvoorbeeld in Frankrijk). Deze verschillen laten
onverlet dat de onderliggende oorzaken dezelfde zijn: vooral technologische ontwikkelingen met, in interactie, een kleinere bijdrage van
mondialisering.

ESB juli

2007

37

Arbeidsmarkten
Niet alleen processen van mondialisering, maar ook arbeidsmarkten
bestaan in soorten en maten. Grosso modo is het zinvol een tweetal
onderscheidingen te maken: hoogwaardige versus laagwaardige arbeid
aan de ene kant en verhandelbare versus niet-verhandelbare goederen
aan de andere kant. Op basis van deze twee dimensies kunnen grofweg vier segmenten op de arbeidsmarkt worden onderscheiden. Zie
tabel 1, met in de cellen een sleutelwoord waarmee de voornaamste
kracht wordt weerspiegeld.
De effecten van mondialisering lopen uiteen voor de verschillende
segmenten. De Nederlandse onderkant van de arbeidsmarkt zou op
markten voor niet-verhandelbare goederen verder onder druk kunnen
worden gezet via immigratie van goedkope arbeidskrachten. Inderdaad
is het merendeel van de immigranten in Nederland laaggeschoold.
Van een recente uiting van het moderne proces van internationalisering kan echter niet worden gesproken. Daarvoor is de nieuwe stroom
van laaggeschoolde immigranten uit vooral Midden- en Oost-Europa
te klein om veel effect te sorteren bovenop dat van de (nakomelingen
van) oudere immigranten uit met name Marokko en Turkije. De hoge
werkloosheid onder deze bevolkingsgroep is een toenemend probleem
maar met het huidige proces van mondialisering heeft het weinig te
maken.
In de sfeer van verhandelbare goederen staat het laagwaardige
segment van de arbeidsmarkt extra onder druk vanwege een ander
belangrijk verschijnsel: de fragmentatie van bedrijfsactiviteiten. In
dat geval gaat het niet om buitenlandse arbeid die het Nederlandse
kapitaal opzoekt, maar om Nederlands kapitaal dat zijn weg vindt
naar (goedkope) buitenlandse arbeid. Deze vorm van uitbesteding
naar lagelonenlanden binnen en buiten de muren van multinationale
ondernemingen heeft een negatieve invloed op het loonniveau en de
werkgelegenheid op het marktsegment voor laagwaardige arbeid ten
behoeve van de productie van verhandelbare goederen. En inderdaad:
een steeds groter deel van het productieproces wordt verricht in allerlei buitenlanden. De productie van auto’s is een mooi voorbeeld.
Uit een recente studie van de WTO blijkt dat van een in de Verenigde
Staten geproduceerde auto dertig procent van de waarde naar Korea
gaat voor assemblage, 17,5 procent naar Japan voor electronische
componenten en overige techniek, 7,5 procent naar Duitsland voor
ontwerp, vier procent naar Taiwan en Singapore voor onderdelen, 2,5
procent naar het Verenigd Koninkrijk voor reclame, 1,5 procent naar
Ierland en Barbados voor dataverwerking en uiteindelijk slechts 37,5
procent naar de Verenigde Staten. Voor Thomas Friedman cum suis is

deze omkering ten gevolge van uitbesteding
naar ver weg het gezicht van globalisering.
Ook het belang van deze mondialiserende
kracht is echter bescheiden: buitenlandse
investeringen vinden vooral plaats binnen
de Westerse wereld. Het overgrote deel van
de buitenlandse investeringen staat in het
teken van de speurtocht naar koopkrachtige
markten. Bedrijven zijn kennelijk vooral op
zoek naar de hoge lonen van de consumenten in plaats van naar lage lonen van
arbeidskrachten.
Aan de bovenkant van de arbeidsmarkt gaat
van mondialisering niet of nauwelijks een
dreiging uit. In markten waarop niet-verhandelbare goederen worden geproduceerd, vormt
immigratie van hooggeschoolde buitenlanders geen enkel gevaar – simpelweg omdat
deze instroom numeriek weinig voorstelt. In
tegendeel: veeleer zijn fricties te verwachten
vanwege (dreigende) tekorten omdat de vraag
naar hooggeschoold personeel het aanbod
ervan overtreft. In de sector met verhandelbare goederen speelt, naast uitbesteding,
inbesteding een rol. Aan de ene kant verdwijnen ook hier banen naar lagelonenlanden.
Goed opgeleide Indiërs die werkzaam zijn in
de computerindustrie of als offshore-accountant vormen een bedreiging voor de softwarespecialist of accountant in Nederland. Verdere
verbeteringen in de communicatietechnologie
zullen in de toekomst steeds meer banen
een internationaal karakter geven. Het gaat
hier evenwel om diensten die onpersoonlijk
zijn. Diensten die contact vereisen tussen
consument en producent, zoals bij de kapper,
lastige juridische kwesties of ingewikkelde
bouwprojecten, zullen buiten schot blijven.
Aan de andere kant investeren buitenlandse
ondernemingen in Nederland. Sterker nog,
inmiddels is ongeveer tachtig procent van
de top van het Nederlandse bedrijfsleven in

tabel 1

Vier segmenten op de arbeidsmarkt

Niet-verhandelbare goederen

Laagwaardige arbeid
Locale onderkant: Immigratie

Hoogwaardige arbeid
Locale bovenkant: Frictie

Verhandelbare Goederen

Internationale onderkant: Uitbesteding

Internationale bovenkant: In- en uitbesteding

38

ESB juli

2007

buitenlandse handen. Dat genereert natuurlijk
dynamiek: hier gaat wat dicht en daar wordt
wat geopend. Het is vooralsnog echter onnodig hierover ongerust te worden: het saldo op
de balans van de invoer en uitvoer van hoogwaardige banen is positief.

Dreigende tekorten
Het dominante feit is dat de arbeidsmarkt
nu op volle toeren draait. De werkloosheid is
gering. De Nederlandse werknemer is in het
algemeen uiterst tevreden. In veel opzichten
lijkt de Nederlandse arbeidsmarkt niet veel
veranderd in de afgelopen decennia. Een
teken aan de wand is dat de ontwikkeling van
het gemiddelde aantal dienstjaren van de
Nederlandse werknemer geen neerwaartse
trend vertoont. Het lijkt erop alsof het proces van mondialisering – hoe eminent ook
– van weinig invloed is op de Nederlandse
arbeidsmarkt. In de nabije toekomst zullen
ontgroening, vergrijzing en ontvolking echter
definitief toeslaan. Voorzover van mondialisering een dreiging van banenverlies in delen
van de economie uitgaat, worden deze in alle
waarschijnlijkheid meer dan gecompenseerd
door de vacatures elders in de Nederlandse
samenleving. Sterker nog: op allerlei plaatsen gaat het zaakje wringen. Natuurlijk,
segmentale verschillen en aanpassingverliezen zijn onvermijdelijk. Een economie die
van structuur verandert, om redenen van
technologische ontwikkeling en internationale
arbeidsverdeling, kent winnaars en verliezers.
In de vorige eeuw hebben duizenden landbouwers, textielarbeiders en mijnwerkers dat
aan den lijve ondervonden. Deze keer mag
niet worden uitgesloten dat de transformatie,
hoe pijnlijk ook in veel individuele gevallen,
verhoudingsgewijs soepel zal verlopen. Als
overal tekorten zijn, kan herstructurering
door omscholing niet veel bijdragen. In
zekere zin is banenverlies ten gevolge van
mondialisering op dit moment een voordeel
omdat de spanning op de arbeidsmarkt
hierdoor vermindert. Via doelgerichte hervormingen in de loonstructuur en verkorting van
de WW-duur kan het noodzakelijke aanpassingsproces in goede banen – letterlijk en
figuurlijk – worden geleid.

Vakbonds(on)macht
Een mogelijk probleem is dat de vertrouwde rol van de vakbonden aan
erosie onderhevig is. Misschien wel de belangrijkste vorm van mondialisering is de wereldwijde verspreiding van Angelsaksische instituties.
Productmarkten worden geliberaliseerd, voormalige staatsdiensten
worden geprivatiseerd, arbeidsmarkten worden geflexibiliseerd, sociale
regelingen worden versoberd, et cetera. De herziening van regelgeving in de sfeer van ondernemingsbestuur – of, in jargon, corporate
governance – is tekenend. Met opeenvolgende hervormingen zijn de
financiële markten vrijgemaakt en is de macht van de aandeelhouder
vergroot. Het gevolg daarvan is dat de rol van medezeggenschap steeds
verder in de periferie belandt. Deze marginalisering van medezeggenschap wordt verder versterkt door het groeiende percentage aandelen in
buitenlandse handen. In algemene zin kan worden geconstateerd dat de
institutionele macht van de factor arbeid aan erosie onderhevig is. Dat
kan gevolgen hebben voor de werking van de arbeidsmarkt.
Onderdeel van de verschuiving in de richting van een Angelsaksisch
getinte vormgeving van de economie is de veranderende rol van vakbonden. Voor een deel wordt de rol van de vakbonden – en meer in
het algemeen, de rol van de factor arbeid – ingeperkt ten gevolge van
institutionele hervormingen. Voor een ander deel wordt de macht van
de vakbonden ondermijnd door – terechte en onterechte – dreigementen met de gevolgen van mondialisering. Een werkgever die dreigt met
vertrek naar lagelonenlanden, krijgt meer voor elkaar dan een werkgever
die dergelijke dreigementen niet geloofwaardig in stelling kan brengen. Een vergelijkbaar effect ontstaat langs indirecte weg. Wanneer
Nederlandse bedrijven aan macht inboeten in de internationale bedrijfskolom, zal afwenteling ten nadele van de Nederlandse schakel
moeilijk te vermijden zijn. Het toenemende belang van buitenlands
kapitaal in het Nederlandse bedrijfsleven doet hier nog een schepje
bovenop. Wanneer een buitenlandse eigenaar besluit om een vestiging
in Nederland te sluiten, staan de Nederlandse vakbonden machteloos.
Deze erosie kan gepaard gaan met een geleidelijke ontmanteling van
het Nederlandse poldermodel, zowel binnen ondernemingen als op
macroniveau.

Eigenwijze koers
Het Nederlandse poldermodel is een variant van de corporatistische
aansturing en inrichting van de economie. Het bewijs ontbreekt dat
Angelsaksische vrije-markteconomieën structureel beter presteren dan
hun corporatistische tegenvoeters. In het ene decennium zorgt Japan in
de Verenigde Staten voor grote onrust (de jaren tachtig), terwijl in het
andere decennium de Amerikaanse economie als voorbeeld voor de rest
van de wereld dient (de jaren negentig). Momenteel doet de Europese
economie niet of nauwelijks onder voor de Amerikaanse, terwijl in beide
samenlevingen in populistische kring wordt gewezen op het Chinese
gevaar. Deze observatie laat onverlet dat in Nederland een beweging in
Angelsaksische richting is ingezet. Discussies over de houdbaarheid van
het Nederlandse poldermodel op macroniveau worden mede gevoerd
met verwijzing naar de onvermijdelijke gevolgen van mondialisering.

ESB juli

2007

39

Onder druk van mondiale krachten zouden allerlei verworvenheden van
het Nederlandse poldermodel moeten worden afgebouwd, variërend van
de versoepeling van het ontslagrecht en de permanente hervormingen
in de sociale zekerheid tot het algemeen verbindend verklaren van cao’s
en het geïnstitutionaliseerde overleg tussen de sociale partners op macroniveau. Het is evident dat zodoende mondialisering via indirecte (demagogische) weg grote invloed heeft op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Het voert hier veel te ver om de voor- en nadelen van de poldervariant
van de corporatistische inrichting van de arbeidsmarkt te bespreken.
Volstaan kan worden met de constatering dat ondanks alle retoriek over
de onvermijdelijkheid van de consequenties van mondialisering, natiestaten nog altijd over veel bewegingsruimte beschikken, ook in de sfeer
van de inrichting van de arbeidsmarkt. De grote vraagstukken ter zake
van de arbeidsmarkt hebben niet zozeer van doen met mondialisering,
maar veel meer met demografische en technologische ontwikkelingen.
In dat verband zou binnen het kader van het poldermodel aan ten
minste de volgende pakketten van maatregelen kunnen worden gedacht
om de houdbaarheid van het polderen te vergroten. De poldervariant
van het corporatistische model heeft een groot bereik en kan zeker zijn
diensten bewijzen bij het implementeren van de volgende pakketten
van maatregelen:
• Technologische ontwikkelingen impliceren een verschuiving van de
vraag in de richting van hoogwaardige arbeid. Daarom moeten de
uitgaven aan onderwijs worden opgekrikt naar een niveau waarmee
Nederland in de top van de OESO-ranglijst belandt.
• Aan de onderkant van de arbeidsmarkt moeten vraag en aanbod
worden gestimuleerd met behulp van een drastische verlaging van
het marginale belastingtarief in de eerste schijf en een afbouw van
subsidiemaatregelen die een armoedeval zetten. Daarmee wordt
vooral werkgelegenheid geschapen in markten voor niet-verhandelbare diensten.
• De demografische ontwikkelingen zorgen voor toenemende fricties op
de arbeidsmarkt. Het aanbod van arbeid moet worden verhoogd via
participatiestimulerende maatregelen enerzijds en, in mindere mate,
gericht immigratiebeleid anderzijds.

Literatuur
Akkermans, D.H.M. (2001) Economic Power and Labour
Market Segmentation: Transfer and the Creation of Labour
Market Structure. Proefschrift, Rijksuniversiteit
Groningen.
Albert, M. (1993) Capitalism against Capitalism. Londen:
Whurr Publishers.
Barba-Navaretti, G. en A.J. Venables (2004) Multinational
Firms in the World Economy. Princeton: Princeton
University Press.
Brakman, S., H. Garretsen, C. van Marrewijk en A. van
Witteloostuijn (2006) Nations and Firms in the Global
Economy: An Introduction to International Economics and
Business. Cambridge: Cambridge University Press.
Brakman, S. en C. van Marrewijk (2007) It’s a big world
after al. Onderzoekmemorandum, Rijksuniversiteit
Groningen.
Dumont, M., G. Rayp en P. Willemé (2006) Does internationalization affect union bargaining power? An
empirical study for five EU countries. Oxford Economic
Papers, 58(1), 77–102.
Friedman, T. (2005) The World is Flat. Londen: Penguin.
Hartog, J. en A. Zorlu (2005) The effect of immigration
on wages in three European countries. Journal of
Population Economics, 18(1), 113–151.
Hartog, J. en A. Zorlu (2005) How important is homeland
education for the economic position of refugees in The
Netherlands? Ongepubliceerd manuscript, Bonn: IZA.
Hartog, J. (2006) Ruimte voor een eigen koers: opstel over
de relatie tussen overheid en sociale partners. Academisch
praktijkatelier NWO: strategieberaad Rijksbreed.
Krugman, P.R. (1991) Increasing returns and economic
geography. Journal of Political Economy, 99(3), 483–499.
Krugman, P.R. (1995) Growing world trade: causes and
consequences, Brookings Paper on Economic Activity, 1,
327–362.
Nickell, S. en B. Bell (1996) Changes in the distribution
of wages and unemployment in OECD countries,
American Economic Review, 86, 302–308.

Het gele gevaar
De razendsnelle opkomst van China wordt niet overal met gejuich ontvangen. De Verenigde Staten zien hun dominante positie in de wereldeconomie niet graag ondermijnd worden. Ook in Nederland ventileert
men de angst dat de Nederlandse maakindustrie door het gele gevaar
wordt weggeblazen. Deze angst is niet gerechtvaardigd. Natuurlijk:
allerlei activiteiten verdwijnen naar China. Maar met dergelijke krachten
heeft een kleine en open economie als de Nederlandse altijd te maken.
Alleen in onze Gouden Eeuw was Nederland een dominante economische grootmacht. Verder is het altijd de Nederlandse David tegen
deze of gene buitenlandse Goliath geweest. Of Goliath in het oosten of
westen woont, hoeft niet veel uit te maken. Het biedt voornamelijk allerlei kansen om Nederlandse diensten en producten daar te slijten. In
economische zin is de Nederlandse polder helemaal niet plat.

40

ESB juli

2007

O’Rourke, K.H. en J.G. Williamson (1999) Globalization
and History: The Evolution of a Nineteenth Century Atlantic
Economy. Cambridge: MIT Press.
Strauss-Kahn, V. (2004) Globalization and the shift
away from unskilled workers, in: Baldwin, R.E. en L.A.
Winters (red.), Challenges to Globalization: Analyzing the
Economics. Chicago: University of Chicago Press.
Teulings, C. en J. Hartog (1998) Corporatism or
Competition? Cambridge: Cambridge University Press.
Witteloostuijn, A. van (1999) De anorexiastrategie: over de
gevolgen van saneren. Amsterdam: De Arbeiderspers.
Zhang, J. en A. van Witteloostuijn (2004) Economic
openness and trade linkages of China: an empirical
study of the determinants of Chinese trade intensities in 1993 and 1999, Review of World Economics /
Weltwirtschaftliches Archiv, 140, 254–281.

Auteurs