Ga direct naar de content

Creatieve theorie, creatief beleid

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 25 1997

Creatieve theorie, creatief beleid
Aute ur(s ):
Bartelsman, E.J. (auteur)
De auteur is verb onden aan het CPB.
Ve rs che ne n in:
ESB, 82e jaargang, nr. 4112, pagina 519, 25 juni 1997 (datum)
Rubrie k :
Uit de vakliteratuur
Tre fw oord(e n):
arbeidsmarkt, uit, de, vakliteratuur

Bovenaan de lijst van economische problemen in Europa staan hoge werkloosheid en trage baan- creatie. In Nederland mogen we lang
niet klagen. Loonmatiging wordt door velen gezien als motor achter het succes. Toch zijn er wel eens vraagtekens gezet bij dit beleid
omdat het de prikkel tot vernieuwen zou verminderen. Een artikel van Caballero en Hammour suggereert nu echter dat loonmatiging
de vernieuwing ook ten goede kan komen 1.
Hun theorie berust op het feit dat productiviteitsgroei gepaard gaat met een grootschalige verschuiving van middelen tussen bedrijven.
Het verhaal lijkt op het eerste gezicht Schumpeteriaans. Er wordt vooruitgang geboekt door te investeren in productie-eenheden die
gebruik maken van de nieuwste technologie en door het schrappen van verouderde productie-eenheden – creatieve destructie dus. Een
Keynesiaans element is dat conjunctuurcycli worden veroorzaakt door veranderende verwachtingen over de rentabiliteit van
investeringen.
In een economie zonder fricties zorgt de markt voor optimale herallocatie en groei. Creatie en destructie van banen gaan dus gelijk op. De
baanstromen blijken echter niet synchroon te lopen: baanvernietiging vindt vroeg in een cyclus plaats en wordt pas met vertraging
gevolgd door creatie, waardoor in periodes van herstructurering de werkloosheid oploopt.
De theorie van Caballero en Hammour geeft inzicht in dit patroon en kan evalueren welke effecten beleid heeft op optimale groei en
efficiënte synchronisatie van herstructurering. Er worden twee bronnen van marktfalen onderscheiden. Eén vloeit voort uit zoekkosten
bij het vervullen van vacatures. Baancreatie zal positief afhangen van het aantal werklozen en vacatures, zodat zoekkosten lager zijn bij
hoge werkloosheid 2. Dit effect leidt tot goedkopere herallocatie tijdens laagconjunctuur.
De tweede bron van marktfalen is tot nu toe ondergewaardeerd in de economische theorie, maar heeft belangrijke gevolgen. Het
probleem van ‘hold-up’ leidt er toe dat de ex-post verdeling van de opbrengsten uit een economische relatie anders plaatsvindt dan
volgens de ex-ante gemaakte afspraak. Arbeid en kapitaal onderhandelen om zich de opbrengsten uit verzonken investeringen toe te
eigenen. De verzonken kosten kunnen bestaan uit de zoekkosten voor arbeid en eventueel een deel van de vaste kosten voor het
opzetten van een productie-eenheid.
Als werknemers zich een deel van de baten van investeringen kunnen toeëigenen, dan leidt dit tot onderinvestering en lage
productiviteitsgroei, omdat de opbrengst van de investering dan te laag wordt. Ook leidt het in evenwicht tot werkloosheid, die ervoor
zorgt dat de opties buiten het bedrijf voor de werknemer verslechteren, zodat de mogelijkheid om zich (door met vertrek te dreigen) de
baten toe te eigenen, vermindert. Het probleem dat werknemers zich een deel van de opbrengsten van investeringen toeëigenen is in
principe niet op te vangen door het opstellen van (ex-ante) arbeidscontracten, want deze zijn niet afdwingbaar doordat de werknemer
altijd kan dreigen met opstappen. Wel kunnen er institutionele oplossingen bestaan die opportunistisch gedrag aan banden leggen,
bijvoorbeeld door cao’s, die het de individuele werknemer onmogelijk maakt zijn marktmacht uit te buiten nadat de investering gedaan is.
De macht van werknemers om zich een deel van de winst toe te eigenen wordt bepaald door de mate waarin investeringen specifiek
verbonden zijn aan het werkverband. Het samenvallen van baan-creatie en destructie hangt vooral van deze situatie af. Als investeringen
heel specifiek zijn, reageren lonen slecht op veranderde marktomstandigheden. In een recessie is er dan veel baandestructie en weinig
baancreatie. Er zal een relatief grote verhoging van werkloosheid optreden om de lagere lonen te verkrijgen die nodig zijn voor
evenwichtsherstel.
Ook het proces van vernieuwing en groei wordt beïnvloed door de macht van de werknemers. Er is een U-vormig verband tussen deze
macht en de productiviteitsgroei. Als werknemers te weinig macht hebben is hun loon laag, zodat de prikkel om te investeren in
productievere eenheden klein is. Bij te grote macht zal het verwachte loon door de hoge werkloosheid onder druk komen te staan,
hetgeen ook tot onderinvestering leidt.
Volgens dit model moeten beleidsmakers goed bedacht zijn op de verschillen in uitwerking tussen beleid gericht op productie en creatie.
Door productiekosten te verminderen, bijvoorbeeld door lastenverlichting, zal de werkloosheid afnemen ten koste van de mate van
vernieuwing. Een prikkel tot creatie verhoogt de productiviteitsgroei, maar heeft een onzeker effect op de werkloosheid. Een combinatie
van de twee zou uitkomst bieden in een economie met sterke werknemersmacht.

Nog gunstiger is beleid dat het probleem van toeeigening direct aanpakt, bijvoorbeeld algemeen geldende cao’s. Loonmatiging verlaagt
natuurlijk de productiekosten. Maar loonmatiging biedt via gedelegeerde consensus vooral een oplossing voor het probleem van
toeëigening, zodat de investerings-prikkel optimaal wordt en de creatieve destructie in het poldermodel tot wasdom komt

1 R.J. Caballero en N.L. Hammour, On the timing and efficiency of creative destruction, Quarterly Journal of Economics, 1996, blz. 805852.
2 Zie bijv. D. Mortenson en C. Pissarides, Job creation and destruction in the theory of unemployment, Review of Economic Studies,
1994, blz. 397-416.

Copyright © 1997 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur