Ga direct naar de content

Kennis en groei: de gevolgen van de nieuwe groeitheorie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 2 1993

Kennis en groei: de gevolgen
van de nieuwe groeitheorie
C. van Ewijk*

I

n de nieuwe (endogene) groeitheorie is technologische ontwikkeling niet atteen de
motor van economische groei, maar ook de uitkomst van economisch handelen.
Daarmee is kennis een stuurbare input in bet economische proces. De beleidsimplicaties hiervan zijn verstrekkend, maar niet altijd eenduidig. Als kennis kosteloos
verspreid wordt, zal er te weinig in worden geinvesteerd, en resulteert een te lage
economische groei. Aan de andere kant kan een kennisvoorsprong de concurrentiepositie blijvend versterken. In datgeval kan een schadelijke R&D-wedloop ontstaan.

De theorie van economische groei heeft in de afgelopen vijf jaar een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. De ‘nieuwe groeitheorie’ heeft een belangrijke impuls gegeven aan de macro-economische
theorie, niet alleen direct op het gebied van economische groei maar ook daarbuiten. Het kernidee van de
nieuwe groeitheorie is tweeledig:
• technologische ontwikkeling is de motor van economische groei, en
• kennis is het resultaat van doelgericht economisch
handelen.
Vooral dit laatste is essentieel. Kennis wordt dus opgevat als economisch produkt. Hierin wijkt de nieuwe groeitheorie af van de traditionele (neoklassieke)
groeitheorie die weliswaar rekening hield met technologische ontwikkeling, maar als een factor die van
buitenaf gegeven is. De essentiele vernieuwing van
de huidige groeitheorie is dat de technologic als endogeen wordt beschouwd. Deze theorie wordt daarom wel de endogene groeitheorie genoemd, ter onderscheiding van de traditionele groeitheorie die als
de exogene groeitheorie wordt aangeduid.
Hoewel deze vernieuwing op het eerste gezicht
slechts een voor de hand liggende stap voorwaarts is,
zijn de consequenties ervan enorm, zowel vanuit
theoretisch oogpunt als ook uit oogpunt van beleid.
De nieuwe groeitheorie leidt tot een herwaardering
van de roj van de overheid. De overheid creeert immers de institutionele en economische omgeving, die
bepalend is voor de ontwikkeling en verspreiding
van kennis. Anders dan in de traditionele groeitheorie kan de overheid op deze manier het tempo van
economische groei blijvend bei’nvloeden.
Voordat ik in ga op de implicates van de nieuwe
groeitheorie, is het eerst nuttig om enkele achtergronden ervan te schetsen.

Pessimisten en optimisten
Binnen de groeitheorie kan onderscheid worden gemaakt tussen optimistische en pessimistische visies.
De optimisten geloven in de onbeperkte mogelijkheden van economische groei. Door voortdurend de
produktiecapaciteit uit te breiden en nieuwe technieken te ontwikkelen is de mens in staat de grenzen
van de produktie steeds verder te verleggen.
De pessimisten daarentegen benadrukken de
grenzen van de groei, zoals die ondermeer voortvloeien uit de beperkte beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen. De produktie kan in hun ogen wel
tijdelijk groeien, maar vroeger of later zullen de nietreproduceerbare factoren een onoverkomelijke belemmering vormen voor verdere economische groei.
Deze gedachte treffen wij niet alleen aan bij de hedendaagse milieubeweging, maar ook bij de meeste
klassieke economen. Zij zagen de groei van de negentiende eeuw vooral als een aanpassing naar een
hoger ontwikkelingsniveau. Vroeger of later zouden
de exogene produktiefactoren als land (Ricardo), bevolking (Malthus) of kolen 0evons) de groei tot stilstand brengen1.
Zoals bekend werden de sombere voorspellingen
van de klassieke economen gelogenstraft door de feitelijke ontwikkeling. De westerse landen hebben
sinds de industriele revolutie een ongeevenaarde
groei beleefd. En deze groei was gemiddeld genomen opvallend evenwichtig. De cruciale vraag is nu
* De auteur is directeur van het Netwerk voor Algemene en
Kwantitatieve Economic (NAKE) en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en Katholieke Universiteit Brabant.
Dit artikel is gebaseerd op de inaugurele rede Over groei en
economische politiek, die is verschenen bij Amsterdam University Press, 1993.
1. W.S. Jevons, The coal question, Londen, 1865.

waarom de niet-reproduceerbare produktiefactoren
geen doorslaggevende belemmering hebben gevormd voor deze groei? Waarom is de enorme expansie van de wel-reproduceerbare factoren, de kapitaal-

goederenvoorraad, niet gepaard gegaan met een
afnemende produktiviteit ervan?
Voor het antwoord op deze vraag biedt het befaamde groeimodel van Solow uit 1956 een goed uit-

gangspunt . Volgens dit model zal het groeitempo
van de reproduceerbare factor (kapitaal) steeds convergeren naar het groeitempo van de niet-reproduceerbare factor (arbeid). De groei kan wel tijdelijk
sneller zijn, maar vanwege de afnemende meeropbrengsten van kapitaal zal op lange terrnijn de groei
altijd weer afnemen tot het zogeheten ‘natuurlijke’

Fris op!
Economische kennis veroudert sneL De
serie “Fris dp” helpt u om met behulp
van recente economische inzichten een
oordeel te vormen over belangrijke
economische ontwikkellngen.
rieen uit het begin van deze eeuw waren echter zeer
beschrijvend van aard, en het ontbrak aan een goede

micro-economische onderbouwing ervan. De belangrijke bijdrage van de nieuwe groeitheorie is dat deze

groeitempo.
Het model van Solow laat zien dat de klassieke

een micro-economisch onderbouwde verklaring van
technologische ontwikkeling heeft gegeven, uitgaan-

gedachtengang berust op twee essentiele veronderstellingen met betrekking tot de techniek, namelijk:
• de technologic is convex; er zijn geen schaalvoor-

de van het moderne (nieuw klassieke) theoretische
kader van perfect werkende markten en volledig
rationele individuen.

delen;

• de technologic is constant; er is geen technische
vooruitgang.
Om de theorie in overeenstemming te brengen met

de empiric, moet men tenminste een van deze beide
veronderstellingen laten vallen. Het antwoord van de
naoorlogse neoklassieke theorie was om de tweede
veronderstelling los te laten. In plaats van een constante techniek, nam men een gestaag voortschrijdende technologic aan, waardoor de arbeidsproduktiviteit steeds toeneemt.

Exogene en endogene groei
Dit was echter slechts een halve stap voorwaarts. Wel-

iswaar was de theorie weer in overeenstemming met
de empiric, maar inhoudelijk was de oplossing onbe-

vredigend. De technische ontwikkeling werd voorgesteld als iets dat kosteloos en in een gestaag tempo

als manna uit de hemel valt. Dit was des te meer onbevredigend omdat empirisch bleek dat economische
groei juist vooral aan deze factor te danken was . De

De belangrijke implicatie van endogene technologic is dat de groei niet langer gedwongen convergeert naar het ‘natuurlijk groeitempo’. Door de
stijgende produktiviteit per arbeider vormt de bevolkingsgroei niet langer een doorslaggevende beperking. Afhankelijk van de mate waarin men bereid is
te investeren in R&D en in menselijk en fysiek kapitaal, kan de groei nu in beginsel elk willekeurig tempo aannemen. Er is echter ook geen mechanisme
meer dat de economic weer terugbrengt op hetzelfde
pad. Daardoor kan nu worden verklaard dat eenmalige schokken een blijvend effect kunnen hebben op
de economic; dit wordt padafhankelijkheid of ‘hysterese’ genoemd.
Het spreekt vanzelf dat dit voor de effectiviteit
van economische politick een geheel ander beeld oplevert. Omdat er geen automatische convergentie is
naar een natuurlijke groeivoet, kan de overheid een
blijvende invloed hebben op het tempo van economische groei. Vanuit het oogpunt van de maatschappelijke welvaart is overheidsingrijpen ook gewenst,
omdat de vrije marktwerking meestal niet in het optimale groeipad resulteert.

belangrijkste determinant van groei bleef derhalve

onverklaard.
Voor een volledige theorie moet ook de technologische ontwikkeling zelf worden verklaard. Kennis is
een economisch produkt. Dit is de kern van de nieuwe groeitheorie. Kennis kan ontstaan door R&D bin-

nen bedrijven. Maar ook neemt de kermis toe door
het volgen van onderwijs, of al doende tijdens het
werk (‘learning by doing’). De groeiende kermis
maakt het mogelijk dat de produktiviteit van arbeid
voortdurend stijgt. In zekere zin is arbeid hierdoor
zelf een reproduceerbare factor geworden. Onderwijs kan dan worden gezien als een investering in

‘menselijk’ kapitaal.
Met het idee van endogene technologische vooruitgang creeert de nieuwe groeitheorie ook ruimte
voor de ideeen van Schpmpeter, die een zeer prominente plaats aan endogene technische vernieuwing
gar. Ook Kondratieff noemde ter verklaring van de
naar hem genoemde lange golf de technische ontwikkeling als een van de essentiele factoren5. Deze theo-

ESB 1-9-1993

Concurrentie en regulering
Het feit dat in de nieuwe groeitheorie de produktie

van kennis centraal staat, levert een aantal interessante problemen op. Kennis is namelijk geen gewoon

economisch goed, maar heeft in veel opzichten de
kenmerken van een publiek goed: van de kennis die
de een produceert, kunnen ook anderen profiteren

2. R. Solow, A contribution to the theory of economic

growth, Quarterly Journal of Economics, 1956, biz. 65-94.
3. Beroemd is het zogenaamde ‘growth accounting’-onder-

zoek van E.F. Denison, Why growth rates differ, post-war
experience in nine western countries, Brookings Institution,
Washington, 1967.
4. Zie vooral zijn Theorie der Wirtschaftlichen Entwicklung,
Duncker & Humblot, 1931.
5. N.D. Kondratieff, ‘Die lange Wellen der Konjunktur’, Archivfur Sozialwissenschaft und Sozialpolitik, 1926, biz. 573609.

zonder dat dit extra kosten met zich mee brengt. Kennis over bij voorbeeld een verbeterde behandelmethode van een ziekte kan vrij door anderen worden
gebruikt zonder dat het, in technische zin, de uitvinder van die behandelmethode schaadt. Het is ook
moeilijk om mensen van het gebruik van kennis uit
te sluiten. De kosten van het verspreiden van kennis
zijn meestal verwaarloosbaar klein, zeker in vergelijking met de ontwikkelingskosten ervan. Het ontwikkelen van een nieuw computerprogramma voor tekstverwerking, bij voorbeeld, is een moeizaam proces,

maar als het eenmaal bestaat, is het zeer eenvoudig
door een ieder te kopieren.

Vanwege het positieve externe effect, of uitstralingseffect (‘spillover’) van kennis, levert het vrije
marktevenwicht niet de optimale allocatie op. In het
extreme geval dat een nieuwe vinding vrijelijk kan
worden overgenomen, zal de marktprijs ervan nul
zijn. Maar als er geen prijs is voor nieuwe vindingen,
waarom zou men zich dan inspannen voor het creeren van nieuwe kennis? Het is daarom gewenst dat
de overheid maatregelen treft om dit marktfalen te
corrigeren.

Microfundering
Maar er is nog een fundamenteler probleem. Dit betreft de (neoklassieke) micro-economische onderbou-

wing van de nieuwe groeitheorie. Door kennis op te
vatten als een reproduceerbare factor, is de nieuwe
groeitheorie in staat om blijvende groei te verklaren,
ondanks de aanwezigheid van bepaalde niet-reprodu-

ceerbare produktiefactoren. Echter, dit staat op gespannen voet met de fundamentele veronderstellingen van het Walrassiaanse

algemeen-evenwichtsmodel.
In technische zin is de crux van de nieuwe groeimodellen dat zij een proportioned verband veronderstellen tussen de produktie en de reproduceerbare
factoren (inclusief kennis) . Dit betekent dat er geen
afnemende meeropbrengsten zijn van kapitaal in bre-

de zin (inclusief het ‘kenniskapitaal’). Daardoor kan
de economic groeien onafhankelijk van de ontwikkeling van de niet-reproduceerbare produktiefactoren.
Echter, wanneer de reproduceerbare produktiefactoren worden gekenmerkt door constante meeropbrengsten, geldt voor alle (reproduceerbare en nietreproduceerbare) factoren te zamen dat er sprake
moet zijn van toenemende schaalopbrengsten. En dit
is in strijd is met de meest essentiele veronderstelling
van de volkomen markt. Immers, wanneer een grote
onderneming dank zij schaalvoordelen efflci^nter
kan produceren dan een kleine onderneming, zullen
door concurrentie uiteindelijk alle kleine ondernemingen worden verdrongen door een grote monopolist,
zodat de concurrentie zich vanzelf opheft.
De verklaring van endogene groei lijkt dus inconsistent met het neoklassieke ideaalbeeld van volkomen markten. Voor dit probleem zijn in de literatuur
verschillende oplossingen aangedragen. De eerste is

om kennis op te vatten als strikt individueel gebon-

den menselijk kapitaal, zoals Lucas doet7. Kennis kan
groeien doordat arbeiders een deel van hun tijd investeren in het volgen van onderwijs. Voor onderne-

mers is het kennisniveau echter een gegeven grootheid, zodat de veronderstelling van constante schaalopbrengsten voor de onderneming blijft gehandhaafd. Op deze manier wordt de mogelijke
micro-economische inconsistentie vermeden, terwijl
toch de groei endogeen is. In dit model wordt arbeid
dus in feite als een reproduceerbare factor opgevat.
Gerichte produktie van kennis door ondernemingen
– met de daaraan verbonden externe effecten – komt

in dit model niet voor. Het kan daarom nog niet worden beschouwd als een echte oplossing8.
Een tweede weg wordt bewandeld door Romer
in zijn ingenieuze ‘learning by doing’-model . Door

kennis op te vatten als een bijprodukt (of extern effect) van investeringen, is het mogelijk om het ideaal
van constante schaalopbrengsten op het niveau van
de onderneming te combineren met toenemende
schaalopbrengsten voor de economic als geheel. Dit
wordt worden ook wel ‘externe’ schaalopbrengsten
genoemd. Ook hier is de technologic voor de individuele ondernemer gegeven. Technisch gezien is
deze benadering zeer elegant, en daardoor zeker
aantrekkelijk, maar berust op wel erg specifieke
veronderstellingen10.

De derde, in mijn ogen meest interessante, weg is
om het ideaal van de volkomen marktwerking los te
laten en rekening te houden met heterogene goederen en imperfecte markten. Deze benadering komt
het meest in de buurt van de Schumpeteriaanse visie
op de economic. Dit leidt tot een wezenlijk ander wereldbeeld, waarin niet langer de perfecte werking
van de markt voorop staat, maar een genuanceerder
beeld ontstaat van gedifferentieerde markten waarop
bedrijven met elkaar concurreren in een min of meer
monopolistische marktvorm11.

Te hoge of te lage groei?
Het spreekt vanzelf dat dit leidt tot een andere visie
op economische politick. Voor het overheidsbeleid is
het van groot belang om te weten of het marktevenwicht een te hoge of juist een te lage groei oplevert.
In de traditionele opvatting betekent de positieve
externaliteit van kennis, dat de groei vanuit maatschappelijk oogpunt bezien te laag is. In dat geval

6. Of althans binnen een deelverzameling ervan.
7. R.E. Lucas, On the mechanics of economic development,

Journal of Monetary Economics, 1988, biz. 3-42.
8. Lucas houdt overigens ook rekening met een positief extern effect van menselijk kapitaal, maar dit is niet essentieel

voor zijn theorie.
9. P.M. Romer, Increasing returns and long-run growth, Journal of Political Economy, 1986, biz. 1002-1037.
10. Vborts is een probleem van dit model, dat de veronderstellingen slechts te verenigen zijn met evenwichtige groei
in het bijzondere geval dat de niet- reproduceerbare factor
arbeid constant is, of in het geheel niet produktief. Zie C.

van Ewijk, ‘Dynamics of distribution and growth in a small
open economy with heterogeneous agents, Discussion papers, nr. 1, Tinbergen Institute; Amsterdam, 1992.
11. Zie bij voorbeeld Ph. Aghion, en P. Howitt, A model of
growth through creative destruction, Econometrica, 1992,
biz. 323-351, en P.M. Romer, Endogenous technological
change, Journal of Political Economy 1990, S71-S102.

leert de theorie van Pigou dat de welvaart kan worden vergroot door de externe effecten via gerichte
Cregulerende’) heffingen of subsidies te corrigeren.
Bij een positieve externaliteit van kennis is stimulering van het onderzoek binnen ondernemingen door
subsidiering of het verlenen van octrooien voldoende om het marktfalen te corrigeren. Deze particle
benadering gaat echter alleen op voor een wereld
waarin de markten op deze ene onvolkomenheid na,
verder perfect werken.
In een meer realistische voorstelling van de wereld, waarin verschillende verstoringen en imperfecties naast elkaar bestaan, is het minder eenvoudig

kaar hebben. Vanuit het oogpunt van beleid betekenen de imperfecties enerzijds dat overheidsingrijpen
gewenst is. Anderzijds volgt hieruit de enigszins ontmoedigende conclusie dat het vinden van het juiste
beleid een crime is, zoals ook de ervaringen met het
zeer uiteenlopende industriebeleid in de wereld aan-

tonen. De nieuwe groeitheorie levert ook op dit punt
geen eenduidige conclusies voor het beleid op.

Internationale convergentie?
Niet alleen tussen ondernemingen bestaan er kennis-

spillovers. Ook tussen verschillende landen doen

om het juiste recept te bepalen. Dit kan worden toe-

zich uitstralingseffecten van kennis voor. Dit levert

gelicht aan de hand van twee voorbeelden uit de

een aantal interessante vragen op over de samenhang tussen groei in verschillende landen, en de implicaties daarvan voor de economische politick.
Een van de onopgeloste puzzels van de groeitheorie werd gevormd door de grote Internationale ver-

nieuwe groeitheorie. In een recent artikel tonen Aghi-

on en Howitt aan, dat wanneer men rekening houdt
met monopolistische concurrentie, het marktevenwicht ook tot te veel groei kan leiden in plaats van te
weinig12. Snelle economische groei is niet altijd gunstig, omdat het hoge investeringen vergt en daarom
ten koste gaat van de consumptie van de huidige ge-

behulp van de traditionele groeitheorie konden worden verklaard. Deze theorie voorspelt immers een

neraties.

tendens tot convergentie, waardoor de verschillen in

Tegenover het positieve uitstralingseffect van ken-

schillen in economische ontwikkeling, die niet met

groei en het inkomen per hoofd zouden afnemen.

nis, is er namelijk nog een ander effect met een te-

Deze theorie schrijft het verschil in inkomen tussen

gengestelde uitwerking. Dit kan het effect van creatie-

landen toe aan een verschillende omvang van de ka-

ve destructie worden genoemd. De gedachtengang is

pitaalgoederenvoorraad. Omdat in landen met een

als volgt: bedrijven gebruiken innovaties veelal als
een middel om het marktaandeel te vergroten. Groei
van het ene bedrijf gaat dan ten koste van een ander
bedrijf. Innovaties leveren niet alleen nieuwe produkten op, maar vernietigen in zekere zin ook oude produkten. Doordat ondernemingen geen rekening houden met de maatschappelijke kosten van deze
vernietiging, kan men in dit geval van een negatief

laag inkomen kapitaal relatief schaars is, zijn investeringen hier zeer produktief, en bieden daarom een
hoog rendement. Op grond daarvan voorspelt deze
theorie dat bij een gelijk spaargedrag in rijke en arme
landen, de kloof in het inkomen per hoofd in circa
twintig jaar wordt gehalveerd. Nog sneller zal de
kloof verdwijnen wanneer er voldoende kapitaal uit
de rijke landen naar de arme landen zal stromen.

extern effect van innovaties spreken.

De consequentie hiervan is dat er niet te weinig

De praktijk wijst echter anders uit. Uitvoerig empi-

risch onderzoek voor de naoorlogse periode wijst uit

maar juist te veel aan innovatie wordt gedaan. Er

dat de kloof tussen rijke en arme landen eerder gro-

vindt als het ware een race tussen ondernemingen
plaats waarbij er slechts een onderneming kan winnen. De inspanningen van de anderen zijn achteraf
voor niets geweest. Uit maatschappelijk oogpunt
vindt dus verspilling plaats door een onnodige ver-

ter wordt dan kleiner. In de periode tussen I960 en
1990 groeide de produktie per hoofd in de westerse
landen met gemiddeld 3,0% per jaar, terwijl de groei

dubbeling van onderzoek. Als het negatieve effect

men, ondanks de matige groei in de westerse landen.

van creatieve destructie zwaarder weegt dan het positieve uitstralingseffect van de kennis, dan zou de samenleving als geheel beter af zijn met minder investeringen in R&D, en dus met lagere groei. Anders dan

in de Pigoviaanse wereld, zou het overheidsingrijpen
dus nu gericht moeten zijn op een vermindering van
de groei!
Een ander voorbeeld waarin een imperfecte,
Schumpeteriaanse wereld tot andere beleidsconclusies kan leiden, betreft de visie op concurrentie en
kartels. De gangbare opvatting is dat een kartel

slecht is omdat het tot te hoge prijzen en te lage produktie leidt. In een Schumpeteriaanse wereld is dit

niet langer zeker. Een zekere machtspositie van on-

in de ontwikkelingslanden slechts 2,5% bedroeg13.

Ook in de afgelopen tien jaar is de kloof toegeno-

Overigens bestaan er zeer grote verschillen binnen
de groep van ontwikkelingslanden: tegenover een
enorme expansie in verscheidene Oostaziatische landen staat een volledige stagnatie van de groei in veel

Afrikaanse landen.
Ook de voorspelde kapitaalstroom van de rijke
naar de arme landen treedt niet op. Er vindt per sal-

do vaak zelfs een omgekeerde kapitaalstroom plaats,
dus van de ontwikkelingslanden naar de rijke landen. Het rendement van kapitaal blijkt ook veel minder hoog in deze landen dan de neoklassieke theorie
voorspelt.
Hoe kan de afwezigheid van convergentie wor-

den verklaard? Hiervoor biedt de endogene groei-

dernemers waardoor zij hun markt kunnen afscher-

men, kan een gunstige invloed hebben op het innovatietempo in de economic.
Ook hier geldt, dat wij leven in een ‘second best’
wereld met vele imperfecties, externe effecten en verstoringen die soms een onvoorspelbaar effect op el-

ESB 1-9-1993

12. Idem.

13. Deze cijfers zijn ontleend aan de Wereldbank, Development and the environment, World Development Report
1992.

theorie enkele aanknopingspunten. Een deel van de
verklaring wordt geboden door het groeimodel van
Lucas, waarin de nadruk wordt gelegd op het menselijke kapitaal. Als namelijk niet alleen het fysieke
kapitaal, maar ook het menselijke kapitaal in ontwikkelingslanden schaars is, dan zal er, zo heeft Lucas
aangetoond, geen kapitaalstroom naar deze landen
plaatsvinden . Er bestaat dan geen mechanisme

schaalvoordelen op nationaal of regionaal niveau
voordoen. Dit maakt de tendens tot ongelijke groei

en hysterese nog groter. Heeft een land of een regio
eenmaal een voorsprong op andere landen of regie’s
verworven, dan zal deze zich, dank zij de schaalvoordelen, als het ware vanzelf verder vergroten. Dit verschijnsel, dat eerder door Kaldor al is beschreven als
‘cumulatieve causatie’, is in de nieuwe groeitheorie

waardoor de kloof tussen rijke en arme landen vanzelf kleiner wordt. De economische ontwikkeling

uitgewerkt door Grossman and Helpman .

wordt gekenmerkt door hysterese.
Deze benadering ziet echter geheel af van het be-

lijkbaar met die van de creatieve destructie. Een land
kan zijn concurrentiepositie blijvend versterken door

staan van kermis-spillover tussen landen. Hoewel dit
consistent is met Lucas’ opvatting dat kermis strikt ge-

ervoor te zorgen dat het andere landen net een stap
voor is. Is dat eenmaal gelukt, dan zorgt de internationale concurrentie voor de rest. Hier geldt het motto:
‘de eerste slag is een daalder waard’. Dit kan aanleiding geven tot een competitie tussen landen waarbij
ieder land zoveel mogelijk de investeringen binnen
zijn grenzen aanmoedigt, met als gevolg een te hoge

bonden is aan arbeid, lijkt het niet erg realistisch. In

een meer algemene benadering zal men ook met internationale spillovers rekening moeten houden, zeker voor de groep van de geindustrialiseerde landen.
De waarheid ligt in dit opzicht ergens tussen het neo-

klassieke model en de theorie van Lucas in. Technologic is niet volledig universeel, zoals in de neoklassieke benadering, maar houdt ook niet strikt op bij
de grenzen van een land. Op dit punt behoeft de
nieuwe groeitheorie verdere uitwerking.

Beleidscoordinatie

De implicaties hiervan voor het beleid zijn verge-

groei voor het geheel.

Het behoeft weinig betoog dat deze benadering
een veel dynamischer kijk geeft op het probleem van
industriepolitiek dan het traditionele statische gezichtspunt. Een visie die ook terug te vinden is in het

populaire boek The competitive advantage of nations
van Michael Porter, waarvan de ideeen duidelijk
weerklinken in de nota’s over industriebeleid van het

De Internationale spillover van kennis levert een inte-

Ministerie van Economische Zaken17. Zoals de titel

ressant coordinatieprobleem op voor het beleid. Voor

van dit boek al zegt, benadrukt het sterk het nationale perspectief. Het is echter geenszins gezegd dat dit
ook vanuit internationaal oogpunt bezien tot een be-

ieder land afzonderlijk is het irnmers voordelig om te

profiteren van de kennis die in andere landen wordt
gecreeerd. Op deze manier kan het achterliggende

ter resultaat leidt. Het voorgaande doet het tegendeel

land de kosten van risicovolle R&D besparen. Het
probleem is echter dat deze redenering voor alle landen opgaat, met als gevolg dat ieder land als het

vermoeden.

Groei en conjunctuur

ware op de andere landen gaat zitten wachten. Het is

een bekend resultaat uit de speltheorie dat een dergelijke situatie tot een suboptimaal resultaat leidt, indien er geen coordinatie tussen de landen plaatsvindt. In dit geval leidt het ertoe dat alle landen te
weinig aan technische ontwikkeling doen, en dat er
dus te weinig groei is. Omdat er hier geen overheid

Zoals gezegd houdt de nieuwe groeitheorie vast aan
de perfecte werking van het prijsmechanisme, dat er
voortdurend voor zorgt dat markten in evenwicht

is die corrigerend op kan treden, is de enige oplos-

de economic worden uitsluitend veroorzaakt door

zijn. Hierdoor is er geen ruimte voor Keynesiaanse
elementen zoals onevenwichtige markten, macro-eco-

nomische verstoringen en instabiliteit. Fluctuaties in

sing dat landen tot internationale coordinatie van het

schokken van buitenaf en onvrijwillige werkloosheid

beleid besluiten. Door samenwerking kan in dit ge-

bestaat niet. In deze visie wordt werkloosheid gei’n-

val dus een hogere groei worden bereikt.
Maar ook hier kan zich het omgekeerde voordoen. Net als bij de individuele onderneming bestaat
de mogelijkheid dat zonder coordinatie van beleid er
te veel nadruk op investeringen en groei ontstaat. Dit
kan gebeuren wanneer de concurrentie tussen landen de vorm van creatieve destructie aanneemt. Dat
dit gevaar niet geheel denkbeeldig is, blijkt uit de
race tussen landen van de Europese Gemeenschap
om hun nationale luchthavens uit te breiden tot een
mainport, terwijl ieder land weet dat er uiteindelijk

terpreteerd als een bewuste keuze voor vrije tijd.
Voor zover in de nieuwe groeitheorie aandacht wordt
besteed aan conjuncturele fluctuaties, worden deze,
evenals in de ‘real businesscycle’-theorie, opgevat
als een evenwichtsverschijnsel, dat wil zeggen als de
efficiente reactie van de economic op schokken van
buitenaf.
Interessant is wat de consequenties zijn van deze
schokken voor het tempo van economische groei.
Hier leidt deze visie tot het schijnbaar paradoxale resultaat dat een recessie in de economic goed is voor

slechts plaats is voor enkele. Vanuit de Gemeenschap
als geheel gezien vindt dus er een onnodige verdubbeling van investeringen plaats. Ook hier kan door internationale coordinatie een beter evenwicht bereikt
worden. Maar nu met juist met lagere groei dan in

14. R.E. Lucas, op.cit., 1988.
15. Dit probleem doet zich met name voor bij goederen die
niet internationaal verhandelbaar zijn, zoals de infrastructuur.

het evenwicht zonder samenwerking .

Het gevaar van een competitieve race tussen landen wordt nog versterkt wanneer zich belangrijke

16. Zie G.M. Grossman en E. Helpman, Innovation and

growth, MIT Press, Cambridge (Mass.), 1991.
17. Verschenen in 1990 bij Macmillan, Londen.

1ft

de economische groei . Het argument is dat tijdens

Voor een volledige verklaring van het verband tussen

de recessie de lonen relatief laag zijn, zodat het aantrekkelljk is om de tijd te besteden aan het volgen

groei en conjunctuur zal ook met deze effecten rekening gehouden moeten worden.

van onderwijs. Bedrijven zullen de recessie gebruiken om bedrijfsreorganisaties door te voeren. Ook is
de recessie een gunstige periode om aan R&D te

Tot slot

doen; irnmers de lonen zijn laag en produktiefactoren zijn bij gebrek aan afzetmogelijkheden onderbe-

zet. In alle gevallen wordt ge’investeerd in verbetering van de toekomstige produktiviteit, waardoor de

groei op lange termijn wordt gestimuleerd.
Dit positieve effect tijdens de recessie kan sterker

zijn dan het omgekeerde effect tijdens de hoogcon-

Al met al leert de rondgang langs de nieuwe groeitheorie, dat de theorie niet alleen rijker is geworden,
maar ook onzekerder. De theorie is nog veelal abstract en slechts beperkt bruikbaar voor toepassing in
het beleid. In dit opzicht wil ik mij graag aansluiten
bij Mankiw die, toen hij in 1988 de balans opmaakte

van de economische theorie, concludeerde: “De afge-

junctuur. Aghion en Saint-Paul laten zien dat een

lopen vijftien jaar is een zeer vruchtbare periode ge-

economic met veel conjuncturele fluctuaties gemid-

weest voor de macro-economische theorie. Maar helaas hebben de nieuwe ontwikkelingen niet het soort
inzichten opgeleverd dat eenvoudig kan worden toegepast door meer beleidsgerichte economen”19. Dit
laatste moet als een uitdaging worden opgevat voor
de toekomst.

deld sneller groeit dan een economic met een minder sterke conjunctuurbeweging. Het spreekt vanzelf

dat dit haaks staat op de traditionele (Keynesiaanse)
opvattingen over de wenselijkheid van conjunctuurpolitiek.
Deze inzichten van de moderne groeitheorie

bevatten weliswaar een aspect van de werkelijkheid,

C. van Ewijk

maar zijn toch te eenzijdig. Recessies en werkloos-

heid leiden ook tot verlies van kermis en vaardigheden. Naarmate de werkloosheid langer duurt, wordt

het moeilijker om weer in het arbeidsproces terug te
keren. Dit veroorzaakt produktieverlies, leidt tot hys-

terese en heeft daardoor een negatief effect op groei.

18. Ph. Aghion, en G. Saint-Paul, On the virtue of bad times, mimeo, Delta, Parijs, 1991.

19. N.G. Mankiw, Recent developments in macroeconomics: a very quick refresher course, Journal of Money, Credit and Banking, 1988, biz. 436-449.

Auteur