Ga direct naar de content

De overdreven angst voor inflatie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 27 1989

De overdreven angst
voor inflatie
In 1975 werd in ons land een inflatietempo geregistreerd van meer dan
10%. Niemand had toen kunnen bevroeden dat de president van De Nederlandsche Bank in een jaar waarin de
inflatie 1,5 a 2% zou bedragen ruim
twee pagina’s van het jaarverslag zou
vullen onder het hoofdje ‘Principiele en,
praktische bezwaren van inflatie’. Toch
zijn dit de feiten van 19891. Ook in de
meeste andere Westeuropese landen afgezien van het Verenigd Koninkrijk is de inflatie in het licht van de ontwikkelingen van de laatste dertig jaar bijzonder laag. Desondanks wijzen de
collega’s van Duisenberg eveneens op
de gevaren van de prijsstijgingen en de
bedreiging die een eventuele toeneming van de inflatie zal vormen voor de
zich vooral in West-Europa voorspoedig ontwikkelende conjunctuur. Ook de
internationale
organisaties, : IMF,
OESO, en BIS2 verheffen infiatoire
spanningen in 1989 tot schrikbeeld
nummer een. De internationale betalingbalansonevenwichtigheden zijn zo lijkt het – verdrongen naar de tweede plaats.
In het navolgende wordt ingegaan op
de wijd verbreide inflatieangst en op de
vraag of die angst nu wel geheel gerechtvaardigd is. Daarbij staat WestEuropa centraal, meer in het bijzonder
Nederland en West-Duitsland.

Inflatiespiraal?_________
De vergelijking met de jaren zeventig, die hierboven werd gemaakt, zet de
huidige problemen wellicht niet in een
volledig juist perspectief. Men zou de
huidige inflatie (in juni lagen de prijzen
in ons land precies 1,0% hogerdan een
jaar eerder) kunnen vergelijken met recentere jaren, bij voorbeeld 1986 en
1987, toen de prijzen respectievelijk
met 0,7% stegen en met 0,1 % daalden.
Hieruit zou blijken dat het inflatietempo
gestegen is. Zo’n in gang gezette stijging, zo wordt geredeneerd, zou sneller leiden tot bijstellingen van de inflatieverwachtingen, zodat het inflatieproces verder wordt versterkt.
De vergelijking met 1986 en 1987
gaat echter mank, aangezien bijzondere externe factoren in die jaren de inflatie in onder andere Nederland en WestDuitsland sterk beperkten. De dollarkoers daalde immers met gemiddeld
730

22% per jaar, terwijl de olieprijs in doliartermen bijna halveerde. Bovendien
revalueerden de D-mark en de gulden
binnen het EMS. Door dit alles daalden
de invoerprijzen in beide landen fors
(1986: -17%; 1987 -6% in beide landen). Dat de vergelijking met 1986 en
1987 niet opgaat blijkt verder bij voorbeeld uit de gebeurtenissen op de financiele markten. Daar werd de zeer
lage inflatie niet als blijvend gezien, getuige het achterblijven van de daling
van de nominale rentevoeten. Het oplopen van het stijgingstempo van de prijzen was derhalve (te) voorzien.
De monetaire autoriteiten laten zich
niet expliciet uit over de hoogte van het
inflatietempo waarbij de negatieve effecten in hun ogen de boventoon gaan
voeren. Dat maakt een discussie lastig.
Het onderliggende inflatietempo in Nederland en West-Duitsland bedraagt
momenteel 2 a 3%. Bijzondere factoren
dragen er dit jaar toe bij dat het feitelijke tempo van de prijsstijging in WestDuitsland juist iets hoger en dat in Nederland juist wat lager uitvalt. Het lijkt
geen onredelijke veronderstelling dat
de Bundesbank en De Nederlandsche
Bank wensen te voorkomen dat de inflatie binnen afzienbare tijd boven de
3% uitkomt, aangezien dan in hun ogen
een spiraalwerking naar boven zou
kunnen worden ingezet.
De redenering op basis waarvan de
monetaire autoriteiten concluderen dat
een versnelling van de inflatie mogelijk
aanstaande is, is in wezen eenvoudig.
De laatste jaren is de liquiditeit van veel
economieen, en zeker die van de Nederlandse en de Westduitse, fors toegenomen. De financieringsmiddelen
voor een hogere inflatie zijn derhalve
aanwezig, het wachten is nog slechts
op de ree’le factoren. Ook die lijken zich
reeds aan te dienen. De meeste economieen groeien immers snel, terwijl de
bezettingsgraden al aan de hoge kant
zijn. Bovendien worden looneisen geleidelijk weer wat forser. Daarbij zijn de
prijzen in het eerste deel van het jaar
daadwerkelijk sneller gestegen dan in
de periode daarvoor.
Overigens is het frappant dat de inflatieangst, waaraan verbaal zoveel
aandacht wordt besteed, niet leidt tot
een opwaartse beweging in de voorspellingen. Zo voorspelt de OESO3
zelfs dat het inflatietempo in de Europese lidstaten van de OESO in 1989 licht
zal stijgen maar in 1990 weer iets terug

zal vallen. Eveneens opvallend zijn opnieuw – de financiele markten. Duiden de vlakke yield-curves er immers
niet op dat beleggers de risico’s ten
aanzien van inflatie anders taxeren dan
de monetaire autoriteiten?

Overdreven angst
Ofschoon het niet ondenkbeeldig is
dat inflatieverwachtingen snel opwaarts
worden bijgesteld waardoor infiatoire
processen nog worden ondersteund,
valt een aantal argumenten aan te voeren op basis waarvan geconcludeerd
moet worden dat de angsten wat overdreven zijn. Sommige van deze argumenten betreffen de korte termijn, andere zijn op wat langere termijn werkzaam.
Grondstoffenprijzen
Ten eerste moet worden gewezen op
een aantal specifieke en slechts tijdelijke oorzaken van de opgetreden opleving van het inflatietempo. Zo vindt de
inflatieversnelling voor een niet onbelangrijk deel haar oorsprong in hogere
energie- en andere grondstoffenprijzen. De olieprijsstijging is inmiddels
echter gestopt. Ondanks een wat sterkere toeneming van de vraag naar
energie is een forse prijsstijging in de
voorzienbare toekomst niet waarschijnlijk. Nog altijd wordt de oliemarkt bedreigd door potentieel overaanbod.
Binnen de OPEC zijn er nog voldoende mogelijkheden de produktie op te
voeren. Ofschoon algemeen wordt verondersteld dat de olieproduktie buiten
de OPEC in de jaren negentig geleidelijk verder zal afnemen, worden taxaties
van de hoeveelheid winbare reserves
ook voor niet-OPEC-landen regelmatig
opwaarts herzien. Zo zouden de reserves van de VS – bij een prijs van minder dan $ 25 per vat – driemaal zo hooq
zijn als tot nog toe werd aangenomen .
Binnen de OPEC zijn de landen die in
principe als ‘swing producer’ zouden
kunnen fungeren steeds minder in staat
(Saoedi-Arabie) of nog steeds niet bereid (Koeweit) die rol op zich te nemen.
Saoedi-Arabie registreert al enkele jaren externe tekorten van circa $ 10 mrd.
per jaar (12% bnp). De financiele buffer
waarover het land enkele jaren geleden
nog beschikte is daardoor sterk aangetast. Koeweit heeft naar eigen inzicht
een steeds grotere produktie nodig om
de groeiende eigen ‘downstream’-acti1. De Nederlandsche Bank, Jaarverslag
1988, biz. 18-20.
2. IMF, World economic outlook, april 1989;
OESO, Economic outlook, juni 1989; BIS,
59th Annual Report, juni 1989.
3. OESO, op. cit., biz. 36

4. Petroleum Intelligence Weekly, 22 mei
1989, biz. 1.

viteiten van olie te voorzien. Bovendien
menen de Koeweiti dat prijsinstabiliteit
de exploratie buiten de OPEC beperkt
en derhalve op langere termijn gunstig
is voor de leden van het kartel5.
In verband met de milieuproblematiek is het daarnaast waarschijnlijk dat
de consumptie van energie in de jaren
negentig aanmerkelijk minder snel zal
groeien dan de industriele produktie in
de westerse wereld. In de jaren na de
eerste oliecrisis is de energie-intensiteit
van de produktie scherp teruggelopen
doordat de hogere energieprijs de ‘zuinig met energie’-beweging in gang zette. Het uiteindelijke resultaat was een
ondermijning van de olieprijs. In de jaren negentig zullen de westerse overheden het milieu onder andere beschermen door het stellen van eisen ten
aanzien van het energieverbruik. De in
verband daarmee te verwachten hernieuwde daling van de energie-intensiteit van de industriele produktie zal in ieder geval reele prijsstijgingen onwaarschijnlijk maken. Vorderingen op technisch gebied zullen er daarnaast toe leiden dat aardgas een breder toepassingsgebied krijgt, hetgeen de olieprijs
ook al niet zal steunen.
Ook de stijging van de Internationale
metaalprijzen is in de loop van het eerste deel van het jaar afgevlakt en omgeslagen in een daling. Deze ontwikkeling werd al eerder verwacht toen duidelijk werd dat in het begin van 1988 de
produktiecapaciteit voor veel metalen
fors werd uitgebreid. Arbeidsonrust in
veel produktiegebieden weerhield de
produktie echter in de loop van het vorige jaar van een toeneming. Afgezien
van calamiteiten is zelfs bij de snellere
economische groei in de westerse wereld geen nieuwe prijsstijging te verwachten in verband met die toegenomen capaciteit.

Het principe van beloning naar prestatie heeft de laatste jaren een breder
maatschappelijk draagvlak gekregen.
Bij de loonvorming vertaalt zich dat in
een structurele verschuiving van initiele
naarincidentele loonstijgingen. Voorde
inflatievooruitzichten is dit gunstig aangezien incidentele loonstijgingen voor
een niet onbelangrijk deel beterte reguleren zijn door de bedrijven. De hier bedoelde incidentele loonstijgingen worden doorgaans slechts toegekend wanneer het functioneren van de betrokkenen een en ander rechtvaardigt en de
financiele middelen in het bedrijf aanwezig zijn. Daarnaast zullen in een aantal landen looneisen worden gehonoreerd in ruil voor (verdere) flexibilisering
van de arbeidstijd. Dit zal leiden tot verlenging van de bedrijfstijd en daarmee
bijdragen aan een uitbouw van de produktiecapaciteit.

Investeringen
Een volgend argument dat tegen de
wat overdreven angst voor inflatie kan
worden ingebracht is de voortgaande
kracht van de investeringen. De in de
meeste landen van continentaal WestEuropa in 1987 ingezette investeringshausse heeft al duidelijk uitwerking gehad op de produktiviteit en daarmee op
de produktiecapaciteit7. Zo was de arbeidsproduktiviteft per manuur in de nijverheid in West-Duitsland in januari
1987 exact gelijk aan die in december
1984! In januari 1989 lag de produktiviteit echter 10% hoger, zij het dat conjuncturele aspecten deze vergelijking
enigszins flatteren. Ofschoon de bezettingsgraad in de Industrie geleidelijk is
gestegen, valt deze toeneming, gelet
op de krachtige conjunctuur, nogal
mee.
Hoezeer de investeringen van de
laatste twee jaar inmiddels hun uitwerking krijgen op de produktiecapaciteit
Loonstijgingen
blijkt uit het feit dat de bezettingsgraad
De argumenten die de visie van een in de Bondsrepubliek in het eerste
verdere opleving van de inflatie zouden kwartaal van 1989 is gedaald ondanks
moeten ondersteunen zijn niet altijd een toeneming van de produktie. Ofeven sterk. Zo zijn hogere loonstijgin- schoon de investeringshausse, die zich
gen niet per definitie inflatoir. In de be- al enige tijd manifesteert, zich ook in de
drijven is juist door het herstel van de VS voordoet, is het opvallend dat de
winsten ruimte ontstaan om hogere toeneming van de arbeidsproduktiviteit
looneisen zonder inflatoire gevolgen te in Europa veel sterker is dan in de VS.
honoreren. Het opvallende is juist dat Zo steegde produktie per manuur in de
de looneisen, gelet op de conjunctuur, VS in 1988 met een schamele 1,5%8 bij
relatief bescheiden blijven. In zijn voor- een groei van de bedrijfsinvesteringen
woord in het jaarverslag merkt de pre- in dat jaar van circa 10%, terwijl in Westsident van DNB op dat de looneisen Duitsland de vergelijkbare cijfers resnog onder de produktiviteitsstijging blij- pectievelijk4,1% en 6%bedroegen. In
ven6. Van een herverdeling van inko- 1987 waren de cijfers niet veel anders.
Het verschil tussen de VS en Europa
men tussen arbeid en kapitaal is derhalve nog niet eens sprake, laat staan van heefrwelHcht te maken met de kwaliteit
een inflatoire druk. Een mogelijke ver- van de ecoriomische groei. In de VS
klaring voor de nog steeds relatief ma- heeft vooral de dienstensector een
tige loonstijgingen – dit verschijnsel be- snelle expansie gerealiseerd. Wanneer
perkt zich niet alleen tot ons land – is wordt gekeken naar de werkgelegenhet veranderde karakter van onze sa- heidsgroei en de stijging van de lonen
menleving.
wdfdt^at beeld bevestigd. Daarbij zijn

ESB 26-7-1989

de meeste nieuwe banen gecreeerd in
de relatief laag betaalde regionen van
de dienstensector. In Europa steunt de
economische groei van de laatste jaren
meer op een versterking van de Industrie. Ofschoon het reele bnp in de VS
de afgelopen jaren sneller is gegroeid
dan in Europa, moet geconcludeerd
worden dat Europa zijn positie ten opzichte van de VS fundamenteel heeft
versterkt.

Internationalisering
Ook de voortgaande integratie van
de wereldeconomie laat zich gelden.
Doordat de sector van de buitenlandse
handel als percentage van de totale
economie in alle landen bij voortduring
toeneemt, kan worden gesteld dat veel
meer dan in het vorige decennium de
mondiale produktiecapaciteit van belang is bij hettaxeren van ‘bottlenecks’.
Doordat de conjunctuurcyclus internationaal niet gelijk loopt zal beschikbare
produktiecapaciteit doorgaans elders te
vinden zijn. Inflatie maakt derhalve
steeds meer plaats voor import. De integratie van de wereldeconomie geeft
nog een argument tegen het pessimisme ten aanzien van de inflatie. De mondiale concurrentie is er immers door
toegenomen, zodat de mogelijkheden
om kostenstijgingen door te berekenen
zijn afgenomen.
Milieu
Het milieu dringt zich de laatste tijd in
een spectaculair tempo naar de voorgrond van de maatschappelijke belangstelling. Een grote inspanning is nodig
om de omgeving leefbaar te houden en
tegelijkertijd de levensstandaard in materiele zin ten minste te handhaven. De
effecten van milieu-eisen op de economie zijn vooralsnog niet erg duidelijk. In
de pessimistische optiek zullen milieueisen kostenverhogend en daardoor inflatoir en groeibeperkend werken.
Een dergelijke voorstelling van zaken is echter te eenvoudig. Ingeval de
5. Petroleum Intelligence Weekly, 22 mei
1989, biz. 1.
6. DNB, op. cit., biz. 29.

7. Het IMF en de OESO hebben nog niet zo
lang geleden becijferingen gepubliceerd met

betrekking tot de potentiele groeimogelijkheden in een aantal landen in de komende jaren. In hun becijferingen konden beide instellingen in verband met het niet beschikbaar zijn van de data waarschijnlijk onvol-

doende rekening houden met de effecten
van de investeringshausse. Zie: IMF, Potential output and capacity utilization in the major industrial countries, World Economic Outlook, Annex II, Washington, augustus 1988;
R. Torres en J P. Martin, Potential output in
the seven major OECD countries, OESO
working paper nr. 66, Parijs, mei 1989.
8. US Department of Commerce, Business
conditions digest, april 1989, biz. 88.
9. Deutsche Bundesbank, Statistische Bei-

hefte zu den Monatsberichten der Deutschen Bundesbank, Reihe 4, juni 1989, biz.
22.

731

eisen niet de produktieprocessen maar
de eindprodukten betreffen, is het afhankelijk van de statistische verwerking
of wij zullen spreken van groei of inflatie. Levert een auto met katalysator
evenveel auto voor meer geld (inflatie),
of krijgt men ook werkelijk meer voor
zijn geld (groei)? Wanneerde eisen louter de produktieprocessen betreffen zijn
strengere eisen in eerste instantie ongetwijfeld kostenverhogend en derhalve inflatoir. Na enige tijd echter zullen
de ge’fnduceerde technologische verbeteringentegenwicht gaan bieden, zoals hierboven reeds is aangegeven
voor de energieprijzen.
Ook het investeringsgedrag is van
belang. Verwacht mag worden dat milieu-eisen aan produktie en produkten
bij voortduring zullen worden opgeschroefd. Een halfslachtige houding
van de autoriteiten ten aanzien van de
eisen kan juist in hoge mate bijdragen
aan de onzekerheid omtrent toekomstige eisen. Dit kan aanleiding geven tot
een afwachtende houding van investeerders en daardoor de investeringsactiviteit nadelig bei’nvloeden. Strenge
en betrouwbare eisen, in combinatie
met een realistisch tijdsschema, creeren daarentegen duidelijkheid en dragen bij aan de voortgang van de investeringen en derhalve aan een voortgaande niet-inflatoire economische
groei.

zen. In de eerste helft van het lopende
jaar lijken vooral West-Duitsland en ons
eigen land ten aanzien van de inflatie
de dupe te zijn geworden van het ‘harde-munt-beleid’ in veel andere landen.
Een verbetering van de internationale
coordinate op dit terrein is dringend gewenst om te voorkomen dat uiteindelijk
een appreciatiewedloop ontstaat, die
gepaard gaat met voortdurende stijging
van de rentevoeten.

732

O.J. Boxma, A.H.G. Rinnooy Kan en
M. van Vliet: Machine allocation problems in manufacturing networks.
Econometrisch
instituut,
rapport
8828/A, Erasmus Universiteit Rotterdam, 1988.

Conclusie____________
Het huidige inflatietempo is laag. Ofschoon er factoren zijn aan te wijzen die
een versnelling teweeg zouden kunnen
brengen zijn er evenzeer factoren die
reden geven de inflatieangst te nuanceren. De aandacht die door de monetaire autoriteiten wordt besteed aan de
dreiging van de inflatie is daarom wat
overdreven.

J.L.M. de Jong

M.E. Homan, A.J.M. Hagenaars en
B.M.S. van Praag: The distribution
of income and home production in
one-earner and two-earner families.
Econometrisch
instituut,
rapport
8829/A, Erasmus Universiteit Rotterdam, 1988.

A.W.J. Kolen en A.P. Woerlee: VjPS,
a decision support system for visual
interactive production scheduling.
Econometrisch
instituut,
rapport
8830/A, Erasmus Universiteit Rotterdam, 1988.

De auteur is hoofd van de Afdeling Buitenland van het Economisch Bureau van de Amsterdam-Rotterdam Bank N.V. Het artikel is
op persoonlijke titel geschreven.

Appreciatiewedloop
Tot slot van deze beschouwing over
de inflatievooruitzichten zij gewezen op
een gevaar van de in sommige landen
gevolgde methodiek van inflatiebeteugeling. Tot dusver hebben zich slechts
in een zeer beperkt aantal landen acute inflatieproblemen voorgedaan, De
monetaire autoriteiten in die landen
hebben evenals die in sommige andere landen in reactie het beleid in 1988
al aanmerkelijk verkrapt, hetgeen tot
hogere rentestanden en apprecierende
valuta’s heeft geleid (VK, Australie,
Spanje, VS – stuk voor stuk landen met
externe tekorten). Voor zover dit beleid
succesvol is geweest in het reduceren,
dan wel in toom houden van de inflatie,
moet dit voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan de als gevolg
van de appreciate opgetreden geringere stijging van de invoerprijzen.
Er is niets op tegen wanneer een beperkt aantal landen een dergelijk beleid
voert. De effectiviteit gaat echter voiledig verloren wanneer veel landen tegelijkertijd een dergelijk beleid en dergelijke mechanismen willen gebruiken. De
enkeling die deze beleidslijn niet volgt
en daardoor de nationale valuta ziet deprecieren, importeert op die manier buitenlandse inflatie via hogere invoerprij-

B. Bode, J. Koerts en A.R. Thurik:
Market disequilibria and the measurement of their influence on prices: a
case from retailing. Econometrisch instituut, rapport 8827/A, Erasmus Universiteit Rotterdam, 1988.

Stichting Consument en Veiligheid:
Een model voor de berekening van
kosten van ongevallen in de privesfeer. Amsterdam, 1988.
H.M. Amman: The role of the exchange rate in an oligopolistic market. Research memorandum 8819. Economische Faculteit, Universiteit van Amsterdam, 1988.
H.C. Dekker, H.P.A.J. Langendijk en
J.E. Ligterink: De verwerking van
vreemde valuta in het jaarrapport.
Research memorandum 8820. Economische Faculteit, Universiteit van Amsterdam, 1988.

M. de Lange: Over financiele intermediatie en de marginale geldmultiplicator. Research memornandum
8821. Economische Faculteit, Universiteit van Amsterdam, 1988.
C.G.E. Boender, A.H.G. Rinnooy
Kan, H.E. Romeijn en A.C.F. Vorst:
Shake-and-bake algorithms for generating uniform points on the
boundary of bounded polyhedra.
Econometrisch
instituut,
rapport
8826/A, Erasmus Universiteit Rotterdam, 1988.

L. van Wassenhove: A planning framework for a class of FMS. Econometrisch instituut, rapport 8831/A, Erasmus Universiteit Rotterdam, 1988.

J.L. van Zanden: The first green revolution — The growth of production
and productivity in European agriculture 1870-1914. Researchmemorandum 1988-42, Economische Faculteit, Vrije Universiteit, Amsterdam,
1988.

J.C. van Ours: Duration of Dutch job
vacancies.
Researchmemorandum
1988-46, Economische Faculteit, Vrije
Universiteit, Amsterdam, 1988.

A.H. Perrels: The allocation of time
for housework activities. Researchmemorandum 1988-47, Economische
Faculteit, Vrije Universiteit, Amsterdam,
1988.

W. Eizenga: European economic integration and a system of European
central banks. Vakgroep economische
vakken, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Rijksuniversiteit Leiden, 1988.
G. Renes: A model of female labour
supply, differences in elasticities of
substitution. Vakgroep economische
vakken, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Rijksuniversiteit Leiden, 1988.
K.P. Goudswaard: Financiering van
de publieke sector en normering van
de collectieve lastendruk. Centrum
voor onderzoek van de economic van
de publieke sector, Rijksuniversiteit Leiden, 1988.

Auteur