Ga direct naar de content

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid (I)

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 2 1985

Ingezonden

Arbeidsmarkt en sociale
zekerheid (I)
DRS. J.H.M. NELISSEN*

In hun artikel „ Arbeidsmarkt en sociale
zekerheid: ontwikkelingen en interacties”
gaan Van den Bosch en Petersen 1) onder
andere in op de betekenis van sociale zekerheid voor de vraag naar en het aanbod van
arbeid en besteden ze aandacht aan mogelijke toekomstige ontwikkelingen. In
eerste instantie richten de auteurs zich op
de interactie tussen sociale zekerheid en de
vraag naar en het aanbod van arbeid. Ze
komen daarbij tot de conclusie dat gedurende de periode 1930-1981 de ontwikkeling van het stelsel van sociale zekerheid
,,waarschijnlijk per saldo een negatieve invloed op de vraag naar arbeid en een negatieve invloed op het aanbod van arbeid
heeft uitgeoefend” (biz. 940), waarbij de
ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in
de sociale zekerheid ,,elkaar in belangrijke
mate in een interactief proces versterkt
hebben” (biz. 940). In de samenvatting en
conclusies wordt ten slotte onderzoek aanbevolen naar ,,(…) het inbouwen van
prikkels in de uitkeringsstructuur om het
(weer) economise!! actief worden te bevorderen” (biz. 942).
Hoewel de auteurs er in het kort op wijzen dat op langere termijn de arbeidsparticipatie zeer zeker ook door andere f actoren
wordt beinvloed, wekt het artikel de suggestie dat de daling van het percentage actieven onder de bevolking van 20 jaar en
ouder, en daarmee de stijging van het relatieve aandeel der niet-actieven (met een uitkering), vooral wordt veroorzaakt door
het bestaan van het stelsel van sociale zekerheid. Enige nuancering lijkt hier op zijn
plaats, zeker in een tijd waarin elk argument om te bezuinigen op de sociale zekerheid met genoegen wordt omarmd en menigeen van mening is dat uitkeringsgerechtigden zich bij het zoeken naar werk er met
een Jantje van Leiden van afmaken en liever bij Tante Truus blijven zitten.
Zo kan men moeilijk stellen dat de groei
in de werkloosheid en daarmee in het aantal uitkeringsgerechtigden ingevolge de
werkloosheidsregelingen tussen bij voorbeeld 1981 en 1984 2) voor het grootste deel
zijn oorzaak zou vinden in het bestaan van
ons sociale-zekerheidsstelsel. Ook op andere terreinen van de sociale zekerheid is de
link tussen toename van het aantal uitkeringsgerechtigden en het bestaan van sociaESB 2-1-1985

le voorzieningen moeilijk aantoonbaar. Zo
wordt de veel gehoorde opmerking dat er
een interactie zou bestaan tussen toename
in het aantal gescheiden vrouwen (met kinderen) en het bestaan van de Algemene
Bijstandwet niet door wetenschappelijk
onderzoek bevestigd. De in Nederland uitgevoerde onderzoeken komen op basis van
de ter beschikking staande gegevens tot de
conclusie dat een uitspraak hierover niet
mogelijk is 3).
De aanbeveling van Van den Bosch en
Petersen om onderzoek te doen naar het inbouwen van prikkels in de uitkeringsstructuur ten einde het economisch actief worden te bevorderen, vloeit waarschijnlijk
voort uit hun benadering van de invloed
van sociale zekerheid op het aanbod van
arbeid, waarbij gebruik wordt gemaakt
van uit de micro-economic voortkomende
modellen ter beschrijving van het consumentengedrag. Niet aan de orde komt de
betekenis van bij voorbeeld sociale en psychische gevolgen van het economisch nietactief zijn. De relatie tussen vrije tijd en
werken wordt zuiver economisch bekeken.
Men kan echter de nodige vraagtekens zetten bij het bestaan van een relatie tussen arbeid(sethos) en vrije tijd 4). Ook het onderzoek van Valkenburg en Ter Huurne geeft
aanleiding tot het zetten van vraagtekens
bij de veronderstelling dat een niet-actieve
een duidelijke keuze maakt tussen werken
(en daarmee (extra) inkomen verwerven)
en vrije tijd! Uit hun onderzoek blijkt dat
werkloosheid in het algemeen als problematisch beschouwd wordt. Velen vinden
dat werkloosheid geen enkel voordeel
biedt, slechts een klein percentage van de
onderzochte personen was van mening dat
werkloosheid geen nadelen teweegbrengt.
Velen ervaren hun werkloosheid als een sociaal probleem 5). Daarbij komt dat de
wens om economisch actief te zijn nog niet
voldoende is: er moet immers ook vraag
naar arbeid tegenover staan, anders blijft
men in de definitie van Van den Bosch en
Petersen als werkwillige zonder baan toch
niet-actief. In deze tijd, met ongeveer
800.000 werklozen, is de hoogte van het arbeidsaanbod duidelijk minder relevant.
Meer aandacht verdient de vraag naar
arbeid.
Tot slot nog enige opmerkingen over de

door Van den Bosch en Petersen geschetste
mogelijke toekomstige ontwikkelingen.
Bij de bepaling van het aantal actieven in
de toekomst wordt gebruik gemaakt van
constant gehouden leeftijdsspecifieke participatiegraden. Uitgaande van de middenvariant 6) van de CBS-bevolkingsprognose
van 1982 komen ze bij 15,35 miljoen inwoners in 2030 tot 4,1 miljoen actieven, terwijl Nederland in 1981 14,2 miljoen inwoners telde, waarvan er 4,3 miljoen economisch actief waren. Aangezien het hier een
ceteris-paribusprojectie betreft is het, gezien de sterk gewijzigde leeftijdsstructuur
van de bevolking in 2030 7), reeler om niet
uit te gaan van constante leeftijdsspecifieke participatiegraden, doch het aantal economisch actieven te relateren aan de totale
bevolkingsomvang. Immers, voor 15,35
miljoen mensen in 2030 zal in de ceterisparibussituatie meer dienen te worden geproduceerd dan voor 14,2 miljoen mensen
(1981), zodat men meer economisch actieve personen verwacht. Het werken met
leeftijdsspecifieke participatiegraden leidt
echter in dit geval, ten gevolge van de veranderde leeftijdsstructuur van de bevolking, tot een geringer aantal economisch
actieven.
Een andere zinsnede die tot commentaar
aanleiding geeft is ,,(…) de gehoorde opvatting dat de economische groei de stijging van de uitkeringslasten wel zal opvangen, (is) onjuist in die zin dat die groei ook
doorwerkt in bovengenoemde bedragen en
daarmee de lastenproblematiek (voor een
belangrijk deel) in evenredigheid met de
economische groei verscherpt” (biz. 491).
Deze opmerking is zeker niet los te zien van
de veelgehoorde opvatting dat de sociale
zekerheid in de toekomst onbetaalbaar zou
worden. Een eenvoudig voorbeeld maakt

* De auteur is als wetenschappelijk medewerker
verbonden aan de Katholieke Hogeschool Tilburg (vakgroep Demografie en Prognosetechnieken).
1) F.A.J. van den Bosch en C. Petersen, Arbeidsmarkt en sociale zekerheid: ontwikkelingen
en interacties, ESB, 10 oktober 1984, nr. 3476,
biz. 936-942.
2) Het aantal werklozen steeg van gemiddeld
bijna 400.000 in 1981 tot gemiddeld ruim
800.000 in 1984, terwijl het aantal uitkeringsgerechtigden ingevolge de WW, WWV en RWW in
de betreffende periode steeg van 359.000 tot
668.000.
3) Zie P.A.M. van den Akker, Verzorgingsstaat, sociale zekerheid en primaire relaties, IVA, Tilburg, 1984 en A. Aarts, De betekenis van de Algemene Bijstandswet voor de scheidingspraxis, voordracht Sociologendagen,
Amsterdam, 1984.
4) Zie bij voorbeeld A. Heinen, G. Jehoel-Gijsbers en H.Zanders, Arbeid ter discussie, IVA,
Tilburg, 1980.
5) F. Valkenburg en A. ter Huurne, Werkloosheid in oude wijken: een studie naar de arbeidsmarktpositie en het arbeidsmarktgedrag van
werklozen, IVA, Tilburg, 1983.
6) Gezien de ontwikkelingen in de periode
1980-1984 zou gebruik van de lage variant meer
voor de hand liggen.
7) Zie bij voorbeeld J.H.M. Nelissen en A.P.
Vossen, Demograflsche ontwikkelingen en het
sociale zekerheidssysteem, KHT/COSZ, Tilburg/Den Haag, 1984, met name hoofdstuk 3.
21

echter duidelijk dat reeds bij geringe economische groei de financiering van de sociale zekerheid geen problemen behoeft te

geven. Stel dat er tussen 1981 en 2030 een
gemiddelde reele economische groei van
2% per jaar optreedt, dan bedraagt het
netto nationaal inkomen in 2030 ruim

f. 830 mrd. Laat men het loon met gemiddeld 1,75″% per jaar stijgen (en ook de gemiddelde uitkering met 1,15%), dan lopen
uitkeringen en lonen in de pas (in de zin van
het koppelingsmechanisme) en is de extra

toename in de uitgaven voor de sociale zekerheid (bij de veronderstellingen van Van
den Bosch en Petersen bedraagt deze stijging tussen 1981 en 2030 bij nulgroei 50%)
financierbaar uit de rest van de economische groei, zonder dat ook iemand er met

minder dan 1,75″% per jaar op vooruit
gaat. Handhaving van het huidige socialezekerheidsstelsel is dus mogelijk wanneer

inkomensstijgingen iets beneden de economische groei worden geaccepteerd. In dit
voorbeeld hoeft slechts 0,25% van de economische groei van 2% afgestaan te worden. Tot welke lastenverdeling dit leidt is
minder relevant. De vraag is of men een
deel van de economische groei wil benutten
ter financiering van de extra uitkeringslasten en dat is een kwestie van solidariteit (en politieke wil). Het is zelfs mogelijk bij een zeer geringe economische groei
en handhaving van de huidige collectievelastendruk, de toename van de socialezekerheidsuitgaven te Fmancieren 8).
Het voorgaande samenvattend is de conclusie dat het artikel van Van den Bosch en
Petersen de suggestie wekt dat het bestaan
van het stelsel van sociale zekerheid tot een
sterke toename in het aantal niet-actieven
heeft geleid en dat mede hierdoor de sociale zekerheid in de toekomst onbetaalbaar
zou worden. In het voorgaande is geprobeerd het eerste enigszins te relativeren en
is aangegeven dat de financierbaarheid van
het sociale-zekerheidsstelsel geen problemen hoeft te geven. Het is jammer dat de
auteurs deze, waarschijnlijk door de bezuinigende beleidsmakers met dank ontvangen, eenzijdige suggesties doen.
J.H.M. Nelissen

8) Zie R. Goudriaan e.a., Collectieve uitgaven
en demograflsche ontwikkeling, 1970-2030,
SCP, Rijswijk, 1984.

22

Auteur