Ga direct naar de content

Beleggingen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 23 1984

C. de Galan

Beleggingen
In 1982 passeerden de beleggingen
van de particuliere pensioenfondsen in
Nederland de mijlpaal van f. 100 mrd.
Hun gezamenlijke waarde bereikte,
om precies te zijn, een hoogte van’
f. 105 mrd. Worden de beleggingen
van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds hierbij opgeteld, dan ontstaat een totale waarde van bijna
f. 200 mrd. De binnenlandse levensverzekeringsmaatschappijen wier produktie ten dele eveneeens uit pensioenverzekeringen bestaat, voegen hier
nog f. 75 mrd. aan toe. Weliswaar
moet ten aanzien van de waardering
van diverse activa met enige marge rekening worden gehouden, maar het
bedrag van rond f. 275 mrd. geeft toch
een goede indicatie van de waarde der
beleggingen. Te zamen beheren de genoemde institutionele beleggers een
enorm vermogen dat jaarlijks met
meer dan 10% groeit.
Terugkerend naar de particuliere
pensioenfondsen is het interessant te
bezien hoe hun beleggingsportefeuille
eruit ziet (vermeld worden steeds de
cijfers over 1982, tenzij anders blijkt).
De eerste wijd verbreide gedachte
zal zijn dat er risicomijdend wordt belegd, hetgeen overigens lets anders is
dan risicoloos. Deze gedachte is grosso modo juist. Toch bestaat nog bijna
2Q% van de beleggingen uit onroerend
goed en aandelen, dus uit risicodragend vermogen. Die 20% is veel, als
wordt bedacht dat het hier gaat om
fondsen die uitsluitend zijn gericht op
het garanderen van pensioenbetalingen en die werken met geld van pensioenverzekerden. De ondernemingspensioenfondsen beleggen naar verhouding aanzienlijk meer in aandelen
(en in andere effecten) dan de bedrijfspensioenfondsen en minder in leningen op schuldbekentenis; deze leningen maken gemiddeld 60% van het
ESB 13-6-1984

totaal uit. Overigens bestaan er ook zen dat over een periode van 10 jaar,
tussen de vele honderden pensioen- tussen 1972 en 1982, enige verschuifondsen verschillen in de samenstel- vingen in de samenstelling van de beling van de beleggingsportefeuille; leggingen der particuliere pensioenhier gaat het om de totalen. Terloops fondsen hebben plaatsgevonden. De
zij nog opgemerkt dat de levensverze- belangrijkste daarvan is dat thans
keraars ongeveer 15% van hun vermo- minder in effecten, vooral in aandegen in de risicodragende sfeer beleg- len, is belegd en meer in onderhandse
gen; dit aandeel is hoger dan dat van leningen. Daar de vaste eigendommen
het eigen vermogen in het gehele ver- een ongeveer gelijk aandeel in de pormogen bij deze ondernemingen.
tefeuille behielden, is het risicodraEen tweede gegeven is dat circa 40% gend beleggen afgenomen en het risivan het particuliere pensioenvermo- comijdende toegenomen. Een zelfde
gen is belegd in de categoric ,,aan of tendentie is, zij het minder gepronongegarandeerd door de overheid”. De ceerd, waar te nemen bij de levensverparticuliere pensioenfondsen bezitten zekeringsmaatschappij en.
een behoorlijk deel van de overheidsEen groot gedeelte van de particuschuld (en het ABP nog meer). Even- liere besparingen loopt thans via de
eens is ongeveer 40% belegd in het be- hier genoemde institutionele belegdrijfsleven; er wordt dus, hoe dan gers. Het is denkbaar dat wanneer de
ook, een belangrijke bijdrage geleverd investeringen in de marktsector aanaan de financiering van ondernemin- trekken, een grotere behoefte ontstaat
gen. Van die 40% heeft 5% de vorm aan risicodragend vermogen dan waar
van aandelen en bestaat 35% uit lenin- de bedrijven uit eigen besparingen in
gen en obligaties. Juist van deze kunnen voorzien. Alsdan zal moeten
laatste beleggingen kan worden ge- worden ge’zocht naar wegen waarlangs
zegd dat zij wel risicomijdend zijn, meer ,,gei’nstitutionaliseerde bespamaar daarom nog niet zonder risico. ringen” kunnen worden omgezet in riWel geldt voor de ondernemingspen- sicovermogen, zonder dat de risico’s
sioenfondsen een wettelijke maxime- voor de rechthebbenden op het penring van de vordering op de ,,eigen” sioenvermogen te groot worden.
werkgever, met inbegrip van aandelen
in diens onderneming. Van de totale
beleggingen vormen die in het buitenland (vast goed en effecten) zeer waarschijnlijk slechts enkele procenten.
Wat het rendement van de beleggingen betreft; dit lag in 1982 gemiddeld
op 9,1%. De ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen ontliepen elkaar op dit punt nauwelijks. Ook het
ABP bereikte met 9,2% een zelfde orde van grootte. Bij de levensverzekeringsmaatschappijen lag het rendement, met 8,6%, gemiddeld op een
fractioneel lager niveau.
Ten vierde kan crop worden gewe527

Auteur