Ga direct naar de content

Economische moraal

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 24 1983

H. W.deJong

Economische
moraal
In vroeger tijden plachten er nog wel eens
verhandefingen te verschijnen over de moraal in het economisch leven, of ,,de rol van
de koopman uit zedekundig oogpunt beschouwd”. De economic als wetenschap
maakt er zich tegenwoordig niet erg druk
meer om. Het onderwerp heeft een inferieure
status in het economisch denken, want het is
,,subjectief” bepaald, kan moeilijk gemeten
worden en is geannexeerd door populaire
schrijvers, die er goed mee uit de voeten kunnen in boekjes en artikelen over het zwartegeldcircuit. Toch is het, lijkt mij, zonneklaar
dat de economische moraliteit in het geding is
en tot een groot punt in de economische politick uitgroeit. De omvang, frequentie, verscheidenheid en Internationale verbreiding
van de handelingen die wij in strijd met de
economische moraal achten, zijn zo evident
geworden dat hun betekenis niet meer door
definitiekwesties of kwantitatieve vraagtekens kan worden ontkend. De economische
misdaad omvat de kleine criminaliteit, die
volgens de politie en warenhuisdirecties toeneemt en wellicht al 2 a 3% van het bruto nationaal produkt bedraagt. Van de BV’s, die
eind van de jaren zeventig meer dan driekwart van de vennootschappen en cooperatieve verenigingen uitmaakten, wordt nu 30 a
40% frauduleus geacht te zijn. Daarvan lijkt
het grootste gedeelte welbewust met die bedoeling te zijn opgericht. Regehnatig zijn
grote ondernemingen of lichamen in opspraak, nog frequenter zijn de malversaties
bij fondsen, kassen en instellingen en veelverbreid het zwart werken, oplichten van de
sociale zekerheid en de belastingen. Aan de
andere kant van het spectrum, bij de grote
misdaad, komen moord, ontvoering, afpersing, chantage e.d. nog niet zoveel voor dat ze
ons niet meer opschrikken,maar het is er niet
ver vanaf. Het verschijnsel doet zich voor van
hoog tot laag, en in alle sectoren van de economic, inclusief die van de overheid.
De readies op dit verlies van moraal lopen
uiteen. Sommigen willen een behoorlijke
vermindering van regels, wetten en voorschriften. De overheid moet inbinden. Bij deregulering valt er minder moraalverlies te
constateren, want er is minder te ontduiken
en te overtreden. Het probleem lost zich vanzelf op. Hoewel er veel spreekt voor deze
noodzaak tot vermindering van de regelintensiteit, en het verwante probleem van de te
hoge belastingen, lijkt het mij toch dat deze
visie te optimistisch is. Er zijn te veel groepen
die belang hebben bij de bestaande regels en
die zullen zich verzetten. Bij hen voegen zich
anderen die aanvankelijk er wat in zagen of er
geen bezwaar tegen hadden, maar, naarmate
zij zelf getroffen worden, de oppositie steunen. Een andere reactie behelst het voorpreken van de economic van het genoeg. Indien
ESB 31-8-1983

men de mensen ervan kan overtuigen bescheidener te zijn in aspiraties en gedragingen, zal de moraal zich aanpassen. Het begin
is er al; de recessie dwingt tot beperking van
de vakantiebestedingen en prompt is het fietsen en kamperen in eigen land de gevierde
wijze van vakantiehouden. Een mentaliteitsverandering moet het doen. Hoeveel sympathie men ook voor dit standpunt moge hebben, het werkt niet algemeen, is ook niet altijd uit maatschappelijk oogpunt positief.
De positivistische visie, reeds van oude signatuur (Aristoteles, recent Schumpeter),
sluit hierop nauw aan. De groei van wetenschap en techniek zou wel specialisatie, innovatie en markrtransacties bevorderen, maar
tevens het kader waarin deze zich voltrekken,
ondermijnen. De economische rationaliteit
ondergraaft traditionele zeden, normen en
gewoonten: de ,,crumbling walls” van het kapitahsme. Men komt er dan dichtbij de multinationale ondernemingen voor het verval
van de moraal verantwoordelijk te stellen,
want juist hun, de grenzen overschrijdende
rationaliteit breekt norm en wet.
Veel van de problemen rond de economische moraal zijn inderdaad terug te voeren
tot het bestaan van de moderne grootschalige
organisaties, waarvan de multinationale onderneming er een is (naast de grootwinkelbedrijven, de sociale-verzekeringsorganisatie,
,,het” belastingapparaat e.d.). Moraal is nameh’jk vooral een individuele standpuntbepaling ten opzichte van het geheel van de gevestigde instellingen en de heersende gebruiken en zeden alsmede de daarin besloten
strekking. Het is een waardebepaling van dat
wat er is (en niet is, maar zou moeten zijn).
Daarom is men voor of tegen, gelijk de boven
omschreven reacties laten zien, en de keuze
wordt vooral gemaakt door groepen, van
ondernemerscoalities tot krakers en milieuactivisten. Daartussen bestaat geen consensus, zodat de lijfspreuk van Coornhert geldt:
kiezen doet verliezen. Hoe groter en sneller
de verandering in deze instituties, des te meer
de keuzen zich opdringen en des te sneller en
onzorgvuldiger zij worden gemaakt. Er is
geen tijd voor onderzoek en bezinning. De
volgende ,,nouveaute” dient zich aan.
In de laatste kwart eeuw is zeer veel veranderd, mede door de enorme economische expansie. De grote (internationale) organisatie
is daarvan het waarmerk geworden. Maar de
waardering ervan loopt tussen de groepen
sterk uiteen. De haat ertegen ter ener zijde
stoelt op de veronderstelde wetmatigheid

van de grote organisatie en de door haar bepaalde samenleving. De geexalteerde verering voor de grote organisatie van vele technocraten ter andere zijde laat evenmin ruimte
voor vrijheid en moraliteit. Determinisme en
moraal staan nu eenmaal met elkaar op gespannen voet, want de laatste veronderstelt
vrijheid van keuzebepaling. Moraal telt
slechts voor hen die de vrijheid koesteren.
De grote organisatie is echter een feit. De
recessie heeft haar positie en status een zekere (heilzame) deuk gegeven, maar daarmee is
zij niet verdwenen. Integendeel, haar groei
gaat door. Uit een recent onderzoek bleek
dat van de tweehonderd grootste Nederlandse ondernemingen in de niet-financiele sectoren er niet minder dan 160 de status van
multinationale onderneming hebben bereikt,
waarvan er 98 in Nederlands bezit zijn en 62
in buitenlandse handen.Sinds 1970 is sprake
van een grote toename in de multinationalisatie van de Nederlandse economic.
De opgave voor de grote organisatie in de
toekomst is het de vrijheid binnen de organisatie zodanig te combineren met verantwoordelijkheid dat een spontane prestatiedrang
ontstaat. Want tegenover iedereen die daarvan niet wil weten, moet overeind worden gehouden dat de economic slechts functioneert
door het verrichten van een dienst voor een
ander. In het prestatiebeginsel treffen economic en moraal elkaar (overigens niet alleen daar). Anderzijds is de grote organisatie
het domein van de ,,free riders”. Dit is zowel
erbinnen als erbuiten tijdens de langdurige
welvaartsgroei schromelijk verwaarloosd.
Telkens bh’jkt de economische criminaliteit
van de hoogste regionen tot de laagste dimensies te floreren dank zij het gebrek aan
controles: ,,de gelegenheid maakt de dief’.
Moraal is in de eerste plaats persoonlijk
bepaald, de samenlevingsmoraal is hopeloos
verbrokkeld. Toch kan de economic niet
zonder. Anders worden geen keuzen gemaakt en slaat de stagnatic toe. Deregulering, bescheidener aspiraties, meer controle,
herstructurering, het kan alles helpen mils de
grondregel in ere wordt gehouden: verdienen volgt uit dienstverlening.

763

Auteur