Ga direct naar de content

Een progressieve vennootschapsbelasting?

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 11 1980

ben progressieve
vennootschapsbelasting?
MR. C. A. DE KAM0 – MR. W. A. VERMEEND*

R. GOUDRIAAN*

In dit artikel wordt onderzocht of het mogelijk en wenselijk zou zijn om een
zekere progressie in het tarief van de vennootschapsbelasting in te voeren. Bekeken wordt of
daartegen op theoretische gronden overwegende bezwaren kunnen worden ingebracht
dan wel of er andere, praktische bezwaren zijn. Daarbij wordt tevens
aandacht besteed aan de verdeling van de druk van de vennootschapsbelasting.
De auteurs komen tot de conclusie dat invoering van een progressieve
vennootschapsbelasting thans niet opportuun is.

1. Algemeen

Het gaat veel ondernemingen in Nederland tegenwoordig
niet naar den vleze l). Naarmate de rendementen geleidelijk
verder afbrokkelen, trekken – bij wijze van contrast – de in
verhouding aanzienlijke winsten in enkele bedrijfstakken
sterker d e aandacht, niet van alleen beleggers maar ook van
sommige politici. Met name de resultaten van banken en
oliemaatschappijen biologeren een deel van de aanhang van
(linkse) politieke groeperingen. In het maartnummer van de
Partijkrant van de PvdA vindt de lezer de volgende ontboezeming (blz. 16): ,,Vooral daar waar bedrijven ,,geheel buiten
hun schuld” hoge winsten maken, lijkt progressieve vennootschapsbelasting een goede mogelijkheid om extra middelen te
verkriigen voor het scheppen van werk. Denk aan de oliemaatschappijen, die prof&en van de hoge gasprijzen. Of aan
de banken die van de hoge rentestand profiteren!” Zulke
passages vervullen de welingelichte waarnemer met gemengde gevoelens. Over de verdeling van aardgaswinsten bestaan
immers voor wijziging vatbare afspraken tussen de Nederlandse staat en de betrokken multinationals. Zijn redelijke
winsten verder geen voorwaarde voor het scheppen van
nieuwe en het behoud van bestaande arbeidsplaatsen in de
open Nederlandse economie? En wat zijn ,,hogeWwinsten,
die
kennelijk zonder schade kunnen worden afgeroomd? Wie
zich herinnert hoe moeilijk het bleek om in het kader
van de vermogensaanwasdeling een operationeel begrip
,,overwinstw te ontwikkelen moet wel met bange voorgevoelens vervuld raken.
In dit artikel onderzoeken wij de mogelijkheid en de
wenselijkheid o m de (zwakke) progressie van het tarief van de
vennootschapsbelasting (hierna te noemen vpb) te versterken.
Inderdaad, te versterken, omdat afgezien van het jaar 1946
toen het tarief 33’/,% bedroeg, de Nederlandse vennootschapsbelasting nooit een zuiver proportioneel tarief heeft
gekend. Sinds de tweede wereldoorlog zijn de kleinere winsten
van vennootschappen altijd enigszins ontzien. Over jaarwinsten beneden f. 40.000 wordt thans 45% geheven, boven
f. 50.000 wijst het tarief 48% aan. Tussen f. 40.000 en f. 50.000
wordt de verschuldigde vennootschapsbelasting gevonden
door 45% van de jaarwinst te verhogen met 15% van het
bedrag waarmee de jaarwinst de f. 40.000 te boven gaat. Het
vpb-tarief is derhalve reeds zwak Bentham-progressief, met
een belastingvrije voet van nihil.
Het artikel is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 komt het

karakter van de vennootschapsbelasting aan de orde en wordt
onderzocht of daaruit een bepaalde tariefopbouw kan worden
gedestilleerd. In paragraaf 3 komen de in een deel van de
relevante literatuur geventileerde opvattingen over een progressieve vpb aan bod. In paragraaf 4 wordt enige aandacht
besteed aan opkomst en ondergang van de progressieve
winstbelasting die gold van 1908 tot 1925 in het voormalig
Nederlands-Indië. Voor zover de vennootschapsbelasting
door ondernemingen met succes wordt afgewenteld, mist
versterking van de progressie haar doel. Afzonderlijk gaat
paragraaf 5 daarom in o p de afwenteling en drukverdeling
van de vennootschapsbelasting. In de laatste paragraaf worden voor- en nadelen van een progressiever vpb-tarief op een
rij gezet. De conclusie is, kort gezegd, dat o p dit moment
onvoldoende aanleiding bestaat om de progressie van het
vpb-tarief te verscherpen.

2. Het rechtskarakter van de vennootschapsbelasting
De vpb is een jaarlijkse, directe belasting die bij wege van
aanslag wordt geheven naar de winst van naamloze en
besloten vennootschappen benevens enkele andere lichamen.
De rechtsgrond van een afzonderlijke vpb naast de door de
aandeelhouders over ontvangen dividenden verschuldigde
inkomstenbelasting is altijd- een strijdpunt geweest -2).
Wie in de vennootschav niet meer ziet dan de daarachter
staande aandeelhouders zal de vpb hooguit accepteren als
voorheffing o p de uiteindelijke door aandeelhouders verschuldigde inkomstenbelasting, dan wel als een ruwe methode
om vermogenswinsten te treffen die de aandeelhouders kunnen realiseren doordat een deel van de gemaakte winst wordt
gereserveerd. Zouden winsten jaar na jaar integraal aan

* Verbonden aan het Centrum voor onderzoek van de economie
van de publieke sector van de Rijksuniversiteit Leiden. De auteurs
danken ir. F.G. van Herwaarden, die tekende voor beide figuren.
1) In 1975 had circa 45% van de aan vennootschapsbelasting onderworpen binnenlandse belastingplichtige lichamen een belastbare
winst van nul of minder. Tweede Kamer, zitting 1978- 1979, 15 090,
nr. 7, blz. 3. De opbrengstontwikkeling van de vennootschapsbelasting, gecorrigeerd voor aardgas, wettigt het vermoeden dat deze
situatie sinds 1975 nauwelijks is verbeterd.
2) H.J. Hofstra, Inleiding t o f hef Nederlands belasringrecht. Deventer, 1977, blz. 184 e.v., en de daar vermelde literatuur.

aandeelhouders worden uitgekeerd, dan is er voor een afzonderlijke vpb in deze opvatting geen bestaansrecht. In deze
optiek wordt er van uitgegaan dat de vpb drukt op de
winst en – uiteindelijk – op de voordelen die via de vennootschap aan aandeelhouders toevallen. Dit is echter niet
noodzakelijkerwijs het geval. Een deel van de druk kan
wellicht worden afgewenteld op afnemers (via hogere prijzen)
of op werknemers (via lagere lonen) waardoor het netto
resultaat geheel of gedeeltelijk intact blijft en van ,,dubbele
heffing” bij de aandeelhouders geheel of gedeeltelijk geen
sprake meer is.
Daartegenover staat de opvatting dat de verzelfstandiging van de vennootschap, een eigen leven leidend los van
de personen van de aandeelhouders, ertoe noopt het binnen
de rechtspersonen gegenereerde nationaal inkomen een deel
van de publieke lasten te laten dragen. Om ,,dubbele belastingheffing” te vermijden of te beperken wordt dan wel een
belastingverlichting voor uitgekeerde vennootschapswinst
bepleit of ook wel een tegemoetkoming voor de aandeelhouder, hetzij door ontvangen dividenden geheel of gedeeltelijk
vrij te stellen voor de inkomstenbelasting, hetzij door op de
verschuldigde inkomstenbelasting een deel van de door de
vennootschap betaalde vpb in aftrek toe te laten. Ook in deze
zienswijze wordt verondersteld dat de vpb niet op afnemers
enlof werknemers wordt afgewenteld.
Afhankelijk van de vraag of, en in hoeverre de belasting
naar uitgedeelde en ingehouden winst van de vennootschap
wordt geintegreerd met de inkomstenbelasting van de aandeelhouder(~)worden gemeenlijk drie stelsels onderscheiden 3):
1. het ,,klassiekewstelsel, waarbij vpb en inkomstenbelasting
los van elkaar staan;
2. het stelsel van volledige integratie, waarbij de vpb in de
inkomstenbelasting opgaat;
3. het verrekeningsstelsel, waarbij de vpb over uitgedeelde
winst geheel of ten dele met de inkomstenbelasting wordt
geintegreerd.
Voorstanders van het klassieke stelsel – dat onder andere
in Nederland en in de Verenigde Staten toepassing vindt tillen niet zo zwaar aan de ,,dubbele heffing” waaraan uitgedeelde winsten zijn onderworpen. Hofstra stelt de uitkering
van dividend door de vennootschap gelijk aan de inkomensbesteding van natuurlijke personen4). Grapperhaus aanvaardt de ,,dubbele heffing”, met dien verstande dat de
belasting geen invloed mag hebben op de rechtsvorm die een
ondernemer voor zijn activiteiten kiest. Deze schrijver pleit
voor een globaal evenwicht, waarbij de som van vpb en
:ontante waarde van inkomstenbelasting, verschuldigd over
jividend en – vooralsnog – ingehouden winst, ongeveer
;elijk is aan de progressieve inkomstenbelasting die een
mdernemer/natuurlijk persoon betaalt 5). In zijn dissertatie
verdedigde Van der Heeden voor Nederland de invoering van
:en bepaalde variant van het verrekeningsstelsel 6). Hoe dit
~ o k in de eerste visie, de gedachte dat achter de venzij,
rrennootschap de aandeelhouders staan, past een progressieve
vpb al heel slecht. De individuele draagkracht van aandeelhouders kan immers sterk uiteenlopen en hoeft geen verband
te houden met de (gunstige) resultaten van de vennootschap.
Een progressief tarief zou de aandeelhouders, die geacht
worden uiteindelijk de belasting te dragen, dan zeer ongelijk
kunnen treffen.
De andere visie daarentegen, die uitgaat van de verzelfstaniiging van de vennootschap, biedt meer ruimte voor een
progressieve vennootschapsbelasting. Voor normale winsten
-als over de strekking van dat begrip een zekere eenstemnigheid kan worden verkregen – zou een proportioneel
arief kunnen gelden, terwijl overwinsten zouden kunnen
worden onderworpen aan hogere tarieven.
).

De progressieve vennootschapsbelasting in de literatuur
Het is opvallend dat over de progressie in de vpb zoveel

minder is geschreven dan over de progressie in de
inkomstenbelasting. Gedurende een groot deel van de 19e
eeuw voerde men een heftige discussie over de progressiviteit
van de inkomstenbelasting. Nog steeds vullen de beschouwingen over de laatste kwestie vele bladzijden van handboeken op
het gebied van de belastingwetenschap en de openbare financiën. De progressie in de inkomstenbelasting wordt gewoonlijk verdedigd met een beroep op de draagkrachtgedachte.
Sinds J.S. Mil1wordt de draagkrachtgedachte zo opgevat dat,
gegeven de benodigde belastingopbrengst, individuele belastingbetalers ten gevolge van de belastingheffing een gelijk
welvaartsverlies (nutsoffer) moeten ervaren. Uitgaande van
de eis van een gelijk evenredig nutsoffer, waardoor de relatieve welvaartspositie van individuen na belastingheffing onverlet blijft, is vaak een progressieve opbouw van het tarief vande
inkomstenbelasting verdedigd, omdat schrijvers, in navolging
van de Oostenrijkse school, aannamen dat het marginale nut
van een extra gulden daalt naarmate het inkomen stijgt.
Overigens kan men constateren dat de progressie in de
inkomstenbelasting nu nagenoeg algemeen is aanvaard, a l
geeft de beoordeling van concrete tarieven vrijwel steeds
aanleiding tot heftige meningsverschillen 7).
Ten aanzien van de vennootschapsbelasting ligt dit heel
anders. In de praktijk is de progressieve vpb uitzondering en
proportionaliteit, of hooguit een Bentham-progressief tarief,
regel. In oudere literatuur wordt proportionali’teit verdedigd
omdat bij rechtspersonen de draagkrachtgedachte en het
subjectief ervaren welvaartsverlies niet te hanteren gedachtenconstructies zijn. Bovendien vallen onder de vpb zowel kleine
besloten vennootschappen als multinationale ondernemingen. Een progressie, diêáfhankelijk is van het absolute bedrag
van
van de winst, is daarom volstrekt onbillii k ten o~zichte de
grotere ondernemingen. De betekenis van het winstcijfer
moet worden afgemeten aan factoren als het op aandelen
gestorte kapitaal, het in de betrokken onderneming werkzame
(eigen) vermogen of de omzet. Nog steeds lijkt Hofstra’s
conclusie geldig, ,,dat de progressie, zo voor de hand liggend
voor natuurlijke personen bij de vennootschapsbelasting lang
niet vanzelf spreekt; ofwel, met andere woorden gezegd, dat
wanneer wij ten aanzien van de natuurlijke personen vrijwel in
de verhouding zijn gekomen dat de bewijslast moet worden
gelegd op hem die het goede recht van de progressie zou willen
ontkennen, ten aanzien van de rechtspersonen nog steeds
bewijslast rust op hen, die de progressie in de vennootschapsbelasting willen verdedigen” 8).
In de recente binnen- en buitenlandse literatuur wordt aan
de vormgeving van het vpb-tarief weinig aandacht geschonken. De oudere literatuur zwijgt grotendeels over dit vraagstuk 9). In twee onlangs verschenen Engelse publikaties wordt
er met geen woord over gerept 10). In de Amerikaanse
literatuur treft men wat losse opmerkingen aan. Niets bij
Herber, die volstaat met een beschrijving van de ,,corporate
income tax” 11). Shoup bespreekt summier de mogelijkheden
van een ,,exces profits tax” voor plotselinge grote winstenen
voor overwinsten met een meer structureel karakter 12).
3) Vergelijk S. Cnossen, Grondslagen en stelsels van vennootschapsbelasting in: S. Cnossen e.a., Her verrekeningssrelsel in opmars: war
doet Nederland?, Deventer, 1979, blz. I I e.v.
4) H. J. Hofstra, Algemene belastingherziening, Weekblad voor
Fiscaal Recht, 3 maart 1962, blz. 173.
5) F.H.M. Grapperhaus, De besloten NVfiscaal vergeleken met de
persoonlijke onderneming en met de open NV. Amsterdam, 1966.
6) K. van der Heeden, Dubbele heffing bij besloten en open vennootschappen, Deventer, 1973.
7) Zie b.v. W.J. Blum en H. Kalvenjr., The uneasy caseforprogression, Chicago, 1966.
8) H.J. Hofstra, Progressieve vennootschapsbelasting,De Naamloze
Vennootschap, juni 1% 1, blz. 41 -48.
9) Idem, blz. 44.
10) S. James en C. Nobes, The economics of taxation, Oxford, 1978,
blz. 242 e.v.; C.V. Brown en P.M. Jackson, Publicsector economics,
Oxford, 1978, blz. 362 e.v.
1 1) P.B. Herber, Modern public finance, Homewood, 1967, blz.
747-.

744.
..

12) C.S. Shoup, Publicfinance, Chicago, 1970, blz. 420-421.

Musgrave en Musgrave vermelden de progressieve vpb als
instrument om de groei van grote ondernemingen tegen te
gaan. Zij menen overigens, dat om dit doel te bereiken een
heffing met als grondslag het vermogen van ondernemingen
de voorkeur verdient. Want waarom zou men grote verliesgevende concerns ontzien 13)? Browning en Browning zwijgen
over eventuele progressie in het vpb-tarief 14). Due en Friedlaender melden en passant dat vijf Amerikaanse staten een
progressieve vpb kennen (o.a. Arizona, waar het tarief 2% tot
8% loopt) ,,despite the lack of any rationale for such progression” 15).
Wat betreft de Nederlandse literatuur merken we op dat
Goedhart het onderwerp niet aanroert 16). Hofstra maakt
gewag van een omvangrijke discussie in de Nederlandse
literatuur over de progressieve vennootschapsbelasting gedurende de jaren twintig, ,,die echter internationaal weinig
weerklank heeft gevonden, en die thans wel is verstomd” 17).
In de volgende paragraaf wordt dieper op deze discussie ingegaan.

4. Een duik in de historie

Sinds 1908 werden in het voormalig Nederlands-Indië
vennootschappen onder de toen ingevoerde inkomstenbelasting belast naar hun zuiver inkomen en naar de overwinst. Het basistarief was 3%. Daarnaast kende de wet
een tarief voor overwinsten, dat opliep van 2% tot 8%.
Hieraan waren onderworpen uitdelingen aan aandeelhouders
welke 5% van de door hen gedane stortingen overtroffen. In
(geheime)
het verleden uit ingehouden winsten
reserves werden eveneens als stortingen van aandeelhouders
aangemerkt. Voor een zuivere toepassing van het oplopende
tarief der overwinstbelasting was vaststelling van het werkelijk in het bedrijf aanwezige kapitaal dus een eerste vereiste 18). Deze ,,kapitaalaantoning” leverde in de praktijk grote
problemen op. In 1913 werd het oplopende tarief op bovenmatige winstuitdelingen aan aandeelhouders vervangen door
een proportionele heffing van 6%. In 1918 ging het basistarief
van 3% naar 4%, en het tarief voor bovenmatige uitdelingen
van 6% naar 8%. In 1921 werd een extra winstbelasting
voorgesteld welke ook niet uitgedeelde winsten trof. Tevens
werd voor een aantal produkten een bijzonder uitvoerrecht
geintroduceerd. Steinmetz verklaart ,,deze waarlijk tropische
groei van belastingen” uit de bedoeling van de Indische
wetgever de bijzonder hoge winsten van de cultuurmaatschappijen te treffen 19). De aandeelhouders van cultuurondernemingen woonden grotendeels elders, waardoor de Indische fiscus de over uitgekeerde dividenden verschuldigde
inkomstenbelasting misliep. Slechts de (progressieve) vennootschapsbelasting -en bijzondere uitvoerrechten – bleven over als instrumenten om een groter deel van de sterk
toegenomen winsten in het land te houden.
In 1922 opende Treub – vooral op praktische gronden de aanval op de progressieve vennootschapsbelasting. Hij
stelde voor de winst van vennootschappen te onderwerpen
aan een enkelvoudige belasting, welke proportioneel naar de
uitdelingen zou worden geheven 20). In 1923 rapporteerde de
commissie-Moresco over de wenselijke herziening van het
Indische belastingstelsel. Deze commissie pleitte voor een
progressieve, naar de winst geheven vennootschapsbelasting.
Het tarief liep – afhankelijk van de verhouding tussen winst
en geinvesteerd kapitaal – op van 5% tot 30%21). Kort
daarop rapporteerde de commissie-Bruins over de Indische
vennootschapsbelasting 22). De aanbevelingen van deze commissie -een proportioneel tarief over de winst van vennootschappen ter vervanging van de heffingen naar de winst,
overwinst en extra winst in de inkomstenbelasting – vonden
uiteindelijk hun neerslag in de Ordonnantie op de vennootschapsbelasting 1925. Het tarief bedroeg IO%(met wisselende
opcenten).
In Indië achtte men een progressieve vpb wegens buitengewone rentabiliteit van bedrijven ,,wel te verdedigen, maar

oordeelde men het moeilijk om tot een juiste en billijke
regeling te geraken voor de vaststelling van het kapitaal
waarmee de in beschouwing komende winsten zijn behaald”.
In een latere publikatie heeft Steinmetz erop gezinspeeld dat
de uitvoeringstechnische problemen mogelijk als voorwendsel zijn gebruikt om aan invoering vaneen progressieve vpb te
ontkomen23). In de Staten-Generaal wees minister De
Graaff tijdens de behandeling van de Indische begroting voor
1925 behalve op praktische bezwaren ook op het feit dat in de
vennootschapsbelasting de progressie niet op grond van de
draagkrachtleer is te verdedigen 24).
Inmiddels had de hoog opgelopen strijd over de Indische
vennootschapsbelasting heel wat pennen in beweging gebracht. Zo verschenen in 1923 twee dissertaties over de
belastingheffing van vennootschappen 25). De conclusies in
de nota van Treub werden onder andere bestreden door Van
Gelderen 26). Deze baseerde zijn pleidooi ten gunste van een
progressief vpb-tarief op de ondernemers-,,rent9′, welk verschijnsel met zich zou brengen dat ,,naarmate een onderneming een grotere opbrengst verwerft, elk volgend deel vandie
opbrengst voor de ongestoorde deelneming aan de voortbrenging ontbeerlijker (wordt)”. Verder poneerde hij de theorievan
het ,,draagkrachtanalogon”: ,,wat de draagkracht is bij het
individu, is de belastbaarheid bij het bedrijf” 27). Een progressieve heffing voor vennootschappen als ,,conjunctuurbelastingVwerdverdedigd door onder andere Logemann 28), Steinmetz 29) en door Wibaut 30). Tegen de gedachtengang van
Van Gelderen kan worden aangevoerd dat elk bestanddeel
van de ,,rentweven overtollig is, zodat voor tariefdifferentiatie
geen grond bestaat, en vervolgens dat bij uiteenlopende
omvang en kapitaalintensiviteit van naamloze vennootschappen een redelijke maatstaf voor de progressie niet kan worden
aangewezen 3 1).
Tegen een hogere belasting van ,,exCess profits” of ,,conjunctuurn-winsten kan bezwaar worden gemaakt, indien deze

13) R.A. Musgrave en P.B. Musgrave, Publicjinance in theory and

practice, Tokyo, 1973, blz. 293-294.

14) E.K. Browning en J.M. Browning, Publicfinance and theprice
system, New York, 1979, blz. 369-378.
15) J.F. Due en A.F. Friedlaender, Governmentjinance. economics
of the public sector, Illinois, 1973, blz. 324.
16) C. Goedhart, Hoofdlijnen van de leer der openbare financiën,
.
.
Leiden, 1975.
17) H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, blz.
186- 187.
18) Voor vele belangwekkende details, zie B.J.F. Steinmetz, De
Indische vennootschapsbelasting, Haarlem, 1933, blz. 92- 178.
19) Idem, blz. 155.
20) M.W.F. Treub, Nota over de inkomstenbelasting, de extra

winstbelasting en de overwinstbelasting van naamloze vennootschappen, deproductenbelastingen en de uitvoerrechten op producten van
ondernemingen, ‘s Gravenhage, 1922.
21) Eerste Verslag van de Commissie tot herziening van het belastingstelsel in Nederlands Indië, Weltevreden, 1923.
22) Verslag van de Commissie voor de Indische vennootschapsbelasting, Den Haag, 1924.
23) B.J.F. Steinmetz, De belastingen naar het inkomen en naar de
winst. Amsterdam, 1949, blz. 220.

24) Handelingen Tweede Kamer, 1924-1925, blz. 1217-1218, geciteerd in H. A. Zeven, Belastingheffing van naamloze vennootschappen, Haarlem, 1941, blz. 71.
25) J.H.A. Logemann, De grondslagen der vennootschapsbelasting
in Nederlandsch Indië, Leiden, 1923; B.J.F. Steinmetz, Deprogressieve winstbelasting en het Nederlandsch-Indische belastingvraagstuk, Amsterdam, 1923.
26) J. van Gelderen, De theoretische grondslagen der progressieve
winstbelasting. Weltevreden, 1922.
27) Idem, blz. 25.

28) Logemann, t.a.p., blz. 87 e.v.
29) Steinmetz, t.a.p., 1949, blz. 105 e.v.
30) F.M. Wibaut, Winstbelasting van naamloze vennootschappen,
Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 12,
Purmerend, 1930. Terzijde zij opgemerkt dat Steinmetz een progressieve winstbelasting verdedigde voor winst door welke ondernemingsvorm ook gemaakt, als onderdeel van een stelsel van algemene
bronbelastingen.
31) H. J. Hofstra, Inleiding tor het Nederlands belastingrecht, blz.
187.

heffing tot winsten van vennootschappen zou worden beperkt 32). De bedenking, dat de overheid dan wél zou delen in
de grote winsten en uitsluitend de bedrijven voor de verliezen
zou laten opdraaien 33), is in de tegenwoordige tijd niet
actueel: zowel door de regeling van de verliescompensatie, als
door de sterk toegenomen overheidsbemoeienis met het bedrijfsleven 34).
Gedurende vier jaar heeft ook hier te lande een sterk
progressief vpb-tarief gegolden, dat geen rekening hield met
de omvang van het in ondernemingen werkzame eigen vermogen. De Duitse bezetter introduceerde in het Besluit op de
Vennootschapsbelasting 1942 een tarief dat opliep van 30%
(belastbaar bedrag kleiner dan f. 37.500) tot 55% (belastbaar
bedrag groter dan f. 441.170). De vormgeving van dit tarief
vloeide voort uit de Nazi-ideologie welke leerde dat rechtspersonen op dezelfde voet als natuurlijke personen dienen te
worden belast. Het tarief is vrijwel direct na de oorlog
gewijzigd, eerst – in 1946 – was het zuiver proportioneel,
vanaf 1947 was het zwak Bentham-progressief, zij het dat de
relevante percentages binnen een vrij nauwe bandbreedte
frequent wijzigingen ondergingen.
Overziet men de discussie, dan blijkt -afgezien van
uitvoeringstechnische bezwaren – het belangrijkste argument tegen een progressieve vpb keer op keer te zijn, dat de
draagkrachtleer geen aanknopingspunt biedt voor de tariefstelling bij een heffing op vennootschapSwinsten. Dit argument is niet sterk. Ook de huidige progressie in de
inkomstenbelasting kan moeilijk uitsluitend als toepassing
van de draagkrachtgedachte worden geinterpreteerd. Herverdelingsmotieven spelen bij de vormgeving van het geldende
tarief van de inkomstenbelasting een belangrijke rol. Het valt
moeilijk in te zien waarom die motieven wel een rol mogen
spelen bij de belastingheffing over (grote) winsten en andere
inkomensbestanddelen van natuurlijke personen, en niet ten
aanzien van rechtspersonen. Maar er is een heel ander probleem. Voor zover ondernemingen de vpb met succes afwentelen op afnemers, onderscheidenlijk werknemers, mist een
– OU zich zelf wellicht te verdedigen – versterking van de
tarie-fprogressie zijn doel. Het afientelingsvraagst;k speelt
overigens ook bij de inkomstenbelasting een rol van betekenis.

*

g:

de vpb drukt voor de helft op het kapitaalinkomen 39) en
voor de helft op de consumptie van gezinnen;
de vpb drukt voor de helft op het dividendinkomen, voor
een kwart op het looninkomen en voor een kwart op de
consumptie van gezinnen;
c. de vpb drukt voor een kwart op het dividendinkomen,
voor een kwart op het looninkomen en voor de helft op de
consumptie van gezinnen.
Tabel 1. Toe t e rekenen vennootschapsbelasting over 1973 in
mln. gld.
Totale opbrengst vpb op transactiebasis. …………………………….
5.659 a)
Vpb-opbrengst i.v.m. aardgaswinst ………………………………… 1.188 b)
Toe te rekenen vpb-opbrengst

…………………………………….

Bij ieder alternatief wordt een verschillend deel van de
totale vpb-opbrengst aan gezinnen in de onderscheiden inkomensklassen toegerekend 40). Eén probleem, dat samenhangt met de internationale verwevenheid van de Nederlandse economie, verdient nog afzonderlijke bespreking. Een
aanzienlijk deel van het hier gerealiseerd dividendinkomen
valt toe aan buitenlandse beleggers. Op grond van deze
overweging zijn twee subvananten van de bovenstaande
afwentelingsveronderstellingen onderzocht:
1. er wordt aangenomen dat de vpb volledig op Nederlandse
ingezetenen drukt;
2. er wordt aangenomen dat de vpb voor een deel op het
buitenland drukt.
In tabel 2 wordt de toegerekende vpb-opbrengst gepresenteerd, bij de drie verschillende afwentelingsveronderstellingen
met twee subvarianten.
Tabel 2. Aan gezinnen toegerekende vennootschapsbelasting
over 1973 in mln. gld.
Afwentelingsvariant

I

Vpbdrukigehecl
OD Nederland

Ig

IinsrI

I

Vpbdruktgedeeliclijk
00 het buitenland

2

totaal a)

5. Wie draagt de vennootschapsbelasting

Over het uiteindelijke neerslagpunt van de vpb is zeer veel
gepubliceerd, zonder dat het vraagstuk van de drukverdeling
van deze belasting veel dichter bij een oplossing is gebracht 35). Gegeven deze stand van zaken wordt hier voor een
sterk pragmatische aanpak gekozen. Een zekere mate van
afwenteling achten wij aannemelijk. Uitgaande van verschillende afwentelingsveronderstellingen wordt hierna de druk
van de vpb voor individuen in een aantal inkomensklassen
berekend. Zo’n exercitie illustreert (globaal) de bij bepaalde
afwentelingsveronderstellingen behorende drukverdeling,
zonder dat a priori uitspraken over de juistheid van die
veronderstellingen worden gedaan.
Met behulp van gegevens uit de Nationale Rekeningen, uit
het CBS-Budgetonderzoek onder werknemersgezinnen 19741975 36) en uit de CBS-Inkomensstatistiek 1973 37)
worden gecorrigeerde macrodata betreffende de vpb-opbrengst op ruwe wijze aan gezinnen toegerekend. Gezinnen
zijn gerubriceerd naar 27 klassen totaal inkomen, op basis van
de CBS-Inkomensstatistiek 1973. De toerekening geschiedt
voor alle belastingplichtigen samen; toerekening aan onderscheiden sociale groepen blijft achterwege 38). Bij de toerekening blijft de vpb die is geheven over aardgaswinsten, buiten
beschouwing. Deze vormt onderdeel van een door de centrale
overheid gekozen constructie om voor de staat een bepaald
aandeel in de gaswinsten te verzekeren. Het deel van de
gaswinsten dat via de vpb naar de schatkist stroomt is
betrekkelijk arbitrair vastgesteld. Daarom blijft dit in de
analyse buiten beschouwing. Zie tabel 1.
De volgende afwentelingsveronderstellingen worden gehanteerd:
ESB 28-5-1980

4.471

a) Mededeling Ministerie van Financiën
b) Miljoenennoro 1979, blz. 19.

a.
b.
c.

+

kap. ‘/,cons.)
(‘I2div.+ ‘/,loon+’l,cons.)
(‘/,div.+ ‘/,loon+’/,cons.)

(l/,

4.002
3.912
4.192

90
88
94

linE2:,ten
totaal a)

2.638
2.571
2.727

j9
58
61

a) f. 4.471 mln. (zie tabel I)

In figuur 1 wordt de vpbdruk voor gezinnen als percentage
van het totale inkomen 41) weergegeven voor de drie afwentelingsvarianten, ervan uitgaande dat de vpb geheel in Nederland drukt. I n figuur 2 wordt de vpb-druk voor gezinnen
gegeven voor dezelfde drie afwentelingwananten, maar nu

32) Aldus H. A. Zeven, t.a.p., blz. 77.
33) Dit was het bezwaar van H. W. C. Bordewijk, De theorie der
belastingen en het Nederlandsch belastingwezen, Zwolle, 1939, blz.
486 e.v.
34) De in 1979 aan het bedrijfsleven verstrekte tegemoetkomingen
zijn geraamd op f. 8.380 mln. Zie Tweede Kamer, zitting 1978-1979,
15090, nr. 7, blz. 4.
35) Vooreen recent overzicht: B. S. Sahni en T. Mathew, Taxshifring
and the incidence o f the cor~oration
income tax, Rotterdam. 1976.
36) CBS, ~erknemkbud~etonderzoek 1975, Sociale Maand19741
statistiek, oktober 1977, blz. 704-712.
37) CBS, Inkomensverdeling 1973 en vermogensverdeling 1974, deel
I en 11, Den Haag, 1978.
38) Meer informatie over de gehanteerde toerekenin smethode in R.
Goudriaan; C. A. de Kam, ~e uiteindelijkedrukverhing van de ven-

nootschapsbelasting onder verschillende afwentelingsveronderstelZingen in 1973, COEPS-notitie collectieve lasten KL/ 13 (niet ge-

publiceerd).
39) Kapitaalinkomen wordt hier gedefinieerd als zuivere inkomsten
uit vermogen plus winst uit bedrijf of vrij beroep. Voor een definitie
van deze begrippen zie CBS, op. cit., 1978, deel 11.
40) Wanneer bijvoorbeeld de vpb wordt toegedeeld naar evenredigheid met het kapitaalinkomen, dan is het aandeel van gezinnen in het
totale (binnenlandse)kapitaalinkomenbepalend voor een deel van de
vpb-opbrengst dat kan worden toegerekend.

.

Figuur I . De gemiddelde druk van de vpb voor gezinnen bij
drie afwentelingsveronderstellingen in 1973, als de belasting
volledig op Nederlandse ingezetenen drukt
Diuk van de rpb in p r e n t e n van hel m l a t inkomen

Totale inkomen van erinnen x I I MO

Figuur 2. De gemiddelde druk van de vpb voor gezinnen bij
drie afwentelingsveronderstellingen in 1973, als een deel van
de druk op het buitenland rust

onder de veronderstelling dat een deel van de v p b d m k
uiteindelijk door het buitenland wordt gedragen. De inkomensas in beide figuren is getekend op logaritmische schaal.
De uitgevoerde exercities zijn noodzakelijkerwijs heel ruw en
aan de uitkomst mag niet meer dan een globale betekenis
worden gehecht. De gevonden resultaten zijn overigens aannemelijk. De progressievere drukverdelingsvarianten worden
gevonden naarmate een groter deel van de vpb naar evenredigheid met het-dividendinkomen wordt toegerekend. De
minder progressieve varianten worden gevonden naarmate
een groter deel van de vub naar evenredigheid met de consumptie wordt toegedeeld. Hogere inkomeistrekkers ontvangen in verhouding veel dividend en consumeren in verhouding
minder.

6. Progressieve vennootschapsbelasting?
Het is tijd om de balans op te maken. Een beknopte
speurtocht in de fiscale en in de economische literatuur levert
geen overwegende theoretische bezwaren op tegen een zekere
versterking van de progressie in het tarief van de vennootschapsbelasting. Onbetwist is, dat die progressie moet zijn
afgestemd op de verhouding tussen belastbare winst enerzijds
en het in de onderneming geïnvesteerde vermogen (of door
aandeelhouders gestorte kapitaal) anderzijds. De huidige
vpb-wetgeving is hierop niet toegesneden: het tarief is niet
gerelateerd aan het ondernemingsvermogen. Een mogelijk
bezwaar is dat een progressief vpb-tarief het kostenbewustzijn
in goedrenderende ondernemingen kan verzwakken ,,omdat
de fiscus toch meer dan de helft van de rekening betaalt”. Deze
bedenkingen – op zich zelf niet zonder betekenis – zijn in
verhouding onbelangrijk. Grotere bezwaren worden zichtbaar bij toetsing van een progressief vpb-tarief aan de volgende vijf punten:
I. de voorgestelde vermogensaanwasdeling (VAD);
2. het internationale investeringsklimaat;
3. de afwenteling van de v e n n ~ ~ t s c h a ~ s b e l a s t i n ~ ;
4. praktische uitvoeringsproblemen;
5. equity- en efficiency-aspecten.
Wat betreft het eerste punt zijn bij de volksvertegenwoordiging twee wetsontwerpen inzake vermogensaanwasdeling
aanhangig. Het ene ontwerp heeft uitsluitend betrekking op
aanspraken van individuele werknemers op de vermogensaanwas van de ondernemingen waarin ze werkzaam zijn 42).
Het andere ontwerp regelt aanspraken van de gezamenlijke
werknemers op de vermogensaanwas van ondernemingen (via
een belasting op de vermogensaanwas) 43). In feite is bij deze
regelingen geen sprake van vermogensaanwasdeling, maar
van gedwongen (over)winstdeling, deels via fiscale instrumenten. Mochten deze ontwerpen – onverhoopt – het Staatsblad bereiken 44), dan kan de gezamenlijke druk van vpb, de
belasting op vermogensaanwas en afdrachten in het kader van
de individuele ,,vermogensaanwasw-deling oplopen tot
571/,% van het belastbaar bedrag voor de vpb 45). Feitelijk
wordt dan een progressieve heffing op de overwinst van
vennootschappen gerealiseerd. Verdere verscherping van de
progressie van de vpb zelf lijkt in die situatie moeilijk te verdedigen. Dat wordt driedubbel-op.
Wat betreft het investeringsklimaat zal de komende iaren
een grote krachtsinspanning-nodig zijn om de werkgeGgenheid in de industrie in stand te houden. Een biidrage van
buitenlandse investeerders zou helpen. Daaruit volgt dat ons
land als vestigingsplaats voor nieuwe bedrijven niet al te
onaantrekkelijk mag worden en dat – onder andere – het
Nederlandse vpb-tarief in de pas moet blijven met dat van de
EG-partners. Tabel 3 brengt de vpb-tarieven in de Europese
Gemeenschap in beeld.
Behalve Nederland kennen nog enkele in tabel 3 genoemde
landen een Bentham-progressief vpb-tarief. Verder is in alle
EG-lidstaten het vpb-tarief zuiver proportioneel. Invoering
van een progressief tarief voor ,,overwinstenw zou Nederland
derhalve in een uitzonderingspositie plaatsen, wat de aantrekkingskracht van ons land op buitenlandse investeerders alleen
maar nadelig kan beïnvloeden.
Ten aanzien van de afwenteling heeft, naar de mate dat men

41) Het totaal inkomen wordt opgevat conform de definitie in CBS,
oo. cit.. 1978.
-r
-42) Regeling van de vermogensaanwasdeling, Tweede Kamer, zitting
1977 – 1978, 15 007, nr. 1 – 3.
43) Interimwet belasting op vermogensaanwasen collectieve vermogensaanwasdeling, Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15 316, nr.
1-3.
44) Zie voor een fundamentele kritiek: C.A. de Kam en W.A.
Vermeend, Twee wetsontwerpeninzake vermogensaanwasdeling: een
kritiek en een alternatief, Nederlands Juristenblad, 16juni 1979, blz.
482-490.
45) R.E.C.M. Niessen, Een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van
de VAD, Weekblad voor Fiscaal Recht. 8 februari 1979, blz. 139.

7

-~

Tabel 3. Tarieven van de vennootschapsbelasting in negen

EG-staten in procenten per 31 december 1978
België . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
48
Denemarken …………………………………………………….
37
Frankrijk ……………………………………………………….
50
Icdand …………………………………………………………
45 a)
25
ItaliE …………………………………………………………..
Luxemburg . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4û b)
.48 c)
Nederland. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Verenigd Koninkrijk.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
52d)
West-Duitsland . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56 e)
Bron: Europese Commissie. Inventor der Steuern. Brussel. 1979.
a) Tot een winst van f 25.000 35%;
b) Tot een winst van F400.000 20%; l o l een winst van F 1.000.000 30%;
c) Tot een winsi van f. 40.000 45%;
d) Verlaagd tarief van 42% voor bepaalde lichamen.
e) Verlaagde tarieven van 44% tot 50% voor bepaalde lichamen: uitgedeelde winst 36%.

veronderstelt dat de vpb o p wat langere termijn wordt afgewenteld, invoering van een progressief vpb-tarief minder
betekenis. Veel voorstanders van progressie van de vpb huldigen tevens het standpunt, dat ,,big business” uiteindelijk de
consument voor de rekening inclusief belastingen laat opdraaien. Blijkens figuren 1 en 2 komt invoering van een
progressieve vpb dan uiteindelijk slechts neer o p een, globaal
gesproken, proportionele drukverzwaring voor de overgrote
meerderheid van de gezinnen.
Deze bezwaren worden nog versterkt door het vierde punt.
Een progressieve vpb zal moeten aansluiten bii een nader te
~ n t ~ i k k e l overwhstbegrip. Dit is een vooralsnog ongedefien
nieerd en volgens sommigen niet werkeliik te definiëren
begrip. Men &ag o p d i t p u n t dus grote-problemen van
wetstechnische aard en in de uitvoeringssfeer verwachten 46).
En dan rijst onvermijdelijk de vraag of al die kool het magere
sop wel waard is. Want d e extra opbrengst van de vennootschapsbelasting na invoering van een progressief tarief voor
,,ovenvinsten” zal gering zijn. Dat leren de opbrengstramingen voor de voorgestelde VAD, die ook aansluiting zoekt bij
de overwinst van vennootschappen. O m de beschouwing nu

maar eens toe te spitsen o p banken en oliemaatschappijen,
kan worden gesteld dat de -in belangrijke mate met voorraadwinsten verband houdende – spectaculaire bednjfsresultaten van de oliemaatschappijen buiten een progressieve
vpb zullen blijven, omdat -voor zover de moedermaatschappij hier te lande al vpb-plichtig is – het overgrote deel
van de winsten elders wordt behaald en belast en dank zij de
deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet vpb geheel buiten
bereik van de Nederlandse fiscus blijft. De verdeling van de
aardgasopbrengsten tussen d e staat aan de ene kant en de
Shell en Exxon aan de andere kant, kan -desgewenst -ook
buiten de vpb o m worden herzien. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan introductie van een produktieheffing aan de bron. Wat het bankwezen aangaat is er, als
rekening wordt gehouden met een redelijke vergoeding over
het eigen vermogen, geen sprake meer van ,,overwinsten”. Het
is bekend dat d e banken o m deze zelfde reden ook buiten de
voorgestelde VAD-regeling zullen blijven.
Wat betreft het laatste punt is uit verdelingsoogpunt
(,,equityW-aspect) een progressieve vpb in zoverre weinig
aantrekkelijk, dat tussen hoge winsten van een bepaalde
vennootschap en de inkomenspositie van de aandeelhouders
geen verband bestaat. De ,,overbelasting” van kleine aandeelhouders met lage inkomens kan er door worden vergroot. Uit
doelmatigheidioogpunt (efficiency-aspect) is een progressieve
vpb in zoverre weinig aantrekkelijk, dat daardoor de kapitaalaanwending in de ,,corporate sëctor” in verhouding minder
aantrekkelijk zal worden.
De voorgaande punten overziende concluderen wij dat
invoering van een progressieve vpb in ieder geval momenteel
onvoldoende opportuun is.
C. A. de Kam
W. A. Vermeend
R. Goudriaan

46) De enige praktische oplossing zou zijn invoering van een belas-

ting op ,,overrendementv van lichamen in de zin van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969. Overrendement zou in dit verband
moeten worden gedefinieerd als de mate waarin het rendement (op
basis van de fiscale resultatenrekening) op het eigenfiscale ondernemingsvermogen groter is dan het effectieve rendement van een nader
te kiezen pakket staatsobligaties verhoogd met een zekere risicopremie.

Auteurs