Groen activisme overtuigt niet genoeg consumenten om hun gedrag te veranderen en het goeddoen van enkelen heeft niet genoeg schaal en impact om de problemen op milieugebied op te lossen. Overheidsingrijpen is cruciaal is voor een duurzamere economie.
In het kort
- Individueel gedrag en sociale normen veranderen te langzaam om de natuur te redden en verdere opwarming te voorkomen.
- Overheidsingrijpen in de vorm van belastingen en subsidies is effectiever in het stimuleren van groen gedrag.
- Door belastingopbrengsten te gebruiken voor herverdeling en tegen oneerlijke concurrentie wordt milieubeleid aantrekkelijk.
In de afgelopen decennia zijn de menselijke activiteiten zodanig toegenomen dat de natuur door de mens wordt overweldigd. Hierdoor veranderen het mondiale klimaat en de biosfeer steeds sneller. Menselijke gedrag heeft nu zo veel impact dat verschraling van de natuur zelfs rechtstreeks het welzijn van de mens schaadt, door vervuiling, verlies van biodiversiteit en klimaatverandering, en de daarmee samenhangende schade (Zalasiewicz et al., 2024).
Terwijl de milieuproblemen steeds acuter worden, lijkt overheidsbeleid steeds gematigder. Zo zwakt de EU haar milieubeleid af (Schiffers, 2026), wat betekent dat we de milieudoelen niet gaan halen, óf dat we verwachten dat we de doelen zonder beleid kunnen halen, bijvoorbeeld omdat consumenten ‘goed gaan doen’ en zelf hun gedrag aanpassen. Van groener consumentengedrag wordt vaak veel verwacht. Zo stelt het Nationaal Burgerberaad Klimaat (2025) dat zowel jij en ik, als de overheid, aan de slag moeten, maar wil het ook vrijheid behouden. Dat betekent dat jij en ik ons gedrag moeten veranderen op basis van betere voorlichting en publiekscampagnes, kennisoverdracht en dialoog, producten met heldere icoontjes, stippen en labels, Repair Cafés, en een cultuurverandering richting meer fietsen en thuiswerken, allemaal zodat wij de ‘juiste’ keuzes zullen maken.
Hoewel sympathiek en mogelijk belangrijk om draagvlak te vergroten, is steunen op dergelijk groen activisme te risicovol: gedragsverandering zonder financiële prikkel is namelijk notoir moeilijk te bewerkstelligen, en moeilijk schaalbaar. Groen activisme zal gedrag allicht niet veranderen op een schaal en tempo waarmee de klimaat- en milieudoelen gehaald kunnen worden.
In dit artikel betoog ik dat de nadruk in het milieubeleid op overheidsingrijpen moet liggen en dat de belastingopbrengsten voor herverdeling gebruikt moeten worden.
Sociale normen
Zodra we erkennen dat de natuur schaars is, zou deze waarde moeten krijgen en onze besluitvorming en ons gedrag moeten beïnvloeden. In plaats van de natuur uit te buiten, is het alternatieve gebruik ervan om haar te behouden, en om schade, zoals die door antropogene opwarming van de aarde, te voorkomen. Elk individu kan meehelpen door bijvoorbeeld zijn consumptiegedrag te veranderen. Individuen internaliseren echter niet noodzakelijkerwijs het effect dat hun eigen gedrag heeft op de totale wereldwijde impact.
Sociale normen, als de som van individuele gedragingen naar een gevestigd en zichzelf versterkend gedragspatroon, zijn een manier om dergelijk gedrag toch te verankeren: iedereen draagt zijn steentje bij in de verwachting dat ieder ander dat ook zal blijven doen (Peyton Young, 1998). Deze normen dienen om de transactiekosten te verlagen, door verwachtingen te coördineren en onzekerheid te verminderen: sociale druk door middel van moraliteit voorkomt afwijking van de norm. Dit socialisatieproces resulteert in intrinsieke voorkeuren voor eerlijkheid, oprechtheid en pro-sociaal gedrag, maar brengt beperkingen op persoonlijke doelen met zich mee (Gross en Vostroknutov, 2022). Zo zou een sociale norm die de natuur veel meer gewicht geeft bijvoorbeeld kunnen leiden tot minder vliegen, minder vlees eten, kleiner wonen en de thermostaat lager zetten.
Een heel belangrijk voordeel is dat een sociale norm geen overheidsingrijpen vereist, omdat belastingen niet langer nodig zijn om consumptiegedrag te beïnvloeden. Konc et al. (2021) concluderen dat de CO2-belasting veel lager kan zijn als men er rekening mee houdt dat sociale netwerken het klimaatvriendelijke gedrag, van hen die rechtstreeks door de belasting worden getroffen, kunnen verspreiden.
Hoewel het in theorie niet onmogelijk is om een sociale norm te bereiken die verdere opwarming van de aarde voorkomt, zijn mensen in de praktijk niet allemaal even gevoelig voor normen en waarden: mensen vertonen veel heterogeniteit in hun daadwerkelijke gedrag (Kimbrough en Vostroknutov, 2016). Bovendien is de omvang van de schade aan de natuur wereldwijd, maar is gedrag individueel, zodat alle mensen zouden moeten convergeren naar een vergelijkbare sociale norm. Daar is geen tijd meer voor: het duurt simpelweg bijvoorbeeld te lang om sociale normen voldoende te veranderen teneinde klimaatverandering tijdig af te remmen en het is onwaarschijnlijk dat de wereldwijde diversiteit aan culturen allemaal dezelfde gemeenschappelijke norm kan bereiken.
Tot nu toe hebben de huidige initiatieven die een beroep doen op het natuurvriendelijke gedrag van mensen, zoals vrijwillige compensatie voor CO2-uitstoot bij het kopen van vliegtickets, nog niet geleid tot een vermindering van de wereldwijde vraag naar vliegreizen (ICAO, 2024). Er is ook geen vermindering geweest in de wereldwijde vleesconsumptie: terwijl de consumptie van rund- en varkensvlees in hoge-inkomenslanden is afgevlakt, neemt die van gevogelte toe, evenals de totale vleesconsumptie in de rest van de wereld (OESO & FAO, 2023), waardoor de uitstoot van broeikasgassen blijft toenemen (OESO & FAO, 2021). Al met al kunnen we niet verwachten dat enkel vrijwillige gedragsverandering als reactie op nieuwe normen, geïntroduceerd door groen activisme, voldoende is om milieu- en klimaatproblemen aan te pakken. Zo lopen de meeste landen, inclusief Nederland, ver achter op het gebied van het voeren van klimaatbeleid dat streng genoeg is om de kloof tussen de bedoelingen van het Akkoord van Parijs en de daadwerkelijke uitvoering te dichten (UNFCCC, 2015; Climate Action Tracker, 2024).
Reguleren
Als brede maatschappelijke veranderingen via groen activisme op zichzelf niet voldoende zijn om de uitstoot te verminderen en de natuur te beschermen, dan zal het huidige systeem van (pigouviaanse) belastingen, subsidies en regelgeving moeten worden uitgebreid. Het belasten van activiteiten die schadelijk zijn voor de natuur zou de vraag daarnaar moeten verminderen, terwijl subsidies kunnen zorgen voor goederen en activiteiten die de economie zelf niet levert (zoals natuurreservaten of systemen voor hernieuwbare energie met hoge opstartkosten). Een zeer hoge CO2-belasting zou bijvoorbeeld leiden tot een veel snellere vervanging van vervuilend productiekapitaal dat anders nog lange tijd zou blijven vervuilen (Tong et al., 2019).
Belastingen fungeren ook als een stok achter de deur om ervoor te zorgen dat de initiatieven van bedrijven op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO of CSR) en milieu, maatschappij en governance (ESG) meer worden dan loze beloften.
Regelgeving en standaarden kunnen het gedrag van bedrijven beïnvloeden wanneer belastingen niet praktisch zijn, zoals bij luchtvervuiling door auto’s (Jacobsen et al., 2023).
Overheden boeken op milieu- en klimaatbeleid slechts heel langzaam vooruitgang. Zo bestaan er nu wereldwijd 75 instrumenten voor CO2-beprijzing, die 24 procent van de wereldwijde uitstoot dekken, maar samen wordt daarmee nog altijd slechts minder dan 1 procent van de broeikasgasemissies beprijsd van een niveau dat nodig is om de doelstelling van Parijs te halen. Nederland doet het beter, maar ook daar is de prijs eigenlijk te laag en wordt 55 procent van de uitstoot nog helemaal niet belast (Wereldbank, 2024).
Een uitdaging is dat belastingen niet populair zijn omdat ze prijzen verhogen en de winsten verlagen, terwijl subsidies wel populair zijn, maar duur zijn voor de overheidsbegroting en ze de financieringsruimte voor andere belangrijke uitgaven verminderen. Zowel milieubelastingen als subsidies worden daarom op een inefficiënt laag niveau vastgesteld. Bovendien kunnen ze nadelige gevolgen hebben voor ongelijkheid, zoals ‘energiearmoede’ wanneer brandstoffen worden belast (Chancel et al., 2022).
Een beprijzingssysteem moet dus rekening houden met ongelijkheid door middel van kortingen, inkomensafhankelijke progressieve belastingtarieven en herverdeling van belastinginkomsten. Hoewel het een uitgebreid en gecompliceerd systeem is, lijkt het toch het beste systeem te zijn om doorbraken te realiseren op het gebied van veranderingen in consumptie en productie en de implementatie van hernieuwbare energiebronnen (Blanchard et al., 2023).
Politieke haalbaarheid
De beperkte termijn van politici zorgt er veelal voor dat zij beleid voeren dat hun een herverkiezing oplevert, waardoor regeringen meestal een zeer geleidelijke aanpak hanteren op het gebied van milieu- en klimaatbeleid. Te streng beleid kan banen en dus stemmen kosten. Ook de snelheid van de verandering is van belang: sneller beleid invoeren leidt eerder tot positieve veranderingen voor de natuur, maar leidt ook tot lagere consumptie (vooral onder lagere inkomens en in armere landen) en schaadt het vermogen van individuen en bedrijven om zich aan te passen aan een nieuwe economie. Snellere veranderingen leiden dus tot meer weerstand. Ten slotte staan gevestigde belangen verandering doorgaans in de weg door oppositie te steunen en te lobbyen tegen strenger beleid.
Om steun te krijgen is het dus essentieel dat consumenten en bedrijven hun aanvankelijke weerstand tegen milieubeleid verminderen. Dat kan de overheid bijvoorbeeld bevorderen door inkomenseffecten en oneerlijke concurrentie aan te pakken, en met bewustmakingscampagnes die de voorkeuren van kiezers en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven kunnen veranderen. Het openbaar maken van donaties aan politici of het niet langer toestaan van donaties door bedrijven, zoals Brazilië heeft gedaan, kan ook helpen om verandering te versnellen (Casas-Zamora, 2016).
Het Carbon Border Adjustment Mechanism in de Europese Unie is een veelbelovend voorbeeld van een instrument dat klimaatbeleid aanmoedigt. Dit antwoord op het risico op koolstoflekkage naar handelspartners is een initiatief dat geleidelijk de rechtstreekse subsidie aan vervuilende producenten in de vorm van gratis koolstofvergunningen zal vervangen. Het Carbon Border Adjustment Mechanism heeft tot doel de belastingdruk tussen EU- en niet-EU-producenten gelijk te trekken door geïmporteerde goederen te belasten op basis van hun koolstofgehalte – de hoeveelheid CO2 die in landen buiten de EU is uitgestoten door productie. Door het speelveld gelijk te trekken, vermindert het ook de weerstand tegen het klimaatbeleid en stimuleert het andere landen om ook ambitieuzer te worden in hun klimaatbeleid (Nordhaus, 2015).
Herverdeling, zoals het gebruik van de opbrengsten van CO2-belasting om lagere inkomens te ondersteunen, kan ook de scherpe kantjes van het klimaatbeleid afhalen en de steun van het publiek vergroten (Fabre et al., 2023; Dechezleprêtre et al., 2025). De belastingopbrengst kan bijvoorbeeld gebruikt worden om ontwikkelingslanden hulp te bieden bij het verminderen van hun uitstoot, zodat ook zij deze nieuwe handelsbarrière kunnen vermijden en consumenten lagere importprijzen betalen. Dat vereist dat er serieuzer wordt omgegaan met het Groene Klimaatfonds van de VN om ontwikkelingslanden te ondersteunen en ze te helpen bij de overgang naar een groenere economie.
Bovendien kan milieubeleid inkomensafhankelijk worden gemaakt, zodat de lasten minder op lagere inkomens drukken. Dat is rechtvaardiger en effectiever dan een uniforme korting per hoofd van de bevolking (Ahlvik et al., 2024). Recente voorbeelden zijn de inkomensafhankelijke elektriciteitstarieven in Californië (California Public Utilities Commission, 2026), inkomensgrenzen voor het in aanmerking komen voor belastingvoordelen voor schone voertuigen in de VS (IRS, 2026), en leasecontracten voor elektrische auto’s voor huishoudens met een laag inkomen in Frankrijk (Europese Commissie, 2026).
Belastinginkomsten kunnen ook worden gebruikt om nieuwe banen te creëren, zogenaamde groene groei, door innovatie in groenere sectoren van de economie te subsidiëren (Acemoglu et al., 2012; Hart, 2019). Subsidies voor bedrijven moeten zorgvuldig worden ontworpen om perverse prikkels en neveneffecten in verschillende institutionele en politieke contexten te voorkomen (Sterner en Coria, 2012), maar subsidies in een vroeg stadium kunnen grote positieve effecten hebben op innovatie, vooral voor kleine bedrijven met beperkte financiële middelen (Howell, 2017). Innovaties op het gebied van schone technologie leiden, in tegenstelling tot innovaties in vervuilende sectoren, ook tot meer technologische innovatie in andere sectoren (Dechezleprêtre et al., 2017).
Conclusie
Het is nog niet te laat om onze economie om te vormen tot een nieuwe groene economie die de natuur waardeert en beschermt, en een einde maakt aan de dramatische veranderingen die dit tijdperk kenmerken. In plaats van te vertrouwen op gedragsverandering en groen activisme van het individu, zijn alle instrumenten van de overheid nodig om beleid te ontwerpen dat activiteiten die schadelijk zijn voor de natuur vermindert, maar tegelijkertijd de voordelen van economische groei voor de menselijke ontwikkeling behoudt. Vraag daarom wat het land voor jou kan doen: vraag de overheid om beleid dat via internationale samenwerking een gelijk speelveld tussen rechtsgebieden creëert, dat ongelijkheid aanpakt door herverdeling, en dat schone innovatie stimuleert via subsidies. Deze nevenmaatregelen ondersteunen een directer klimaat- en milieubeleid door de weerstand van consumenten en bedrijven te verminderen, waardoor de politieke haalbaarheid van snellere veranderingen toeneemt.

Literatuur
Acemoglu, D., P. Aghion, L. Bursztyn en D. Hemous (2012) The environment and directed technical change. The American Economic Review, 102(1), 131–166.
Ahlvik, L., M. Liski en M. Mäkimattila (2024) DP19117 Pigouvian income taxation. CEPR Discussion Paper, 19117.
Blanchard, O., C. Gollier en J. Tirole (2023) The portfolio of economic policies needed to fight climate change. Annual Review of Economics, 15, 689–722.
California Public Utilities Commission (2026) California Alternate Rates for Energy (CARE). Informatie op www.webtraining.cpuc.ca.gov.
Casas-Zamora, K. (2016) The state of political finance regulations in Latin America. International IDEA Discussion Paper, 12/2016.
Chancel, L., T. Piketty, E. Saez en G. Zucman (2022) World Inequality Report 2022. Te vinden op wir2022.wid.world.
Climate Action Tracker (2024) Climate Action Tracker – EU. Statistiek op climateactiontracker.org, 21 november.
Dechezleprêtre, A., R. Martin en M. Mohnen (2017) Knowledge spillovers from clean and dirty technologies. Grantham Research Institute on Climate Change and the Environment, Working Paper, 151.
Dechezleprêtre, A., A. Fabre, T. Kruse et al. (2025) Fighting climate change: International attitudes toward climate policies. The American Economic Review, 115(4), 1258–1300.
Douenne, T. en A. Fabre (2022) Yellow vests, pessimistic beliefs, and carbon tax aversion. American Economic Journal: Economic Policy, 14(1), 81–110.
Europese Commissie (2026) France: Incentives and legislation. EU Informatie. Te vinden op alternative-fuels-observatory.ec.europa.eu.
Fabre, A., T. Douenne en L. Mattauch (2023) International attitudes toward global policies. Berlin School of Economics Discussion Paper, 22. Te vinden op ideas.repec.org.
Gross, J. en A. Vostroknutov (2022) Why do people follow social norms? Current Opinion in Psychology, 44, 1–6.
Hart, R. (2019) To everything there is a season: Carbon pricing, research subsidies, and the transition to fossil-free energy. Journal of the Association of Environmental and Resource Economists, 6(2), 349–389.
Howell, S.T. (2017) Financing Innovation: Evidence from R&D Grants. The American Economic Review, 107(4), 1136–1164.
ICAO (2024) Passenger air traffic surpasses pre-pandemic- levels. ICAO Rapport, 27 februari. Te vinden op www.icao.int.
IRS (2026) Credits for new clean vehicles purchased in 2023 or after. Internal Revenue Service, Informatie. Te vinden op www.irs.gov..
Jacobsen, M.R., J.M. Sallee, J.S. Shapiro en A.A. van Benthem (2023) Regulating untaxable externalities: Are vehicle air pollution standards effective and efficient? The Quarterly Journal of Economics, 138(3), 1907–1976.
Kimbrough, E.O. en A. Vostroknutov (2016) Norms make preferences social. Journal of the European Economic Association, 14(3), 608–638.
Konc, T., I. Savin en J.C.J.M. van den Bergh (2021) The social multiplier of environmental policy: Application to carbon taxation. Journal of Environmental Economics and Management, 105, 102396.
Nationaal Burgerberaad Klimaat (2025) Adviesrapport, 1 december. Te vinden op burgerberaadklimaat.nl.
Nordhaus, W. (2015) Climate clubs: Overcoming free-riding in international climate policy. The American Economic Review, 105(4), 1339–1370.
OESO & FAO (2021) OECD-FAO Agricultural Outlook 2021–2030. OECD Rapport, 5 juli.
OESO & FAO (2023) OECD-FAO Agricultural Outlook 2023-2032, OECD Rapport, 6 juli.
Peyton Young, H. (1998) Social norms and economic welfare. European Economic Review, 42(3–5), 821–830.
Schiffers, M. (2026) Green Deal: van ‘man-op-de-maanmoment’ naar verwaterde wetten. Het Financieele Dagblad, 10 februari.
Sterner, T. en J. Coria (2012) Policy instruments for environmental and natural resource management, 2e editie, New York: Routledge.
Tong, D., Q. Zhang, Y. Zheng et al. (2019) Committed emissions from existing energy infrastructure jeopardize 1.5 °C climate target. Nature, 572(7769), 373–377.
UNFCCC (2015) The Paris Agreement. Te vinden op unfccc.int.
Wereldbank (2024) State and trends of carbon pricing 2024. World Bank, Rapport, 21 mei. Te vinden op openknowledge.worldbank.org.
Zalasiewicz, J., J. Adeney Thomas, C.N. Waters et al. (2024) The meaning of the anthropocene: why it matters even without a formal geological definition. Nature, 632(8027), 980–984.