In de zomer van 2025 schreef Henk de Vries, een medewerker van het gemeentevervoerbedrijf van Amsterdam, een cynisch Facebookbericht over een algoritme dat sinds kort de werkroosters van het bedrijf opstelde. Volgens De Vries leidde dat algoritme tot onmogelijke werkuren: “Bedankt voor het nieuw ingevoerde systeem (…) zodat ik nu echt niet meer weet waar ik aan toe ben.” Maar de onvrede was in feite niet gericht tegen het algoritme; het was vooral een reactie op de hierdoor opnieuw verslechterde arbeidsomstandigheden. “Bedankt voor het afschalen van de dienstverdeling, zodat ik elke rit weer passagiers moet stapelen om ze in mijn tram te krijgen… Bedankt voor het goede onderhoud van het materieel, zodat ik elke dag contact kan hebben met de centrale om storingen door te geven”, schrijft De Vries verder. Met zijn bericht wist hij honderden collega’s te mobiliseren (Verlaan, 2025).

Dit verhaal doet denken aan de luddieten, de Engelse textielarbeiders die begin negentiende eeuw weverijen kapotsloegen, als protest tegen de mechanisering van de industrie. Deze arbeiders worden vaak neergezet als archetypische arbeiders: bang voor machines, bang voor vooruitgang. Maar de toorn van de Engelse textielarbeiders richtte zich niet op de machines zelf. Het ging hun om verlies van kennis en vakmanschap, om lagere lonen en het opgevoerde werktempo (Hobsbawm, 1952).
Twee eeuwen technologische vooruitgang liggen tussen beide voorbeelden, maar de frustratie is vergelijkbaar: werkenden die merken dat technologische vooruitgang tegen hen werkt in plaats van ondersteunend is.
Is dat altijd zo? Zeker niet. Een voorbeeld in het klein is een vriendin die in het onderwijs werkt en gretig gebruikmaakt van een AI-tool om haar gefrustreerde zinnen aan bokkige ouders om te zetten in empathische brieven. Een voorbeeld in het groot is het gebruik van AI als extra paar ogen bij de analyse van röntgenfoto’s. Voor de arts kan dat het verschil betekenen tussen een tumor die nog behandelbaar is of een diagnose die te laat komt.
Technologie kan dus wel degelijk een steun in de rug zijn. Maar dat gebeurt niet vanzelf. Innovaties hebben een hardnekkige neiging zich te schikken naar de belangen van degene die ze ontwikkelt en koopt. En dat zijn zelden de mensen die er vervolgens hun werkdag mee doorbrengen. Nieuwe systemen worden ingevoerd met woorden als efficiëntie, innovatie en modernisering. Op de werkvloer vertaalt zich dat niet zelden in meer controle, een strakkere planning en minder speelruimte.
Wat voor bedrijven een neutraal optimalisatie-algoritme heet, kan in de praktijk een digitale voorman blijken die nooit moe wordt en nooit een vakbondslidmaatschap overweegt.
Daar wordt het debat over kunstmatige intelligentie op de werkvloer ineens een klassiek conflict tussen kapitaal en arbeid. De razendsnelle opschaling leidt tot een enorme machtsconcentratie in een handvol hightechbedrijven, die wel wordt vergeleken met feodale verhoudingen of hoe drugskartels hun eigen markten creëren en controleren. Misschien wat extreem, maar dat de kwestie van democratische controle en economische herverdeling zich ook hier stelt, is duidelijk.
Het is dus niet zo vreemd dat de vakbeweging aanvankelijk vooral defensief reageerde op de opmars van algoritmen en kunstmatige intelligentie. Die eerste reflex was bescherming: regels tegen digitale surveillance, transparantie over algoritmes, het recht op menselijke tussenkomst als een computer besluit dat je minder werk krijgt of slechter wordt beoordeeld.
Maar hier is vrij snel een laag argumenten en eisen vanuit de vakbonden bijgekomen. Als kunstmatige intelligentie inderdaad zo productief wordt als de techindustrie belooft, dus dat dezelfde hoeveelheid werk straks meer oplevert, dan ontstaat er extra welvaart. Vakbonden ijveren daarom niet meer alleen voor regels tegen digitale controle, maar willen ook dat de samenleving gaat delen in de productiviteitswinsten van automatisering. De FNV en andere vakbonden willen daarom via cao-onderhandelingen afspraken maken over de verdeling van de opbrengsten van AI, en het EVV, de Europese koepel van vakbonden, pleit sinds kort voor een European Investment Pact zodat techopbrengsten publieke investeringen gaan stutten. Denk aan kortere werkweken, weer een bibliotheek in het dorp en een buslijn, een serieus klimaatbeleid. Want zonder ingrijpen zullen die winsten een kleine groep bedrijven ten goede komen.
De Engelste textielarbeiders, en Henk de Vries en z’n collega’s voelden goed aan wat in discussies over kunstmatige intelligentie wel eens wordt vergeten: technologie is niet neutraal. Ze wordt ontworpen, ingevoerd en ingezet binnen bestaande machtsverhoudingen. Het debat over kunstmatige intelligentie en werk zou daarom niet moeten gaan over óf AI banen kost, en zo ja, welke precies. Een prangender vraag is of deze nieuwe technologie wordt ingezet als steun in de rug van werkenden, of als een nog efficiëntere manier om collectieve inzet om te katten naar private winsten en meer controle. Dat is geen technologisch vraagstuk. Dat is politiek.
Literatuur
Hobsbawm, E.J. (1952) The machine breakers. Past & Present, (1), 57–70.
Verlaan, J. (2025) Roosters maken met AI? Bij GVB en HTM leidt dit vooral tot onrust. NRC, 26 september.
Auteur
Categorieën