Ga direct naar de content

Een vermogenswinst­belasting kost miljarden en geeft welvaartsverlies

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 19 2026

Box 3 moet op de schop en de discussie richt zich voornamelijk op de keuze tussen een vermogensaanwas- en vermogenswinst­belasting. Wat betekenen beide systemen voor de belasting­opbrengsten, portefeuillekeuzes en de welvaart?

In het kort

  • Een vermogenswinstbelasting veroorzaakt miljarden euro’s transitiederving, een vermogensaanwasbelasting doet dat niet.
  • Uitstel van winstneming verlaagt effectieve belastingtarieven en verstoort beleggingskeuzes ten gunste van risicovolle activa.
  • Een vermogensaanwasbelasting voorkomt welvaartsverliezen en beïnvloedt de vermogensopbouw nauwelijks.

De regering stelt voor om in box 3 een vermogensaanwasbelasting (vab) in te voeren op alle beleggingen, behalve onroerend goed, waar een vermogenswinstbelasting (vwb) wordt voorgesteld. Een parlementaire meerderheid wil echter, zodra dit kan, overal een vwb invoeren. Daarnaast stellen critici, waaronder VNO-NCW (2026), dat een vwb tot meer vermogensopbouw zou leiden, waardoor de belastingopbrengsten zelfs zouden kunnen toenemen. Het parlement en de critici oordelen echter te snel. In dit artikel onderbouw ik kwantitatief dat een vab is te prefereren boven een vwb in termen van belastingopbrengsten, doelmatigheid, vermogensopbouw en welvaart (Jacobs, 2026).

Effectieve tarieven onder een vwb

Een vwb levert voor de belegger een fiscaal voordeel op ten opzichte van een vab. Door verkoop van aandelen uit te stellen kan een belegger rendement behalen over het stuk vermogensaanwas, dat zonder uitstel zou zijn wegbelast. Dat fiscale voordeel kan worden gekwantificeerd (Auerbach, 1991).

Stel, een belegger koopt een aandeel of onroerend goed. Hij verkoopt zijn aandeel of onroerend goed op een toekomstig tijdstip T. Het vermogensbestanddeel kan direct dividend (of huurinkomsten) geven, maar ook waardestijging van het aandeel (of van het onroerend goed). Het dividend en de waardestijging zijn constant en gelijk aan, respectievelijk, d en g per jaar. De MSCI World Index van aandelen in ontwikkelde landen geeft een historische waardestijging van (nominaal) 7 procent en een dividendrendement van 2 procent. Nederlandse schattingen voor onroerend goed geven 4 procent waardestijging en 3,5 procent huurrendement. Het enige verschil tussen de vab en vwb is de timing van belasting op de waardestijging; dividenden worden in beide stelsels jaarlijks belast. Onder een vab wordt de jaarlijkse vermogensaanwas direct belast. Onder een vwb wordt de gehele opgebouwde vermogenswinst belast in jaar T.

Het effectieve belastingtarief is gelijk aan de contante waarde van alle betaalde belastingen, gedeeld door de contante waarde van het totale brutorendement. Onder een vab is het effectieve tarief gelijk aan het statutaire tarief, omdat er geen voordeel ontstaat door uitstel van belastingheffing. Onder een vwb ligt het effectieve tarief lager: hoe langer winstneming wordt uitgesteld, hoe groter het fiscale voordeel. Bij onmiddellijke verkoop is er geen verschil met een vab en is het effectieve tarief gelijk aan het statutaire tarief. Naarmate beleggers winsten langer kunnen uitstellen, daalt het effectieve tarief. Als verkoop oneindig lang wordt uitgesteld, wordt feitelijk alleen het directe rendement nog belast. Voor aandelen die geen dividend uitkeren, zal het effectieve belastingtarief in de limiet tot nul dalen.

Figuur 1 toont het effectieve tarief op MSCI-aandelen als functie van de houdperiode. Bij een houdperiode van tien jaar is het effectieve tarief gedaald van 36 procent naar 27,3 procent, bij twintig jaar naar 21,2 procent. In de limiet daalt het effectieve tarief naar 8 procent.

Figuur 1: Effectief tarief van een vermogenswinstbelasting
jacobs1-2
ESB

Het is wenselijk om verschillende vermogensbestanddelen symmetrisch te belasten om zo verstoringen in het beleggingsgedrag en daarmee welvaartsverliezen te voorkomen. In het wetsvoorstel wordt die symmetrie doorbroken: onroerend goed wordt belast met een vwb, daar waar andere beleggingen onder een vab worden belast. Ook start-ups worden met een vwb belast, maar die blijven in dit artikel buiten beschouwing gezien het waarschijnlijk beperkte kwantitatieve belang.

Auerbach (1991) laat zien dat deze asymmetrie kan worden opgeheven met een ‘retrospectieve vermogenswinstbelasting’, waarbij het belastingtarief op de winstrealisatie hoger wordt gezet om zo het uitstelvoordeel exact te neutraliseren. Een retrospectieve vwb is economisch equivalent aan een vab. Het tarief van de retrospectieve vwb stijgt met de houdperiode en de gemiddelde waardestijging per jaar van het vermogensbestanddeel.

Belastingopbrengsten

De structurele opbrengsten en de opbrengstderving tijdens de transitie kunnen worden geschat met een overlappend-beleggingscohortmodel (kader 1). Tijdens de transitie zijn de jaarlijkse belastingopbrengsten tijdelijk lager, omdat belastingheffing onder een vwb pas plaatsvindt bij realisatie van vermogenswinsten. Belastinginkomsten worden daarmee naar de toekomst verschoven. Zodra alle beleggingen onder het nieuwe regime vallen, zijn de jaarlijkse opbrengsten van beide stelsels gelijk zijn.

Kader 1 Opbouw overlappend-beleggingscohortmodel

Het model is ontwikkeld om de budgettaire opbrengst te ramen en is gebaseerd op het overlappende-generatiemodel van Blanchard (1985). Beleggingscohorten zijn vermogensbestanddelen die in een bepaald jaar zijn aangekocht, met een constant percentage in waarde aangroeien, en na een vaste houdperiode weer worden verkocht. In ieder jaar t verschijnt één nieuw cohort en verdwijnt één oud cohort. Omdat vermogenswinst ieder jaar met een constant percentage groeit, kunnen de beleggingscohorten eenvoudig worden geaggregeerd over ieder vermogensbestanddeel. De totale grondslag van ieder vermogensbestanddeel Wk is constant.
Voor de schattingen wordt de grondslag in box 3 opgesplitst in vijf vermogensbestanddelen k: spaargeld (s), aandelen (a), obligaties (o), onroerend goed (v) en schulden (S). Voor elk vermogensbestanddeel geldt een eigen houdperiode Tk, waardestijging gk en direct rendement dk. Voor sparen en obligaties geldt gk = 0 (alleen direct rendement), net als voor schulden (alleen directe rentekosten). Aandelen en onroerend goed kennen wel vermogenswinsten.
Het belegd vermogen in jaar t van vermogensbestanddeel k bestaat uit de beleggingen van Tk-cohorten.
Op het invoeringstijdstip wordt voor alle bestaande cohorten de fiscale boekwaarde gelijkgesteld aan de marktwaarde van de beleggingen. De vóór invoering opgebouwde, nog niet gerealiseerde waardestijgingen blijven daarmee definitief onbelast onder een vwb. Deze opstapregeling (‘step-up’) sluit aan bij het wetsvoorstel en is uitvoeringstechnisch waarschijnlijk onvermijdelijk. Historische verkrijgingsprijzen kunnen ontbreken. Bovendien belast het huidige box 3-stelsel al de (fictieve) waardestijgingen.

Dat de opbrengsten van een vab en vwb op lange termijn gelijk worden, is geen toeval. Neem een beleggingscohort met een beginvermogen van 100 euro, een jaarlijks rendement van 7 procent, een houdtermijn van vijf jaar en een statutair tarief van 36 procent. Onder een vab wordt jaarlijks belasting geheven over de gerealiseerde vermogensaanwas. In totaal betaalt het cohort over de vijf jaar 14,49 euro aan belasting. Onder een vwb wordt dezelfde belasting pas bij verkoop in jaar vijf geheven, eveneens in totaal 14,49 euro. Hoewel de nominale belasting daarmee gelijk is, verschilt de effectieve belastingdruk. Onder een vwb vinden belastingbetalingen later plaats, waardoor hun contante waarde lager is. Door discontering betaalt een belegger onder een vwb daarom effectief minder belasting dan onder een vab.

De macro-opbrengsten van een vwb zijn lager dan van een vab door eenmalige belastingderving tijdens de transitie. Bij invoering worden alleen vermogenswinsten belast die ná de hervorming worden opgebouwd. Het duurt daarom een aantal jaren – gelijk aan de houdperiode – voordat de gerealiseerde winsten op hun steady state-niveau zijn.

Om de budgettaire effecten van verschillende vermogensbelastingsystemen te kunnen kwantificeren, zijn gegevens nodig voor de kalibratie van het overlappende-beleggingscohortmodel: informatie over de vermogenssamenstelling in box 3, de rendementen van de verschillende vermogensbestanddelen en houdtermijnen van aandelen en onroerend goed.

De portefeuillegewichten in box 3 zijn geschat door gegevens uit de Memorie van Toelichting bij het box 3-­wetsvoorstel te combineren met DNB-data over effectenbezit. De resulterende brutogrondslag van 635 miljard euro sluit op 0,6 procent nauwkeurig aan bij de officiële schatting van 631 miljard. De officiële nettogrondslag voor box 3 van 500 miljard euro euro (na heffingsvrij vermogen) bestaat voor 380 miljard euro uit spaargeld en overige bezittingen, 175 miljard aandelen, 32 miljard obligaties, 199 miljard onroerend goed en 286 miljard schulden.

De rendementen zijn gebaseerd op historische en actuele gegevens. Voor spaargeld wordt uitgegaan van een rendement van 1,5 procent, voor obligaties van 2,7 procent, voor aandelen van 9 procent en voor onroerend goed van 7,5 procent. Bij aandelen bestaat dit rendement uit 7 procent vermogensgroei en 2 procent direct rendement; bij onroerend goed is dat, respectievelijk, 4 en 3,5 procent. Voor schulden wordt een rente van 3,5 procent verondersteld. Dit zijn vooral leningen voor onroerendgoedbeleggingen. De houdperioden zijn vastgesteld op gemiddeld twee jaar voor aandelen en tien jaar voor onroerend goed.

Vier stelsels worden doorgerekend met een statutair tarief van 36 procent, waarbij de ex-ante-opbrengsten – zonder gedragsreacties – worden geschat, structureel en in de transitie. In het eerste scenario worden alle vermogenswinsten belast met een volledige vab, waarbij winsten jaarlijks bij aanwas worden belast. In het tweede scenario geldt een volledige vwb, waarbij alle vermogenswinsten pas bij realisatie worden belast; dit is het alternatief dat door tegenstanders van het wetsvoorstel wordt bepleit. Het derde scenario volgt het huidige wetsvoorstel voor box 3, waarin vermogenswinsten op aandelen bij aanwas worden belast en vermogenswinsten op onroerend goed bij realisatie. In het vierde scenario wordt dit wetsvoorstel uitgebreid met een retrospectieve vwb op onroerend goed. Dit laatste scenario is belangrijk omdat het symmetrie tussen de vermogensbestanddelen in box 3 volledig herstelt en portefeuilleverstoringen voorkomt.

In alle scenario’s wordt aangenomen dat het heffingsvrije vermogen gelijk blijft om te zorgen dat de vergelijking tussen alle belastingstelsels alleen wordt gedreven door de verschillende eigenschappen van de stelsels. In het wetsvoorstel wordt het heffingsvrije vermogen echter omgezet in een minder genereus heffingsvrij inkomen. Daarnaast wordt aangenomen dat de belastingopbrengsten in het huidige stelsel op het structurele niveau zitten, zonder tijdelijke opbrengstderving vanwege de tegenbewijsregeling.

In de ramingen vallen drie zaken op (tabel 1). Ten eerste: alle stelsels leveren – ex ante, zonder gedragsreacties – structureel circa twee miljard euro per jaar méér op dan het huidige forfaitaire stelsel. Dit komt omdat het gemiddelde forfaitaire rendement over de grondslag in box 3 onder het historische gemiddelde rendement ligt van de vermogens in box 3.

Ten tweede, de stelsels met een volledige vab, volledige vwb, en het wetsvoorstel convergeren naar dezelfde steady state-opbrengst van 9,8 miljard euro per jaar.

Ten derde, het wetsvoorstel met een retrospectieve vwb levert structureel 300 miljoen meer op dan een vab of gewone vwb (10,1 miljard), omdat het retrospectieve tarief van 40,1 procent boven het statutaire tarief van 36 procent ligt om het uitstelvoordeel te elimineren.

De belastingopbrengsten verschillen bovendien tijdens de transitie (figuur 2). In jaar 1 levert het wetsvoorstel 7,3 miljard op, een volledige vwb slechts 5,2 miljard – onder het huidige forfaitaire niveau van 8,2 miljard. De steady state wordt na tien jaar bereikt – de veronderstelde maximale houdtermijn (van onroerend goed). De cumulatieve (onverdisconteerde) transitiederving over tien jaar bedraagt 14,1 miljard voor een volledige vwb en 12,0 miljard voor het wetsvoorstel. Om het transitieverlies budgettair te compenseren zouden de statutaire tarieven in box 3 gedurende de eerste tien jaar moeten toenemen van 36 naar 41 à 42 procent.

Figuur 2: Transitiepad van de belastingopbrengsten invoering van vier verschillende box 3-stelsels
jacobs1-21
ESB

Een retrospectieve vwb op onroerend goed verkleint de cumulatieve transitiederving van 12,0 naar 7,5 miljard euro. Deze laatste derving komt door het uitsteleffect bij invoering, maar niet langer door het lagere effectieve tarief op vermogenswinst bij een vwb.

Bij deze berekeningen zijn vier kanttekeningen van belang. Ten eerste zijn de ramingen ex ante en houden zij geen rekening met gedragsreacties. De feitelijke opbrengsten zullen onder een vwb lager uitvallen omdat het stelsel van een vwb grotere economische verstoringen veroorzaakt. Ten tweede zijn de gehanteerde houdperioden onzeker. Onder een vwb zullen deze langer worden, omdat het fiscaal veel aantrekkelijker wordt om winstneming uit te stellen, al dan niet geholpen door beleggingsfondsen die directe rendementen transformeren in koerswinsten. Een robuustheidsanalyse waarin de houdtermijnen verdubbelen naar vier jaar voor aandelen en twintig jaar voor onroerend goed levert een opbrengstderving op van 24 miljard euro voor het wetsvoorstel en 30 miljard euro voor een volledige vwb. Ten derde zijn de portefeuillegewichten gebaseerd op benaderingen met gegevens van het Ministerie van Financiën en DNB, waardoor enige vertekening mogelijk is. Ten slotte bieden historische rendementen op beleggingen geen garantie voor toekomstige rendementen.

Vermogensopbouw

Om te onderzoeken hoe de vermogensopbouw wordt beïnvloed door een vab of vwb, analyseer ik een dynamisch, stochastisch portefeuillemodel, gebaseerd op Merton (1969) en Samuelson (1969), waarin een representatieve belegger zijn verwachte levensnut optimaliseert (kader 2).

Kader 2 Dynamisch stochastisch portefeuillemodel

Stel een belegger heeft twee motieven om vermogen op te bouwen: uitsmeren van consumptie en nalaten van vermogen aan zijn kinderen. Ieder jaar kiest deze belegger optimaal zijn vermogensopbouw en zijn portefeuille van risicovrije beleggingen (bijvoorbeeld besparingen en obligaties) en risicodragende beleggingen (bijvoorbeeld aandelen en onroerend goed). Risicovrije beleggingen hebben een verondersteld rendement van twee procent. Risicodragende beleggingen hebben een rendement dat lognormaal is verdeeld met een gemiddeld rendement van zeven procent en een standaarddeviatie van achttien procent.
De simulaties zijn gebaseerd op Monte-Carlo-trekkingen met 10.000 paden van beleggingsrendementen op risicodragende beleggingen over een periode van dertig jaar. De vab wordt gemodelleerd als een uniform tarief op risicovrije en risicodragende beleggingen van 36 procent. De vwb wordt gemodelleerd als een gedifferentieerd tarief waarbij het tarief op risicodragende beleggingen lager wordt dan op risicovrije beleggingen. Cruciaal hierbij is dat de contante waarde van de belastingopbrengsten met een vwb gelijk blijft aan die van een vab. In vele onlineberekeningen worden de belastingopbrengsten niet constant gehouden in de vergelijking tussen vab en vwb, waardoor die vergelijking mank gaat. Als het effectieve tarief op risicodragende beleggingen lager wordt dan het statutaire tarief, dan stijgt dat statutaire tarief om de belastingopbrengst constant te houden.
In een stochastisch raamwerk betekent dit dat de overheid het tarief van de vwb aanpast op ieder gesimuleerd pad om dezelfde opbrengsten te genereren als een vab op dat pad. Dit voorkomt ook dat de overheid geaggregeerd risico over verschillende rendementspaden uitsmeert. De overheid kan geaggregeerd financieel risico namelijk niet verzekeren. Dit betekent dat onzekere belastingen ook een bron van risico worden waarmee rationele beleggers rekening houden bij hun optimale portefeuillekeuze.

Figuur 3 laat zien dat de vermogensopbouw nauwelijks wordt beïnvloed door de keuze voor de vab, vergeleken met de vwb. Robuustheidsanalyses op modelparameters – risicoaversie, aandelenvolatiliteit en wens om een erfenis na te laten – bevestigen dit beeld.

Figuur 3: Effecten van een vermogenswinst- en aanwas belasting op de vermogensopbouw, portefeuille­keuze en consumptie voor verschillende tarieven op risicovrije en risicodragende beleggingen
jacobs33
Noot: ts is het belastingtarief risicovrije beleggingen, E[tr] is het verwachte effectieve belastingtarief risicodragende beleggingen.

De simulaties laten vier gedragsreacties zien. Ten eerste zijn de paden voor het (gemiddelde) vermogen en de consumptie vrijwel gelijk over alle geanalyseerde belastingscenario’s waarin de tarieven uiteenlopen van een uniform tarief van 36 procent naar een tarief van 66 procent op risicovrije beleggingen en gemiddeld 29 procent op risicodragende beleggingen. Het totaalbedrag dat de belegger over zijn levensloop aan belasting afdraagt, is namelijk niet anders bij een vab of vwb. Dat betekent dat de vermogensopbouw daardoor niet zal veranderen.

Ten tweede stijgt het aandeel van risicodragende beleggingen met het tariefverschil: de belegger herschikt zijn portefeuille richting lager belaste aandelen.

Ten derde zorgen de belastingen zelf voor risico. Het tarief past zich aan om te zorgen dat op ieder gesimuleerd pad van rendementen dezelfde opbrengst resulteert van een vab (uniforme tarieven) en een vwb (gedifferentieerde tarieven). Bij matige risicoaversie is de covariantie tussen marginaal nut en het belastingtarief op aandelen negatief. Belastingrisico werkt dan uit als een hedge tegen aandelenrisico en het aandeel van risicodragende beleggingen neemt toe. Bij hoge risicoaversie draait het teken om: belastingrisico versterkt dan het aandelenrisico. De vermogensopbouw neemt dan bij een vwb af.

Ten vierde gaan de hogere gemiddelde portefeuille­rendementen ook gepaard met een hoger niveau en rotatie van het consumptieprofiel, wat de vermogensopbouw beïnvloedt.

Welvaartseffecten van een vwb zijn negatief

Een lager effectief tarief op risicodragende beleggingen dan op risicovrije beleggingen in een vwb leidt tot welvaartsverliezen, die niet optreden bij een vab aangezien alle beleggingen daar tegen hetzelfde, effectieve tarief worden belast. De belangrijkste verstoring van een vwb is dat risicodragende beleggingen fiscaal worden bevoordeeld. Het welvaartsverlies ontstaat doordat beleggers door de fiscale prikkel méér risico nemen dan maatschappelijk optimaal is. Dat levert weliswaar een hoger verwacht rendement op, maar ook meer risico in kapitaalinkomen. De welvaart daalt omdat het lagere nut door extra volatiliteit in consumptie niet wordt gecompenseerd door het hogere nut van een hogere verwachte consumptie.

Het welvaartsverlies loopt op van nul tot meerdere procenten van de levensconsumptie bij zeer grote tariefverschillen (figuur 4). Een realistisch verschil in effectieve tarieven op risicovrije en risicodragende beleggingen onder een vwb, in de orde van tien tot vijftien procentpunt, geeft een welvaartsverlies van ongeveer 0,5 procent van de levensconsumptie. Verstoringen in de vermogensopbouw zelf (consumptie) zijn bijna verwaarloosbaar, omdat de vermogensopbouw nauwelijks verandert: de portefeuilleverstoring is de belangrijkste oorzaak van de welvaartsdaling. De simulaties laten zien dat de welvaart het hoogst is bij een vab waarin risicovrije en risicodragende beleggingen gelijk worden belast.

Figuur 4: Welvaartsverliezen vwb ten opzichte van vab
jacobs4
Noot: ts is het belastingtarief risicovrije beleggingen, E[tr] is het verwachte effectieve belastingtarief risicodragende beleggingen.

Beleidsconclusies

In tegenstelling tot een vab, geeft een vwb beleggers in aandelen en onroerend goed een fiscaal voordeel door winstneming te kunnen uitstellen. Dat voordeel wordt groter naarmate winstneming langer wordt uitgesteld en koerswinsten belangrijker zijn in het totale rendement.

De structurele belastingopbrengst van een volledige vab, een volledige vwb en het wetsvoorstel in box 3 is hetzelfde en bedraagt circa 9,8 miljard euro. Elk stelsel levert structureel circa 2 miljard euro meer belasting op dan het huidige, forfaitaire stelsel (7,8 miljard). Het verschil tussen verschillende stelsels zit in het transitiepad: de vwb-varianten leiden tot een cumulatieve opbrengstderving van 12 tot 14 miljard euro gedurende de eerste tien jaar zonder gedragseffecten.. Deze raming is erg gevoelig voor de veronderstelde houdperioden. Bij een verdubbeling van de houdperioden neemt de opbrengstderving toe naar 24-30 miljard euro.

Claims dat de vermogensopbouw onder een vab lager zou zijn dan onder een vwb door ‘rente-op-rente-effecten’ zijn onjuist en daarmee misleidend. Daarnaast leidt een vwb tot volledig vermijdbare welvaartsverliezen in portefeuillekeuzes vanwege de fiscale bevoordeling van aandelen en onroerend goed boven spaartegoeden en obligaties.

Alle overwegingen – doelmatigheid, vermogensopbouw en welvaart – wijzen dus eensluidend op de superioriteit van een vab over een vwb.

Getty Images

Literatuur

Auerbach, A.J. (1991) Retrospective capital gains taxation. The American Economic Review, 81(1), 167–178.

Blanchard, O.J. (1985) Debt, deficits, and finite horizons. Journal of Political Economy, 93(2), 223–247.

Dool, R. van den, A. Gerritsen en B. Jacobs (2026) Vermogensaanwasbelasting is de oplossing voor box 3. Artikel te vinden op esb.nu, 19 mei.

Jacobs, B. (2026) Does a realisation-based capital gains tax lead to more wealth accumulation than an accrual-based capital gains tax? Working paper te vinden op jacobs73.home.xs4all.nl.

Merton, R.C. (1969) Lifetime portfolio selection under uncertainty: The continuous-time case. The Review of Economics and Statistics, 51(3), 247–257.

Samuelson, P.A. (1969) Lifetime portfolio selection by dynamic stochastic programming. The Review of Economics and Statistics, 51(3), 239–246.

VNO-NCW (2026) VNO-NCW wil vermogenswinstbelasting in box 3. Nieuwsbericht, 22 januari. Te vinden op www.accountancyvanmorgen.nl.

Auteur

  • Bas Jacobs

    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam

Plaats een reactie