Wereldwijd lijkt er sprake te zijn van een verslechtering van de mentale gezondheid onder jongeren. Hoe is het gesteld bij universiteitsstudenten en hangt de verslechtering samen met studieprestaties?
In het kort
- Depressiesymptomen komen vaker voor bij vrouwelijke studenten en eerstegeneratiestudenten.
- Depressiesymptomen hangen samen met lagere cijfers en hogere studie-uitval, hoewel de schattingen statistisch onzeker zijn.
Zowel nationale (Boer et al., 2022) als internationale studies (Blanchflower et al., 2024) wijzen op een verslechtering van de mentale gezondheid onder jongeren. Mentale gezondheidsproblemen leiden tot psychische kosten voor het individu en hogere zorgkosten voor de maatschappij. Daarnaast hebben deze mogelijk ook gevolgen voor hoe deze jongeren in het onderwijs functioneren. Onderwijsinstellingen investeren mede daarom steeds meer in mentale begeleiding en ondersteuning.
In dit artikel analyseren we hoe het gesteld is met de mentale gezondheid van beginnende universitaire studenten, in hoeverre deze samenhangt met hun achtergrondkenmerken, en wat de relatie is met studieprestaties in het eerste jaar.
Data
Voor dit onderzoek is een vragenlijst afgenomen onder de startende eerstejaarsstudenten in de jaren 2022/2023 en 2023/2024 van de vier bachelors aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden. De respons bedraagt zo’n zeventig procent per cohort, en betreft in totaal 1.287 studenten.
De vragenlijst meet de mentale gezondheid van de studenten aan de hand van de veelgebruikte PHQ-test , zie Kroenke et al. (2001) voor de precieze vragen en classificatie. Deze vragenlijst meet de mogelijke aanwezigheid van mentale gezondheidsproblemen aan de hand van negen vragen, op een schaal van 0 tot 3. De antwoorden op de vragen worden daarbij opgeteld, en deze som wordt geclassificeerd naar verschillende gradaties van mentale gezondheidsproblemen, gefocust op symptomen van depressie. In de vragenlijst is ook gevraagd naar achtergrondkenmerken van de studenten.
Tot slot gebruiken we gekoppelde administratieve data met daarin de studieresultaten van de studenten (behaalde credits, uitval, gemiddeld eindcijfer).
Mentale gezondheidsscore studenten
Ongeveer twee derde van de studenten rapporteert geen depressieve klachten, terwijl 27 procent milde klachten heeft (tabel 1). Een PHQ-9-score van 10 of hoger wordt in de literatuur vaak gebruikt als drempel voor klinisch relevante klachten en als indicatie voor nadere diagnostiek. Circa tien procent van de studenten valt boven deze grens.

Hoewel het aandeel met (milde) klachten geen verwaarloosbare groep is, is het lastig om de cijfers in perspectief te plaatsen omdat vergelijkbare PHQ-9-metingen vaak zijn uitgevoerd in andere populaties of periodes. Ten opzichte van representatieve Amerikaanse data uit 2016 (achttien procent milde klachten en negen procent matig tot ernstige klachten (Kranjac et al., 2025)) liggen de percentages in onze steekproef iets hoger. Tegelijkertijd zijn ze lager dan in recent onderzoek onder studenten aan het Dartmouth College in de Verenigde Staten (dertig procent matig tot ernstige klachten; Blanchflower en Sacerdote, 2025) en in een representatieve steekproef van Duitse adolescenten (23 procent milde klachten en 18 procent matig tot ernstige klachten; König et al., 2024).
Samenhang met studentenkenmerken
Matige tot ernstige depressieve klachten komen significant vaker voor bij vrouwen dan bij mannen (12,1 procent tegenover 6,0 procent) (figuur 1), in lijn met eerder onderzoek (Kranjac et al., 2025). Ook eerstegeneratiestudenten rapporteren vaker dergelijke klachten: 12,7 procent van de studenten met niet hoogopgeleide ouders scoort boven de drempel, tegenover 9,1 procent van de studenten met ten minste één hoogopgeleide ouder.

Zowel de IQ-scores als de middelbareschoolcijfers verschillen nauwelijks tussen studenten met en zonder depressieve klachten.
Daarentegen hangen persoonlijkheidskenmerken wel sterk samen met mentale gezondheid. Met name neuroticisme springt eruit: studenten die hoger scoren op deze eigenschap rapporteren aanzienlijk vaker depressieve klachten. Dit ligt voor de hand, aangezien neuroticisme de mate van gevoeligheid voor stress en negatieve emoties weerspiegelt. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat neuroticisme een relatief stabiele persoonlijkheidstrek is, terwijl de depressiviteitstest de actuele mentale toestand meet.
Verder zijn studenten met depressieve klachten gemiddeld minder extravert en minder consciëntieus, en vertonen ze een hogere openheid voor ervaring.
Samenhang met studieprestaties
De studieresultaten van studenten met depressiesymptomen zijn gemiddeld slechter (figuur 2). Deze verschillen zitten rond de marge van statistische significantie. Het studiecijfer van studenten met depressiesymptomen ligt ongeveer 0,3 punt lager. Wanneer er gecorrigeerd wordt voor achtergrondkenmerken groeit dit verschil naar 0,5, en is het marginaal statistisch significant (p = 0,051). De uitval ligt ongeveer vijf procentpunt hoger bij studenten met depressiesymptomen dan bij studenten zonder depressiesymptomen. Dit verschil is vrijwel hetzelfde na correctie voor achtergrondkenmerken, al verlaagt het toevoegen van controlevariabelen de statistische significantie (p = 0,148 versus p = 0,209) enigszins. Het feit dat het toevoegen van de controlevariabelen weinig verschil maakt, komt doordat de verschillen daarin niet eenduidig zijn. Studenten met depressiesymptomen scoren bijvoorbeeld lager op zowel extraversie als consciëntieusheid, waarbij eerstgenoemde een negatieve relatie heeft tot eindcijfers, en laatstgenoemde een positieve relatie. Daarnaast zijn voor studie-uitval zeer weinig van de achtergrondkenmerken van voorspellende waarde.

Conclusie
Onder eerstejaarsstudenten van de faculteit Rechtsgeleerdheid in Leiden rapporteert ongeveer een derde depressieve klachten bij de start van de studie, en scoort circa tien procent boven de drempel die in de literatuur vaak wordt gebruikt als indicatie voor klinisch relevante klachten. Dit suggereert dat mentale gezondheidsproblemen geen marginaal fenomeen zijn, maar een aanzienlijk deel van de studentenpopulatie betreffen. De zeer sterke samenhang met persoonlijkheidskenmerken suggereert dat verschillen in mentale gezondheid samenhangen met meer structurele individuele verschillen. Dit suggereert ook dat de mentale gezondheidstoestand op het moment van afname meer is dan een momentopname, en dat de kans op persistentie van deze problemen later in de studie relatief hoog is.
Hoewel de verschillen in studieprestaties in het eerste jaar een mate van statistische onzekerheid laten zien, wijzen ze wel in een consistente richting. Studenten met depressieve klachten behalen gemiddeld lagere cijfers en vallen in het eerste jaar vaker uit. Aangezien de cognitieve uitkomsten nog vrijwel identiek waren op het moment van instroom, suggereert dat een divergerende trend en maakt het monitoring van studieresultaten in latere studiejaren van belang.
Daarnaast blijft het in het kader van het bredere welzijn van studenten ook van belang dat de verdere ontwikkeling van de mentale gezondheid wordt gemonitord. Juist voor studenten die bij instroom al kampen met depressiesymptomen kan het behalen van goede studieresultaten een extra uitdaging vormen Ook wanneer, mogelijk door extra inspanning, lagere cijfers en hogere uitval vermeden wordt, kan dit mogelijk een extra wissel trekken op deze groep studenten, en daarmee ook weer doorwerken op het mentale welzijn op langere termijn.

Literatuur
Blanchflower, D.G. en B. Sacerdote (2025) US college students’ well-being. NBER Working Paper, 33742.
Blanchflower, D.G., A. Bryson, A. Lepinteur en A. Piper (2024) Further evidence on the global decline in the mental health of the young. NBER Working Paper, 32500.
Boer, M., S. van Dorsselaer, M. de Looze et al. (2022) HBSC 2021: Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Universiteit Utrecht, Rapport.
König, L., R. Schröder, T. Hamer en R. Suhr (2024) Depression and health literacy among adolescents and adults in Germany: findings from two representative samples. Frontiers in Psychology, 15, 1494333.
Kranjac, A.W., D. Kranjac en V. Chung (2025) Temporal and generational changes in depression among young American adults. Journal of Affective Disorders Reports, 21, 100949.
Kroenke, K., R.L. Spitzer en J.B. Williams (2001) The PHQ-9: validity of a brief depression severity measure. Journal of General Internal Medicine, 16(9), 606–613
Auteurs
Categorieën