Nederland produceert veel kennis, maar weet die maar beperkt om te zetten in economische en maatschappelijke waarde. De komst van Nobelprijswinnaar Joel Mokyr vormde de aanleiding voor een rondetafelgesprek waarin wetenschap, beleid en bedrijfsleven de oorzaken van deze kloof en mogelijke oplossingen verkenden.
In het kort
- Door polarisatie, protectionisme en poldercompromissen hapert de omzetting van kennis naar waarde in Nederland.
- Meer financiering kan de haperende markt voor ideeën alleen vlottrekken als de prikkels en instituties meeveranderen.
- Een innovatiefonds voor wetenschappers en ruimte voor baanbrekende ideeën die mogen falen, versnellen de vertaalslag.
In het coalitieakkoord staat dat “wetenschappelijke kennis meer moet worden omgezet in economische waarde” (Coalitieakkoord, 2026). Op deze ambitie zullen maar weinigen iets aan te merken hebben. Behalve dan dat ze ook in het coalitieakkoord van een van de kabinetten-Balkenende of -Rutte had kunnen staan.
Het Innovatieplatform van Balkenende II in 2003, het topsectorenbeleid van Rutte I in 2011, het Nationaal Groeifonds en Invest-NL onder Rutte III, en nu het aangekondigde Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Telkens wordt opnieuw geprobeerd de Nederlandse kennis beter te verzilveren, en telkens stelt de volgende coalitie met de oprichting van een nieuw vehikel vast dat de vorige daar niet in geslaagd is.
Achter die opeenvolging van vehikels schuilt de zogenoemde kennisparadox: Nederland excelleert in onderzoek, maar blijft achter in de vertaling naar toepassing en opschaling (Nauta, 2008). Nederland publiceert, octrooieert en exporteert kennis op hoog niveau: we stonden in 2025 nog op de derde plek van het European Innovation Scoreboard, en op de Global Innovation Index op de achtste (WIPO, 2025). Tegelijk stagneert de arbeidsproductiviteitsgroei (CBS, 2024) – die blijft in Nederland flink achter bij die in de Verenigde Staten (Janssen en Butler, 2024). In zijn recente rapport over het Nederlandse verdienvermogen stelt Peter Wennink (2025) dan ook dat onze investeringen in kennis zich nog weinig uitbetalen in economische waarde, waarmee “Nederlandse investeringen in kennis de facto ontwikkelingshulp voor landen als Singapore en de VS” worden.
Over de vraag waarom de vertaalslag van kennis naar economische waarde maar niet van de grond komt, ging een selecte groep uit wetenschap, beleid en bedrijfsleven op 13 mei rond de tafel, op uitnodiging van de Prof. F. de Vries Stichting, de KNAW en ESB (kader 1). Aanleiding was de komst van Joel Mokyr, in 1946 in Leiden geboren en in 2025 samen met Philippe Aghion en Peter Howitt onderscheiden met de Nobelprijs voor de Economie. Zijn werk over de culturele en institutionele wortels van vooruitgang biedt een vruchtbaar kader voor het begrijpen en oplossen van de Nederlandse paradox en werd geduid door Jan-Jacob Vogelaar. De discussie die zich daarna ontspon vond plaats onder de Chatham House Rule – dit verslag geeft de hoofdlijnen weer.

Wat Mokyr ons leert
Mokyr (2002; 2017) is een economisch historicus die onderzoekt waarom de industriële revolutie juist in Europa en niet in China of het Ottomaanse Rijk van de grond kwam, terwijl die landen op veel terreinen voorlagen. Volgens Mokyr ligt het antwoord niet in de aanwezigheid van geniale individuen als Isaac Newton en Galileo Galilei. En ook niet in een gunstige geografische ligging (Diamond, 1997) of een stabiele staat alleen (North, 1990; Acemoglu et al., 2001). Doorslaggevend was de opkomst van een cultuur van kennisuitwisseling, nieuwsgierigheid en kritisch onderzoek in het Europa van de zeventiende eeuw, waarin het idee groeide dat de natuur kenbaar en beheersbaar is, en kennis actief gedeeld en toegepast moet worden.
Om te begrijpen hoe die cultuur tot vooruitgang leidde, onderscheidt Mokyr twee soorten kennis. Propositionele kennis is het weten dát iets zo is: de wetten van de thermodynamica, het bestaan van bacteriën, hoe het DNA in elkaar zit. Prescriptieve kennis is het weten hóé: hoe je staal smelt, hoe je infecties bestrijdt, hoe je een mRNA-vaccin produceert.
Vooruitgang ontstaat wanneer die twee soorten kennis elkaar versterken. Het mRNA-vaccin tegen het coronavirus is daarvan een treffend voorbeeld. Het jarenlange fundamentele onderzoek van biochemicus Katalin Karikó naar mRNA leverde de propositionele kennis. Toen die zich verbond met industriële productiekennis, kon binnen een jaar een werkend vaccin van de band rollen.
Maar de wisselwerking voltrekt zich niet vanzelf, en kan ook actief worden tegengewerkt. Mokyr wijst op de rol van gevestigde belangen die innovatie kunnen afremmen via niet-marktmechanismen (Mokyr, 1990; 1992). Daarbij gaat het niet om luddieten met hamers, maar om gildes, vakbonden, brancheorganisaties en bureaucratieën die via lobbywerk, regelgeving, vergunningen en overlegcircuits nieuwe ideeën kunnen blokkeren of vertragen. Volgens Mokyr lag de Britse voorsprong tijdens de industriële revolutie vooral in het vermogen om zulke gevestigde belangen te overrulen. Voor een land met een vier eeuwen oude poldertraditie is dat een ongemakkelijke gedachte.
De markt voor ideeën – Mokyrs term – vraagt om instituties die haar dragen: eigendomsrechten, betrouwbaar bestuur en openheid voor uitwisseling over grenzen heen. En om een cultuur waarin nieuwe ideeën beoordeeld worden op hun kwaliteit, niet op de identiteit van wie ze inbrengt. Die norm is kwetsbaar: ze erodeert wanneer systemen conformiteit gaan belonen, maar ook wanneer de afzender zwaarder gaat wegen dan de boodschap.
De Nederlandse markt voor ideeën
De Nederlandse kennisparadox is in Mokyrs termen een haperende markt voor ideeën: propositionele kennis wordt wel geproduceerd, maar de vertaalslag naar prescriptieve kennis, naar het hoe van toepassing en opschaling, blijft steken. Hoe de markt voor ideeën in Nederland functioneert, is dan ook de kern van de discussie.
Welke vooruitgang we willen
Innovatie zou zich ook moeten richten op maatschappelijke uitdagingen als bestaanszekerheid, klimaat, en gezondheid, zo stelde een groep rondetafeldeelnemers. Alleen sturen op economische groei is niet wenselijk. Vooruitgang is namelijk een breder begrip. Hoewel China in een indrukwekkend tempo nieuwe technologieën uitrolt, zouden de meeste deelnemers er niet willen wonen. Vooruitgang die ook ecologisch en sociaal iets oplevert, schept zelf het draagvlak waarop verdere vooruitgang rust. Het kabinet-Rutte IV sprak van groene groei en Den Uyl (1978) had het al over selectieve groei.
Maar alles meewegen bij vooruitgang verlamt. Wie alles meeweegt, eindigt zonder focus. En zonder focus geen actie. Eerdere initiatieven als het Innovatieplatform hebben volgens meerdere deelnemers littekens achtergelaten. Te brede ambitie, te weinig urgentie, te zachte landing. In het buitenland gaat dat beter. Zweden bouwde sinds de jaren negentig stelselmatig barrières voor nieuwe bedrijven af en heeft daarmee de dynamiek van start-ups versterkt (Heyman et al., 2019). Zwitserland produceert relatief veel wetenschappelijke start-ups. Het Verenigd Koninkrijk heeft sinds 2023 een eigen DARPA in de vorm van ARIA, Duitsland heeft sinds 2019 een vergelijkbare organisatie in SPRIND.
Het meest sprekende voorbeeld is misschien Denemarken. Na de oliecrisis van 1973 koos het expliciet voor windenergie als nationale strategie, met een eerste energieplan in 1976, feed-in-tarieven en gerichte subsidies (Johansen, 2021). Op die golf schakelde Vestas over van hydraulische kranen op windturbines en groeide uit tot wereldmarktleider. De Deense les: een nationale keuze hoeft niet te botsen met brede maatschappelijke waarden, zolang iemand de keuze maakt en eraan vasthoudt.
Van ideeën naar uitvoering
Het meest terugkerende thema in de discussie was de vertaalslag van kennis naar waarde. Ideeën zijn makkelijk, uitvoering veel minder. Voor doorbraken is een klimaat nodig waarin gefaald mag worden, dat verder reikt dan beleidsdocumenten, en doorwerkt in hoe financiers, toezichthouders, regelgevers en universiteiten daadwerkelijk handelen.
Dat klimaat is in Nederland voor verbetering vatbaar. Kleine bedrijven krijgen vaak met vergelijkbare administratieve verplichtingen te maken als grote bedrijven, terwijl de kosten daarvan per werknemer aanzienlijk hoger liggen (Panteia, 2025). De Europese kapitaalmarkt is sterk gefragmenteerd, wat verticale financiering van technologische opschaling moeizaam maakt (Draghi, 2024). Van laboratorium tot fabriek loopt het spoor doorgaans stuk op een van de tussenstations. En aan universiteiten staat de valorisatie van de citatiecultuur nog te vaak in de weg. Wie tijd in een spin-off steekt, scoort niet op de criteria waarop carrièreverloop wordt bepaald.
Tegelijk werd bij de rondetafel benadrukt dat er principieel geen spanning hoeft te zijn tussen basisonderzoek en commercialisering. Die spanning ontstaat pas in de organisatie ervan. Wat beschermd moet worden, is de onafhankelijkheid van de wetenschapper. Zodra het beeld postvat dat onderzoekers “het voor het geld doen”, verdampt het vertrouwen waarop samenwerking met de markt rust.
Urgentie oproepen
Dat barrières geen blokkade hoeven te zijn, bleek tijdens corona. Toen er een eenduidige missie lag en urgentie van alle kanten voelbaar was, lukte het om in enkele maanden te realiseren wat normaal jaren kost. De vraag is of we instituties kunnen bouwen die die urgentie ook in gewone tijden weten op te roepen.
Op één concreet voorstel ontstond rond de tafel duidelijk beweging: een innovatiefonds voor wetenschappers met een ondernemende ambitie. Een budget van honderd à tweehonderd miljoen euro vanuit het ministerie van Onderwijs of Economische Zaken, uitgekeerd in kleine bedragen, met beperkte aanvraageisen en uitdrukkelijk ruimte om te falen. Als één op de tien ideeën aanslaat, of zelfs maar één op de honderd, kan dat al een aanzienlijke opbrengst voor de samenleving betekenen.
Cruciaal is dat het fonds laagdrempelig is: geen zware businessplanvereisten of rendementstoetsen. De aanvrager moet ook wetenschapper kunnen blijven, geen ondernemer worden. Bestaande instrumenten als de NWO-TTW gaan al die richting op, maar zijn te sectoraal en te zwaar voor vroege ideeën. Wat ontbreekt is een experimenteerruimte tussen fundamenteel onderzoek en markttoepassing.
Een voorwaarde is wel dat universiteiten meebewegen. Zolang wetenschappers vooral beoordeeld worden op publicaties in toptijdschriften, is valorisatie een carrièrerisico. Inspiratie kan worden opgedaan bij de KU Leuven: valorisatie-inkomsten kunnen er direct terugvloeien naar de onderzoeksgroep die ze genereert, wat een concrete financiële prikkel schept zonder fundamenteel onderzoek te bestraffen (Beyer en Deyaert, 2022). Nederlandse universiteiten kunnen daarbij ondernemende inzet expliciet meewegen in aanstellings- en bevorderingsbeslissingen, juist om de kloof tussen propositionele en prescriptieve kennis in Nederland te overbruggen.
Aan het einde van de bijeenkomst was langs vijf lijnen een agenda voor vooruitgang te destilleren (kader 2)
Kader 2 Een agenda voor vooruitgang
Allereerst, geef ruimte. Maak in regelgeving onderscheid tussen grote en kleine spelers, en experimenteer met tijdelijke regelluwe zones.
Ten tweede, schep aan universiteiten ruimte voor wetenschappers om óók te ondernemen, en beoordeel hen op meer dan alleen toppublicaties.
Ten derde, organiseer de interactie tussen wetenschap en innovatie transdisciplinair, met ruimte voor verschillende vormen van innovatie, en met de erkenning dat een aanzienlijk deel niet zal slagen.
Ten vierde, sluit de financiering beter aan op de innovatieketen. Zorg voor een samenhangend financieringssysteem dat alle ondernemerschapsfases dekt.
Ten vijfde, formuleer een urgente en politiek gedragen agenda, in Nederland en in Europa. Kies een handvol terreinen waarop Nederland mondiaal mee wil tellen, durf andere los te laten, en houd die keuzes vol over kabinetsperiodes heen.
Conclusie
Vooruitgang in Nederland gaat in tweede instantie over geld, en in eerste instantie over gedrag, instituties en cultuur. Precies de variabelen die er volgens Mokyr op lange termijn toe doen maar die zich het moeilijkst laten sturen. Het was immers een bijzondere samenloop van omstandigheden waardoor juist in Europa de industriële revolutie losbrak, terwijl rijkere beschavingen elders achterbleven.
De vraag lijkt voornamelijk of we ook echt bereid zijn om de cultuur van vooruitgang te organiseren. Het materiaal is aanwezig: hoge wetenschappelijke kwaliteit, internationaal verweven onderzoek, publiek vertrouwen in wetenschap. Wat ontbreekt is de institutionele inrichting die ambitie omzet in actie: universiteiten die valorisatie belonen, financiering die de innovatieketen verticaal dekt, en een politiek die keuzes maakt en ze volhoudt. Zolang die inrichting niet verandert, is het antwoord op die vraag feitelijk nee – hoe oprecht de intenties ook zijn. Dan staat er over een paar jaar in het volgende coalitieakkoord opnieuw dat wetenschappelijke kennis meer in economische waarde moet worden omgezet. Met opnieuw een nieuw agentschap, een nieuwe rondetafel en opnieuw te weinig effect.

Literatuur
Acemoglu, D., S. Johnson en J.A. Robinson (2001) The colonial origins of comparative development: An empirical investigation. The American Economic Review, 91(5), 1369–1401.
Bedrijvenbeleid in Beeld (2026) Publiek-private R&D-samenwerking in Nederland. Bedrijvenbeleid in Beeld, Ministerie van EZK.
Beyer, P. en T. Deyaert (2022) Leuven Research and Development: van idee naar onderneming. Artikel op www.veto.be, 12 december.
CBS (2024) Arbeidsproductiviteit neemt steeds minder toe in afgelopen 50 jaar. CBS Nieuwsbericht, 8 augustus.
Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl.
Diamond, J. (1997) Guns, Germs, and Steel. Guns, Germs, and Steel. A Short History of Everybody for the Last 13,000 Years. London: Jonathan Cape.
Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness: A competitiveness strategy for Europe. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.
Hall, P.A. en D. Soskice (red.) (2001) An introduction to varieties of capitalism. In: P.A. Hall en D. Soskice (red.), Varieties of capitalism: The institutional foundations of comparative advantage. Oxford, VK: Oxford University Press, p. 1–68.
Heyman, F., P.-J. Norbäck, L. Persson en F. Andersson (2019) Has the Swedish business sector become more entrepreneurial than the US business sector? Research Policy, 48(7), 1809–1822.
Janssen, H. en B. Butler (2024) Arbeidsproductiviteitsgroei in Nederland fors lager dan in de VS. Statistiek op esb.nu, 20 juni.
Johansen, K. (2021) Blowing in the wind: A brief history of wind energy and wind power technologies in Denmark. Energy Policy, 152, 112139.
MinOCW (2025) Internationale co-publicaties. MinOCW, 24 oktober. Te vinden op www.ocwincijfers.nl.
Mokyr, J. (1990) The lever of riches: Technological creativity and economic progress. Oxford, VK: Oxford University Press.
Mokyr, J. (1992) Technological intertia in economic history. The Journal of Economic History, 52(2), 325–338.
Mokyr, J. (2002) The gifts of Athena: Historical origins of the knowledge economy. Princeton, NJ: Princeton University Press.
Mokyr, J. (2017) A culture of growth: Origins of the modern economy. Princeton, NJ: Princeton University Press.
Nauta, F. (2008) Het Innovatieplatform: innoveren in het centrum van de macht. Den Haag: Academic Service.
North, D.C. (1990) Institutions, institutional change and economic performance. Cambridge, VK: Cambridge University Press.
Panteia (2025) Fiscale administratieve lasten MKB: Indicatie van de omvang en ontwikkeling 2019–2024 gemeten via een QuickScan. Panteia Rapport, 7 mei. Te vinden op open.overheid.nl.
Slief, J., B. Demirel, I. Huffnagel-Bastiaans et al. (2025) Vertrouwen in de wetenschap: Enquête 2025. Rathenau Instituut. Rapport.
Uyl, J.M. den (1978) Inzicht en uitzicht. Opstellen over economie en politiek. Amsterdam: Bert Bakker.
Vennekens, A. en J. Slief (2025) Vertrouwen in de wetenschap. Rathenau instituut, Factsheet, 3 juli.
Visser, J. en A. Hemerijck (1997) ‘A Dutch miracle’: Job growth, welfare reform and corporatism in the Netherlands. Amsterdam: Amsterdam University Press
Wennink (2025) De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Rapport Wennink, december.
WIPO (2025) GII 2025 results. World Intellectual Property Organization.
Auteur
Categorieën