Ga direct naar de content

Jrg. 64, editie 3219

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 29 1979

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN;

UiTGAVE VAN DE

29 AUGUSTUS 1979

esbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

64eJAARGANG

INSTITUUT

No. 3219

Eerst de discussie ,,opschonen”

Terwijl in een aantal bedrijven en bedrijfstakken de cao’s voor 1979 nog moeten worden afgesloten, zijn op nationaal
niveau de voorpostengevechten voor het arbeidsvoorwaar-
denoverleg voor 1980 al weer begonnen. De cijfers voor
het komend jaar die tot nu toe bekend zijn geworden laten
er weinig twijfel over bestaan dat er in 1980 niet veel te ver-
delen zal zijn. Het VNO becijfert voor dit jaar al een beslag
van de collectieve sector op de groei van het nationaal in-
komen van meer dan 100% en voor 1980 wordt voor een
herhaling daarvan gevreesd, zeker als het kabinet de rijks-
bijdragen aan de sociale fondsen vermindert en daarmee
een verhoging van de premielast voor werkgevers en werk-
nemers noodzakelijk maakt. Dat zou betekenen dat het
bedrijfsleven in zijn geheel op de minlijn wordt gezet.
Dat het die richting uitgaat blijkt ook uit uitlatingen van
premier Van Agt, die zijn eerdere ,,garantie” dat de koop-
kracht van de modale werknemer gehandhaafd zou blijven
nu tot ,,ideaal” heeft uitgeroepen, daarmee, aldus voor-
zitter Van der Meulen van het CNV, de geesten rijp makend
voor een korting op de lonen. De vakbeweging zal zich
daartegen ongetwijfeld verzetten, zeker als op het gebied
van de arbeidstijdverkorting en de herverdeling van be-
schikbare werkgelegenheid Wéinig resultaten worden ge-
boekt.
Van veel groter gewicht echter dan het te verwachten
gemillimeter in de initiële sfeer is de bepleite zuivering
van de automatische prijscompensatie voor de stijging van energieprijzen. Een prijsstijging van energie (olie, aardgas
en elektriciteit) met 10% leidt tot een rechtstreekse verhoging
van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie met ca.
0,5%. Maar niet alleen energie zelf, ook produkten waarvan
de vervaardiging energie heeft gekost, worden duurder.
Het effect daarvan op het prijsindexcijfer van de gezins-
consumptie zal zeker zo groot zijn als het directe effect van
de energieprijsstijging. Als we dan bedenken dat de ruwe olie
in 1979 naar schatting al 50-60% in prijs is gestegen, wordt
duidelijk dat de beoogde ,,opschoning” van de prijscompen-
satie een aanzienlijke aantasting van de koopkracht
zou betekenen. Het CNV heeft dan ook al aangekondigd
met aanvullende looneisen te komen wanneer de prijs-
compensatie zou worden aangetast en ook FNV-bestuurder
Drabbe verklaarde het voorkomen van een aanslag op de
koopkracht langs deze weg tot inzet van de loonstrjd.
Op het eerste gezicht lijkt de zuivering van de prijs-
compensatie voor prijsverhogingen van energie geen on-
redelijke zaak. Waarom zouden de werknemers in staat
moeten worden gesteld de door de OPEC-landen geïndu-
ceerde prijsverhogingen af te wentelen op de ondernemers
die aan het oplopen van de prijzen part noch deel hebben.
De Tweede Kamer heeft zich conform deze gedachtengang
dan ook al een tijdje geleden in meerderheid uitgesproken
voor de motie-Engwirda. Daarin wordt het kabinet gevraagd
te bevorderen dat energieprijsstijgingen buiten de auto-matische prijscompensatie worden gehouden. Dezelfde
geluiden klinken ook in internationaal verband; de OESO
is eveneens tot de conclusie gekomen dat energieprjs-
verhogingen niet via indexeringsclausules in hogere lonen
zouden mogen resulteren. Toch valt er op de motivering voor
het zuiveren van de prijscompensatie zoals die thans kan
worden beluisterd, wel het een en ander aan te merken.
Voor het beoordelen van het systeem van de automatische
prijscompensatie moet men het effect op de verdeling van
het nationaal inkomen bekijken. Het gaat er immers om dat
‘een ruilvoetverlies niet eenzijdig op een bepaalde groep (i.c.

de werkgevers) wordt afgewenteld. Als we aannemen dat een
ruilvoetverlies geen aanleiding mag zijn tot een autonome
herverdeling van de nationale middelen – dat laatste is
immers een politieke beslissing bij uitstek – moeten zowel werkgevers als werknemers als overheid hun aandeel dra-
gen van de nationale verarming ten gevolge van ruilvoet-verlies. Omgekeerd zou ook bij het behalen van ruilvoet-
winsten het effect op de verdeling van het nationaal inkomen
moeten worden bekeken. Bovendien betreft het dan niet
alleen ruilvoetveranderingen vanwege energieprjsstijgingen,
maar ook allerlei andere ruilvoetverliezen of -winsten. Een
dergelijke beoordeling van het effect van ruilvoetverande-
ringen op de verdeling van het nationaal inkomen vindt thans
evenwel niet plaats en is ook niet ter sprake gekomen.
Zuivering van de automatische prijscompensatie voor ener-
gieprijsstijgingen is slechts een zeer selectieve maatregel die
bovendien uitsluitend de verdeling tussen werkgevers en
werknemers betreft.
Het lijdt geen twijfel dat de automatische prijscompen-
satie in geval van ruilvoetverliezen onbedoelde effecten heeft
voor de verdeling van het nationale inkomen en als zodanig
is het nuttig dat het systeem in zijn geheel ter discussie wordt gesteld (zoals b.v. door Hoffman die pleitte voor
algehele afschaffing). Maar dan moet dit niet gebeuren op
de eenzijdige wijze die thans aan de orde is. Dan moet de
verdeling van het gehele nationale inkomen in de discussie
worden betrokken en moet de invloed van alle ruilvoet-
veranderingen daarop worden bekeken.
Nu terug naar de actualiteit. Wat is onder de huidige
omstandigheden het geval? Dat is dat het nog helemaal
niet zo zeker is dat een verhoging van de energieprijzen
tot een ruïlvoetverlies voor Nederland leidt. Zolang ons
land per saldo exporteur is van energie, heeft het ook grote
voordelen van olieprjsverhogingen die – zij het met vertra-
ging – in de exportprijzen van aardgas doorwerken.
De schade die de werkgevers leiden als zij niet in staat zijn
de energieprjsverhoging door te berekenen zou wel eens meer dan gecompenseerd kunnen worden door een extra
winst die de overheid op het aardgas boekt. Veel meer dan het zuiveren van de automatische prijscompensatie zou het derhalve thans voor de hand liggen (een deel van) de extra
aardgasbaten aan te wenden voor een lastenverlichting voor
de werkgevers en tegelijkertijd de automatische prijs-
compensatie te handhaven. Dan zouden de lasten en lusten
van de energieprijsstijging de verdeling van het nationaal
inkomen ongemoeid laten. De situatie die nu dreigt te
ontstaan is er een waarbij de overheid slechts toe-
ziet hoe werkgevers en werknemers om hun door prijs-
stijgingen uitgeholde aandeel in het nationaal inkomen
vechten.
Pleiten voor het afscha’ffen van de automatische prijs-
compensatie zonder daarbij de verandering in de ruilvoet
en de daarmee samenhangende wijziging in de verdeling van
het nationaal inkomen in de beschouwing te betrekken is
een eenzijdig verhaal. Het komt in wezen neer op een verkapt
pleidooi voor loonmatiging. Daar is op zich zelf niets op
tegen en loonmatiging zou misschien best gunstige ge-
volgen kunnen hebben voor de nationale economie, maar
we maken ons wel schuldig aan misleiding als we een poli-
tieke keuze voor loonmatiging proberen te verkopen als een
technische correctie die door olieprjsverhogingen wordt
ingegeven. ‘

L. van der Geest

853

ECONOMISCH STATIST1SCHE BERICHTEN

ESb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Inhoud

Drs. L. van der Geest:

Eerst de discussie ,,opschonen” ……………………………853

Column

De relatie Noord-Zuid,
door Dr. J. Bartels ……………………
855

Drs. A. H. A
van der Meer:

Jaarverslag van de Bank voor Internationale Betalingen: zorgelijke

ontwikkeling

………………………………………….856

Vacatures
………………………………………………862

Prof Dr. Th. M. Schollen:

Het rendement op obligaties en obligatiefondsen onder invloed van

inflatie en belasting

…………………………………….863

Drs.
P. A.
Beukenkamp en Drs. P. Th. Grundemann:

De behandeling van klachten van levensmiddelenconsumenten ……..867

Fisconomie

Infiatieneutrale belastingheffing en hypotheekrente-aftrek,
door Drs.
A.
G. J. Haselbekke …………………………………….
873

Mededelingen

…………………………………………..877

Boekennieuws

…………………………………………..877

Staking in de haven?

ESB neemt u op sleeptouw.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnment op
Economisch Statistische Berichten.

NAAM
.
……………………………………………………

STRAAT
.
………………………………………………….

PLAATS
.
…………………………………………………..

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………

Ingangsdatum
.
………………………………………………

Ongefrankeerd opzenden
aan*:
ESB,
Antwqordnummer 2524

3000 VB ROTTERDAM

Handtekening:

Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos.
R. hierna, L. H. Klaassen, H. W. Lambers, P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,

A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. van der Geest.
Adjunct-redacteur-secretaris: T. de Bruin

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50, –
3062
PA
Rotterdam; kopij voor de redactie:
postbus 4224 3006
A E
Rotterdam.
Tel. (010) /455 11administratie:
1
oestel3701,
redactie: toestel 3790.
Bij adreswijziging s.v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tiveevoud,
getipt, dubbele regelafstand, brede marge.

Abonnementsprijs:f
144,04 per kalenderjaar
(mci.
4% BTW): studentenf 101,40
(mci.
4% BTW), franco per post voor
Nederland, België. Luxemburg, overzeese
rijksdelen (zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per uitimo van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
accepikaar:) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93,
3012
AE
Rotterdam, 1.n.v. Economisch
Statistische Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3,30
(mcl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmakingvan de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t.n. s’. Economisch Statistische Berichten
le Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het geivenste
exemplaar.

Advertentieveikoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de
Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisçh Instituut

Adres: Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam, tel. (010) 14 55 11.
Onderzoekafdelingen: Arbeidsmarktonderzoek
Balanied Internatiönal Growth
Bedrijfs-&onomisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
.Vesligingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projecistudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch-Mathematisch Onderzoek
Transport- Economisch Onderzoek

854

Dr. J. Bands

De relatie

Noord-Zuid

In de relatie Noord-Zuid staan
momenteel twee vragen centraal. De

eerste luidt: in welke mate is het Noorden
voor zijn welvaart afhankelijk van het
Zuiden? Enkele decennia geleden zou ge-

antwoord zijn, dat het Noorden eco-
nomisch kan blijven groeien onafhanke-

lijk van de ontwikkeling in het Zuiden.
Momenteel zou het antwoord waar-
schijnlijk anders zijn.
De tweede kernvraag betreft de moge-
lijkheid omstreeks 2000 een eind te heb-ben gemaakt aan de absolute armoede in

de ontwikkelingslanden. In 1960-1970
zou geantwoord zijn dat dit vraagstuk

niet is op te lossen. Momenteel zou het
antwoord positiever zijn, gegeven dat de
politieke wil aanwezig is.
Tijdens een symposium, georganiseerd
door de Raad van Europa en de OECD in

decemberjl., werden ten aanzien van de

relatie Noord-Zuid de volgende zeven
conclusies geformuleerd.

• De internationale economische ont-
wikkeling voor zowel Noord als Zuid

is niet veel belovend. Tenzij zich belang-
rijke structurele veranderingen voor-
doen wordt voor de democratische

industrielanden in de jaren tachtig en
negentig een blijvend hoge inflatie en

trage groei verwacht.
• Het inzicht groeit dat terugkeer naar
een aanvaardbare economische groei

met geringere inflatie afhankelijk is van

een grotere samenwerking met de ont-
wikkelingslanden.

• Momenteel worden de basisbehoeften van 800 mln. mensen niet bevredigd.

Als percentage van de wereldbe-
volking is dit aantal geringer, absoluut

echter aanzienlijk groter dan 20 jaar

geleden. Dit wordt op dramatische
wijze duidelijk aan de hand van de

cijfers over de kindersterfte. In
1975 stierven in de wereld 15
1
/
2
mln.

kinderen van vier jaar enjonger, waar-
van 15 mln, in de ontwikkelings-

landen. Bij de helft van laatstgenoem-
de 15 mln, had de doodsoorzaak te
maken met honger en ondervoeding.

• Indien men er in 2000 in geslaagd zal
zijn de ergste gevolgen van de armoede
te hebben overwonnen, zullen er jaar-

lijks 10 mIP, mensen minder sterven

en 15 tot 20 mln. minder geboren
worden.

• De OECD-landen hebben nog geen

duidelijk standpunt hoe te reageren op

de Noord-Zuiduitdaging. De politieke
leiders hebben wel een retorische visie,
maar de daadkracht schiet duidelijk te
kort.

Er zal weinig vooruitgang worden be-

reikt op economisch terrein noch op
het terrein van de basisbehoeften, ten-zij deze elementen met elkaar worden

verbonden. Een mbrele humanitaire
impuls kan daarbij niet worden ge-

mist.
Er is een aantal nieuwe politieke

en economische uitdagingen en reali-

teiten nodig, zoals in de jaren veertig
en vijftig het geval was. Nieuwe doel-
stellingen op het gebied van de buiten-

landse politiek moeten aansluiten op
krachten die in de wereld werkzaam
zijn.

Een kardinale vraag is of de derde

wereld inderdaad een katalysator voor
economische groei zal vormen.
op-
vallend in de afgelopen zes jaar is de ster-
ke toeneming van de handel tussen ont-
wikkelde en ontwikkelingslanden, voor-

al die in industriële produkten. Het in-
zicht is groeiend dat de potentiële rela-

ties tussen Noord en Zuid niet alleen het
nationaal inkomen en de werkgelegen-
heid zullen beïnvloeden maar ook de

mate van inflatie in het Noorden. Tijdens
de in de afgelopen jaren optredende

voedsel- en oliecrises bleek dat stijgen-

de prijzen wereldwijd de inflatie ver-
sterkten. Thans vooruitblikkend op de
jaren tachtig lijkt het erop dat een groei-
ende vraag vanuit de ontwikkelings-

landen van sterke invloed zal zijn op de

prijzenstructuur, vooral die van voedsel-

produkten. Als wij het gezichtsveld ver-
ruimen tot de jaren negentig zal conti-
nuering van de huidige trends ertoe lei-
den dat de graanexport uit Noord-

Amerika zal toenemen van 100 mln, ton
per jaar tot ca. 200 mln, ton. Noord-

Amerika zal deze toeneming alleen kun-
nen produceren tegen aanzienlijk hogere

produktiekosten.

Het belangrijkste agrarische poten-

tieel ligt in de ontwikkelingslanden.

De gecultiveerde landbouwoppervlakte
in India is even groot als in de Verenigde

Staten, maar heeft een lage produktivi-
teit. Op dezelfde landoppervlakte produ-

ceert India namelijk ca. 120 mln, ton
granen tegen 250 mln. ton in de

Verenigde Staten. Oplossing van India’s

financiële en institutionele problemen
zou ertoe kunnen leiden dat de produktie
toeneemt tot 300 mln, ton per jaar.

In de komende decennia dient de

graanproduktie in landen als India en
Argentinië te worden opgevoerd, wil
men sterk stijgende prijzen voorkomen.

Hetzelfde geldt voor energie. Invoer van
industriële goederen kan eveneens sterke
prijsstijgingen voorkomen, Mc Namara

noemde het groothandelsprjsindexcijfer
in de Verenigde Staten, dat in de afge-
lopen vijfjaar met 66% is gestegen. Voor
textielprodukten echter, waarvan on-
danks non-tarifaire importbeper-
kingen, een aanzienlijke invoer bestaat,
bedroeg de prijsstijging slechts
26%.
De
prijzen van huishoudelijke elektronische

produkten, zoals radio’s en televisie-
toestellen, waarvoor minder invoer-

restricties bestaan, daalden in de afge-

lopen vijf jaar.

Noord is zeer voorzichtig bij het slui-

ten van goederenovereenkomsten met
Zuid. Computerstudies hebben aange-

toond wat er gebeurd zou zijn als tussen

1963 en 1972 tussen Noord en Zuid
goederenovereenkomsten zouden zijn

gesloten: de ontwikkelingslanden zou-
den er $ 5 mrd. op vooruit zijn gegaan,

de Verenigde Staten echter $ IS mrd. De
conclusie is dat in een toekomstige opti-

male samenwerking tussen ontwikkelde
en ontwikkelingslanden Zuid de poten-
tie heeft te fungeren als ,,engine of

growth” en bijdraagt tot bestrijding van
de inflatie.

ESB 29-8-1979

855

Jaarverslag van de Bank voor
Internationale Betalingen:

zorgelijke ontwikkeling

DRS. A.H.A. VAN DER MEER*

9,,’
250

225

200

’75

Het jaarverslag van de Bank voor Internatio-

nale Betalingen besteedt – zoals gebruikelijk –

ruime aandacht aan de internationale econo-

mische situatie. Centraal staan dit jaar de pro-

blemen in verband met inflatie en onrust op de

valutamarkten. In dit artikel-wordt aan de hand

van het jaarverslag de stand van zaken in ‘de

wereldeconomie besproken. Het blijkt o.a. dat de

Bank voor Internationale Betalingen vergelijk-

bare, somber gestemde, verwachtingen heeft ten

aanzien van de ontwikkeling van de wereld

economie als b. v. de OESO.

Inleiding

Op II juni jI. verscheen het 49e jaarverslag van de Bank
voor Internationale Betalingen (BIB) te Bazel betreffende de

periode van 1 april 1978 t/m 31 maart 1979. In dit jaarverslag

staat een tweetal onderwerpen centraal, t.w. de internationale
valutaire onrust van het vorige jaar (dollarcrisis) en het

aanwakkeren van de inflatie. Aangezien de valuta-onrust en
de inflatie van grote betekenis zijn voor de internationale
economische ontwikkeling, worden beide onderwerpen in het
onderhavige jaarverslag verder geanalyseerd en wordt de

betekenis ervan doorgetrokken naar de toekomst. In juli jI.

verscheen eveneens het traditionele halfjaarlijkse econo-

mische rapport van de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) te Parijs. Ook aan

deze publikatie zal in dit artikel enige aandacht worden

geschonken, te meer daar ook in het sombere OESO-rapport

de stijging van de inflatie centraal staat.
Achtereenvolgens zullen in dit artikel aan de orde komen:
een overzicht van de stand van zaken in de wereldeconomie;
inflatie en werkloosheid; de maatregelen welke de
verschillende landen hebben genomen ter bevordering van een goede monetair-economische ontwikkeling; het -inter-
nationale handels- en betalingsverkeer; de internationale
geld- en kapitaalmarkten en de internationale valutaire

situatie.
Het artikel wordt besloten met een beschrijving vaneen
tweetal scenario’s over de toekomstige economische ont-

wikkeling (een optimistisch en een pessimistisch) waar

volgens de BIB de werkelijkheid ergens tussenin zal liggen.

Voor zover mogelijk worden de recente OESO-voorspel-
lingen in het geheel betrokken.

De huidige situatie van de wereldeconomie

Bezien we de economische ontwikkeling in 1978 in het

OESO-gebied, dan lijkt de ontwikkeling op het eerste gezicht

niet veel af te wijken van die in 1977. De vier belangrijke

hoofddoeleinden van economische.polïtiek— het voorkomen

van inflatie, het bestrijden van werkloosheid, het bevorderen
van het externe aanpassingsproces en het streven naar

economische groei – vertoonden echter bij nadere

bestudering niet de gewenste ontwikkeling, zoals figuur 1 laat
zien.

Figuur 1. Groei, inflatie, werkloosheid en extern evenwicht van de OESO-landen

849
250

TOlal real gros1 domosric p,oduCI


(1909.120. ..r.l.Ing.rilhmic stil,)

bood 1908-73:
s.

– 13%
50

/

25-

100

2*0

Un,mpIOvfl,nI
late

l.0

0.5
1-

Gros. c,,rronl.00oo,,,,I imb,I,,o,

1
fl92247
01

0

IIIllllII-IIIIIIII

0
1980

1982

1984

1966

1000

1970

1972

1974

1078

1978

Bron: Jaarverslag 818 1978.1979, bio. 10

In figuur 1 is het externe evenwicht weergegeven als de som
van de absolute cijfers van de lopende rekening van de

betalingsbalansen van de OESO-landen als percentage van
het gezamenlijke bruto nationaal produkt. Wat de groei

betreft, kan worden gezegd dat hij meteen toename van
nagenoeg gelijk is gebleven aan die van 1977. De

werkloosheid handhaafde zich ondanks de economische

groei op een veel te hoog niveau en de inflatie daalde in

verhouding veel te weinig. Ook de betalïngsbalansoneven-wichtigheid bleef te hoog en ligt nog steeds ruim boven het

niveau van voor. de oliecrisis van 1973. Tussen de OESO-
landen onderling bestonden er evenwel verschillen in de mate

* De auteur is hoofd Economisch Onderzoek-van Bank Mees &
Hope NV.

856

van ontwikkeling. Zo groeide de Amerikaanse economie

ondanks een daling met 1% t.o.v. 1977 het vorige jaar
verrassend sterk met 4,3%. Slechts weinig landen, o.a. West-

Duitsland (3,7%) en Japan (5,8%), groeiden sneller dan in
1977.

De OESO verwacht voor het lopende jaar een groei in de

industrielanden van gemiddeld 3,5% en in de eerste helft van
1980 slechts 2%. Dit laatste groeicijfer zou zelfs nog

optimistisch kunnen worden genoemd. Voor West-Duitsland
b.v. gaat de OESO uit van een verwachte groei in 1980 van 3%, terwijl de Duitse regering van 2,5% uitgaat. Aangezien

West-Duitsland, naast Japan, een locomotieffunctie in het
internationale economische herstel moet vervullen, is dit een
somber vooruitzicht.

Inflatie en werkloosheid
,

Het verloop van de inflatie heeft zich de laatste jaren in de
verschillende landen tegengesteld ontwikkeld. Terwijl de
geldontwaarding in de Verenigde Staten de afgelopen twee

jaar geleidelijk toenam, toonde deze in Europa – zij het op

globaal genomen twee verschillende niveaus – juist een
dalend verloop. Een illustratie hiervan verschaft figuur 2,

waarin het verloop van de inflatie in de onderscheiden
(groepen) landen is uitgezet.

Figuur 2. Verloop van het infiatiepercentage (12-maands ge-

middelden)

prijzen. Bovendien dreef ten gevolge van het uitblijven van de
recessie in de Verenigde Staten dit jaar de grote vraag de prijs
van de grondstoffen op. Ten slotte is er nog het gevolg van de

olieprjsverhoging. Volgens de OESO is er reeds sprake van

een verhoging van de olieprijs sedert december 1978 van rond

60%. De BIB concludeert dat er thans een zekere
convergentie in de ontwikkeling van het infiatiepeil in de

verschillende landen zou kunnen optreden ten gevolge van de
valutaire situatie. Met de totstandkoming van het Europese
Monetaire Stelsel zou er een periode kunnen komen van

grotere valutaire stabiliteit en zou wat dit betreft de inflatie

zich in de diverse landen meer gelijkgericht kunnen
ontwikkelen.

De BIB heeft eveneens de relatie tussen infiatiebestrijding
en werkloosheidsontwikkeling onderzocht. Zoals bekend

gaat het traditioneel bij de bestrijding van deze twee kwaden steeds om het één of om het ander. Werkloosheid kan slechts

worden aangepakt ten koste van meer inflatie en andersom.
In vele landen, o.a. Nederland, is evenwel de inflatie vermin-
derd zonder dat de omvang van de werkloosheid aanmerke-
lijk veranderde. De BIB concludeert daaruit dat, ingeval de

overheid de inflatie geleidelijk aan weet terug te dringen en de

winstgevendheid van nieuwe investeringen kan verhogen, het

mogelijk zal zijn ook de werkloosheid te verminderen.

Maatregelen ter bevordering van een goede monetair-eco-
nomische ontwikkeling

1
0
– 61,1,4 Stal,,
Japan

Hiufl-inlialiO,, Ewopa’

Op monetair terrein werd in het verslagjaar in de verschil-
lende landen een positieve bijdrage van de geldpolitiek ver-

wacht bij de bestrijding van de inflatie en/of de ondersteu-
24
van de nationale geldeenheid op de internationale

valutamarkten. Dit uitte zich in het binnen strakke grenzen

20
houden van de groei van de geldhoeveelheid. Tabel 1 geeft
een indruk van de groeicijfers van de geldhoeveelheid in de
verschillende landen.
16

Tabel 1. tslormpercentage en werkelijke groei van de

12

geldhoeveelheid (in %)
9

t

&6A

1074

913

191.

1975

1076

1977

1978

1979
Bron: Jaarverslag BIB 1978-1979. bIe. 34.
Ongewogen rekenkundig gemiddelde voor Belgio, West-Duitsland, Nederland en
Zwitserland. Ongewogen rekenkundig gemiddelde voor Frankrijk. ltali6 en het Verenigd Koninkrijk.
Sedert begin dit jaar is aan deze min of meer tegengesteld
verlopende infiatiebeweging een einde gekomen en treedt er
overal een stijging op, hetgeen de BIB met zorg vervult. De
voornaamste reden voor de stijging van de inflatie in de

Verenigde Staten in de jaren 1977-1978 was de snelle stijging
van de binnenlandse vraag. Daarnaast leidde de depreciatie
van de dollar tot een oplopen van de inflatie in de VS. Het
prijspeil in de Verenigde Staten steeg op jaarbasis van
4,8% eind 1976 via 6,8% ultimo 1977 tot 13% in maart van

dit jaar. De ontwikkeling van het inflatiepeil in andere lan-
den werd in gunstige zin beïnvloed door de depreciatie van

de Amerikaanse dollar. Ook het relatief goedkoper worden van de grondstoffen, waarvan de prijzen in dollars zijn uit-
gedrukt, werkte in belangrijke mate stabiliserend op de
hoogte van de inflatie.

De BIB noemt een aantal factoren die ertoe hebben
geleid dat dit jaar de inflatie in alle landen is gaan oplopen.
allereerst is er het laatste halfjaar een grotere valutaire sta-
biliteit ontstaan. Hierdoor is er een einde gekomen aan de

periode waarin de landen met t.o.v. de dollar appreciërende

valuta’s voordeel hadden van de lager wordende import-

Land
Geldhoe-
Periode
Norm

1

Uitkomst
procent, veranderingen
veelheid

Canada M
juni 1977 – juni 1978
7- 11
8,5
………….
juni 1978
6- 10
5,3a)

M1
12 mncitot dec. 1978
12b)
12,3
Frankrijk

………..
12 mnd. tot dec. 1979
lib)

West-Duitsland
centrale
1977 gem. – 1978 gem.
8
11,4
bankgeld
Iv/1978

IV/1979
6-9

M1
111/1977

111/1978
1 1-12e)
12,1
Japan

…………..
IV/1977
.

11/1979 12-13c) 12,3d)

M
7
/
netto
nationaal
Eind 1976

4i
3
Oe)
Nederland

……….
inkomen
Eind 1980
37,0 b)

Zwitserland
M
1

1977 gem.. 1978 gem.
5
16.2

Verenigd Koninkrijk
Sterling

ld-
12 mnd. tot halfapr. ’79
8-12
10.4
aanbod(M,)
12 mud. tot half okt.’79
8-12

Verenigde Staten
….
M
1

lV/1977

lv/1978
4,0.6,5
7.3
1/1978

11/1979
4.0-6.5 4,9g)
111/1978

111/1979
2.0-6,0

IV/1978

IV/l979
1,5-4,5

M,
IV/1977

l’//1978
65-9,0
8,5
1/1978

111/1979
6.5-9.0
7,lg)
IV/l978

fl111979
5,0-8,0
M
1
1V/1977

fl111978
7,5-10.0 9.4
1/1978 – 11111979
7.5-10.0
8,4g)
IV/1978

lv/1979
6.0-9,0

Bron: Jaarverslag BIB 1978 .1979, bie. 72
a) juni 1978 -januari 1979. b) Bovengrens. c) Schatting. d) 1/1978-1/1979. e) Werkelijke
verhouding. f) Doelstelling, te bereiken via steeds grotere afname. 8)1/1978-1/1979.

Met betrekking tot het bepalen van de juiste mate van groei
van de geldhoeveelheid stonden de monetaire autoriteiten

voor de taak te voorkomen dat het rentepeil te veel zou

ESB 29-8-1979

857

stijgen, omdat dit een herstel van de binnenlandse

economische ontwikkeling zou tegenwerken. Bovendien kon

een te grote appreciatie van de nationale valuta de
binnenlandse economische activiteit belemmeren via een

moeilijker exportpositie. Met dit probleem kampten vooral

West-Duitsland en Zwitserland. Per saldo zien we dat bij die
landen die het meeste op de internationale valutamarkten

hebben geïntervenieerd ten gunste van de Amerikaanse
dollar (West-Duitsland, Zwitserland, Japan) de werkelijke
groei van de binnenlandse geidhoeveelheid vaak aanzienlijk
van de genormeerde groei afweek. Speciale aandacht wijdt het jaarverslag ook aan de relatie

monetaire expansie-rentepeil-wisselkoers. De BI B consta-
teert dat de laatste jaren alleen Japan, en later ook West-

Duitsland en Zwitserland, erin zijn geslaagd een gelijkmatige

expansie van de geldhoeveelheid te combineren met een

stabiel renteniveau. Alleen in Zwitserland daalde de rente.

Wel apprecieerden de valuta’s van deze landen aanzienlijk.

lig

0
de rijksoverheid vraagt

hoofd onderafdeling

economie
(mnt./vrl.)

voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat
t.b.v. de Hoofddirectie van de Waterstaat,
Hoofdafdeling Financieel-Economische en
Planologische Zaken

De Rijkswaterstaat houdt zich o.m. bezig met
beleidsvoorbereiding en uitvoering m.b.t.
verkeers- en vervoers-infrastructuur, water-
keringen, inpolderingen, kwantitatief en
kwalitatief waterbeheer.

Taak van de onderafdeling, bestaande uit
3 medewerkers: leveren van een specifieke
inbren9 op het terrein van de macro-economie, de regionale economie en de vervoerseconomie
bij de beleidsvoorbereiding, zowel van het
lange termijnbeleid (b.v. structuurschema’s,
zeehavens, nota waterhuishouding) als van
concrete projecten (b.v. aanleg of verbetering
van landwegen, vaarwegen en zeehavens);
coördinatie van energie-aangelegenheden voor-zover van belang voor de Rijkswaterstaat.

Vereist: universitaire opleiding, b.v.k. macro-
economie; ruime ervaring in een overheids-
functie; redactionele ervaring; kennis van de
verkeers- en vervoerssector.
Leeftijd: 30-40 jaar.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.
Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring
max. f6604,- per maand.

Sollicitaties inzenden v66r 21 september 1979.

Bovengenoemd salaris is exclusief 8% vakantie-uitkering.

Schriftelijke sollicitaties onder vermelding van
vacaturenummer
9-266810936
(in linkerbovenhoek van brief
en enveloppe) en uw huisadres met postcode, zenden aan
de Rijks Psychologische Dienst, Prins Mauritslaan L
Corr. adres: Postbus 20013, 2500 EA ‘s.Gravenhage.

Andere landen ondervonden veel meer moeilijkheden bij het

simultaan’ stabiliseren van de genoemde drie monetaire
variabelîn.

Het internationale handels- en betalingsverkeer

De ontwikkeling van de wereldhandel had in 1978 een iets
gunstiger verloop dan het jaar ervoor. De reële groei bedroeg

het vorige jaar
5%,
tegen 4% in 1977. Het feit dat de groei van

de wereldhandel de laatste jaren bescheiden blijft, moet
worden gezien tegen de achtergrond van de lagere

economische groei van de industrielanden. Bedroeg in de

periode 1963-1972 de gemiddelde reële groei van de

wereldhandel 9% per jaar bij een gemiddelde groei van het

bruto nationaal produkt in de industrielanden van 4
2
%, de

laatste jaren ligt de groei van de wereldhandel nog maar net

boven de gemiddelde groei van de industrielanden. De

oorzaak hiervan moet worden gezocht in het lagere

investeringsniveau dat de laatste jaren in de industrielanden

geldt. Bovendien remt de onzekerheid over het wisselkoers-

verloop en de invoering van protectionistische maatregelen in

sommige landen de wereidhandel af. Ook voor dit jaar

verwacht de OESO een langzame groei van de wereldhandel, zodat voorlopig op een relatief laagblijvende omvang van het
handelsverkeer moet worden gerekend. Dit betekent tevens

dat vanuit de exportsector slechts geringe impulsen op een

opleven van de nationale economieën zullen uitgaan.
De ontwikkeling van de betalingsbalansen stond het

afgelopen jaar sterk in het teken van de wisselkoersmutaties.
Over het geheel genomen was de betalingsbalansstructuur in

1978 evenwel de beste van de laatste vijf jaar. Een illustratie
van de ontwikkeling van de lopende rekening van de

betalingsbalansen in de laatste jaren geeft tabel 2. Hierin
staan tevens de sombere verwachtingen van de OESO perjuli

1979 voor de periode tot midden-1980 vermeld.

Tabel2. Saldo lopende rekeningen betalingsbalans (in mrd.
$)

1976
1977 1978 1979
medio
1980a)

Totaal OESO. waarvan
-19 -26
1
/
2

6V
2

-15′!,
-18’/.
verenigdestaten
4’/
.15V,
-16
-ll,
– 9’/,
– Japan
3’/
II
6V
2

V.
21
2

– West.Duitsland
3y.
4’/, 8’/,
5
Frankrijk
– 6
. 3
1
/
i
0
– Engeland
-2
‘1
l
0
1
3
%
OPEC
36V,
29 6
31
37
Niet-olieprod. ontw. landen
.25V.
-23 -37
-45
-50

Bron: OECD.
Economie ow/ook.
nr
. 25.
a) Cijfers op jaarbasis.

Wat de jaren 1979 en 1980 betreft maakt de OESO het

nodige voorbehoud ten aanzien van de saldi lopende

rekening van de betalingsbalans. Ten gevolge van de
olieprijsstijging, die groter was dan voorzien ten tijde van de

opstelling van de cijferreeks, zal het betalingsbalanstekort
van het gehele OESO-gebied aanmerkelijk hoger uitkomen.

In plaats van een verwacht tekort van $ 26 mrd. in de tweede

helft van dit jaar, wordt voor deze periode een tekort op de
lopende rekening van ca. $40 mrd. voorzien. Voor het gehele
jaar 1979 zal het tekort ongeveer $25 mrd. bedragen (in plaats
van de in de tabel genoemde $ 15,5 mrd.). Voor de eerste helft
van volgend jaar wordt op jaarbasis een tekort op de lopende

rekening van de gezamenlijke OESO-landen van $ 30 mrd.

verwacht (in plaats van de genoemde $ 18,5 mrd.).

Uit dit overzicht blijkt dat de onevenwichtigheid in het

verslagjaar verder is afgenomen. Binnen de Groep van Tien
en Zwitserland zijn de onevenwichtigheden evenwel mede
onder invloed van de valutacrisis verder toegenomen. Het

totale saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans

van deze groep landen sloeg om van een tekort van $5 mrd. in

1977 in een overschot van $ 18 mrd. het vorige jaar. Terwijl de
lopende rekening van vooral Frankrijk, Italië en Zweden
te zamen met ruim $ 14 mrd. verbeterde, werden de verschil-

858

len tussen het tekort van de Verenigde Staten ($ 16 mrd.) en de
overschotten van West-Duitsland, Japan en Zwitserland

(resp. $8,75, $
16,5
en $5 mrd.) aanzienlijk groter. De dollar-
depreciatie leidde in deze drie landen tot een groter surplus op de lopende rekening van de betalingsbalans (en op de hierdeel
van uitmakende handelsbalans) ten gevolge van de ruilvoet-
verbetering. Aangezien er naar deze drie landen tevens veel
kort kapitaal stroomde vanuit dollarbeleggingen, namen hun
netto officiële reserves aanzienlijk toe.

Het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans

van de Verenigde Staten bleef in 1978 met $ 16 mrd. nagenoeg

even groot als in 1977 ($ 15,25 mrd.). De totale Amerikaanse
betalingsbalans vertoonde vorig jaar een tekort van $ 31,33

mrd. tegen een tekort van $ 34 mrd. in 1977 en slechts $8,75
mrd. in 1976. Zoals hierboven opgemerkt zal dit jaar en

volgend jaar de betalingsbalanssituatie van de OESO-landen

drastisch verslechteren. Een zelfde triest onevenwichtig beeld
als in 1974 bestond dreigt daarmede weer voor ons op te

doe men.
Het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans

van de landen van de OPEC-groep liep vorig jaar terug van
$ 29 mrd. in 1977 tot slechts $ 7 mrd. Deze daling van het

overschot kan worden verklaard uit de traag groeiende vraag

naar olie, terwijl het olie-aanbod uit niet-OPEC-landen

toenam. Verder was de olieprijs, uitgedrukt in dollars, sedert
1juli1977 niet gewijzigd, ondanks het feitdat dedollarwaarde

flink terugliep in 1978. Bovendien bleef de invoer van de
OPEC-landen groeien, zij het slechts 5%, tegen een toename
van 20% in de jaren 1976 en 1977 en 40% in 1974 en 1975. Ten

gevolge van de recente olieprijsverhoging, verwacht de OESO
dat het surplus van de OPEC-landen dit jaar fors zal stijgen.
Het volgend jaar zou dit overschot wat kunnen afnemen, als
de OPEC-landen een deel van hun olie-opbrengsten gaan

aanwenden voor het vergroten van hun import uit de
industrielanden. Kortom, een gelijk beeld op dit punt als in de
jaren 1974-1975.

De niet-olieproducerende ontwikkelingslanden zagen, na
een verbetering in 1977, het tekort op de lopende rekening van
hun betalingsbalans weer verder oplopen en wel tot
$35
mrd.
Dank zijde Vrij gemakkelijke verkrijgbaarheid van krediet op

de internationale geld- en kapitaalmarkten leidde dit voor

deze groep landen niet tot al te grote moeilijkheden. Door
middel van het aangaan van nieuwe internationale leningen,

officiële hulpverlening, schenkingen enz., kon de reserve-
positie van deze landen zelfs met ruim $ 12,5 mrd. verbeteren.

Het totale tekort op de handelsbalans van de Oostblok-
landen werd in 1978 $ 5 mrd. groter, waarvan de Sovjetunie
$ 3 mrd. voor haar rekening nam, ten gevolge van grote
graanimport. De BIB merkt hierbij nog op dat de Sovjet-
unie ongeveer 450 ton goud heeft verkocht, ter waarde Van ca. $3 mrd.

De internationale financiële markten

Na het topjaar 1977, vormde 1978 een nieuw recordjaar

voor de internationale financiële markten. Met name de

verstrekking van internationale bankkredieten steeg buiten-

sporig. Het aanbod was zo groot, dat in de ,,borrowers-

market” de debiteuren zeer scherpe condities konden
‘verkrijgen. De internationale kredietverlening nam toe met
netto $ 132 mrd.
(mcl. dubbeltellingen $ 138,5 mrd.), tegen
resp. $ 95,6 en $ 102 mrd. in 1976 en 1977. Van dit bedrag
werd $ 110 mrd. verstrekt in de vorm van internationale

bankkredieten (in 1977 $75 mrd.) en $28,5 mrd. via de euro-
en ,,foreign-bond”-markt (in 1977 $31,0 mrd.) Het aandeel

van de internationale bankkredieten in de internationale
kredietverlening steeg daarmee wederom verder. De
bankkredieten werden verstrekt door banken uit de Europese

landen van de Groep van Tien en Zwitserland (68%), banken

in Canada en Japan (8%), banken in de Verenigde Staten
(17%) en branches van Amerikaanse banken in de offshore-

centra (7%). De door de Europese banken verstrekte

kredieten ten bedrage van $ 145,2 mrd. vonden voor 81%

plaats in de vorm van eurokredieten (bruto). De netto

omvang van de eurokredietmarkt steeg daardoor in 1978 tot

$ 375 mrd. per de jaarultimo. De bruto omvang is uiteraard
groter en bedraagt, afhankelijk van de definitie, minstens

$500 mrd.
De grote groei van de verstrekking van de internationale

bankkredieten werd het afgelopen jaar in de hand gewerkt
door de zwakke binnenlandse kredietvraag, waardoor de

banken in versterkte mate internationaal gingen opereren.

Bovendien leidde de valuta-onrust en het grote Amerikaanse

betalingsbalanstekort tot een verhoogd aanbod van korte
middelen. De grote liquiditeit van de eurokredietmarkt

leidde, in nog sterkere mate dan in 1977, tot het ontstaan van
een kopersmarkt. De ,,spread” kwam hierbij verder onder

druk te staan.
De BIB ziet naar aanleiding hiervan een tweetal problemen

naar voren komen. Allereerst is er een macro-economisch

aspect. De zorg betreft hier de snelle groei van deze vorm van
kredietverlening waaruit inflatoire impulsen zouden kunnen
ontstaan. Verder is er een risico-aspect. Een te sterk aantasten
van de marges brengt het gevaar met zich dat de omvang van
de voorzieningen in verhouding tot de risico’s achterblijft.
Het renteverloop op de eurovalutamarkt gaf in 1978 een verder uiteenlopen van de euro-dollartarieven ten opzichte
van de euro-Duitse-mark- en euro-Zwitserse-franctarieven
te zien. Figuur 3 brengt dit in beeld.

Figuur 3. Inierbancaire tarieven van 3-mnds eurovalutadepo-
sito’s en het verschil met binnenlandse tarieven

OS dollar

00,005.
MitS

/

1.0
t., art,,,
OS cD 00
0.5

-0.5
Er.to.OM rat, min,, Garni., intmb.nk ml,
– 1.0
976

19n

1978

1979
Bron: Jaarverslag BIB 1978-1979. bIo. 127.

De dollartarieven stegen onder invloed van de hoge inflatie

in de Verenigde Staten en de maatregelen die werden
genomen ter ondersteuning van de Amerikaanse valuta. De
euro-Duitse-mark en euro-Zwitserse-franctarieven ontwik-

kelden zich parallel aan de binnenlandse tarieven.
De valuta-onrust, het hoog oplopen van de korte-dollar-
tarieven en de algehele economische onzekerheid, hadden een

remmend effect op de groei van de internationale kapitaal-
markt in 1978. Doordat vrijkomende gelden kort werden be-
legd vanwege het optredende rentevoordeel en de valuta-

onrust, bleef de groei van deze markt achter bij die van de

internationale bankkredieten.
Bruto steeg de emissie-activiteit in het verslagjaarmet$0,6

mrd. tot $36,7 mrd. De zwakheid vandedollarleiddeertoedat
bij de uitgifte van eurobonds het aandeel van de dollarsector
daalde van 63% in 1977 tot 48% in 1978. Vooral de Duitse-
mark-sector profiteerde hiervan door (ongecorrigeerd voor
wisselkoersverschillen) te groeien van 27% naar4 1%, vanwege
de voorkeur van de beleggers voor sterkere valuta’s. De
omvang van de euröbondmarkt liep terug van $ 19,5 mrd. in
1977 tot $ 15,9 mrd. in 1978. De foreign-bondmarkt daaren-

ESB 29-8-1979

859

tegen groeide het afgelopen jaar en wel van $16
1
6 rnrd.-tot-

welke voor buitènlande? goldei -met betrekking tot de
$ 20,8 mrd. Tabel 3 brengt dit in beeld

aankoop van obligaties luidende in Zwitserse francs. Het
bedrag van nieuwe emissies lag zelfs 66% boven dat van
Tabel 3. Internationale obligatieleningen in mln. $

het eerste kwartaal van 1978.


Jaar
Euro-bondemissics Foreign-bondemissies

totaal
waarvan
totaal
waarvan
Landen/

VS
– –
Duitse
privale


iiÇ
in


private
landengroepen
ollars
marken
place.
VS
Zwit-

place.
ments
str-
ments
land

West-Europa

……..
1976
5.750
3.830
.330
1.070
5.110
1.241
3.370
2.960
1977
9.010
5.740
2.780
.860
5.060
1.280
2.650 2.910
1978
5.360
2.440
2.250
1.330
5.950
1.631
2.300
1.710

……

1979/1
1.910
800
750 250
.800
260
.450
890

Canada

…………
1976
3.010
1.570
40
150
6.090
5.720
370
4.060
1977
1.950
990
410
60
3.430 2.980
360
1.830
1978
830
470 360
380
4.020
3.230
370
1.080
1979/1
430
430

30
1.580
840
480
410

Verenigde Staten


976 400 400

120
30

30
1977
.300
1.190
10
430
220

20
200
1978
1.320
970 230 200
370

220
150
1979/1
860
700
40

160

60

Overige ontwikkelde
1976
2.060
1.500
510
300
1.500
710 790
680
1977
2.080
1.450
590
320
1.450
670
660 510
1978
2.550 920
1.590
360
2.780
410
1.740
1.930
landen

………….

1979/1
570 90
470
140
870

870 590

Rest van de wereld
1976
1.060
450 270
180
900
690
120
210
1977
2.660
990
1.190
500
1.610
820
400
430
1978
2.980
1.080
1.290
750
2.070
290 540
880
1979/1
520 340
110

440 60
50
130

Internationale
1976
3.090
2.250
670
1.890
5.310
2.270
790
1.970
1977
2.480
1.980
240
890
4.840
1.920
870
1.820
1978
2.830
1.770
820
1.290
5.610
600
1.890
2.830
instellingen

………

1979/1
270
190
50
50
540 350
30 30

Totaal emissies
1976
15.370
10.000
2.820
3.710
18.940 10.630
5.440 9.910
1977
19.480
12.340
5.220
4.060
16.610
7.670
4.960 7.700
1978
15.870
7.650
6.5401
4.310
20.800
6.160
7.060 8.580
1979/1
4.560
2.550
1.420
470
5.390
1.510
2.940 2.050

De foreign-bondmarkt had het in verhouding tot de

eurobondmarkt iets gemakkelijker, omdat daar meer

alternatieven zijn voor belegging in Amerikaanse dollars, nl.

de Zwitserse franc en de Japanse yen. De plaatsing van
obligaties op buitenlandse kapitaalmarkten richtte zich dan ook sterk op Zwitserland en Japan waar de relatief zwakke
binnenlandse investeringsgeneigdheid, samen met het

liquiditeitencreërende effect van de officiële interventies op
de valutamarkten, tot gemakkelijke condities op de financiële

markten leidden. De buitenlandse vraag op deze kapitaal-
markten was dan ook erg groot. Japan stimuleerde dit nog
door de officiële kapitaalrestricties te verzachten. De waarde

van de nieuwe yen-emissïes door buitenlanders steeg van $ 1,4
mrd. in 1977 tot $4,7 mrd. in 1978. In Zwitserland steeg het
buitenlandse beroep zelfs van $ 2,1 mrd. tot $ 7,1 mrd. het

vorige jaar, ondanks de hier van kracht zijnde beperkende

maatregelen. Dit was voor het eerst meer dan de omvang van
de foreign-bondissues in de Verenigde Staten. De foreign-
bondemissies in West-Duitsland stegen met slechts$ 0,1 mrd.

tot $ 1,6 mrd.

Het eerste kwartaal van dit jaar toonde een opmerkelijk

herstel van de dollarsector. Op de eurobondmarkt werden er
vanwege de nog hoge korte rente in de Verenigde Staten voor

$ 2,6 mrd. nieuwe dollaremissies geplaatst tegen $ 1,9 mrd.
in de overeenkomstige periode van 1978. De activiteit in de
Duitse-mark- en de yen-sector liep daarmee iets terug. In de
foreign-bondsfeer vertoonde de Zwitserse-franc-sector een
grote activiteit door het opheffen van de bepalingen

De internationale valutaire situatie

De verslagperiode werd gekenmerkt door zeer grote fluc-

tuaties in het verloop van de belangrijkste wisselkoersen.
De bewegingen waren veel groter dan nodig was voor de

internationale aanpassing van de betalingsbalansen. Het

sterk schommelende verloop van de prijs van de verschil-
lende valuta’s blijkt duidelijk uit figuur 4.

Figuur 4. Verloop van enige wisselkoersen z.o.v. de Ameri

kaanse dollar (eind juni 1977 = 100)
fr’l
355


(,u,o4,u

A 1

IS
ls

r

t

t”/

t

S /


/
OM

I’


i’_•’j

‘t
,
….

1..
Eg

Int

077

loon

1979
Bron: Jaarverslag BIB 1978-1979. blz. 135

De koersafwijkingen t.o.v. de dollar bereikten eind

oktober 1978 een hoogtepunt nadat de snel stijgende inflatie

in de Verenigde Staten, het grote tekort op de lopende
rekening van de betalingsbalans en een gebrek aan
vertrouwen in daadkracht van de Amerikaanse autoriteiten

en in de dollar, tot een steeds grotere depreciatie hadden
geleid. Na de afkondiging van het reddingsprogramma d.d.

1 november 1978, ging het geleidelijk aan wat beter met de

dollar. Mede door de Amerikaanse steun en de forse
interventies op de internationale valutamarkten trad een

verder herstel in, zij het niet spectaculair. Pas in april en mei
van dit jaar werd de dollarkoers wat vaster. De centrale

banken van de Verenigde Staten, West-Duitsland, Japan en
Zwitserland intervenieerden de laatste twee maanden van
1978 in totaal ten bedrage van zo’n $ 17 mrd.

De dollarcrisis leidde ook tot nieuwe pogingen de Euro-pese monetaire samenwerking van de grond te krijgen. Na
een principebesluit hiertoe op 5 december 1978 ging, na
enige vertraging vanwege een aantal nog op te lossen

landbouwproblemen, op 13 maart van dit jaar het Europese

Monetaire Stelsel (EMS) van start. Het doel is de monetaire

stabiliteit in Europa te versterken. Tot op heden is dit aar-

dig gelukt, al is er een aantal tekenen (stijging van de rente-
niveaus, oplopen van de DM-koers, dalen van de Belgische
frankkoers, stijging van de goudprijs) die op wat spannin-

gen duiden. Ook het afgelopen jaar werden er weer vele
nieuwe internationale ijquiditeiten gecreëerd. Het forse

tekort op de Amerikaanse lopende rekening van $ 16 mrd.

droeg hier het nodige toe bij. Tabel 4 toont deze toename.

Het grootste deel van de toename van de monetaire
reserves betrof de vergroting van de deviezenreserves. Bij
deze groei van $ 43 mrd. was het opvallend, dat een groter

deel dan voorheen (63%) bestond uit dollars die in de

Is,

lGO

los

50

los

00

35

130

25

20

115

110

860

GEMEENTE

dr

NIEUWEG11
E1N

Nieuwegein
is
een door de rijksoverheid
aangewezen groeikern met thans 35.000
inwoners, binnen enkele jaren 55.000 in-woners.

In deze zeer dynamische gemeente
is op
het bureau Financieel-Economisch Beleid
van de afdeling Financiële Zaken van de secretarie wegens toename van de werkzaamheden plaats voor een

bed rij f s-

economisch

medewerker

het bureau Financieel-Economisch Beleid
is
onder meer belast met:
– de financieel-economische beleids-
advisering verband houdende met de (snelle) ontwikkeling van de gemeente;
– het werkgelegenheidsbeleid; – de efficiency-bewaking;
– de ontwikkeling van de automatisering; – het detailhandelsbeleid.
Voor het taakveld efficiency-bewaking
is
uitbreiding van het bureau, dat momen-
teel bestaat uit vier vaste medewerkers, noodzakelijk.
De functie in dit kader zal voorlopig om-
vatten:
– het doen van interne en externe bedrijfs-
economische onderzoeken, met name
daar waar sprake
is
van directe of
indirecte financiële betrokkenheid van de
gemeente;
– de beoordeling van de effectiviteit van investeringen en uitgaven;
– confrontatie en plancijfers en exploitatie-
cijfers, alsmede de analyse (van de ver-
klaringen) van de afwijkingen.
Wij verwachten overigens, dat de inhoud van deze functie zich niet zal beperken tot
het hiervoor genoemde, maar mede door
de inzet en belangstelling van de nieuwe
functionaris zich verder zal ontwikkelen.

Voor de goede vervulling van deze functie binnen het bureau denken wij aan de
volgende kwalificaties:
– een middelbare opleiding gecomplemen-teerd met een hogere beroepsopleiding
in de BE richting;
– het vermogen onderzoekresultaten
duidelijk in rapporten weer te geven en
zonodig concrete aanbevelingen te doen;
– praktijkervaring
op
het relevante werk-
terrein
is
noodzakelijk.
Salaris: maximaal f3.874,- bruto per
maand. Verdere groei behoort tot de
mogelijkheden van deze functie.
Nadere informatie bij de heer J. van
Amstel, chef Bureau F.E.B., tel. 03402
32944.

Sollicitaties binnen 10 dagen na het ver-

L

van

en van dit blad aan Burgemeester
thouders van Nieuwegein, Postbus
AA Nieuwegein,ondervermelding
caturenummer 185
op
de enveloppe.

Tabel 4. Verandering in de monetaire .wereldreserves 1976-
1978 (in mln. $)

IMF
reserve-
Landen
Goud
Deviezen
posities
SDRs
Totaal

Groep van 10
+
Zwilseland

1976

260
5.870
4.345
IS
9.970

1977
1.840
34.280
1.095
-265
36.950

978 2.715
34.890
2.590

50
34.965
Uitslaande bedragen
eind 1978
38.110
140.030
1.225
7.460
196.825

Overige ont wikkelde landen
-1976
-240
550
400
-125
585

1977

45
1.805
IS

20
1.755

1978
225
10.980 320
275
11.800
Uitstaande bedragen
eind 1978
4.145
34.320
1.395
990
40.850

Ontwikkelingslanden
m.u.v. olie-esporterende
landen
-1976

90
11.025
-135
-110
10.690

1977
195
10.640
50 25
10.910
-1978
285
11.710 395
280 12.670
Uitstaande bedragen
eind 1978
2.495
57.230
925
1.445
62.095

Totaal olie-i ,nporterende
landen

1976
-590
17.445
4.610
-220
21.245
-1977
1.990
46.725
1.160
-260
49.615

1978
3.225
57.580
-1.875
505
59.435
Uitstaande bedragen
eind 1978
44.750 231.580
13.545
9.895
299.770

Olie-exporterende landen

976
75
8.000
1.220
15
9.310

1977

40
10.595
205
85 10.845

1978 190
-14.615
-770
185
-15.010 Uitstaande bedragen
eind 1978
1.680
55.030
5.785
670
63.165

Alle landen

1976
-515
25.445 5.830
-205
30.555

1977
1.950
57.320
1.365
-175
60.460

1978
3.415
42.965
-2.645
690
44.425
Uitstaande bedragen
eind 1978
46.430
286.610
19.330
10.565
362.935

Bron: Jaarverslag BI 8. bIe. 154.

Verenigde Staten waren geplaatst. De. ..reservetoename

buiten de Verenigde Staten (37%) vond nagenoeg geheel in andere valuta’s dan deiollar plaats. Teleurstellend was weer

het geringe aandeel van de SDR-creatie in de reservetoename.
De totale hoeveelheid internationale reserves kwam per

ultimo 1978 uit op $ 363 mrd; het dubbele van het totaal per

eind 1973. Het gevaar bestaat dat deze sterke groei een

inflatoire- bedreiging voor het internationale monetaire
systeem vormt. Misschien is de huidige snelle stijging van de
goudprijs (tot boven de $ 300 per ounce) een gevolg hiervan.
Een gevaar is ook dat ingeval – zoals het afgelopen jaar – men

het dollaraandeel van de reserves wil omzetten in een andere
vorm van liquiditeiten, destabiliserende invloeden op het

wisselkoersverloop ontstaan. De BIB concludeert dan ook
dat zowel de stabiliteit van de samenstelling van de

internationale reserves als de groei ervan, sterk afhangen van

de politiek van de Amerikaanse regering.

Twee mogelijke groeiscenario’s

In een aantal opzichten doet de huidige economische

situatie denken aan de jaren 1973-1974. Ook in die jaren

stegen de .betalingsbalanstekorten en de importprijzen en

verslechterde de fuilvoet. Om enig inzicht in de toekomstige
ontwikkeling te krijgen, vanuit de huidige situatie, heeft de
BIB twee mogelijke scenario’s opgesteld, welke geen van
beide zullen uitkomen, maar mogelijk de uitersten weer-

geven.

ESB 29-8-1979

861

Optimistisch scenario: de Amerikaanse conjunctuur

zwakt verder af en gaat over in een rustige recessie. Dit
leidt tot een verbetering van de Amerikaanse

handelsbaIas (minder import) en een daling van de
grondstoffenprijzen. Het herstel van de dollar zet zich

voort en de inflatoire druk valt weg. De sterk anti-

infiatoire politiek van de andere grote industrielanden heeft succes en de groei van West-Duitsland en Japan

kan zich voortzetten. Gevolg: de inflatie vermindert,het

aanpassingsproces m.b.t. het betalingsbalansherstel
gaat door, de wisselkoersen zijn stabiel en er is sprake van een natige economische groei.

Pessimistisch scenario: de Amerikaanse economie komt
niet uit de inflatïespiraal. De prijsstijging van de

grondstoffen en olie gaat door. De Amerikaanse

betalingsbalans verslechtert nog meer en de dollar

deprecieert aanzienlijk. De grote industrielanden weren
zoveel mogelijk de externe inflatoire impulsen en

vertragen daarmee hun economische groei. Het

internationale aanpassingsproces komt niet op gang,
waardoor de valuta-onrust toeneemt en de inflatie

voortholt. Een wereldwijde recessie ontstaat.

Het werkelijke scenario is pas naderhand op te stellen. Om

het pessimistische beeld te voorkomen, adviseert de BIB de
industrielanden hun olie-import radicaal te beperken middels

energiebeperkende maatregelen, de ontwikkeling van

binnenlandse olieproduktie en het zoeken naar alternatieve

energiebronnen. Bovendien moet de Verenigde Staten de in-

flatie krachtiger bestrijden en haar betalingsbalanstekort
terugdringen.
De
BIB
zit hiermee op dezelfde lijn als de OESO in haar
laatste
Economic out/ook.
Deze Organisatie voorziet de
komende 12 maanden een grotere werkloosheid, aanhou-
dende inflatie en een achterblijvende economische groei. Om

dit sombere beeld zoveel mogelijk te voorkomen moet de
energiesituatie worden verbeterd en moeten de inflatie-

bronnen worden aangepakt. Het is te hopen dat de sombere

economische vooruitzichten van zowel de BIB als de OESO
een ieder zullen aanspreken, zodat op internationaal
niveau de huidige problemen in voldoende mate zullen

worden aangepakt. Ook het in vele landen oplopen van het

infiatiecijfer over de maand juli wijst duidelijk op de nood-zaak hiervan.

A.H.A. van der Meer

Vacatures
Functie:

Wetenschappelijk

medewerker (m/v) t.b.v. de Staf-

Functie:
BIz.:
afdeling Epidemiologie en Informatica, Sector Onder-
zoek, Analyse en Statistiek van het Ministerie van
Volksgezondheid en Milieuhygiene te Leidschendam
828
ESB van 8
QU/USIUS
Econoom (m/v) t.b.v. de Directie Algemene Financiële

Econometrist of kwantitatief econoom
(m/v)
voor het
en

Economische Politiek van het Ministerie
van
Financiën te ‘s-Gravenhage
Centrum voor Onderzoek van de Economie van de
Publieke Sector van de Rijksuniversiteit Leiden
790
Wetenschappelijk onderzoeker (m/v) t.b.v. het Proef-
828

Economisch beleidsmedewerker (m/v) voor de afdeling
station voor de Akkerbouw en de Groenteteelt in de
Vollegrond, afdeling Bedrijfssynthese van het Minis-
Financiën en Economische Zaken voor de Aggiome-
ratie Eindhoven
796
terie van Landbouw en Visserij te Lelystad
828

Directeur (m/v) voor het Ministerie van Volkshuis-
Organisatiedeskundige en een specialist kwaliteitsbeheer

vesting en Ruimtelijke Ordening t.b.v. de Rijksge-
voor de Postgiro en Rijkspostspaarbank te ‘s-Graven-
hage
bouwendienst, Regionale Directie ‘s-Gravenhage en
omstreken te ‘s-Gravenhage
804
Controller voor de sector Algemene Boeken van de
11/111

Econoom (m/v) voor het Ministerie van Volksgezond-
Uitgeverij Spectrum
BV
te
De
Meern
IV

heid en Milieuhygiëne t.b.v. het Rijksinstituul voor
ESB van 22 augustus
Drinkwatervoorziening, afdeling Economie en Mana-
Econoom voor de Stichting Informatieverwerking Mid-
gementsinformatie. te Leidschendam
804
den- en Kleinbedrijf van het Hoofd bedrijfschap detail-
Hoofd van de afdeling sociografisch onderzoek (m/v)
handel te ‘s-Gravenhage
840
bij de Associatie voor Planologie BV te Arnhem
II
Econoom voor de hoofdafdeling Maatschappelijke Tech-
Economen (m/v) voor het Ministerie van Volkshuis-
nologie van de Nijverheidsorganisatie TNO te Apel-
vesting en Ruimtelijke Ordening t.b.v. de Centrale
doorn
846
Directie van de Volkshuisvesting, Directie Onderzoek
Econoom voor de Studie- en onderzoekgroep van de
afdeling Sociaal-Economisch Onderzoek te Zoeter-
Nederlandse Spoorwegen te Utrecht
850
meer
Medewerk(st)er
beleidspianning
voor de sectie Planning
lU
Econoom (m/v) voor de afdeling economische zaken
van het bureau FME te Zoetermeer
851
van de afdeling Onderzoek en

Planning van de
Beleidsmedewerker voor het bureau Economische Zaken
Gemeente ‘s-Hertogenbosch
111
van de Secretarie van de Gemeente Zwolle
852
Jurist of econoom (m/v) bij de Raad voor het Filiaal- en Grootwinkelbedrijf te Amsterdam
852

ESB van /5 augustus
Hoofd (m/v) van de Hoofdafdeling Statistieken van

Coordinator economiewinkel (5/10 dagtaak) bij de
Criminaliteit en
Rechtspleging
bij het Centraal Bureau
voor de Statistiek
11
Faculteit der Economische Wetenschappen van de
Bureauhoofd (m/v) voor het Bureau Begrotingszaken
Rijksuniversiteit Groningen
823
van de Hoofdafdeling Comptabilitelt en Financiële
Medewerker bedrjfscontacten bij de provincie Utrecht
824
Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken
II
Econoom (m/v) voor de afdeling Financiën en Belasting
Regionaal-economisch beleidsmedewerker (m/v) voor
van de Gemeente Rijswijk
825
het bureau Economische Zaken van de Provincie Zuid-
Wetenschappelijk onderzoeker bij de vakgroep Beslis-
Holland
III
kunde, Statistische en Wiskundige Methoden der
Economisch medewerker (m/v) voor het management
Econometrie van de Subfaculteit Econometrie van de
bij het Algemeen Ziekenfonds Haaglanden te ‘s-Gra-
Katholieke Hogeschool Tilburg
826
venhage
IV

862

Het rendement op obligaties en
obligatiëfondsen onder invloed van

inflatie en belasting

PROF. DR. TH
. M. SCHOLTEN*

In onderstaand artikel gaat Prof Dr. Th. M.

Scholten in op de vraag in hoeverre in de

afgelopen decennia het beleggen in obligaties

aantrekkelijk is geweest. Het blijkt dat deze vorm

van belegging in de meeste naoorlogse jaren een

negatief rendement heeft opgeleverd, maar

momenteel – gezien het peil van de inflatie en

van de rente zeker het overwegen waard is.

Daarnaast levert Prof Scholten kritiek op een

voorstel van de regering om het z.g. fictieve

rendement (ten aanzien van beleggingen in bui-

ten Nederland gevestigde beleggingsmaatschap-

pijen) te verhogen van 3,6 tot 6%. De auteur heeft

de correctie volgens de methode van het fictieve

rendement voor de periode 1953-1976 vergeleken

met de correctiemethode die in het rapport-

Hofstra wordt voorgesteld. De resultaten van

beide correctiemethoden zijn vrijwel gelijk.

De aantrekkelijkheid van het beleggen in obligaties

Hoe moet men – zo zou onze vraag kunnen luiden – de
attractie van obligaties als beleggingsmateriaal waarderen?
Het ligt in de rede voor het antwoord op deze vraag te kijken
naar de opbrengst van die belegging. Welnu, die opbrengst

is in de bijgaande grafiek over een vrij lange periode, nl. van

1953 tot 1976, zichtbaar gemaakt (lijn A). Gekozen is voor het
rendement op enkele langlopende staatsleningen 1). In de eer

ste helft van deze periode ligt de rente tussen 3y
2
en
5%;
in
de tweede helft klimt het rendement geleidelijk van 5 naar 9%.

Deze cijfers geven de ontwikkeling weer van de
nominale

rente van het rentetype van staatsleningen. Sinds wij moe-

ten leven met het verschijnsel inflatie – geconfronteerd wor

den niet een voortdurende waardedaling van het geld – is
met de vermelding van deze nominale rentecijfers nog maar

een stukje van het opbrengstverhaal verteld. Daarom is in de

grafiek, behalve de nominale rentelijn ook de hoogte van de
inflatie voor dezelfde periode weergegeven (lijn B) 1). Deze lijn
herinnert ons eraan dat de geldontwaarding, die tussen 1953
en 1962 nog rond de 2/ â 3% schommelde, daarna versnelde
en van 1970 af steeds dichter de nominale rente naderde; van
1972 tot en met 1975 ging de inflatie het nominale rendement

zelfs te boven.
Brengen we deze trieste geschiedenis nog eens in beeld door
apart de inflatie op de nominale rente in mindering te
brengen, dan zien we lijn C verschijnen. Deze lijn, die ont-

staat door eenvoudig de lijnen A en B van elkaar af te trek-

ken, geeft de echte, de
reële
rente weer. Van 1953 tot 1962 was

de reële rente gemiddeld 1,8%, van 1963 tot 1969
1%,
van 1970

tot 1976 slechts
0,4%;
in de laatste twee jaren van die laatste

periode was de reële rente zelfs negatief, te weten – 0,3%. Op de invloed die de inflatie heeft op de
hoofdsom,
op de
waarde van het terug te betalen bedrag aan het einde van de looptijd, gaan we nu niet verder in; het behoeft geen betoog
dat de aantasting van de waarde van het geleende bedrag zelf
de uitkomst voor de belegger in vastrentende waarden nog

ongunstiger maakt.

953

1960

1965

1970

1975
Nominale rente staatsleningen

Inflatie
. Reele rente staatsleningen
– ….Netto reële rente staatsleningen

Behalve inflatie, die de reële zoveel lager deed en doet zijn
dan de nominale rente, is er, zoals bekend, ook nog
belasting.

Als we de inkomstenbelasting van de particuliere belegger op

* Voorzitter van de directie van de Robeco-groep en buitengewoon
hoogleraar aan de Interfaculteit voor Bedrijfskunde te Delft.
1) Ontleend aan: Prof. H. J. Hofstra,
Infiazieneutrale belastinghef-
fing.
‘s-Gravenhage, 1978, blz. 28.

ESB 29-8-1979

863

50% stellen – en ieder weet dat die belasting nog altijd be-
rekend wordt over de nominale rente – dan is het niet moei-

lijk uit te rekenen dat het netto reële rendement op vaste-

rentedragende beleggingen in vrijwel alle jaren uit de meer-

genoemde periode negatief is geweest. Lijn D in de grafiek
spreekt voor zich zelf.
Moet het antwoord op de aan het begin gestelde vraag
,,hoe wij de attractie van obligaties als beleggingsmateriaal

moeten waarderen” nu luiden dat in vele jaren uit de be-
schouwde periode die belegging —achteraf gezien – onver-

standig was? Alvorens die conclusie te trekken moeten wij
beseffen dat wâarderen ook en juist in aangelegenheden als
deze op
vergelijken
berust. Welnu, waren er in die jaren
gunstiger mogelijkheden? Niet elke andere manier van beleg-
gen is goed vergelijkbaar met een belegging in obligaties. Be-
legging in aandelen bijvoorbeeld dient doorgaans een ander
doel. Degenen die vastrentende waarden verkiezen hçbben
daar veelal bepaalde redenen voor. Daarom gaan sommige

vergeljkingen met andere beleggingsmogelijkheden in het
geheel niet op en gaan andere vergeljkingen niet geheel op.
Blijven we binnen het gebied van de vastrentende beleggingen
en kijken we dan, voor de meergenoemde periode, naarenkele

korte-termijnbeleggingen, dan ontstaat het volgende beeld
(tabel 1)2). We vergelijken nu de
reële
rente van enkele korte beleggingsvormen met die van de lange staatsleningen (lijn C
in de grafiek); daarbij wordt het tijdvak 1953-1975 ingedeeld
in drie perioden om de ontwikkeling duidelijker te laten

spreken en worden de gemiddelde cijfers over de laatste twee
jaren (1974 en 1975) nog even apart vermeld.

Tabel 1. Vergelijking reële rentevoeten lange en korte beleg-
gingen 1 952-1976

95211962
196311969 197011976
1974/ 1976

Korte beleggingen

Gewone spaarbanklegoe-
den

………………0,4

1,5

3.7

5.3

Termijndeposito’s 3 mnd
0,3

0,8

2,9

4,4

Termijndeposito’s 12 mnd
0.2

0,0

2.1

3.8

Lange beleggingen

Enkele langlopende slaals
leningen
…………….
.8
1,0
0,4

1


0.3

Twee conclusies dringen zich op. De eerste is dat over de
gehele linie de ontwikkeling buitengewoon ongunstig is ge-

weest, met een dieptepunt in de laatste twee jaren. De tweede
luidt dat
– naar verhouding
– het reële rendement op deze lange
vastrentende beleggingen aanzienlijk gunstiger was
dan dat op de genoemdekorte beleggingen. Als de lezer liever
concludeert: aanzienlijk minder slecht in plaats van aanzien-
lijk gunstiger dan zal ik hem niet tegenspreken.
Alvorens dit eerste onderdeel af te sluiten wil ik na deze
korte excursie in het recente verleden nog enige aandacht
geven aan de stand van zaken op dit
moment.
Want hoewel
historisch besef de belegger siert, voor zijn beslissingen zijn
heden en toekomst doorslaggevend. Welnu, de feiten van

vandaag in Nederland zijn deze. De nominale rente op lange vastrentende waarden ligt op een niveau van ruim 9%. Dein-

flatie bedroeg in 1978 circa 4%; voor 1979 wordt een lichte
stijging verwacht en wel tot 4 â
5%.
Deze cijfers laten zien dat,
voor het eerst sinds vele, vele jaren, de reële rente op lange
vastrentende beleggingen tussen 4 en 5% ligt.

Historisch gezien is dit een zeer hoog reëel renteniveau. Bij
velen leeft weliswaar de vrees dat de inflatie niet op het

huidige peil zal kunnen worden gehandhaafd, de meeste
waarnemers verwachten echter geen terugkeer naar het
hoge niveau uit de jaren 1970-1976. Dat betekent —en metdie
conclusie zou ik dit onderdeel willen afsluiten – dat
op dit
moment –
in vergelijking met vele vroegere jaren – het be-
leggen in lange vastrentende waarden uitzonderlijk attractief
is. Op het belastingaspect kom ik nog terug.

Samengevat kan worden gesteld dat een belegging in
obligaties in de meeste naoorlogse jaren, als gevolg van infia-

tie en belasting, een negatief rendement gaf. Dat het netto

reële rendement van korte beleggingsvormen nog aanzien-
lijk slechter was biedt daarbij weinig troost. Op dit moment

is beleggen in obligaties – gezien het peil van rente en inflatie
– echter zeker het overwegen waard.

De ratio van een obligatiefonds

Eigenlijk draait het bij een belegging altijd om twee kern-
punten: de selectie, in de betekenis van het uitkiezen van het
beste, en de
spreiding
ter wille van de beperking van het risi-
co. Bij een obligatiefonds hebben deze gezichtspunten een ei-

gen karakter. Dat komt vooral tot uiting in de spreiding over
eerste klas debiteuren, in de keuze van de looptijden en in de

keuze van de valuta. Het bewust en actief inspelen op rente-

en infiatieverwachtingen in de verschillende landen door een

groep van geïnformeerde deskundigen verschaft het be-
staansrecht aan een obligatiefonds. De gemiddelde belegger
heeft niet de tijd en de mogelijkheden om zijn vermogen zo
actief en tegelijk ,,gespreid” te beleggen.

In ons land is een tweetal obligatiefondsen het meest be-
kend: Rorento (opgericht in 1974, bereikte sindsdien een om-

vang van circa f. 3 mrd.) en Alrenta (eerst kort geleden ge-
vormd, namelijk in november 1978, groeide aan tot onge-

veer f. 100 mln, medio 1979). Bij de oprichting van Rorento
in 1974 deed zich een bijzonder probleem voor. Tegenover
zijn beleggingsportefeuille in obligaties wilde Rorento

uiteraard aandelen uitgeven. Echter, een Nederlandse ven-

nootschap die aandelen uitgeeft, krijgt te maken met de

dividendbelasting. Zodra die vennootschap aan zijn aandeel-
houders dividend uitkeert moet daarop dividendbelasting
worden ingehouden. Bij de uitkering van rente op obligaties

wordt, zoals bekend, geen belasting ingehouden. De

dividendbelasting nu zou voor de belegger in Rorento een

handicap hebben betekend ten opzichte van degene die recht-
streeks in obligaties belegt. Bij de oprichting van Rorento is
overlegd met het Ministerie van Financiën om voor deze

handicap een oplossing te vinden. De toenmalige staatssecre-

taris achtte het echter niet mogelijk Rorento vrij te stellen van

dividendbelasting. Om de Rorento-belegger niet te benade-len werd toen gekozen voor een vestiging van dit obligatie-
fonds op Curaçao. In 1978 koos ook Alrenta Curaçao als
vestigingsplaats.

Een fiscale tegemoetkoming in de geldontwaarding

Wat ik de lezer in het eerste gedeelte van dit artikel nog
eens in herinnering mocht roepen: de verwoestende uitwer-
king van de inflatie (in dit geval op de rendementen bij be-
leggingin vastrentende vormen), heeft natuurlijk al eerderde aandacht van velen getrokken. En hoewel politieke bewinds-
lieden soms reeds kort na aanvaarding van een functie in het

bedrijfsleven een opvallende verscherping in inzicht vertonen
in wat voor het land nodig is, moet gezegd worden dat de

vorige minister van Financiën tijdens zijn ambtsperiode – en

wel in 1975 – opdracht gaf tot een onderzoek naar ,,de
wenselijkheid en de praktische mogelijkheden tot een herzie-

ning van de belastingheffing in verband met de inflatie” 3).

Misschien vobral omdat er een uitzonderlijk capabele man

als Hofstra beschikbaar was lag het gevraagde rapport reeds
in december 1977 op de tafel van de minister. Het voorstel
van Hofstra met betrekking tot de rente-inkomsten van parti-

culieren – in de vaktaal ,,opbrengst van niet tot een onder

nemingsvermogen behorend vermogen” – bevat een
inflatie-
correctie
die ,,hierin (kan) bestaan dat van de in de privésfeer

Hofstra, op. cii, blz. 29.
Hofstra, op. cit., blz. 3.
864

ontvangen rente als infiatoir schijnvoordeel buiten aanmer-

king wordt gelaten dat gedeelte dat als gevolg van de inflatie

meer wordt ontvangen dan zonder inflatie het geval zou zijn

geweest” 4).
Praktisch bevat het voorstel van Hofstra op dit punt twee
elementen: een bodemvrijstelling (genoemd wordt een be-

drag van f. 500 per jaar) en een correctie ,,waarbij ervan

wordt uitgegaan dat van de in een jaar ontvangen rente een

zodanig deel infiatoire schijnopbrengst is als overeenkomt
met de helft van het voor het jaar vastgestelde inflatie-

percentage”
5).
Uit het voorstel neem ik de volgende tabel

over (tabel 2) 6).
Tabel 2. frflatiecorrectie volgens voorstel Hofstra

Inflatie
(in
%)
Buiten aanmerking te laten
gedeelte van de rente

nihil
2

…………………………………………..
yj
3en4
……………………………………….
S
…………………………………………..
vs

9-11

………………………………………
y
2

6-8

……………………………………………..
YS

Concreet zou dit bijvoorbeeld betekenen dat bij een rente
van 10% en een inflatie van 6% de helft van de 10% buiten
aanmerking zou blijven en dus in plaats van over 10% slechts
over
5%
belasting zou worden geheven. Bij een belastingper

centage van 50% zou het netto reële rendement derhalve met
2y
2
procent-punt toenemen. In tabel 3 wordt dit toegelicht.

Tabel 3. Invloed voorstel Hofszra bij een rente van 10%

een inflatie van 6%en een belasting van 50%

Thans

1

VoorstelHofstra

Nominale rente

………………..
10% 10%
Inflatie

………………………
6%
690

4%

..

4%
Belasting

…………………….
5%a)

..

2y
2
b)

Netto reëel rendement

……………

1%

..

+
1y
2
%

50%van
lO% 5%
50%van(I0-
Y
2
X 10)% 2%

Nu het fiscale aspect aldus ter sprake is gebracht wil ik
thans wat nader ingaan op het sinds de oprichting in 1974
voor Rorento en sinds 1978 ook voor Alr.enta geldende fiscale

regiem. Ik doel op de regeling van het z.g.fictieve rendement.

Deze regeling houdt in dat een Nederlandse particuliere aan-
deelhouder in een buiten Nederland gevestigde beleggings-

maatschappij niet over het
werkelijke
rendement inkomsten-
belasting betaalt, maar over
hetfictieve
rendement, dat tot nu

toe werd gesteld op 3,6%. Natuurlijk is ook het rendement

voor de Rorento-aandeelhouder (ik beperk mij in het nu vol-
gende tot Rorento, omdat Alrenta nog slechts ruim een half

jaar bestaat) aangetast door inflatie en belasting, op de wijze
zoals die in het eerste deel werd toegelicht. Feitelijk nu.heeft

ook de regeling van het fictieve rendement gewerkt als een
correctie op de infiatiefactor.
Ik heb een vergelijking gemaakt van
deze
infiatiecorrectie

– die van het fictief rendement – met de door Hofstra voor-

gestelde. Tabel 4 laat zien dat soms de methode-Hofstra
voor de belegger gunstiger uitwerkt (A), soms de methode
van het fictieve rendement (B) en in weer andere gevallen ko-
men ze precies tot hetzelfde resultaat (C). Het leek mij van be-

lang om eensvoor de gehele periode die in de grafiek in ogen-
schouw wordt genomen – in navolging van de aanpak in het

rapport-Hofstra – dus voor de jaren 1953 tot 1976 na te gaan

tot welke uitkomsten de beide correctiemethoden leiden.
Wetten worden immers niet gemaakt voor een bepaald
moment; zij dienen voor een tijdvak. Ik ben daarbij uitge-

gaan van het gemiddelde rendement op staatsleningen in deze.

23 jaren en van de gemiddelde inflatie. Tabel Slaat zien dat de
resultaten van beide correctiemethoden vrijwel gelijk zijn; in
feite zou de methode-Hofstra voor de belegger wellicht nog

iets gunstiger hebben gewerkt dan de methode met het fictie-
ve rendement van 3,6%.

Tabel 4. Infiatiecorrectie volgens de methode-Hofsira

en volgens de methode van het fictief rendement (
3,6%),
in
procenten

zonder correctie-
met correctie

Hofstra
fict.rend.

a. Nominaal rendement
4
4
4
Inflatie
6
6
6

Reëel rendement

2

2

2
Belasting
2
1
1.3

Netto reëel rendement



1-4
/-
3
/-
3,8

b.Nominaal rendement
10
10
10
Inflatie
6
6
6

Reëel rendement
4
4
4
Belasting
5
2,5
1.8

Netto reëel rendement


t
1,5
2,2

c. Nominaal rendement
9
9
9
Inflalie
10
10 10

Reëel rendement

t

1

Belasting
4.5
1,8
1,8

Netto reëel rendement


-5,5
…..g

2,8

Tabel 5. Vergelijking van – infiatiecorrectie volgens de
methode-Hofstra en volgens de methode van het fictief
rendement voor de periode 1953 – 1975, in procenten

zonder Correctie
Hotsira

Nominaal rendement
5,8%
5,8%
5,8%
Inflatie

………………
4,6
4.6
4,6

Reëel rendement
1.2
1,2
1,2
2.9

..

1,7a) 1.8b)
Belasting

……………….

Netto reëel rendement

.

/-
1.7
/- 0.5
/-
0.6

50% van 5,8
– (
X 5,8.
50% van 3,6%.

Wetsontwerp

Kort geleden is bij de Tweede Kamer een wetsontwerp in-

gediend dat, blijkens de erin voorkomende motivering, dient
om ,,de ergste uitwassen” op het terrein van belastingontgaan
te bestrijden. Eén van de voorstellen uit dit wetsontwerp
is de verhoging van het meergenoemde fictieve rendement

van 3,6 naar 6%. Na de voorgaande uiteenzettingen over de

feitelijke werking van inflatie en belasting op het echte —

netto reële

rendement voor de belegger

wij zagen dat dit
in vrijwel alle jaren negatief was — zal het niet verbazen dat

mijn oordeel over dit onderdeel uit het wetsontwerp volstrekt
afwijzend is.

Bij deze en dergelijke rendementen op vastrentende waar-
den is er warempel geen sprake van fiscale misstanden. In-
tegendeel: eerder is er sprake van een ,,ernstige uitwas” in de
rechtvaardigheid bij de huidige belastingheffing. Terecht
leidde het besef daarvan in 1975 tot de opdracht aan de heer
Hofstra. Het ligt in het voornemen van de regering nog deze
zomer te beslissen over de vraag of met de uitvoering van het
rapport-Hofstra een begin zal worden gemaakt. Een eerste

positieve maatregel in reactie op het rapport werd reeds door
deze regering genomen: er werd voor rente-inkomsten een be-

lastingvrije bodem ingevoerd van f. 200. Helaas geldt die
maatregel niet voor Rorento en Alrenta die immers dividend


en geen rente

uitkeren.

Idem, blz. 210. Idem, blz. 214. Idem, blz. 215.

ESB 29-8-1979′

865

Aanvaarding van het onderdeel uit het genoemde nieuwe

wetsontwerp, dat betreft de verhoging van het fictieve ren-
dement van 3,6 tot 6%, zou in essentie precies ongedaan ma-

ken wat het rapport Hofstra – terecht – wil invoeren. Het

zou structureel verkeerd werken omdat het aanbod van in-vesteringskapitaal negatief zal worden beïnvloed. Het zou
conjunctureel hoogst ongelukkig aankomen omdat juist de

consumptie en daardoor de invoer dringend om beperking

vraagt. Het zou bovendien waarschijnlijk in zekere mate in-
effectief zijn; de invoering van het voorgestelde beleid zou
praktisch wel eens zeer moeilijk kunnen blijken. Het zou

ook niet goed zijn als mensen zich op deze wijze uitge-
nodigd zouden voelen via het z.g. zwarte circuit eigen rechter

te gaan spelen.
De invoering van een systeem van infiatiecorrectie â la
Hofstra is uit overwegingen van rechtvaardigheid onontbeer-

lijk. Het is niet redelijk een deugdelijk en aanvaardbaar ge-

bleken vervangingsmiddel vlak vô6r die te verwachten in-
voering ongedaan te maken.

Th. M. Scholten

De
Sociale Ver

zekeringsbank voert

samen met de Raden
van Arbeid de

Algemene Ouderdoms-

Wet, de Algemene
Weduwen- en Wezenwet

en de Kinderbijslag-

wetten uit.

Voor de afdeling Wiskunde en Statistiek, die gehuisvest
is in de Van Leyenberghlaan 221 te Amsterdam-.
Buitenveldert, zoeken wij een

statistisch analist(e)

die zal worden belast met het opzetten en vervaardigen
van statistische overzichten en met de analyse van

statistisch materiaal (in het bijzonder tijdreeksen).

Vereisten:

HAVO/VWO-diploma (met WiskuMd)’eiïhétdil6ma

statistisch analist V.V.S..
Het salaris bij aanstelling zal, afhankelijk van kennis en
ervaring, vooralsnog maximaal f3.464,— per maand be-

dragen. De arbeidsvoorwaarden zijn vrijwel gelijk aan
die van de Rijksoverheid.

De Bank kent variabele werktijden en gunstige studie-

faciliteiten.

Telefonische inlichtingen worden verstrekt door de

assistent-chef van de afdeling Wiskunde en Statistiek,

de heer drs. T.L. ten Berge onder nr. (020)
5
72 23 69.

Schriftelijke sollicitaties kunnen onder vermelding van

nr.79/077 worden gericht aan de Sociale Verzekerings-

bank, afdeling Personeel, Apollolaan 15,

1077 AB Amsterdam.

SOCIALE

VERZEKERINGSBANK

AMSTERDAM

866

De behandeling van klachten van

levensmiddelenconsumenten

DRS. P. A. BEUKENKAMP*

DRS. P. TH. GRÜNDEMANN*

Eén van de doelstellingen van het marketing-

beleid van een onderneming is het inspelen op de

behoeften van de consument. In het algemeen

bestaat er bij ondernemers echter weinig belang-

stelling voor de negatieve ervaringen van de con-

sument met hun produkt(en). Een belangrijke

oorzaak daarvan is dat ondernemers veelal onvol-

doende beseffen dat naast de klachten van de con-

sument, er vele uitlaat kleppen voor diens ontevre-

denheid bestaan. In dit artikel presenteren de au-

teurs een denkmodel van het z.g. ,,ontevreden-

heids gedrag “en bespreken in dit kader het belang

voor het marketingbeleid van goede faciliteiten

voor de behandeling van klachten. Daarnaast

worden de resultaten gepresenteerd van een on-

derzoek naar het oordeel van de consument over

de behandeling van klachten in het levensmidde-
lenbedrijf.

Inleiding

Tevredenheid en ontevredenheid als subjectieve indicato-
ren ten behoeve van op consumentenbelangen gericht beleid

(consumentenbeleid) staan in het schijnsel van de belangstel-

ling. En niet alleen van diegenen die zich op macro- of
mesoniveau met de bevordering van de belangen van de

consument bezighouden. Ontevredenheid van consumenten
is bijvoorbeeld op microniveau een aan belang winnende
indicator voor diegenen die zich in het ruilproces beroepshal-
ve met consumentenbeleid bezig houden. Dit zijn in het
algemeen marketingfunctionarissen aan de aanbodzijde en
consumentenorganisaties als representanten van consumen-
ten aan de vraagzijde.
Voor de consumentenorganisaties is consumentenontevre-
denheid al langer een der uitgangspunten van beleidsvor-
ming. Het is dan ook – historisch gezien – de ontstaans-

grond van de consumentenbeweging. Nog altijd is de ervaring
van de ontevreden klant één der belangrijkste uitgangspunten
van consumentenbeleid naast andere uitgangspunten als

gebrek aan macht van consumenten en verantwoorde

consumptie. Deze uitgangspunten kunnen bijvoorbeeld
impliciet ook op diverse plaatsen worden teruggevon-

den in het onlangs gepresenteerde programma inzake het
EG-consumentenbeleid 1).
In dit artikel zullen we uitgaan van een consumentenbe-
leidsoptiek van marketingfunctionarissen. Het minimalise-
ren van consumentenontevredenheid is voor de marketing-

man van groot belang. Voor hem is optimale
consumentengerichtheid pas mogelijk als de ontevreden-
heidsfeedback van de consumenten operationeel in het hele
marketingproces wordt ingebouwd. In de marketinglitera-

tuur wordt in het algemeen beweerd, dat één der doelstellin-
gen van marketingbeleid is: inspelen op de behoeften van de
consument. Deze laat middels zijn passieve tevredenheid of
ontevredenheid merken of de marketingfunctionaris daarin

is geslaagd. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat
naar verhouding weinig ondernemingen proberen om actief
en systematisch de ontevredenheid van hun afnemers vast te stellen en er vervolgens iets mee te doen.

Deze omstandigheid is vooral het gevolg van het feit dat
men in de onderneming meestal voor het gemak aanneemt dat
deze ontevredenheid zich uitsluitend manifesteert in klachten.
Veel marketingmensen gaan er kennelijk vanuit dat een
ontevreden klant ook wel tot klagen zal overgaan en dan in
eerste instantie zal proberen genoegdoening te krijgen van de

betrokken leverancier. Hierbij moet toch worden opgemerkt

dat consumentenontevredenheid in het geheel niet tot het
ontstaan van klachten behoeft te leiden. Er zijn voor consu-
menten nog andere uitlaatkieppen voor ontevredenheid, zoals
merkenontrouw, winkelontrouw, verspreiding van kwaad
gerucht, aanwending van wettelijke en van politieke druk,
winkeldiefstal enz. Een andere mogelijkheid is dat er op korte

termijn geen van deze acties wordt ondernomen, maar dat
– op de lange termijn – latente actiegerichtheid zich op-
hoopt. Er is dan sprake van ,,uïtgestelde actie”.
Deze overwegingen betekenen dat het in eerste instantie

nodig is inzicht te krijgen in het mogelijke ,,ontevredenheids-
gedrag” van de consument. Daarover is al iets bekend: er is
b.v. in de USA al enig onderzoek verricht. Het daarop

gebaseerde – en door ons uitgebouwde – denkmodel willen
we in dit artikel ter sprake brengen. Vervolgens willen we
vanuit de optiek van de marketingfunctionaris het belang van

klachienactivering
aan de orde stellen. Daarbij zullen we

dieper ingaan op het verschijnsel van de klaagdrempels van de
consument. Ten slotte brengen we de resultaten van een door
ons op basis van het standpunt van de consument uitgevoerde
empirische exploratie ter sprake, die enig inzicht kan geven in
de aard van de doelgroepen van het klachtenbehandelingsbe-

leid (KB-beleid) zowel voor marketingmensen als consumen-tenorganisaties.
In het algemeen verstaan we onder ontevredenheid een
bepaalde houding van onbevredigdheid of teleurstelling,
waarin cognitieve, affectieve en conatieve elementen een rol

spelen 2). Deze ontevredenheid treedt bij de consument op
wanneer de waargenomen werkelijkheid in negatieve zin

afwijkt van hetgeen hij verwachtte en wordt veroorzaakt door

een ervaren verslechtering in het aanbod en/of een verhoging

*) De auteurs zijn verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotter-
dam.
t) Consumentenbond en Konsumenten Kontact,
Europa voor de consument, actieprogramma inzake het EG-consumentenbeleid, maart 1979.
2) Deze drie begrippen kunnen gemakshalve worden vertaald met:
kenniselementen, gevoeismatige elementen en activerende elementen.

ESB 29-8-1979

867

van de evaluatiestandaard. Operationalisering van het con-

cept uit het oogpunt van consumentenbeleid vereist specifice-
ring naar koop-, consumptie- en! of communicatie-ontevre-
denheid en differentiering naar artikel(groep) en aanbieders

(categorie). In dit artikel zullen we het accent leggen op

ontevredenheid over een communicatieaspect dat een rol
speelt bij het
koopproces van levensmiddelen.
Zoals het voorgaande al suggereert willen we voor de

individuele consument duidelijk onderscheid maken tussen
het bestaan van ontevredenheid en het uiten van een klacht.
Een klacht is hierbij te definieren als elke
manifesie
uiting
waarbij de consument bij de leverancier of een belangenbe-
hartigend instituut (consumentenorganisatie) zelf melding

maakt van ht feit dat hij teleurgesteld of niet (volledig)
tevreden is met een door de leverancier en/of producent
verrichte prestatie. Ook dit concept kan worden geoperatio-
naliseerd, bij voorbeeld met behulp van klachtenbehande-

lingsfaciliteiten als klachtenregistratie-apparatuur, consu-

mentenombudsinstituut, een afdeling consumentenzaken
enz.

Europese onderzoekers als Pfaff 3), Ölander 4), Van Wes-
tendorp
5)
en Van Raaij 6) alsmede Amerikanen als Andre-

asen, Best, Leavitt, Handy, Czepiel 7), Day en Landon 8) e.a.

hebben zich de laatste jaren binnen dit kader meer of minder
intensief met ,,consumentenontevredenheden” beziggehouden.

De laatsten ontwikkelden – op basis van eerder uitgevoerd
onderzoek — een gedachtengang, die door hen zelf wordt

aangeduid als bouwsteen voor een ,,theorie van het klachtge-
drag”. Hierbij richt hun belangstelling zich op het feit dat het

verschijnsel van de consumentenklacht één der mogelijke
uitkomsten is van een proces waarbij de consument het door

hem gekochte goed en/of de door hem beleefde situatie v6ôr,
tijdens of na het kopen evalueert. Een proces dus waarbij de
consument van potentiële koper tot ontevredene wordt en
uiteindelijk tot actie overgaat. Voortbouwend op de grondge-

dachte van dit denkschema kunnen we ons enkele hiervôér al
genoemde actiealternatieven voor de levensmiddelenkoop-

ster als volgt schematisch voorstellen (zie figuur 1).

Figuur 1. Enkele mogelijke ontevredenheidsreacties van de
consument

tMd

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

4
../aC,lc

harde

.jarhlr

..h4rdr

De hier getoonde zeven actiealternatieven sluïten:elkaar niet uit: denkbaar is dat diverse combinaties gelijktijdig of
volgtijdelijk voorkomen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat
iemand klaagt en tevens (al of niet tijdelijk) zijn winkel

ontrouw wordt, terwijl hij tegelijkertijd met anderen in
negatieve zin over de leverancier praat. Zo mag worden
verwacht dat vooral daar waar sprake is van habitueel
koopgedrag, zoals dat bij levensmiddelen het geval is, een

klagende klant niet onmiddellijk een ,,afhakende” klant

wordt. Er kunnen zich bijeen dergelijke klant actieversterken-
de impulsen ,,ophopen”. Tevens moet nog worden opgemerkt

dat in het scenario van een individuele consument of groep
van consumenten niet per sé de diverse niveaus 1 t/m IV
behoeven voor te komen.

Het belang van faciliteiten voor klachtenbehandeling; de

klaagdrempels van consumenten

Marketingfunctionarissen hebben in het algemeen belang

bij een zodanige kanalisering van de ontevredenheid dat een

ontevreden klant ook inderdaad een klager wordt en wel om
de volgende redenen:

een klagende klant vormt voor een marketingman op de

korte termijn een minder ernstig probleem dan een merk-
en/of winkelontrouwe klant. Klagen is een open en
– waarde klacht gerechtvaardigd is voor een onderne-

ming zachtere vorm van actievoeren dan b.v. verspreiding

van kwaad gerucht of stopzetting van herhalingsaanko-
pen. Onderzoekers van Nielsen maken in dit verband
melding van hun bevinding dat 44% der gebreken aan
levensmiddelen tot merkwissel en/ of koopstaking leidt 9).

Het stimuleren tot klagen kan m.a.w. op korte termijn een
• preventieve functie vervullen ter bescherming van het
marktaandeel.
Dit geldt met name t.o.v. klanten met een sterke neiging om op andere merken over te gaan;

op de lange termijn verkrijgt de marketingfunctionaris na
registratie van specifieke klachten een zeker, inzicht in het
type probleem dat de consument heeft; klachten hebben in dat geval een informatieve waarde ten behoeve van b.v. de
produktontwikkeling of winkeltypesegmentering. Dit in-

Pfaff heeft een index van consumentensatisfactie ontwikkeld. Zie
J.C. Lingoes en M. Pfaff, The index of consurner satsifaction:
methodology,
in M. Venkatesan (red.),
Proceedings ofAssociation of
Consumer Research, 1972,
en M. Pfaff, The index of consumer
satisfaction: measurernent problems and opportunities, in K. Keith
Hunt (red.),
Conceptualization and measurement ofconsumersatis-
faction and dissatisfaction,
Proceedings of Conference, conductedby
Marketing Science Institute with support of National Science Foun-
dation,
1976.
Olander heeft zich in diverse publikaties een tegenstander getoond
van subjectieve indicatoren als consumentei1issatisfactie voor het
institutioneel consumentenbeleid. Zie b.v. F. Olander, Canconsurner
dissatisfaction and complaints guide public consumer policy,
Journal
of Consumer Policy, 1977,
no.
2.
P.
H. van Westendorp en J. Knecht, Marketing and the consumer:
an empirical investigation of some attitudes. in the Netherlands,
Proceedings ESOMA R congress 1974.
W.
F. van Raaij, Consumer evaluation processes with regard to
multi-attitude alternatives,
Tilburg papers on Consumer ‘Evaluation
Processes.
no. 10., Tilburg University.
Genoemde auteurs belichten diverse aspecten van consumenten-
satisfactie en -dissatisfactie (CS D) in hun artikel Conceptualization and measurement of consumer satisfaction and dissatisfaction, in K.
Keith Hunt (red.), op.cit.,
1976.
Andere van belang zijnde publikaties
zijn A.R. Andreasen, Consumer dissatisfaction as a measure of
market performance,
Journal of Consumer
Policy,jg.
1, no.4.,
1977.
A.R. Andreasen en A. Best, Consumers complain, does business
respond?
Harvard Business Review,
juli-augustus,
1977.
A.R. An-
dreasen, A taxonomy of consumer satisfaction/dissatisfaction
measures,
Journal
of
Consumer Affairs.
R. L. Day en E. L. Landon jr., Towards a theory of consumer
complaining behavior, in A. G. Woodside, J. N. Sheth en P. D.
Bennett (red.),
Consumer and industrial.buying behavior, 1977.
A.C. Nielsen Cy. , Caveat emptor, caveat venditor,
The Nielsen
Researcher,.: 1975,
no.
6.
Positionering is een vakterm die te-vertalen is met ,,plaatsbepa-
ling” van het produkt-, het merk- of het winkeltypeconcept. Deze
plaatsbepaling kan worden geformuleerd in termen van afnemers-
waarderingen. Hierbij wordt doorgaans deze waardering uitgedrukt
in produkt-, merk- of winkeltype-attributen die eensleutelrol vervul-len. De plaatsbepaling kan echter ook geschieden in-termen
telijkheden (zoals de prijs, ingeschakelde distributiekanalen etc.).
Deze methode wordt veel gebruikt bij vergelijking van produfcteu,. merken en winkeltypen ten opzichte van elkaar.

……..”‘—’

868

zicht is echter bij een passief KB-beleid van beperkte aard.
Zowel nI. de bij fabrikant of detaillist geuite klachten als

de mensen die die klachten hebben geuit, kunnen niet

representatief worden geacht voor het type problemen van de consument resp. de karakteristiek van de ontevredenen.

Onderzoek van Andreasen.wees bijv.00rbeeld uit dat

klachten m.b.t.
manfeste
(duidelijk waarneembare)
pro-

blemen
waarbij aan het produkt feilen zaten die de
consument gemakkelijk kon bewijzen, relatief oververte-

genwoordigd waren ten koste van z.g.
beoordelingspro-

blemen.
De laatste betroffen in het algemeen problemen
met de vorm; de kleur, het materiaal, de handzaamheid en
duurzaamheid van het produkt, waarbij de consument

meer moeite had de feilen aan te tonen. Door nu een actief

beleid te voeren ter aanmoediging van het uiting geven
aan beide soorten ontevredenheid kan een producent of
distribuent de representativiteit van de binnenkomende
klachten verhogen t.a.v. het type probleem De klachten

fungeren dan als een ruwe barometer van consu-
mentendissatisfactie, terwijl niet noodzakelijke onte-

vredenheid eerder kan worden gesignaleerd en opgelost.

Bovendien wordt door het aanmoedigen tot klagen de

representativiteit van de klagers en het inzicht daarin

verhoogd. Hierbij is het inieressant op te merken dat
Andreasen concludeert dat het ,,terugpraten” van de
consument naar het bedrijfsleven minder een functie is van
zijn socio-economische karakteristiek dan van het pro-

dukt dat hij kocht en het probleem dat hij had. In
marketingtermen vervullen klachten, mits middels een

actief KB-beleid en via doordachte klachtenbehandelings-

faciliteiten gekanaliseerd, derhalve een
feedback- en sig

naalfunctie ten behoeve van de positionering 10).
Bij

levensmiddelen zullen de (potentiële) klachten zich, naar
onderwerp gegroepeerd, toespitsten op verschillen in prijs-
kwaliteitsrelaties tussen winkels onderling en tussen diver-

se artikelen. Hierbij zijn ook relevant specifieke kwaliteits-
aspecten als versheid, breuk, verpakking enz. Deze meer

operationele zaken zullen we verder niet ter sprake bren-

gen;
klachten hebben een communicatieve waarde, in die zin
dat de klacht de onderneming een niet te missen kans biedt
om de relatie met de consument ook op de lange termijn te
herstellen en/of te verstevigen. Aanmoediging tot klagen

kan er nl. toe bijdragen dat cognitieve dissonantie-effec-
ten 11) worden teruggedrongen. Dit komt omdat
de klagende consument een reële mgeljkheid wordt
geboden om negatieve evaluaties te neutraliseren. Een

klant zal bij goede KB-faciliteiten minderlangen intensief

aan zelfmisleiding doen wanneer er voor hem nâ de koop
een zekere discrepantie ontstaat tussen de verwachte en de
waargenomen prestaties van het gekochte. Actieve steun voor klachtenbehandeling vermindert de kans op frustra-
ties bij deze consumenten en verkort de tijd die verstrijkt

tussen het kopen en het klagen zodat ook voor de onderne-ming in dit opzicht de kwaliteitvan de klacht als terugkop-
peling toeneemt. Klachten vervullen dan in dit
opzichteen

functie in hei communicalieve beleid als onderdeel van hei

marketingmixbeleid.

Vanuit het oogpunt van de consument moet deze om van

ontevredene tot klager te worden:
– de bedoeling hebben enigerlei actie te ondernemen;
– deze actie willen richten op de aanbieder;

– van allerlei actiealternatieven echt tot klagen willen

overgaan.

Er bestaan in dit proces diverse obstakels die we, voor wat betreft het laatste ,,traject” dat tot het specifieke klagen leidt, ,,klaagdrempels” zullen noemen. Deze klaagdrempels vinden hun wortels in een bepaald verwachtings- enonzekerheidspa-

troon, in (al of niet terechte) gevoelens van onmacht vande
.consument of in gebrek aan tegemoetkomendheid van de

leverancier of fabrikant. De verklarende variabelen zijn

m.a.w. voor een deel consumententypologisch van aard en

voor een deel aanbiedersgecontroleerd. Enkele voorbeelden
van de categorie van consumententypologische variabelen

zijn:
– bij de consument kan de verwachting of de onzekerheid

bestaan dat de eventuele klacht door de leverancier of
fabrikant negatief wordt ontvangen en behandeld (of

afgewezen). De Vos spreekt hier van ,,negatieve anticipa-
tie” 12). De koper verwacht bijvoorbeeld dat zijn klacht
niet door de juiste functionaris zal worden behandeld

en/of dat hij van het kastje naar de muur wordt gezonden;
de consument kan in onzekerheid verkeren of zijn klacht gegrond is. Hij zelf kan wel eens de oorzaak zijn van het

ontstane ongerief. Vooral bij ,,convenience”-produkten
als levensmiddelen mag worden verwacht dat het produkt

of de leyerancier ,,nog een tweede kans wordt gegeven” alvorens de consument tot klagen overgaat;
– de consument is misschien niet bij machte om voor
individuele artikelen het juiste adres van de onderneming
aan de weet te komen en de juiste functionaris te vinden.

Verder is hij misschien niet bij machte om op adequate
wijze een brief te schrijven of via de telefoon zijn verhaal te

doen. Hij is tenslotte degene die de ratio van de klacht

moet aantonen. Waarschijnlijk zijn deze verwachtingen,
onzekerheden en gevoelens van onmacht een functie van
socio-economische kenmerken zoals leeftijd, opleiding en
welstand. Diverse onderzoekers hebben hierop gewe-

zen 13).

Enkele voorbeelden van de categorie van aanbiedersgecon-

troleerde variabelen zijn: – in een bedrijf kan de situatie ontstaan dat er weinig of geen

klachtenbehandelingsfaciliteïten zijn, b.v. als gevolg van
angst voor het ,,wakker maken van slapende honden” en misleidende consumenten, van al dan niet terecht geloof
in eigen produkt en service-apparaat of van de onderne-
mersopvatting dat anderen zoals toeleveranciers (fabri-

kanten!), geschillencommissies enz. de verantwoordelijk-
heid dragen;
– ook kunnen formeel juiste maar in de praktijk versluierde

klachtenbehandelingsfaciliteiten bestaan. Dit doet zich
bijvoorbeeld voor indien de suggestie wordt gewekt dat ,,er nooit klachten over het produkt zijn geweest”.
Deze manco’s die ook weer inwerken op de hierboven be-

schreven consumentengevoelens, kunnen we onder een
gemeenschappelijke noemer samenvoegen: ,,gebrek aan aandacht voor klachtenbehandeling”.

Vanuit dit uitgangspunt kan onderzoek op basis van

evaluatie door consumenten inzicht geven in de aandacht die
aanbieders aan klachtenbehandeling besteden. De mate van

tevredenheid met – en het gevoelde belang van – de behan-
deling van een klacht kunnen misschien een antwoord geven
op de vraag voor welke groeperingen consumenten c.q. voor

welke levensmiddelendistribuenten verlaging van de klaag-
drempels c.q. aanmoediging tot klagen (een ,,actief
KB-
beleid”) het zinvolst is. Om hierover concreet iets te kunnen
zeggen, hebben wij onder klanten van levensmiddelenwinkels
een exploratief onderzoek gehouden naar het belang dat de

huisvrouw hecht aan goede KB van de zijde van de kruidenier

II) Onder cognitieve dissonantie wordt in de marketingliteratuurde
inconsistentie verstaan tussen de al of niet vermeende kennis en
opvattingen die de consument heeft tav. (negatieve) eigenschappen
van het gekozen(gekochte)alternatiefende(positieve)eigenschappen
van de niet gekozen alternatieven. Om nu deze twijfels/teleurstellin-
gen die na de koop vooral optreden te verminderen, zoekt de koper
zelf naar reductie, bv. door de evaluatie van zijn eigen koop op te
waarderen. Hijzoekt daartoe bevestiging, bv. door zelfmisleiding of
door bevestigende informatie. In dit opzicht wordt in vele marketing-
handboeken een taak toegedicht voor supportieve reclame.
E. de Vos,
Hei ongelijk van de klagende klant,
1977.
Zie noot 7.

ESB 29-8-1979

869

waar zij de meeste kruidenierswaren koopt. Tevens werd haar
evaluatie van de KB, zoals haar ,,kruidenier” die geeft,

gepeild.

Een
empirisch
onderzoek: opzet, methode en resultaten

Voor het onderzoek formuleerden we de volgende drie

vragen:

kan worden gezegd dat de huisvrouw ontevreden is over de
aandacht die de kruidenier schenkt aan de klachtenbehan-

deling?

is er een relatie tussen de categorieen consumenten die
relatief veel belang hechten aan klachtenbehandeling

enerzijds en de categorieën die de klachtenbehandelings-
aandacht van de kruidenier relatief negatief beoordelen

anderzijds?
welke is de karakteristiek van de ,,vaste klanten” (de z.g.

primaire kopers) 14), die zich onderscheiden doordat zij aan klachtenbehandeling relatief grotere waarde toeken-
nen, resp. ontevredener zijn dan anderen?

De gegevens werden medio 1976 verzameld met behulp van
een consumentenpanel. Het betrof een representatieve steek-

proef van 1288 huisvrouwen 15). Een evaluatie-item (dissatis-

factie-item) dat hun werd voorgelegd luidde:

er wordt te weinig aandacht geschonken aan klacht enbe-
handeling. Deze formulering werd om twee redenen be-
wust gekozen. In de eerste plaats was het de bedoeling
specifieke ontevredenheid t.a.v. klachtenbehandeling zo
duidelijk mogelijk naar voren te laten komen. Er mocht
geen ,,vervuiling” optreden van meer algemene ontevre-
denheid (b.v. t.a.v. het wïnkelbeeld van de kruidenier). In

de tweede plaats was het de bedoeling toeschrijving van
ontevredenheid naar een externe oorzaak (gebrek aan

tegemoetkomendheid van de leverancier) uit te lokken.
Dit opdat latente ontevredenheid zo manifest mogelijk
zou kunnen worden 16). Er kon worden gescoord met
behulp van een 5-punts schaal variërend van het predikaat

,,helernaal mee eens” tot en met ,,helemaal niet mee eens”;
vervolgens konden de respondenten aangeven
in
hoeverre

goede klachtenbehandeling voor hen en voor hun gezin
van
belang
was.
Ook hier kon worden gescoord aan de

hand van een 5-punts schaal variërend van het predikaat

Tabel 1. De mate van ontevredenheid met

en het toege-

kend belang aan- KB
a)

van veer

van groot
van be-
van weinig
van geen
rij-
g

~
ontevredenchned
idbee
;va~
n

groot
belang
lang
belang
enkel
totalen
belang
belang

ontevreden
72 22
13
0
0
107
(helemaalmel
67.3%
20.6%
12.1%
0.0%
0.0%
100%
stellingeens)
14.2%
5.1%
4.0%
0.0%
0.0% 5.6%
1.7%
1.0%
0.0%
0.0% r

redelijk ontevreden
80
75
36
4
1
196
(tnetstellingeens)
40.8%
38.3%
18.4%
2.0%
0.5%
100% 15.8% 17.3%
11.2%
18.2%
25.0%

6.2%
5.8% 2.8%
0.3% 0.1%
15.2%

indifferent
100
96
99
4
1
300
(hangt er van af)
33.3%
32.0% 33.0%
1.3%
0.3%
100% 19.7%
22:1%
30.8%
18.2%
25.0%

7.8% 7.5% 7.7%
0.3% 0.1%
23.3%

redeljktevreden
166
191
156
II
2
526
(niet met stelling
3 1.6%
36.3% 29.7%
2.1%
0.4%
100% eens)
32.7%
44.0%
48.6% 50.0% 50.0%

12.9% 14.8% 12.1%
0.9%
0.2%
40.8%

tevreden
89
50.
17
3
0
159
(helemaal niet met 56.0% 31.4%
10.7%
1.9%
0.0%
100%
stellingeens)
17.6% 11.5%
5.3%
13.6%
0.0%

6.9% 3.9%
1.3%
0.2%
0.0%
12.3%

kolomtotalen
507 434
321
22
4
1288

100% 100%
100% 100%
100%
39.4%
33.7%
24.9%
1.7%
0.3%
100%

a. De kolommen per cel geven achtereenvolgens weer: het aantal respondenten, het aantal
respondenten in procenten van het rijtotaal, in procenten van het kolomtotaal en in
procenten van hel totaal aantal respondenten.

,,van zeer groot belang” tot en met ,,van geen enkel
belang”.

Tabel 1 geeft de resultaten van de ,,crossing” van de

ontevredenheidsvraag met de mate van belang die men aan
KB toekende. De rijtotalen en kolomtotalen geven de rechte

tellingen. Uit deze tabel springt naar voren dat respondenten

veel waarde hechten aan goede klachtenbehandeling: bijna 3

op de 4 mensen gaf aan dit tenminste van groot belang te ach-
ten. De respons op het evaluatie-item gaf een ander beeld te

zien: bijna 1 op de4 mensen was ontevreden of zeer ontevreden
oyer de klachtenbehandeling, ruimde helft was min of meer te

spreken over de manier waarop hun klachten werden opge-

lost, terwijl bijna een kwart een neutraal antwoord gaf. Kort

en krachtig: mede gezien de gekozen onderzoekopzet vond de

Nederlandse levensmiddelenconsument in het algemeen goe-
de klachtenbehandeling van belang, maar was niet over-

wegend ontevreden over de aandacht die daaraan van de

zijde van de distrubuenten wordt geschonken.

In de cellen links van het dikomlijnde gedeelte van tabel 1
bevindt zich dan ook het grootste aantal respondenten (93%

van het totaal). Het leek ons zinvol te toetsen of de ontevrede-

nen een goede klachtenbehandeling ook meer van belang
achtten c.q. te bekijken welke strata zowel bij de ,,dissatisfac-

tie-item” als de ,,belang-item” significant geprononceerder scoorden dan de rest van de respondenten. Dit laatste in de
zin van: qua aantal op de opeenvolgende predikaten op het

desbetreffende item langzamer of sneller culminerend dan de

rest van de respondenten. Daartoe werd de Kolmogorov-

Smirnov two-sam ple-test toegepast 17).
De respondenten werden telkens gesplitst in twee categorie-

en n 1 en n2, waarbij dan aan de hand van de berekende x
2
bij
een significantieniveau van x
=
0,05 en twee vrijheidsgraden

werd bekeken of de nulhypothese, inhoudende dat de te
onderzoeken deelcategorie niet afwijkt van het totaal aantal
respondenten, kon worden verworpen 18). De resultaten

geven we hieronder weer. In de tabellen 2 t/m 5 vermelden we
daarbij achtereenvolgens:


de omschrijving van de significant te achten deelcategorie

van de ontevredenen, resp. ,,belang”-toekennenden;


de berekende x
2
met 2 vrjheidsgraden volgens de methode

van Kolmogorov-Smirnov. Opgemerkt moet worden dat
in de tabellen alleen die deelcategorieën zijn opgenomen,

waarbij de nulhypothese kon worden verworpen. We
hebben ons in de tabellen dus beperkt tot die groepen
consumenten die significant afwijkend oordeelden over
het belang en de kwaliteit van de klachtenbehandeling van

de kruidenier;

de richting van de afwijking van de nulhypothese. Een

Onder een pritnaire koper wordt hier verstaan een huisvrouw die
haar
kruidenierswaren overwegend en meestal bij een bepaalde
levensmiddelenzaak koopt.
De gegevens werden verzameld m.b.v. het IVOMA-panel. De
verwerktng hiervan geschiedde niet steun van het Centrum voor
Bed rijfseconomisch Onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotter-
datn.
In de z.g. ,,attributie-theorie” wordt het vraagpunt behandeld
waaraan mensen hun falen of slagen toeschrijven. De oorzaken
hiervan kunnen door ietnand waargenomen worden als door hemzelf

intern

beheersbaar of van externe aard. Verwacht mocht
worden dat bij een gewekte suggestie als zou de kruidenierde oorzaak
zijn van negatieve ervaringen (externe toeschrijving) tneer latente
ongenoegens of vergeten ervaringen manifest zouden worden. Hier stond echter de overweging tegenover dat de consument een zekere
schrootn kon hebben zich negatief uit te laten.
S. Siegel, Non-parametric statistics for the behavioral sciences,
1956.
Van de 83 onderzochte strata bleken er 20 een signiticante
afwijking te vertonen. Zie tabel 3
t/In
5.
VNO, Consumenten- en consumpliebeleid, pleidooi voor een
actieve stellingname van het
bedr(ijsleven,
juni 1977.
S ER, ,1 dvies inzake methoden Ier verbetering van de behandeling
van consumenienk/achten,
augustus 1975.
Bedoeld worden hier bepleite en besproken maatregelen in
publicaties van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen/Ne-
derlands Christelijk Werkgeversverbond en de Commissie voor
Consurnentenaangelegenheden van de S.E.R.

870

„min” betekent dat de onderzochte deelcategorie langza-mer culmineerde dan de totale populatie minus de onder-

zochte deelcategorie. Een ,,plus” betekent het omgekeerde

(bij tabel 2 b.v. houdt een ,,+” in dat een deelcategorie die
een goede klachtenbehandeling relatief van groter belang
achtte, moest worden gezocht bij de ontevredenen/ redelijk

ontevredenen m.b.t. de aandacht die de kruidenier be-

steedt aan KB. Een ,,—” in deze tabel betekent dat een

deelcategorie die naar verhouding minder belang hechtte
aan KB-faciliteiten gezocht moest worden bij de ,,indiffe-

renten”).

De socio-demografische segmentatievariabelen (SD) waar-
mee de berekening werd uitgevoerd waren leeftijd (L), fase in

de gezinscyclus (GC), welstandsklasse (W) en regio (R).De

andere variabelen die werden gebruikt waren het klant zijn
van een bepaald type kruidenier (waarbij als identiteitsvari-
abelen winkeltype — WT — en organisatievorm — 0V —

werden gekozen), alsmede een ,,actie-intentionele” variabele
(A). Het betrof hier de mening van de consument over de

wenselijkheid de invloed van consumentenorganisaties op kruideniers al of niet te vergroten. Deze werd gesplitst in:
wenselijkheid van meer invloed (1), wenselijkheid van niet meer invloed (Nl) en geen mening (OM).
In de eerste plaats konden we met behulp van de beschreven
techniek toetsen of de groep mensen die zei een goede

klachtenbehandeling bij hun kruidenier van belang te achten
overwegend moest worden gezocht bij diegenen die van

mening waren dat er te weinig aandacht door de kruidenier
aan klachtenbehandeling werd besteed. De evaluaties werden
ter wille van de overzichtelijkheid aanvankelijk tot 3 catego-

neen teruggebracht. Tabel 2 geeft hiervan het resultaat.
Tabel 2. De relatie tussen ,,belang” van KB-facilizeilen en

,,evaluaiie” van KB (grof)

Evaluatie

x
2
(p
= 2)

Richting
van de
afwijking

Ontevreden/redelijk ontevreden:
— ..Erwordt teweinigaandacht
besteed aan KB”

18.7

+
Indifferent:
— ,.Hangtervanaf’

9.4


Redetijk tevreden/tevreden:

Er wordt niet te weinig

niet sig-
aandacht besteed aan KB’

nificani

Inderdaad bleek dat mensen die klachtenbehandeling rela-

tief meer van belang achtten relatief ook meer konden worden
gevonden bij diegenen die van mening waren dat er van de

zijde van de kruideniers te weinig aandacht aan KB werd
besteed. Toen we deze evaluaties verfijnden en de oorspronke-
lijke
5
predikaten onderzochten kwam een merkwaardige
tegenstelling aan het licht (tabel 3).

Tabel 3. De relatie tussen ,,belang” van KB-faciliteiten en

,evaluatie” van KB (verfijnd)

Evaluatie

x
2
«p
= 2)

Richting
van de
afwijking

Ontevreden:
— ,,Erwordt veet teweinigaan-
dacht besteed aan KB”

36,5

+

Deze tegenstelling betrof de laatste 2 categorieen. De

respondenten uit de voorlaatste categorie vonden KB relatief

onbelangrijk, de respondenten uit de laatste categorie von-
den KB relatief van groot belang. Blijkbaar behoorden de

eerstgenoemden tot de groep die relatief onverschillig staat
t.o.v. een goede KB en die hier ook zelden of nooit een slechte
ervaring mee hebben gehad (hiertoe kan overigens naar onze

mening ook categorie 3 gerekend worden: zie het ,,min”te-
ken). Daarentegen was de laatste groep waarschijnlijk een

categorie die zeker niet onverschillig staat t.o.v. KB en die
daar ook positieve ervaringen mee heeft gehad. De winkelier
heeft bij deze mensen wellicht de gelegenheid gehad (en

benut!) om goodwill te kweken met een adequate

klachtenbehandeling. Hierbij moet wel worden opgemerkt
dat deze groep slechts 10.8% van de totale populatie uitmaak-

te.
De conclusie kan zijn dat goede, resp. slechte KB-facilitei-
ten polaniserend werken: slechte ervaringen, zowel als goede
ervaringen met de aandacht die de winkelier aan KB besteedt,
maken de consument bewust van het belang. Een en ander

was een aanleiding om de resultaten per item separaat te

analyseren. Per item werden de significant scorende deelcate-

gorieen bepaald (tabel 4 en 5).

Tabel 4. Het gevoelde belang van adequate klachtenbehande-
ling, signflcante deelcategorieën van primaire kopers

variabele Significantedeelcategorieën

55
(
Q
= 2)

Richting
van de
afwijking

SD-L

Ieeftjd5Ol/m64jaar
9,4
+
-CC

gezinnen met kinderen
5t/m t4jaar
12.6

gezinnen met kinderen
I5jaarenouder
7.1
+
ond gezin zonder kinderen
7.9
+
-w

wetsiandsklasse: tagere volks-
klasse
7,4
+ A
-I

wenselijkheid van meerin’
vloed
19,4 +
-ON

geen mening
17,3
– –

Uit tabel 4 blijkt, dat mensen in de leeftijdsklasse van 50

m 64 jaar, mensen uit de lagere volkskiasse en gezinnen met
kinderen van 15 jaar en ouder aan klachtenbehandeling
relatief grote waarde toekenden. Een verklaring voor de
mening van laa’tstgenoemde categorie zou kunnen zijn dat
deze gezinnen zich in een ,,kritische-gezinsattitudefase” be-
vinden. Dat oudere gezinnen zonder kinderen klachtenbehan-

deling belangrijk vonden zou kunnen worden verklaard door
een grotere afhankelijkheid en een sterke behoefte aan advies
(de informatiefunctie van de winkelier).
In ieder geval kwam de invloed van de leeftijd aan het licht.

Afnemende mobiliteit en daarmee grotere afhankelijkheid
van ,,de kruideniers in de buurt” kunnen hiermee samen-
hangen. Gezinnen met kinderen tussen 5 en 14 jaar vonden
klachtenbehandeling relatief minder belangrijk.

Dat degenen die aan klachtenbehandeling een grote waarde

toekenden meer invloed van de consumentenorganisaties op
de winkelier wensten, was geen opzienbarende uitkomst.

Merkwaardiger is het dat degenen die klachtenbehandeling
relatief minder belangrijk vonden niet werden aangetroffen
bij de mensen die niet meer invloed wilden, maar eerder bij
hen die geen mening hadden. Ook hier zien we de relatief
,,onverschilligen” weer terug.
Een ander beeld spreekt uit de evaluatie van klachtenbe-
handelings-faciliteiten (zie tabel 5).

I..cucIIJK
oiiicvrcucii.

,,TeweinigaandachtaanKW’
“.%
ficant
Consumenten uit de drie grote steden en de hogere volks-
Indifferent:
klasse en klanten van witte winkels, alsmede van groot-

Hangt ervanar
9,4

filiaalbedrijven, waren relatief ontevreden over de klachten-
Redelijk tevreden:

..Erwordinieiteweinig”
behandeling. De consumenten uit de middengroepen en
aandacht besteedaanKB
21.7

klanten van

winkels alsmede klanten van winkels
,,normale”
Tevreden:

,.Erwordtzekerniette
met een andere organisatievorm dan die van het grootfiliaal-
weinigaandacht besteed
bedrijf waren relatief meer te spreken over de aandacht die
aanKB”
20,1
+ hun klachten van de winkelier krijgen. Ook hier weer waren

ESB 29-8-1979

871

Tabel 5. De evaluatie van de klachtenbe handeling, signfican-
te deelcategorieën van primaire kopers

Variabele Signiflcante deelcategoriehn

xt ( p = 2)

Richting
van
de
afwijking

SD-W

hogere volksklasse
7.5
+
middengroep
7.1

-R

wonend in3 grote steden
6.3
+
A
-J

wenst meerinvloed
18,3
+
-GN

geen mening
13,8

WT

normale winkel-klant
9.9

discount-klani
11.1
+
0v

klanten van’het grote filiaalbedrijf
11.2
+
klant van andere organisa.
tievormen (zelfstandige kruide-
nierselc.)
11.2

de mensen die meer invloed van consumentenorganisaties
wilden een duidelijk significante categorie.

Deze resultaten kunnen zo worden geJnterpreteerd dat de
klant in de grote stad en van de discountzaak ônpersoonlijker

wordt benaderd, 66k waar het klachtenbehandeling betreft.
Een ondersteuning van deze suggestie vindt men in de saillan-
te tegenstelling tussen klanten van grootfiliaalbedrijven en
klanten van zelfstandigen en organisaties van zelfstandigen.

De eersten waren relatief ontevreden, de laatsten relatief meer

te spreken over de klachtenbehandeling van hun kruidenier.
Wellicht voeren dus de zelfstandig opererende regionaleen

minder op ,,prjs” verkopende winkeliers als gevolg van een
grotere persoonlijke binding de klachtenbehandeling beter
uit. De consument uit de hogere volksklasse was relatief

ontevreden. Gezien het feit dat uit veel onderzoek blijkt dat
vooral de jongere, beter opgeleide, welvarender consumenten
met meer behoefte aan zelfactualisering tot actie overgaan (lid

worden van een consumentenorganisatie, maar ook klagen!); een toch wel opmerkelijk resultaat. Tabel 4 en 5 overziend kunnen we tot de globale conclusie

komen dat ouderen en oudere gezinnen alsmede mensen uit de
lagere welstandsklassen naar verhouding duidelijker dan
anderen aangeven KB-faciliteiten voor henzelf van belang te
achten. Deze geven echter niet aan relatief ontevredener over
de KB-faciliteiten te zijn. Speelt hier een —door ervaring

gestabiliseerd – laag verwachtingspatroon of een door de
leeftijd bepaald gevoel van onmacht mee? Of zijn zij alleen
maar minder uitgesproken in hun mening? In ieder geval

dringt de gedachte zich op dat bij deze meer kwetsbare
groeperingen meer ,, klaagdrempels” moeten worden gezocht.

De naar verhouding sterk ontevredenen lijken sterker te

reageren op de situationele variabelen: de (onpersoonlijke)

invloed van de stadswinkel, de discountzaak en de vestiging
van de anoniemere winkel van het (groot)filiaalbedrijf.

onaliseren dan het lijkt: voor zover het levensmiddelen

betreft, is de huisvrouw overwegend niet ontevreden over
de bestaande KB-faciliteiten van haar kruideniers. De

prikkel tot verdergaande uitbouw zal – zo mag worden

verwacht – vanwege de niet ,,zo hoge nood” niet zo snel
van het bedrijfsleven uitgaan.

Er is een relatie tussen het belang dat de huisvrouw toekent
aan KB-facilïteiten en haar ontevredenheid tav. de aan-

dacht die de kruidenier aan KB schenkt. Een en ander

heeft wellicht te maken met een bewustwordingsproces dat
uiteindelijk voor ontevredenen in één of andere voTm van
actie (zie figuur 1) uitmondt. Er is dan ook een relatie

tussen het toegekend belang aan, en de ontevredenheid
over, KB-faciliteiten en actiegerichtheid. Er is echter ook

een relatie tussen het toegekend belang aan KB-faciliteiten
en de relatieve
tevredenheid.
Slechte
en goede ervaringen
werken waarschijnlijk polariserend!

In de relatitussen levensmiddelendistrjbuent en klant

komen, indien men afgaat op het door de consument zelf

toegekende belang, de kwetsai-egroepen (ouderemin-
der welgestelden) het eerst in aanmerking voor een
actief
KB-beleid. De KB-faciliteiten ten behoeve van de klanten

van grootfiliaalbedrijven en de discountwinkeltypen als-

mede van de klanten uit de grote steden kunnen, indien
men afgaat op de evaluatie door de consument, worden
verbeterd.

Waarschijnlijk zijn veel bepleite of overwogen maatregelen
t.a.v klachtenopvangsystemen, zoals o.a. door het VNO-

NCW naar voren is gebracht 19), regionale en lokale aanpak
van KB (zoals door de Commissie voor Consumentenaange-

legenheden van de SER is gesuggereerd) 20), het in het leven
roepen van meer bemiddelingsinstanties enz. pas echt effectief

als tegelijkertijd meer aandacht wordt besteed aan verder-

gaande maatregelen voor klachtenkanalisatie van de kant van
de individuele onderneming 21). Voor de marketingfunctio-
naris van levensmiddelendistribuenten lijkt dit te betekenen:
meer aandacht voor kwetsbaren en een persoonlijker benade-

ring. Hetgeen wellicht kan worden bereikt met méér klein-
schaligheid en meer aandacht voor de persoonlijkheid van de
supermarktmanager.

P.A. Beukenkamp
P.Th. Gründemann

– …

Adverteer in
Conclusies

Op grond van het bovenstaande trekken we enkele conclu-
sies.

Goede KB-faciliteiten zijn in méér dan één opzicht van
belang voor consument èn bedrijfsleven. Verdergaande
stimulering van het kanaliseren van ontevredenheden via –

KB-faciliteiten is – zeker in een stagnerende economie –

geen loze kreet. De consumentenervaringen juist t.a.v.
levensmiddelenzaken, kunnen voor alle betrokken part-
ijen indicatief zijn (men denke b.v. aan de verschillen in de

prijs-kwaliteitsverhouding tussen de winkels). Voor de

marketingman binnen de levensmiddelendistributie is het
goed zich bewust te zijn van het feit dat het KB-beleid

vooral een rol speelt bij het marktaandeelbeleid, de positi-
onering en het communicatiebeleid. Klaagdrempels van de

consument vormen voor het goed functioneren van dat
KB-beleid een remmende factor. Vanuit consumentenbeleidsstandpunt bezien is goede KB

op basis van ondernemersinitiatief moeilijker te operati-

Economisch

Statistische

Berichten

Inlichtingen:

Roelants/E PR

Postbus 53021

Catsheuvel 75, Den Haag

Telefoon 070-503300

872

Fisconomie

Infiatieneutrale belastingheffing

en hypotheekrente-aftrek

DRS. A. G. J. HASELBEKKE

Behalve met de gebruikelijke begrotingsperikelen wordt het kabinet op dit

moment ook geconfronteerd met een zaak waarover een beslissing al ruim

1
Y
2
jaar op zich laat wzchten, n1 de voorstellen van Prof Hofstra inzake een

infiatieneutrale belastingheffing. De minister van Financiën heeft tijdens de

behandeling in de Tweede Kamer van het belastingplan 1979 (eind november

vorig jaar) toegezegd dat het kabinetsstandpunt inzake het rapport-Hofstra

tijdig v66r de indiening van de begroting van 1980 zou worden bepaald 1).

Een beslissing valt dus binnenkort te verwachten. Een heet hangijzer in de

problematiek rond de Hofstra-voorstellen betreft ongetwijfeld de beper

king van de hypotheekrente-aftrek. Voor naar schatting iy
4
mln, mensen

met een eigen huis heeft de eventuele invoering van deze beperking directe

gevolgen voor hun inkomenspositie. Aan die gevolgen en de verdeling daar-

van over de verschillende inkomensniveaus en sociale groeperingen wordt
in het hiernavolgende aandacht geschonken.

De hypotheekrente-aftrek

Bij het zoeken naar het antwoord op de vraag wie nadeel ondervindt van in-
voering van de Hofstra-voorstellen met

betrekking tot de hypotheekrente-aftrek

en hoeveel de inkomensachteruitgang
zal bedragen doet zich het probleem voor dat het beschikbare statistische
materiaal sterk verouderd is 2). Zoals
bekend komen gegevens over de inko-

mensverdeling met een vrij grote vertra-
ging beschikbaar. Hoewel het Centraal

Bureau voor de Statistiek over de in-
komensverdeling 1975 reeds het een en
ander heeft gepubliceerd, is voor de on-
derdelen die inzicht bieden in de verde-
lingsaspecten van de hypotheekrente

slechts het cijfermateriaal van 1973

voorhanden 3). De hieronder gepresen-teerde gegevens zijn daarop gebaseerd.

Over de ontwikkeling in de periode n
1973 kan slechts bij benadering iets

worden gezegd.

Enige totaalcijfers

In 1973 maakten circa 785.000 belas-
tingplichtigen met een volledig jaarin-
komen gebruik van de mogelijkheid hy-

potheekrente voor de inkomstenbelas-
ting af te trekken 4). Dat is bijna 15%
van alle belastngplichtigen met een vol-
ledig jaarinkomen. In dat jaar waren er
ruim 507.000 personen die slechts over

een deel van het jaar inkomen hebben ge-
noten. Van deze groep maakt slechts

1
!/2%
(bijna 7.700 personen) aanspraak

op hypotheekrente-aftrek. Het totale
aantal belastingplichtigen met hypo-
theekrente-aftrek beliep in 1973 derhalve
bijna 793.000. De hieronder te presen-

teren cijfers hebben, tenzij anders ver-
meld, uitsluitend betrekking op de per-
sonen met een volledig jaarinkomen.
Het is de sociale categorie directeuren

NV! BV die van deze fiscale aftrekmoge-
ljkheid relatief het meest gebruik maakt

(bijna
45%
van alle personen in deze

groep). Gepensioneerden en de mensen
zonder beroep ,,profiteren” naar ver-

houding het minst. In tabel 1, kolom (3) wordt dit geïllustreeerd
5).
Wat betreft
de uitkomst voor de zelfstandigen dient
het volgende te worden opgemerkt. Voor

deze groep belastingplichtigen bestaat, indien de eigen woning behoort tot het
vermogen van de onderneming, ten aan-
zien van de hypotheekrente-aftrek (en de

huurwaarde) een speciale regeling. De
kosten van het onroerend goed worden

in het algemeen voor het geheel van dat
onroerend goed (bedrjfsdeel + eigen

woning) berekend; een toerekening aan

de eigen woning levert veelal grote
problemen op. Daarom wordt de eigen

woning wat betreft huurwaarde en kosten

(waaronder de hypotheekrente) in de
winst berekening
betrokken. De post

,,winst uit onderneming” verschijnt als
saldopost op het aangiftebiljet inkom-
stenbelasting. In de inkomensstatistiek is

alleen deze saldopost opgenomen, waar

door in deze statistiek een deel van. de

totale hypotheekrente-aftrek voor de
eigen woning niet is terug te vinden. Het
aantal personen met rente-aftrek in

de categorie van de zelfstandigen zal
derhalve in werkelijkheid (aanzienlijk)
hoger liggen dan de vermelde 16%. Voor
de hier aan de orde zijnde problematiek

– de gevolgen van de beperking van de
hypotheekrente-aftrek in de privé-sfeer

– is evenwel slechts deze 16% relevant.

De kwantitatief belangrijkste groep

belastingplichtigen met rente-aftrek be-treft de werknemers: ruim driekwart van

alle personen met rente-aftrek (zie de
cijfers tussen haakjes van kolom (2)).
Uiteraard geeft het aantal mensen dat
gebruik maakt van de aftrekmogelijk-
heid nog geen beeld van het eigen-
woningbezit in Nederland. Een redelijke
benadering hiervoor kan worden gevon-

den in het aantal mensen dat voor de
fiscus de huurwaarde voor de eigen

woning opgeeft. Uit de inkomens-
statistiek van het CBS kan worden

afgelezen dat dit in 1973 ruim 1,2 mln.
mensen (met een volledig jaarinkomen)

Zie Handelingen van de Tweede Kamer,
zitting
1978-1979,
blz.
1948.
De vraag in hoeverre de bestaande
wetgeving de bewoner-eigenaar fiscaal be-
voordeelt ten opzichte van huurders van een
woning blijft in dit verband buiten beschou-
wing. Aan dit aspect van het eigen-woning-
bezit is onlangs in dit blad nog uit-
voerig aandacht besteed. Zie de artikelen
van De Kam en Priemus in
ESB
van II
en
18 juli jl.
Voor een technische toelichting op de aard
en de opzet van de inkomensverdeling
1973
wordt verwezen naar deel 1 (blz.
8
t/m
21) van de Inkomensverdeling 1973 en
vermogensverdeling 1974
van het CBS,
Staatsuitgeverij, ‘s-Gravenhage,
1978.
Het
cijfermateriaal in dit artikel is ontleend aan
deel II van de desbetreffende publikatie.
Onder het begrip hypotheekrente zoals dat
in dit artikel wordt gehanteerd zijn tevens
de kosten verbonden aan (het opnemen van)
een geldlening voor een eigen woning be-
grepen. (notariskosten, afsluitprovisie, boete-
rente enz.). Rente op andere dan een hypothe-
caire lening blijft buiten beschouwing.
De gehanteerde indeling van de sociale categorieën komt overeen met de door het
CBS gevolgde indeling.

ESB 29-8-1979

873

Tabel 1. Aantallen belastingplich zingen
a)
(tussen haakjes aandelen in % van het
totaal)

Totaal
Aantal met hy-
Kolom (2)
Aantal met
Kolom (4
aantal
pothcckrente-
in
%
van
een eigen
minus (2)
aftrek
kolom (t)
woning
in
%
van (4
(1)
(2)
(3) (4)
(5)

493.750
(
9,2)
79.025
(lol)
16,0
85.850 (15,3)
57,5 69.175

(

1,3)
31.000
(
3,9)
4.4,8
49.325
(
41)
37.2
3.401.150 (63,2) 590.450 (75,2)
17,4
705.400 (58,0)
6,3

Zelfstandigen

………………….

1.300.950 (24,2)
81.325 (10,4)
6,3
264.350 (21,7)
69,2

Directeuren NV/BV

…………….
Werknemers

…………………..
Gepensioneerden

……………….
116.850
(
2,2)
3.125
(
0,4)
2,7
11.000
(
0.9)
71,6
Zonder beroep

…………………

Totaal

……………………….
5.381.875 (100)
785.000 (100)
14.6
1.215.925 (100)
35,4

a) Aantallen afgerond op 25-vond; het betreft hier uitsluitend aantallen met een volledig jaarinkomen. Door de afrondingen kan het totaal iets afwijken van de som der onderdelen.

Tabel 3. Procentuele verdeling over inkomensklassen van aantallen belasting

plichtigen met hypotheekrente-aftrek

tnkomensklassen
Zelfstan-
Directeuren
Werknemers
Gepensio-
Zonder
Totaal
(x f.

.000)
digen
NV/BV
neerden
beroep
(inkomens 1973)
(1)
(2)
(3)
(4)
(5) (6)

neg. tot

0

………………1.9
0,2 0.0
0,2
4.0 0,3
0

tot

10

………………8.1
0,7
1,1
22,3
58.8
4,2
23,5
3,3
34,5
473
24,5
33,5
20

tot

50

………………
42,5 48,2
58,3
26,9
11.1
52,8
tO tot

20

……………….

15,2
.
35,7
5.7
3,1
1,4
7,5
50 tot

100

……………….
100 en meer

……………….
8,7
11,8
0,4
0,3 0,2
1,6

Tabel 4. Aantal belastingplichtigen met hypotheekrente-aftrek in procenten van het totale aantal belastingplichtigen per inkomensklasse en per sociale categorie

Inkomensklassen
(n f. 1,000)
(inkomens 1973)
Zelfstandigen

(1)

Directearen
NV/BV
(2)

Werknemers

(3)

Gepcnsio-
neerden
(4)

zonder
beroep
(5)

Totaal

(6)

17,8
25,4
25,7
18.3
1,6
11,6
0

tot

10

………………11,0
58,2
1.4
4,2
2,3 3,2
tO

tot

20

………………13,5
25,1 12,3
5,6
3.2
10.4
20

tot

50

………………15,5
45.6
28,3
13,2
8,7
25.4

neg. tot

0

……………….

50

tot

00

………………22,2
47,2
55.3
19,5
9.8
39,0
00 en meer

………………36,3
44,5
50,4
12,4
7.3
38,8

Totaal

…………………..16.0
44.8
17,4
6,3
2.7
14,6

waren 6). Ongeveer een derde deel van

alle eigen-huisbezitters bleek derhalve in

een niet met een hypotheek bezwaarde

eigen woning te wonen. In kolom (4) van

tabel 1 wordt de verdeling van de aantal-
len eigen-woningbezitters (absoluut en

procentueel) overde verschillende sociale

categorieën weergegeven.
Confrontatie van kolom (4) met

kolom (2) laat zien dat de gepensio-

neerden en de mensen zonder beroep

relatief het meest in een hypotheek-
vrije woning wonen, nI. bijna 70% resp.

ruim 70% van de huizenbezitters in deze
categorieën. Bij de werknemers is dat

relatief het minst. Dit wordt nog eens

geïllustreerd in kolom (5).

In 1973 werd door de personen met

een volledig jaarinkomen totaal voor
ruim f. 1,8 mrd. aan hypotheekrente-
aftrek geclaimd. Het hiermee gemoeide

belastingvoordeel is niet exact te be-

palen, maar zal ruwweg f. 0,6 â f. 0,8
mrd. bedragen. Uiteraard werd het
grootste deel van dit bedrag opgeëist
door de werknemers, die gemiddeld ge-

nomen ongeveer f. 2.350 aftrokken.
Aanmerkelijk hoger lag dit gemiddelde
bij de groep van de directeuren (f. 4.100)
en de zelfstandigen (f. 2.775). Daarente-
gen was het gemiddelde bedrag van de
hypotheekrente-aftrek bij de gepensio-
neerden in 1973 erg laag (f.
1.075).
In onderstaande tabel worden deze cij-
fers op een rijtje gezet.

Tabel 2. Bedragen aan hypotheekrente-
aftrek in 1973
a)

Totale bedrag
Pron
Gemid-
aan aftrek
tuele
leid rente
(x t. 1000)
verde- bedrag
ling
(1)
(2)
(3)
220.075
12.
2.775
Directeuren NV/BV
127.175
7,
4. lOt
1.387.475
75.9
2.350

Zelfstandigen
…………

Gepensioneerden
86.675
4.7
.075
Werknemers
………….

Zonder beroep
5.600 0.3
.800

Totaal

………………
1.827.000
100,0
2.325

a) Bedragen afgerond op 25-vond.

Verdeling naar inkomensklassen

Voor een inzicht in de horizontale en

verticale verdeling en ter berekening van

enigermate gedetailleerde inkomensef-
fecten is een uitsplitsing van het hier-

boven gepresenteerde cijfermateriaal

naar inkomensklassen en rentebedragen

noodzakelijk. Wat betreft het laatste –

detaillering naar renteklassen – zijn
geen gegevens beschikbaar. Dit maakt een enigszins betrouwbare berekening

van de inkomenseffecten vrijwel onmo-
gelijk. Daarom zal worden volstaan met

een berekening die op alle inkomensni-
veaus toepasbaar is (zie het laatste deel
van deze paragraaf). Wel beschikbaar is

een indeling naar inkomensklassen,
waarbij het totaalinkomen door het CBS

als maatstaf voor de klasse-indeling is
gekozen. Het totaalinkomen kan glo-

baal worden gedefinieerd als het bruto
inkomen uit primaire bron (inkomsten
uit arbeid, winst uit onderneming, in-

komsten uit vermogen ed.) verminderd
met de kosten van verwerving, de pen-

sioenpremie, de sociale-verzekeringspre-
mies en andere persoonlijke verplichtin-

gen en vermeerderd met het bedrag aan
inkomensoverdrachten (zoals de kinder-

bijslag). De in fiscale zin als buiten-

gewone lasten aangemerkte uitgaven,
alsmede giften, reservering voor fis-
cale oudedagsreserve, onverrekende ver-
liezen en zelfstandigenaftrek blijven bij

het totaalinkomen buiten beschouwing
7).

Het totaalinkomen als maatstaf voor
de klasse-indeling is voor een beoorde-

ling van de verdelingsaspecten van de

hypotheekrente-aftrek niet erg gelukkig.

De omvang van die aftrek – die poten-

tieel in sterke mate afhankelijk is van het

bruto inkomen – bepaalt in dit geval

immers mede de klasse-indeling. Iemand

met een hoog bruto inkomen en een
relatief hoge hypotheeklast zal in een

lage inkomensklasse terechtkomen. Het
CBS hanteert echter geen maatstaf die
een benadering van het bruto inkomen
vormt. Van de thans in gebruik zijnde

inkomensbegrippen komt het
kernin-

komen
daarbij nog het dichtst in de

buurt, maar een indeling van de hypo-

theekrente-aftrek naar deze grootheid is

– althans voor 1973 – niet voorhan-
den. Bij de interpretatie van de hierna

gepresenteerde gegevens dient dit aspect

goed onder ogen te worden gezien.
In kolom 2 van tabel 1 is voor de

verschillende sociale categorieën het

totale aantal belastingplichtigen met

hypotheekrente-aftrek gepresenteerd. In

tabel 3 volgt van deze aantallen de pro-

centuele verdeling over een zestal in-

komensklassen 8). Hieruit blijkt dat in
1973 bijna twee derde van het totale

aantal belastingplichtigen met hypo-
theekrente-aftrek een totaalinkomen van
meer
dan f. 20.000 had. Dit geldt zeer

In dit cijfer is niet begrepen het aantal
zelfstandigen dat huurwaarde voor de eigen
woning opgeeft bij de Post ,,winst uit
onderneming”, het eigen-woningbezit in
Nederland lagdus in 1973 feitelijk hogerdande
hier vermelde 1,2 mln.
Zie voor een gedetailleerde beschrijving
van het begrip totaalinkomen blz. 11 en 12
van de
Inkomensverdeling 1973.
Het CBS hanteert in zijn statistieken
28 inkomensklassen. Vanwege de overzichte-
lijkheid zijn deze 28 klassen in dit artikel
gecomprimeerd tot 6.

874

Tabel 5. Procentuele verdeling over inkomensklassen van het bedrag aan

hypotheekrente-aftrek per sociale categorie

tnkomensklassen
Zeifstan.
Directeuren
Werknemers
Gepensio-
zonder
Totaal
(x
r.

.000)
digen
NV/BV
neerdcn
beroep
(inkomens 1973)
(t)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)

neg. lot

0

………………2,8
0.2
0,1
0,7 9,3
0.5
0

tot

10

………………6.2
0,6
1.1
16.9
48.1
2,6
10

tot

20

………………6.9
3,6
27,1
36,4 8,6 24,7 35.9
40,7
62.0
37.4
14.9
56,0
20 tot

50

……………….
19,6
37,9
9,0
7,8
8,2
12,2
50 tot

00

……………….
00-en meer

……………….
18,6 17,0
0,7 0,8
0,9
4,0

teker niet voor de gepensioneerden en
voor de personen zonder beroep. Bij deze

categorieën had bijna 70% resp. ruim 86%

van alle mensen met aftrek een totaal-

inkomen van
minder dan f. 20.000. Bij de
Jirecteuren NV/BV ligt het accent zeer

luidelijk op de hogere inkomensklassen.
Vergeleken met de verdeling van het
totale aantal belastingplichtigen over

inkomensklassen blijkt, dat van de mo-
gelijkheid tot hypotheekrente-aftrek re-
latief het meest door de hogere inkomens
gebruik wordt gemaakt. Van het totale

aantal belastingplichtigen heeft name-
lijk slechts ongeveer één derde deel

een totaalinkomen van
meer
dan

f. 20.000, bij de mensen met rente-
aftrek was dat – zoals reeds vermeld –
bijna twee derde deel 9). De relatie

tussen de hoogte van het inkomen en de
frequentie van de rente-aftrek komt goed

tot uitdrukking in tabel 4, waar per
sociale categorie en per inkomensklasse

het ,,deelnemingspercentage” is weerge-
geven. De laatste regel van tabel 4
komt overeen met kolom (3) van tabel 1.
De relatief hoge uitkomst voor de

laagste inkomensklasse hangt vermoede-

lijk in belangrijke mate samen met het
eerder gesignaleerde feit dat de hoogte
van de rente-aftrek medebepalend is
voor de hoogte van het totaalinkomen
en daarmede voor de klasse-indeling
(een hoge rente-aftrek leidt tot een

laag c.q. negatief totaalinkomen). In
zijn algemeenheid geldt dat hierdoor de

mensen met rente-aftrek ,,oververtegen-
woordigd” zijn in de lagere inkomens-
klassen. Zou het bruto inkomen als
maatstaf voor de klasse-indeling zijn

gehanteerd dan zou zonder twijfel

de relatie tussen de hoogte van het
inkomen en de frequentie van de rente-
aftrek nog veel pregnanter naar voren

zijn gekomen.
Het zal, gelet op het bovenstaande,
geen verbazing wekken dat van het

bedrag aan rente-aftrek en dus ook van

het belastingvoordeel slechts een be-
scheiden deel toevalt aan de lagere

inkomensklassen (zie tabel 5). Ruim

de helft van het totale aftrekbare bedrag
wordt geclaimd door de ,,middenklasse-
inkomens” (f. 20.000 – f. 50.000). De
twee hoogste inkomensklassen, waarin
ongeveer 9% van de belastingplichtigen
met rente-aftrek zitten, eisen bijna één

zesde deel van die aftrek op; hun aandeel

in het belastingvoordeel is, vanwege het
relatief hoge marginale tarief voor

deze groep, uiteraard aanmerkelijk
groter. Met name binnen de sociale
categorie van de zelfstandigen en die

van de directeûren NV!
BV
trekken de

hogere inkomens ,,aan het langste eind”

(ruim 38% resp. bijna 55% van het
aftrekbare bedrag van deze groepen
wordt door de twee hoogste inkomens-

klassen geclaimd). Het inkomensnadeel
voortvloeiend uit de Hofstrâ-voorstel-
len zal op overeenkomstige wijze zijn
verdeeld, indien althans in 1980 onge-
veer dezelfde verhoudingen zouden

gelden als in 1973. In tabel 5 wordt een en
ander nader gespecificeerd.
Tot zover enig cijfermateriaal over de
verdeling van de hypotheekrente-aftrek

in 1973. De grote vraag is of de in
1973 geldende verhoudingen ook thans

nog actueel zijn of dat door de ontwik-
keling in de jaren nâ 1973 geheel andere

verhoudingen zijn ontstaan.

De ontwikkeling in de periode nâ 1973

Indejaren nâ 1973 is een forse stijging

van de prijs voor onroerend goed opge-
treden. De gemiddelde verkoopprijs

voor woningen lag eind 1978 volgens

berekeningen van de Nederlandse Bond van Makelaars op ruim f. 193.000 tegen

ongeveer f. 87.000 eind 1973, een stijging
derhalve van ruim 120% 10). Een derge-

lijke ontwikkeling manifesteerde zich
ook bij de opbrengst van de overdrachts-
belasting (verschuldigd bij de overdracht
van onroerend goed): deze opbrengst is
in de periode 1973-1978 ruim verdrie-voudigd (nI. van bijna f. 450 mln. naar

ruim f. 1.400 mln.).

In de
Maandstatistiek financiewezen

van het CBS worden o.a. gegevens gepu-bliceerd over het aantal nieuw ingeschre-

ven hypotheken op onroerende goederen
(gesplitst in een viertal categorieen)

en de daarbij behorende bedragen.
Tevens wordt aangegeven hoeveel door-halingen in het hypotheekregister plaats-

vinden. Hieruit kan een indicatie worden
verkregen (maar ook niet meer dan dat)
over de groei van het hypotheekbestand.
Blijkens deze statistiek hebben in de
jaren 1974 t/m 1978 ruwweg ly
2
mln.
mensen een hypotheek op een woonhuis

of combinatie woonhuis/ bedrijfspand in
het hypotheekregister laten inschrijven.

Het aantal doorhalingen voor deze cate-
gorie van onroerend goed kan grosso

modo op 1 mln. worden berekend II).
Het aantal belastingplichtigen met een

claim op hypotheekrente-aftrek zou

derhalve potentieel met ongeveer
500.000 zijn gegroeid. De feitelijke
uitbreiding zal echter geringer zijn,
omdat de inschrijvingen in het hypo-
theekregister niet alleen betrekking

hebben op nieuwe, eerste hypotheken,
maar ook op tweede hypotheken, onder-
delen (verhogingen) van bestaande hy-
potheken (welke veelal tegen afwijkende
voorwaarden worden afgesloten) e.d.

Bovendien vinden doorhalingen in het
hypotheekregister – die op initiatief

van de hypotheekgever dienen te ge-

schieden – dikwijls niet èf met grote
vertraging plaats. Niettemin blijkt uit
deze cijfers wel dat de groei van het
aantal hypotheekgevers in d
,
e periode

1974 t/m 1978 groot is geweest. Het

lijkt dan ook niet gewaagd te veronder-
stellen dat in 1980 ruwweg
l
4
mln.

personen aanspraak zullen maken op
hypotheekrente-aftrek. T.o.v. 1973 im-
pliceert dit een groei van ongeveer

400.000 personen, ofwel 50%.
Is de uitbreiding van het
aantal

belastingplichtigen met hypotheekren-
te-aftrek reeds moeilijk te bepalen, nog

moeilijker wordt het om iets over de ont-
wikkeling van het
bedrag
aan hypo-

theekrente-aftrek te zeggen. Globale cal-
culaties op basis van het cijfermateriaal
uit de
Maandsiatistiek Jïnancie wezen
komen voor de periode 1974 t/m 1978
uit op een groei van het hypotheek-

bedrag van ongeveer f. 9 mrd. 12).
De feitelijke groei zal echter aanmerke-
lijk geringer zijn vanwege eerdergenoem-

de redenen. Desalniettemin lijkt, mede

gelet op de sterke stijging van de huizen-

prijzen en van de opbrengst van de over-

Hoewel het begrip totaalinkomen voor de modale werknemer geen gangbare grootheid
is, kan als
indicatie
hiervoor worden uitge-
gaan van het belastbare inkomen vermeer-
derd met de kinderbijslag. Dit lag voor de
modale werknemer in 1973 op ongeveer
f. 15.900. Als er vanuit wordt gegaan
dat de modale man in een eigen huis woont en
hypotheekrente-aftrek claimt, dan komt zijn
totaalinkomen uiteraard lager Uit. Dit plaatst
de hier vermelde relatie in een nog wat scher-per daglicht.
Daarbij dient overigens wel te worden
bedacht dat de betrouwbaarheid van het cijfer
voor eind 1973 beperkt is in verband met het
feit dat het aantal waarnemingen waarop de
berekening van de NMB was gebaseerd
beperkt was (nI. 1.200 woningen per maand,
thans zijn dat er 2.500 per maand).
II) De doorhalingen van hypotheken zijn
niet gesplitst naar categorieën zoals de
nieuwe inschrijvingen. T.a.v. de woonhuizen
of combinatie woonhuis/bedrijfspand is ver-
ondersteld dat hun aandeel in de doorhalin-
gen relatief even groot is als hun aandeel in het
totaal van de nieuwe inschrijvingen.
12) Waarbij als voornaamste veronderstel-
ling is gehanteerd dat de nieuwe inschrijvin-
gen in een bepaald jaar een hypotheekrente
kennen conform het gemiddélde voor dat
jaar, terwijl t.a.v. het rentepercentage voor de
doorhalingén met een vertraging van 5 jaar is
gewerkt.

ESB 29-8-1979

875

drachtsbelasting, een verdrie- of vervier-

voudiging van het rentebedrag in 1980
t.o.v. 1973 niet uitgesloten. De hiermee

gepaard gaande verhoging van het ge-

middelde rentebedrag zal vermoedelijk

geheel of nagenoeg geheel ten laste
komen van de sinds 1973 nieuw of op-

nieuw in het hypotheekregister inge-

schreven personen. De groep die vé6r
1973 reeds een hypotheek had, heeft
weliswaar voor het grootste deel een
rente-aanpassing gehad – gemiddeld
genomen lag de hypotheekrente in de

periode 1974 t/m 1978 ruim 1% hoger

dan in de periode 1969 t/m 1973—maar

daar staat tegenover dat inmiddels veelal
een deel van de hoofdsom is afgelost,

waardoor de rentelasten voor deze groep
per saldo niet of nauwelijks zullen zijn

gestegen. Dit impliceert dat binnen de

nieuwe groep de gemiddelde rente-aftrek

ruwweg 5 tot 7 maal zo hoog zal zijn als
bij de personen die in 1973 rente-aftrek
claimden. De inkomensachteruitgang bij
invoering van de Hofstra-voorstellen zal
voor eerstgenoemde groep dienovereen-

komstig groter zijn. Hoeveel die inko-
mensachteruitgang zal bedragen wordt
hieronder in algemene termen uiteen-

gezet.

Over de gevolgen van de in de jaren
nâ 1973 opgetreden ontwikkeling voor
de verdeling van aantallen belasting-

plichtigen en hypotheekrentebedragen
over de verschillende inkomensklassen en sociale categorieën kan op basis van

het voorgaande niets met zekerheid
worden gezegd. Aangenomen mag ech-

ter worden dat, gelet op de forse
prijsstijging van onroerend goed die is
opgetreden, een relatieve verschuiving
– ná aanpassing van de grenzen van de

inkomensklassen aan de opgetreden in-
komensgroei – van de aantallen naar
hogere inkomensklassen heeft plaats-
gevonden. T.a.v. de hypotheekrente-

bedragen geldt dit vermoedelijk in nog

sterkere mate. Wat betreft de verdeling
over sociale categorieën kan nog wel
worden opgemerkt, dat het aantal zelf-

standigen sinds 1973 waarschijnlijk in

belangrijke mate is gedaald, niet in de
laatste plaats vanwege de omzetting van
een groot aantal eenmanszaken in de fis-
caal aantrekkelijke(r) BV-vorm. Het

aantal directeuren NV! BV zal dienover-

eenkomstig zijn gegroeid. Verreweg het
grootste deel van de
uitbreiding
van
het hypotheekbestand zal zich binnen de

categorie van de werknemers hebben
voltrokken.

Inkomenseffecten van de Hofstra-voor-
stellen mb.’. de hypotheekrente-aftrek

Uitgaande van een infiatiepercentage
van 4 (een percentage dat gelet op de

huidige vooruitzichten eerder aan de
lage dan aan de hoge kant is) zou vol-

gens de voorstellen van Hofstra Y3 deel
van de betaalde rente niet meer voor de
inkomstenbelasting aftrekbaar mogen

zijn 13). Daarbij zou voor de hypotheek-

rente een overgangstermijn van 5 jaar in

acht moeten worden genomen. Dit im-

pliceert dat het inkomensnadeel voor de

belastingplichtige met hypotheekrente-

aftrek in het eerste jaar het marginale
tarief over y deel van het rentebedrag

bedraagt. Voor de lagere inkomens
betekent dit een inkomensdaling van on-
geveer 1,3% van het
rentebedrag (
mar-
ginaal tarief van
20%),
voor de hogere
inkomens kan dit oplopen tot maximaal
(bij een marginaal tarief van 72%) 4,8%
van het
rentebedrag.
Uitgaande van de
veronderstelling dat het maximale hypo-

theekbedrag per individu ongeveer 3x
zijn bruto inkomen beslaat 14), kunnen

de rentelasten bij een hypotheekrente
van 8 â 10% worden becijferd op

maximaal Y4 â ‘/ van het bruto in-

komen. De inkomensachteruitgang zal

derhalve in 1980, bij de eventuele invoe-
ring van de Hofstra-voorstellen,
maxi-
maal0,3
tot 1,6% van hetbruzo inkomen
kunnen bijdragen. In procenten van het

vrij besteedbare inkomen is dat uiter-

aard meer. Voor de modale werknemer
die in 1979 een huis heeft gekocht en

dit voor 100% heeft gefinancierd meteen
hypothecaire lening (van ongeveer 3x

zijn bruto inkomen ad ca. f. 32.000) kan
in 1980 een inkomensdaling optreden
van f. 150 â. f. 200.

De hier geschetste inkomenseffecten
treden op bij integrale invoering van de
Hofstra-voorstellen. De kans daarop

moet echter, zoals in de volgende para-

graaf zal worden uiteengezet, gering
worden geacht.

Infiatieneutrale belastingheffing:
wanneer?

In de begroting van 1979 was oor-
spronkelijk f. 1,3 mrd. gereserveerd voor

de herziening van de belastingheffing in
verband met de inflatie 15). Een deel
hiervan, te weten f. 550 mln., is gebruikt
voor de verlichting van de dekkingspro-
blematiek 1979, zodat er ongeveer drie-kwart miljard als reservering overbleef.

Aan deze driekwart miljard gulden zou in
1979 een tijdelijke aanwending moeten

worden gegeven in afwachting van de
definitieve standpuntbepaling van het

kabinet. Bij de behandeling van het
dekkingsplan werd echter een

amendement-Van Rooijen – dat een
omzetting van een deel van de bijzondere
winstaftrek in een verhoging van de
zelfstandigenaftrek beoogde – aange-

nomen, waardoor ten slotte als reserve-

ring op de begroting 1979 een bedrag

resulteerde van f. 0,6 â. f.0,7 mrd. Dit zal
in 1980 zijn opgelopen tot ruim f.0,7 mrd.
Integrale invoering van de Hofstra-

voorstellingen zou bij een reeds eerder
genoemde inflatie van 4% in 1980 circa

f. 1,1 mrd. kosten, zo heeft de minister
van Financiën de Tweede Kamer voor-

gerekend 16). Ruime overgangstermij-

nen ten aanzien van de beperking van de

rente-aftrek —d.w.z. langer dan Hofstra

voorstelt – doen dit bedrag nog oplo-pen. Naar het zich thans laat aanzien

is het gereserveerde bedrag dus bij lange

na niet voldoende (er zit bij een inflatie

van 4% een ,,gat” van ongeveer f. 0,4
mrd.) om integrale invoering van de Hof-
stra-voorstellen te financieren.

Daar komt nog het volgende bij.
Blijkens de basisprojectie 1978-1982

in de nota van de Centraal Economische

Commissie – die als bijlage aan
Bestek
1
is toegevoegd – zou bij ongewij-
zigd beleid voor 1980 een dekkingsplan

van f. 1,9 mrd. noodzakelijk zijn 17).

Het in 1979 in gang gezette ombui-
gingsbeleid leidt op zich zelf bezien

tot een verlichting van deze dekkings-

problematiek. Daar staat echter tegen-
over dat de economische ontwikkeling in

1979 op tal van punten tegenvalt ten op-
zichte van de in de Macro
Economische Verkenning
1979 gepresenteerde ramin-
gen en de daarop gebaseerde begroting

van dit jaar. Zo zal b.v. de nominale
loonstijging vermoedelijk ruim 1 pro-

centpunt hoger uitvallen dan was aan-

genomen, hetgeen zich weerspiegelt in
een stabilisatie van de arbeidsinkomens-

quote in plaats van een veronderstelde
daling 18). Deze ontwikkeling zal, van-

wege het sterk loongevoelige karakter
van de begroting, tot een duidelijke

verzwarïng van de budgettaire proble-
matiek leiden, welke zich ten dele in 1980
zal manifesteren. Per saldo zal, zo mag

worden aangenomen, voor 1980 een vrij
omvangrijk dekkingsplan resulteren.
Ook voor 1979 was oorspronkelijk een
groot dekkingsplan (nI. f. 2,6 mrd.)

noodzakelijk, doch in het kader van een
gericht aanvullend beleidsprogramma
kon dit plan met f. 1,6 mrd. worden
beperkt. Betwijfeld moet worden of een
dergelijke beperking ook in 1980 kan

worden toegepast, gelet op de grenzen
die het financieringstekort stelt.

Met het oog op het vorenstaande moet
het niet uitgesloten worden geacht dat

een herziening van de belastingheffing
in verband met de inflatie (voorlopig)

helemaal niet wordt ingevoerd, maar dat
het daarvoor gereserveerde bedrag
wordt aangewend ter verlichting van het belastingplan 1980.
A. G. J. Haselbekke

Zie blz. 215 van het rapport
Inflaiieneu-
trale belastingheffing,
Staatsuitgeverij, ‘s-Gra-
venhage, 1978.
Sommige instellingen (o.a. levensver-
zekeringsmaatschappijen) verstrekken onder
bepaalde omstandigheden nog hogere hypo-
theken.
IS) ZieMijoenennota 1977,
blz.56, tabel 5.7.
16) Zie Handelingen van de Tweede Kamer,
zitting 1978-1979. blz. 1947.
Ii)
Zie blz. 76 van de nota
Bestek
P
81.
18) Zie
Centraal Economisch Plan 1979.
blz. 23.

876

Esb
Ci
Mededelingen

Opgave voor deelname voor dit seminar:

nisatievergadering;

nta Forger, vakgroep Arbeid en orga- – arbeidsverhoudingen.

nisatie, tel.: (020) 52 53 597.

Boekc

ieuws

Studieconferentie Milieuonderzoek en

onderwijs in het spanningsveld tussen

universiteit en maatschappij.

Op 12 september a.s. organiseert het
Instituut voor Milieuvraagstukken VU

een studieconferentie over de problema-
tiek van milieuonderzoek en onderwijs
tegen de achtergrond van de maatschap-
pelijke behoefte aan, dit onderzoek en

onderwijs. Korte voordrachten met stel-
lingen zullen worden afgewisseld met
discussies over de stellingen. Sprekers:
Dr. L. Ginjaar (onder voorbehoud), Mr.

1. Lambers-Hcquebard, S. A. Leeflang,
Dr. J. W. Copius Peereboom, Prof. Dr.

A. J. Wiggers, Prof. Dr. R. W. Hommes,
Drs. L. Hordijk, Drs. L. J. M. Schreurs

en Drs. S. W. F. van der Ploeg. Plaats: Vrije Universiteit, U R-zaal,
De Boelelaan 1081, Amsterdam-Buiten-
veldert, aanvang 10.00 uur. Kosten:

f. 10
(mcl.
lunch f. 17,50) over te maken
naar bankrekening 40.92.14.299 van de
Amrobank, A. J. Ernststraat, Amster-
dam (postgiro van de bank 487275) ten
name van het Instituut voor Milieu-

vraagstukken.

Workshop/seminar Vakbondsonderzoek

en vakbondsoptreden in Engeland en

Nederland

Op 1 en 29 november wordt aan het
Sociologisch Instituut te Leiden een
workshop gehouden over theorie en
onderzoek van vakbondsbeleid en ar-
beidsverhoudingen en presenteert het
werk van twee onderzoekers van de

Industrial Relations Research Unit van
de University of Warwick: Eric Batstone
en William Brown, alsmede coreferaten
van Nederlandse onderzoekers. Eric

Batstone zal een bijdrage leveren omtrent
strategieen naar meer zeggenschap op

ondernemingsniveau, een vergelijking
tussen West-Duitsland en Engeland.
William Brown zal een bijdrage leveren
omtrent concepties van loonpolitiek en

de opstelling van de vakbeweging.

Nederlandse coreferenten zullen deze

presentaties becommentariëren en ver-
gelijkingen met ontwikkelingen in Ne-

derland trekken.
Voor informatie: F. Leijnse, Socio-
logisch Instituut, Stationsplein 242, ka-
mer 511, Leiden, tel.: (071) 14 83 33
tst. 3154 en G. B. van Hees, SISWO, O.Z.
Achterburgwal 128, Amsterdam, tel.:

(020) 24 00 75 tst. 32.
Onder dezelfde titel zal op 30augustus,
2 november en 30 november in Amster

dam (Sociologisch Instituut, Oude
Hoogstraat 24) een seminar worden
gehouden, waaraan naast Batstone en
Brown ook Richard Hijman van de
University of Warwick zal meewerken.

Post-academisch onderwijs

De Faculteit der Sociale Wetenschap-

pen te Rotterdam organiseert in het na-

jaar van 1979 een tweetal cursussen in

het kader van post-academisch onder-

wijs, met als onderwerp:

– democratiseringsstrategieën en orga-

A.N.
Shiryayav: Optimal stopping rules.
Springer-Verlag, New York! Heidelberg-
/Berljn, 1978, 217 blz., DM 54.

Oorspronkelijk al in 1972 gepubliceerd

door de American Mathematical Society onder de titel ,,Statistical sequential ana-
lysis”. Het boek betreft een studie van
,,optimal stopping rules” voor Markov-

processen. Voor het eerst in de literatuur

wordt het ,,continuous parameter” geval
in detail behandeld.
Inflatie en
belasting. Staatsuitgeverij,

‘s-Gravenhage, 1978, 91 blz., f. 6.

Samenvatting van het rapport-Hof-
stra:
Infiazieneutrale belastingheffing.

Joop van Ginkel: Het Westen en de
oliecrisis 1973-74.
Het Nederlands Insti-

tuut voor Vredesvraagstukken, Staats-
uitgeverij, ‘s-Gravenhage, 1978, 142 blz.
Dr. J. J. Klant: Spelregels voor econo-

men.
Tweede herziene druk, Stenfert
Kroese BV, Leiden, 1979, 282 blz.,
f. 54.
Tweede druk van het proefschrift

waarop de auteur in 1973 promoveerde.
Deze druk is op tal van punten herzien
en uitgebreid.

R.W.J.M. Bos: Brits-Nederlandse han-
del en scheepvaart, 1870- 1914.
Tilburg,
1978, 419 blz.

Proefschrift ter verkrijging van de

graad van doctor in de economische
wetenschappen aan de Katholieke Hoge-
school te Tilburg (promotor Prof. Dr.

Joh. de Vries).
Mr. J. de Kater en Dr. M.R. Reuvers.
Fiscale aspecten van goederen- en dien-
stenverkeer tussen
gelieerde maatschap-
pijen. Kluwer/Fenedex, Deventer/’s-
Gravenhage, 1978, 60 blz., f. 21.

De cursussen omvatten zes bijeen-
komsten in de namiddag. Docenten zijn

leden van het wetenschappelijk corps van de faculteit, alsmede enkele gast-

docenten. Een folder kan worden aan-

gevraagd bij de Sociale Faculteit van de

Erasmus Universiteit Rotterdam, post-

bus 1738, Rotterdam, tel.: (010)145511,

tst. 3601.

Bedrijven met gelïeerde vestigingen
buiten de grenzen zullen vaak onderling
leveren en verrekenen. Naast de onderne-

mer is de fiscus in hoge mate geinteres-
seerd in de manier waarop internatio-

nale interne verrekenprijzen worden

vastgesteld. De ondernemer zal proberen
de winst te laten vallen waar het tarief
van heffing het laagst is. Lang niet altijd
is er een duidelijke marktprjs, die con-

trolerend kan worden gebruikt. De fiscus

en de ondernemer moeten dan naar an-

dere maatstaven omzien. Deze nieuwe
uitgave bundelt de problemen die met dit
onderwerp samenhangen. In dit verband

komen ook de verdragen ter voorkoming

van dubbele belastingheffing aan de
orde.

Drs.
F. H. Lugt: De Wet investerings-
rekening, WIR.
Uitgeverij Fed BV,
Deventer, 1978, 91 blz., f. 17,50.

Dit boek verscheen in de serie Fed’s
Fiscale Brochures en behandelt de Wet
op de investeringsrekening. Ter sprake
komen o.m. de opbouw van de premie,

de verschillende toeslagen, de SIR-hef-
fing enz.

Prof. Drs.
Sj.
Muller: Accounting, ac-
countancy; werkterrein
van accoun-

tants? Stenfert Kroese BV, Leiden, 1978, 76 bla., f. 13,92.

De auteur gaat in deze publikatie in op
de invloed die de huidige ,,vermaat-
schappeljking” zou moeten hebben op het werkterrein van de accountant. De
vermaatschappelijking zou aanleiding

moeten zijn tot aanvulling van de finan-
ciële verslaggeving met een opstelling

van cijfers waarin de maatschappelijke
kosten en baten tot uitdrukking worden

gebracht.

ESB 29-8-1979

877

STICHTING ACADEMISCH

1 1

REKENCENTRUM AMSTERDAM

De Stichting Academisch Rekencentrum Amsterdam (SARA) vormt het gemeenschappelijk

rekencentrum van de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit en de Stichting
Mathematisch Centrum.

Bij dit rekencentrum zijn momenteel 72 personen in dienst.

In juni 1980 ±al SARA haar nieuwe gebouw in het Wetenschappelijk Centrum Watergraafsrfleer

(Amsterdam-Oost) betrekken, tegelijkertijd met de installatie van twee nieuwe grote computer-
systemen.

De afdeling
Economische en Algemene Zaken
van SARA is belast met
• financieel beheer en administratie;

• inkoop van apparatuur en andere goederen;
• personeelszaken;
• secretariaat en receptie;

• beheer van het gebouw;

• voorraadbeheer en transport.

In verband met het vertrek van het huidige afdelingshoofd wordt gezocht naar een

econoom

met bedrijfservaring, bij voorkeur in een beheersfunctie, of een

bed ri jf sku nd ige

met ervaring op het gebied van financiën en administratie.
Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de selectieprocedure.
De salariëring vindt plaats volgens ambtenarenregeling; het maximum te bereiken salaris
bedraagt f 5.958,- per maand.

.

Telefonische inlichtingen zijn te verkrijgen bij de directeur, ir. T. Schipper (020-548 54 31).

Schriftelijke sollicitaties kunt u richten aan:

Stichting Academisch Rekencentrum Amsterdam
De Boelelaan 1101
1081 HV Amsterdam

SARA

878

Auteur