Ga direct naar de content

Jrg. 63, editie 3154

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 17 1978

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

17 MEI

EsbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

.
63eJAARGANG

INSTITUUT

NO. 3154

Heeft de industrie nog toekomst?

Wie de krant openslaat en leest over bedrijfssluitingen,

wie de klachten hoort van ondernemers over het onder-
nemingsklimaat, wie de bedragen ziet die de overheid uit-

trekt voor steunverlening aan bedrijven, kan niet achteloos

voorbijgaan aan de achterliggende vraag: heeft de industrie

nog toekomst en zo ja, hoe zal die toekomst er uitzien?

Om op deze vraag een antwoord te krijgen, heeft de Stichting

Toekomstbeeld der Techniek onder leidinggevende functio-

narissen in de industrie een enquête-onderzoek gedaan

waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport, ge-
titeld
De industrie in Nederland
1). Tevens is onlangs op

basis van dit rapport een symposium georganiseerd waar de
resultaten van het onderzoek ter sprake werden gebracht.

De toon van het rapport is pessimistisch. Verreweg het
grootste deel van de ondervraagden sprak de verwachting

uit dat de toekomstmogelijkheden van de Nederlandse

industrie in haar geheel matig zijn. Daarentegen zag men de

toekomst van de eigen bedrijfstak en zeker die van het eigen bedrijf met meer optimisme tegemoet. Hoewel hier duidelijk

sprake is van een inconsistent verwachtingspatroon, kan het
toch van grote psychologische betekenis zijn, dat de meeste

ondernemers, ondanks alle moeilijkheden die zij signaleren, wel mogelijkheden zien voor hun eigen bedrijfstak.

Het valt niet te ontkennen dat de leiding van ondernemin-
gen zich op dit moment ziet geplaatst voor talrijke problemen.

In het rapport wordt een heel scala genoemd: het vraagstuk

van de grondstoffen- en energievoorziening, de opkomst van
derde-wereldlanden die een deel van de industriële produktie

zullen overnemen, de hoge arbeidskosten in Nederland,
de groeiende kloof tussen onderwijs en beroepsuitoefening,
de afnemende werkgelegenheid in de industrie, de vermin-

derende arbeidsmotivatie, de verslechterende internationale

concurrentiepositie, de hoge eisen op het gebied van milieu

en ruimtelijke ordening, de beperkte innovatiemogelijk-

heden, de afgenomen voorspelbaarheid van toekomstige

ontwikkelingen en het slechte imago van de industrie bij
het publiek.

Laat het oplossen van deze problemen waarmee de onder-

nemingsleiding dagelijks wordt geconfronteerd, haar nog
ruimte tot het ontwikkelen van een visie op lange termijn
voor de eigen of voor de gehele industrie? Uit het rapport

blijkt daarvan niet veel. Wat dat betreft lijkt onzekerheid

te overheersen. Op twee punten die voor de lange termijn
van bijzonder belang zijn, wil ik nader ingaan: de ,,ver-

maatschappelijking” van de onderneming en daarmee samen-
hangend de houding van de bevolking in het algemeen en
die van de werknemers in het bijzonder ten opzichte van de
industriële onderneming.

Onder de ,,vermaatschappelijking” van de onderneming

versta ik het proces dat tot gevolg heeft dat het functioneren

van de onderneming steeds minder uitsluitend wordt be-

oordeeld aan de hand van de oorspronkelijke doelstelling:
het produceren van goederen en diensten, maar dat steeds

meer nadruk wordt gelegd op de mate waarin de onderneming

erir slaagt ook andere maatschappelijke doeleinden te dienen
of tenminste daarmee niet in strijd te komen. Zo neemt thans

de creatie en het behoud van arbeidsplaatsen in de industrie
– vanouds een ,,bijprodukt” van de goederenproduktie –

een centrale plaats in bij het beoordelen van het onder-
nemingsbeleid. Daarnaast verschuiven vooral voor indu-
striële ondernemingen voortdurend de randvoorwaarden
waaronder de produktie plaatsvindt; er komen scherpere
eisen op het gebied van milieu, ruimtelijke Ordening, energie-

verbruik enz. Ten slotte zijn de zeggenschapsverhoudingen

binnen de onderneming onderhevig aan veranderingen, die
erin resulteren dat een belangrijker plaats voor de produktie-
factor arbeid wordt ingeruimd.
Voor de ondernemingsleiding kan de verleiding groot zijn
een negatieve, verdedigende, houding aan te nemen tegen-

over deze ontwikkelingen. Zo’n houding zal echter in de Open-

bare discussie niet bijdragen tot een positief imago van de
industrie: ,,blijkbaar wil men niets veranderen”.
Het komt mij voor dat wij daarmee een belangrijke factor

op het spoor zijn die een bedreiging kan betekenen voor
de toekomst van de industrie. Wanneer de leiding van de

onderneming haar geloofwaardigheid bij het grote publiek

en de eigen werknemers verliest – en soms lijkt zij daar hard

mee bezig – zie ik de toekomst van de industrie somber

in. Deze zal dan haar veerkracht verliezen door interne oor-
zaken. Er zullen geen mensen meer kunnen worden gevonden

die hun capaciteiten willen inzetten om nieuwe initiatieven

te ontplooien en nieuwe uitdagingen aan te nemen.
Het verbaast mij dat de ,,captains of industry” niet méér

op de oplossing van dit vraagstuk zijn gespitst. Te gemakke-

lijk worden de oorzaken van problemen waarmee de industrie kampt, gedefinieerd als externe factoren waarop geen invloed

kan worden uitgeoefend. Te lichtvaardig wordt voorbij-
gegaan aan de noodzaak een duidelijk beeld van het onder-
nemingsgebeuren te scheppen en verantwoording afte leggen

over het gevoerde beleid, ten einde de scheve voorstelling van

zaken die daarover bij velen bestaat, recht te trekken. Daarin

verbetering brengen kan mijns inziens een belangrijke op-

klaring van het ondernemingsklimaat van binnen uit be-

tekenen. Daarmee zullen niet alle problemen zijn opgelost, maar wel kan de basis worden gelegd voor herstel van ver-
trouwen dat onmisbaar is voor aanvaardbare oplossingen.

L. van der Geest

1) Ir. H. K. Boswijk en Ir. R. G. F. de Groot (red.),
De industrie
in Nederland.
Verkenning van knelpunten en mogelijkheden, Stich-
ting Toekomstbeeld der Techniek, Den Haag, 1978.

ESB 17-5-1978

493

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

Inhoud

esb-

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. van der Geest:

Heeft de industrie nog toekomst” …………………………..493

Column

Solidariteit in soorten,
door Prof: Dr. J. A. A. van Doorn ………
495

Redactie

Commissie ton redactie: H. C. Bos.
R. hierna, L. H. Klaassen, H. W. Lam bers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L van der Geest. Redactie-medewerker: T. de Bruin.

Prof: Dr. F. van Dam:

Mode in het ontwikkelingsvraagstuk ……………………….
496

Drs. W. M. Derks:

De relatie tussen de groei van de produktie en de groei van de arbeids-

produktiviteit en de werkgelegenheid ………………………..500

Vacatures
……………………………………………..
504

J. van der Have:

Economische en maatschappelijke aspecten van retailbanking ……505

Au courant

Beleidsplan in aanbouw,
door A. F. van Zweeden …………….
509

Drs. H. M. Becker:

Beroemde economisten. Jean Baptiste Say (1767-1832) …………510

De economie staal niet stil. Zorg dat u dat zei/ook niet doet

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.

NAAM:

…………………………………………………….

STRAAT
.

…. ……………………………………………….

PLAATS
.

…………………………………………… …….

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)
.
………………………

Ingangsdatum
.
………………………………………………

Ongefrankeerd openden
aan
*
:
ESB,
Antwoordnummer 2524

3000 VB ROTTERDAM

Handtekening:

Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam; kopij voor de redactie:
pstbus 4224 3006 A E Rotterdam.
Tel. (010) 1455 II,
1
oestel3701.
Bij adres wijziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getj’pt, dubbele
regelafstand.
brede marge.

Abonnementsprijs:f
137,28 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studentenf 96,72
(mcl.
4% BTW, franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
r,jksdelen zeepost).
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per ultimo van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro.
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93, 3012 AE Rotterdam, t.n.v. Economisch
Statistische Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3,30
(mcl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers uitsluitend door overmaking van de hierbo ven
vermelde prijs op. girorekening no. 122945 Int’. Economisch Statistische Berichten
Ie Rotterdam met vermelding
van datum en nummer van het gett’enste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam, tel. (010) 14 55 II.

Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek Balanced International Growt/s
&drijfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projecistudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek
Statistisch-Ma ghematisc/i Onderzoek
Transport- Economisch Onderzoek

494

Prof. Von Doorn

Solidariteit

in soorten

De toekomstverkenning die einde 1977
door de Wetenschappelijke Raad voor
het Regeringsbeleid werd uitgebracht
onder de titel De komende vijfentwintig
jaar,
is helaas een onvoltooid werkstuk
gebleven. Niet alleen ontbreken allerlei
onderwerpen die niet hadden mogen
ontbreken – de Raad noemt er zelf
een aantal (blz. VI) – maar het wèl
behandelde hangt bovendien als los
zand aan elkaar. Het rapport presenteert
meer een verzameling verspreide opstel-
len dan een geïntegreerd toekomstbeeld.
Er is in de Commissie blijkbaar nie-
mand in staat of bereid geweest het
geheel na afloop nog eens door te nemen
en de meest opmerkelijke lijnen in onder-
ling verband te herwaarderen.
Een mogelijkheid hiertoe bieden bij-
voorbeeld de herhaaldelijk ter sprake
komende processen van individualise-ring en collectivisering, incidenteel op
elkaar betrokken, maar niet systema-
tisch als een structureel uiterst belang-
rijke dubbeltendentie onderkend. Alleen
op blz. 26 zijn enkele ontwikkelingen
bijeen gezet, maar die krijgen dan als
stempel de ,,vereenzaming” van het
individu, een psychologische karakteri-
sering die geen steun vindt in het eigen
materiaal.
Individualisering doet zich voor in de
maatschappelijke werkelijkheid, zoals
collectivisering in de sfeer van het beleid.
Zo verwacht men na het vergevorderde
proces van individualisering
van
het
gezin (losmaking uit de omgeving) een
individualisering
binnen
het gezin: de be-
jaarde familieleden wonen reeds in grote
meerderheid zelfstandig en de kinderen
zullen hen daarin steeds meer gaan
volgen (blz. 62 e.v.). De relaties tussen
de resterende gezinsleden blijven wel
bestaan, echter ,,voor zover zij directe
belangen van de betrokkenen dienen”
(blz. 64), een overigens nogal krasse
en sociologisch weinig geloofwaardige uitspraak, niettemin belangrijk als aan-
duiding van de vèrgaande individualise-
ring die de rapporteurs zien ontstaan.

In dit verband past ook de prognose
van een toenemende jeugdcriminaliteit
als gevolg van de lossere gezinsband
(blz. 106) en de zich reeds overduidelijk
demonstrerende stijging van het aantal
echtscheidingen (blz. 65). Ten slotte wordt melding gemaakt van
de verwachting dat de middelen tot
ontspanrting en vervoer verder zullen

individualiseren en dat met name de
apparatuur ten dienste van eerstgenoem-
de functie meer per gezinslid zal worden
aangeschaft.,,een opeenhoping van
vrjetijdsgoederen” noemt het rapport
het resultaat (blz. 90).
Nu is het opmerkelijke dat met uit-
zondering van deze laatste ontwikkeling
vrijwel alle processen van individualise-
ring aanleiding zijn tot en mede bevor

derd worden door processen van collec-
tivisering in de sfeer van het beleid.
Zo verwacht het rapport dat meer zal
moeten worden gedaan aan de opvang
van kinderen buiten het gezin (blz. 63); dat het maandgeld voor studerende kin-
deren en de alimentatie voor gescheiden
echtgenotes zal worden vervangen door
een stelsel van algemene studiefinan-
ciering, respectievelijk door een verzeke-ring tegen de gevolgen van echtscheiding
(blz. 66, 129, 187); dat in het algemeen
gesproken een sterker beroep zal
(moeten) worden gedaan op de geïn-
stitutionaliseerde sociale dienstverlening,
sociale hulpverlening en professionele
gezondheidszorg (blz. 67, 76 e.v.).
Het hier geschetste beeld is in zoverre
niet verrassend dat het berust op extra-
polatie van reeds duidelijk zichtbare
en ten dele al lang voorkomende pro-cesen. Of men met dergelijke mecha-
nische extrapolatie geheel op het goede
spoor zit, moet worden betwijfeld; het
rapport ademt soms vrij sterk opvat-
tingen die de afgelopen tien jaar sterk
opkwamen – het beaamt hier en daar
zelfs een uitdrukkelijke voortzetting van
het beleid van het kabinet-Den Uyl
(zie blz. 80 e.v. over het onderwijs) —en
schiet daardoor te kort in het signaleren
van tegenstromen. Zo is het momenteel
lang niet meer zo zeker dat de uitbrei-
ding van gezondheidszorg en sociale
hulpverlening kunnen doorgaan.
Niettemin moet men de boven ge-
schetste algemene tendenties ernstig nemen. Zij bieden het beeld van een
afbrokkelende solidariteit in het vlak van de directe, persoonlijke, relaties, en een daarop inspelende uitbreiding
van solidariteïtsconstructies in collec-
tieve zin. Reflectie is op allerlei manieren moge-
lijk. De politicus, en iedereen die zich
bezighoudt met de beleidsaspecten van

het maatschappelijk bewegen, zal zich
afvragen of ,,de collectiviteit” voldoende
bereidheid zal tonen deze nieuwe lasten-
verzwaring erbij te nemen; gege
y
en de
solidariteit die de inactieven nu reeds
van de actieven vragen, valt dit te be-
twijfelen. Wordt het niet tijd in tegen-
gestelde richting te gaan denken, en de
mensen duidelijk te maken dat zij hun
eigen problemen en die in hun directe
omgeving primair zelf moeten oplossen?
Zijn de in het rapport gesuggereerde
afwentelingsvormen niet ingegeven door
een wat lui geworden politiek denken?
De socioloog zal zich de vraag voor-
leggen welke de gevolgen van deze in-
dividualisering en collectivisering zullen
zijn voor de samenhang van het maat-
schappelijk bestel. Is een maatschappij
die tot in de kleinste cel – het gezin –
in ontbinding raakt, bij machte een
voldoende mate van stabiliteit te hand-
haven? We hebben met een dergelijk
maatschappijtype in ieder geval nog
geen enkele ervaring, wat reden kan zijn
om de beleidsmakers erop te wijzen
dat het hier geen natuurnoodzakelijk
proces betieft waarin het beleid slechts
kan volgen.
De sociaal-filosoof sluit hierbij on-
middellijk aan. Al twintig jaar geleden
waarschuwde Arnold Gehlen dat de
nieuwe ,,Ferne-Ethik”, hoezeer ook een
positieve vergroting van de solidariteits-
ruimte, kan leiden tot een ,,moralische
Ueberforderung” van de individuele
mens. De huidige verbale verheerlijking
van sociale solidariteit, eventueel in
spreekkoor beoefend, garandeert nog
geen ,,verantwoordelijke maatschappij”.
Een samenleving die mensen hun per-
soonlij ke verantwoordelijkheid afneemt,
kan op den duur verplicht zijn een ieder
collectief verantwoordelijkheid op te
leggen. V66r en ná zal men spreken
van ,,solidariteit”, maar er is solidariteit
in soorten.

ESB 17-5-1978

495

Mode in

ontwikkelingsvraagstuk

PROF. DR. F. VAN DAM*

In dit artikel wordt ingegaan op de modieuze

accenten in het ontwikkelingsvraagstuk. De

schrijver verdedigt de stelling dat deze accenten

eerder voortgekomen zijn uit moeilijkheden en

ideologieën van de rijke landen, dan uit nieuwe

wetenschap of nieuwe noden van de arme landen.

Het is een pleidooi voor zelfreflectie.

Inleiding

Nieuwe vraagstukken zijn onderhevig aan mode: zij hebben

behoefte aan houvast, aan ontwarring, aan een onmiddellijke
oplossing. Ook het ontwikkelingsvraagstuk kent zijn modes.

Zo’n mode is vereenvoudigend, reduceert de problemen en

oplossingen tot één thema en negeert wat eerder gedacht en

geschreven werd. Deze modes zijn voller van geloof dan van
waarneming en redenering. Ze zijn van korte termijn, ze zijn

strovuren in het moeizame proces van wetenschap. Zo’n mode

is ook demagogisch, met zijn eigen incrowd, zijn eigen

establishment. Die establishment protegeert elkaar en nodigt

elkaar uit voor het ene symposium na het andere. Zij vormt

een hechte groep die niet-gelovigen verdoemt, maar tegelij-

kertijd onderling het eerstgeboorterecht betwist.
In de periode van 1965 tot nu heeft het ontwikkelingsvraag-

stuk vier grote modes gekend. Zij hadden hun hoogtepunten
in:

• 1966: ,,agriculture”;

• 1968: ,,population control”;

• 1972: ,,self reliance”;

• 1976: ,,basic needs”.

Vaak betekent een mode het terugkeren van oude proble-

men en oplossingen in een nieuwe gedaante. Zo is er heel wat

identieks te vinden in het dorpsherstel van Boeke (reconstruc-
tie van de oude dorpsgemeenschappen, gebaseerd op zelf-

voorziening, onder andere voor voedsel), in de ,,community

development” van het einde van dejaren vijftig (ontwikkeling
vanuit de dorpsgemeenschappen, in belangrijke mate buiten

marktverband) en in het ,,basic needs”-model van het midden

der jaren zeventig.

In dit artikel wordt ingegaan op het ontstaan en de geschie-

denis van de genoemde vier modes in het ontwikkelingsvraag-

stuk en wordt getracht in kaart te brengen door welke

factoren zij zijn bepaald.

,,Agriculture” en
,,population control”

Tijdens het begin van de jaren zestig werd een aantal

pogingen ondernomen om lange-termijnprognoses te formu-
leren voor de toekomst van de wereld. Die prognoses waren

veelal gericht op het jaar 2000 en moesten dus een periode van

bijna veertig jaar dekken. Dit gaf ze een speculatief karakter

waardoor ze sterk tot de verbeelding spraken. In Nederland

was onder andere de ,,Werkgroep 2000″ actief; in de Verenig-

de Staten de ,,Rand Corporation” 1). Het wareneersteaanlo-

pen tot een – nimmer tot wasdom gekomen – poging tot

futurologie.

De kwantificeringen maakten duidelijk dat een snelle

bevolkingsgroei plaatsvond en dat zelfs van een ,,bevolkings-

explosie” kon worden gesproken. De geconstateerde trends

werden geextrapoleerd en er ontstond (Club van Rome avant

la lettre) een lichte paniek over de mogelijke consequenties.

Die consequenties werden op drie terreinen verwacht: a. hon-

gersnoden; b. overweldiging van de westerse volkeren door

die van de arme landen; c. chaotisering door de dreiging van
,,standing-room only”.

Alvorens hierop nader in te gaan kan worden opgemerkt

dat in de arme landen zelfde bevolkingsgroei reeds eerder als

een probleem werd ervaren; voor sommige gebieden lag de

probleemerkenning ver terug (zie bijvoorbeeld Boekes analy-

se van de relatie tussen bevolkingsgroei en sociaal-economi-

sche ontbinding van het Aziatische platteland). In andere

landen heeft de onderkenning al in de jaren vijftig een actief

beleid tot gevolg gehad. Voorbeelden zijn het eerste vijfjaren-

plan van India (1951— 1956) en de campagnes voor geboorte-

regeling in de Volksrepubliek China kort na de voltooiing van
de revolutie.

Van wereldwijde erkenning was echter nog geen sprake.

Integendeel, de mondiale organisaties droegen er in feite aan

bij dat zo’n erkenning achterwege bleef. Zo schreef J. Huxley,

de vroegere directeur-generaal van de Unesco, in 1964 2):

,,One of the great scandals of the present century is that owing to
pressure, mainly from Roman-Catholic countries, the World Health
Organization has not been allowed even to consider the effects of
population density on health in its deliberations”.

Het spookbeeld van hongersnoden werd geschraagd door

de voedseltekorten die zich voordeden in Zuid-Azië en door de

waarschuwingen van de zijde van de Food and Agriculture

Organization (FAO). B.R. Sen, de toenmalige directeur-ge-

neraal van de FAO, rekende in 1965 de deelnemers aan de

Wereldbevolkingsconferentie te Belgrado voor dat, indien

niet rond het jaar 2000 de wereidbevolking zou worden

gestabiliseerd, catastrofes onvermijdelijk zouden zijn 3). Een

* De auteur
is
buitengewoon hoogleraar in de economische proble-
matiek der ontwikkelingslanden aan de Rijksuniversiteit te Gronin-gen en raadadviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Werkgroep 2000,
Kat ernen 2000,
Amersfoort,
1966; T.J.
Gordon en 0. Holmes, Report on a long-rangejorecasting study,
The Rand
Corporation, Santa Monica,
1964.
P. Muntendam, Wereldbevolkingsgroei en wereldgezondheids-
zorg, Symposium ,,De mens in dichte pakking”, Koninklijke Neder-
landse Academie voor Wetenschappen, Amsterdam, juni
1966.
B.R. Sen, Food, population and human nghts, Wereldbevolkings-conferentie, Belgrado, augustus
1965.

496

zelfde beeld beschreef F. Baade in zijn boek Der Weitlaufzum

Jahre 2000,
dat in 1963 verscheen en dat veel aandacht trok.

Baade achtte de situatie dusdanig onhanteerbaar dat hij in

zijn laatste hoofdstuk buitenaardse wezens in de Verenigde
Naties laat optreden om de wereld tot rede te brengen 4).

• Met nadruk werd door vrijwel alle auteurs uit deze periode

opgemerkt dat de ontwikkelingslanden de oorzaak van de

problemen waren. In de rijke landen, zo werd gesteld, was de

bevolkingsgroei veel lager en zou economisch gemakkelijk

kunnen worden opgevangen. Het waren de arme landen die de

moeilijkheden veroorzaakten en die het westen bedreigden.
I.A. Diepenhorst was in dit opzicht onverbloemd toen hij in

1966 te Amsterdam een congres over het bevolkingsvraagstuk

opende en onheilspellend zei: ,,there are some who estimate

that by the turn of the century half the human race will consist

of Chinese”
5).
Qua ontwikkelingsmode vertaalde dit beeld zich in twee

richtingen. In de eerste fase kwam het accent sterk te liggen op

de noodzaak van vergroting van de voedselproduktie. Alleen

op die wijze zou de bevolkingsgroei kunnen worden bijgehou-

den en zouden rampen kunnen worden voorkomen. Ul Haq

registreerde 1966 als hoogtepunt van de druk op ,,agriculture”

in het ontwikkelingsvraagstuk 6).

De bevolkingsgroei zelf, hoewel in het licht van de lange-

termijnprognoses onderkend als een gigantisch probleem,

bleef in eerste instantie buiten discussie als object van beleid.
Met name de katholieke westerse landen bleven er zich op

moralistische gronden met hand en tand tegen verzetten om
.geboortebeperking in het ontwikkelïngsvraagstuk te betrek-

ken. Dit veranderde pas toen het Vaticaans Concilie, in

navolging van een wereldwijde herbezinning op dit vraagstuk,
resulteerde in een nieuwe moraal ten opzichte van geboortere-

geling.

Na zo’n koerswending zijnde rijke landen geneigd om hun

nieuwe inzichten onmiddellijk aan de wereld op te leggen. Zo

kondigde de toenmalige Nederlandse minister voor Ontwik-

kelingssamenwerking tijdens een debat met de Tweede Kamer

aan, dat de Nederlandse regering had besloten tot uitvoering

van twee projecten voor geboortebeperking te zullen over-

gaan. Tijdens de verdere discussie kwam naar voren dat hij
zich die projecten in Afrika dacht, terwijl ook bleek dat hij
daarover nog niet met Afrikanen had gesproken. Hoewel dat

nu – op zijn zachtst gezegd – vreemd aandoet, açcepteerde
de Kamer toen deze ministeriële positie zonder meer. Kenne-

lijk woog het nieuwe inzicht zwaar en moesten de sovereini-

teit van anderen en het beginsel van non-interventie daarvoor

wijken.

Ul Haq noteerde 1968 als het jaar waarin aJle aandacht van

de ontwikkelaars op geboortebeperking werd geconcen-

treerd. De rage duurde niet lang. Tijdens de voorbereiding

van de strategie voor het tweede ontwikkelingsdecennium in

1970 was het onderwerp al weer op de achtergrond geraakt.

,,SeIf reliance”

Ondanks de dekolonisatie zijn de ontwikkelingslanden
economisch sterk afhankelijk gebleven van de rijke landen.

Deze afhankelijkheid manifesteert zich in verschillende vor-

men. Voorbeelden zijn het monetaire systeem dat door de
rijke landen wordt beheerst en waarin de ontwikkelingslan-

den een tweederangs positie innemen, de afhankelijkheid van
hulp, investeringen en toegang tot de kapitaalmarkt voor

financiering van de tekorten op de betalingsbalansen van de

arme landen, de sterke prijsschommelingen op de grondstof-

fenmarkten en de toenemende schuld van arm aan rijk.

Aanhet eind van de jaren zestigtrachtten de ontwikkelings-
landën dit juk af te schudden en tot een beleid op eigen kracht

te komen: ,,selfreliance”. Deze ,,self reliance” betekende dat
de arme landen voortaan zelf hun doel en strategie van

ontwikkeling wensten te bepalen en hun ontwikkeling zoveel

mogelijk uit eigen middelen wilden financieren (Tinbergen:

,,eigen hulp”). Met name de afhankelijkheid van ontwikke-

lingshulp, die naar omvang en inhoud eenzijdig door de rijke

landen werd vastgesteld, zat de arme landen dwars.

De wens tot ,,self reliance” werd versterkt toen bleek dat de

onderhandelingen over veranderingen in de economische

betrekkingen tussen arm en rijk (meer hulp, gunstiger han-

delsvoorwaarden) in de Unctad weinig of niets opleverden.

Andere factoren waren de successen van China, dat zich op

eigen kracht bleek te kunnen ontwikkelen en internationaal

een sterke positie kon innemen, en de toenemende aandacht

van de groep ,,non-aligned”-landen voor economische vraag-

stukken. Deze groep werd destijds geformeerd ter veiligstel-

ling van de politieke positie van de arme landen tussen het

oost- en westblok en verlegde haar interesse, na het verminde-

ren van de koude oorlog, naar economische problemen.

Het ,,self reliance”-beleid kreeg internationaal gestalte in de

verklaringen die door de groep van ,,non-aligned”-landen

werden opgesteld tijdens hun bijeenkomsten te Lusaka (1970)

en Georgetown (1972) 7). In deze verklaringen werd het

accent gelegd op-de onderlinge samenwerking tussen ontwik-

kelingslanden en op de versteviging van hun positie ten

opzichte van de rijke landen. De onderlinge samenwerking

betrof terreinen als handel (producentenkartels, vrij-handels-

zones, onderlinge preferenties, onderlinge transportafspra-
ken), financiële samenwerking (afrekening in eigen valuta,
onderlinge kredietverlening), gezamenlijke standpuntbepa-

ling ten aanzien van buitenlandse particuliere investeringen

en samenwerking op het terrein van wetenschap en techniek.

De versterking van hun positie ten aanzien van de rijke

landen concentreerde zich op onderwerpen als soevereiniteit

over natuurlijke hulpbronnen, het recht om ondernemingen

te nationaliseren tegen zelf te bepalen yoorwaarden, alsmede

het recht om producentenkartels en preferentiële handels-

blokken te vormen. Over deze onderwerpen is met name

onderhandeld bij de formulering van het
Charter ofeconomic

sighis and duties
of
sla/es,
dat in 1974 in het kader van de
Verenigde Naties is opgesteld. Het is een belangrijke bijdrage

aan het volkenrecht geworden en betekent een wezenlijke steun voor de economische verzelfstandiging van de arme

landen.
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn dat de formule-

ring van het ,,self reliance”-beleid primair een aangelegenheid

van de ontwikkelingslanden zelf is geweest; de rijke landen

hebben daar ambivalent op gereageerd. Enerzijds hebben zij

de ,,self reliance”-conceptie omhelsd. Zij konden ook moeilijk
anders. Met name de ontwikkelingslobbies in de rijke landen

hebben voortdurend economische verzelfstandiging van de

arme landen bepleit. Toch is die omarrning niet van ganser

harte geweest en hoofdzakelijk beperkt gebleven tot lippen-

dienst aan het beginsel. Een werkelijke bijdrage aan conceptu-

alisering en aan realisering van ,,self reliance” van de arme

landen hebben de rijke landen niet of nauwelijks geleverd.

Dit komt omdat – anderzijds – ,,self reliance” van de
arme landen betekent dat deze landen zich afzetten tegen de
rijke landen. In het economisch verkeer komt ,,self reliance”
van de arme landen neer op een poging om op basis van eigen

kracht, individueel of als groep, hun positie ten opzichte van

de rijke landen te versterken. Dat betekent agressief eco-

nomisch gedrag: bijvoorbeeld producentenkartels en onderlin-

ge handeispreferenties.

F. Baade,
Der Weitlaufzum Jahre 2000,
in 1964 uitgegeven als:
Wed/oop naar het jaar 2000, J.J
Tijl,Zwolle.
1. A. Diepenhorst, openingsrede symposium ,,De mens in dichte
pakking”, Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen, Amsterdam, juni 1966.
M. Ul Haq,
The poverly curlain: choises for the third i’orId,
Columbia University Press, New York, 1976.
Kenmerkend voor het negeren door de rijke landen van het ..self
reliance”-concept is dat deze twee verklaringen – voor zover mij
bekend – nimmer in handboeken over het ontwikkelingsvraagstuk
zijn opgenomen.

ESB 17-5-1978

497

In de ontwikkelingssamenwerking betekent het, dat de

arme landen bemoeienis door de rijke landen met hun interne

beleid afwijzen. Gegeven de wens van vele rijke landen om

zoveel mogelijk medebepalend te zijn tenaanzien van het

ontwikkelingsbeleid van de arme landen, betekent dit een

onvermijdelijk conflict. In een later stadium hebben de

rijke landen via simplificering en herinterpretatie getracht het

begrip ,,self-reliance” naar hun hand te zetten. Deze herinter-

pretatie hield in, dat ,,self-reliance” niet voor de ontwikke-

lingslanden zou gelden als naties, maar voor de groepen aan

de basis binnen deze landen. Daarmede werd aansluiting

gezocht bij de herverdelingsformules van het Tweede
Ontwikkelingsdecennium.

De arme landen beschouwden dit als bedreigend omdat

het een losweken betekende van de doeleinden van beleid voor

de basisgroepen van die van de centrale overheden. Het ge-

volg was dat de ontwikkelingslanden het begrip ,,self-

reliance” buiten de internationale discussie gingen houden.

Daardoor vervaagde de ,,self-reliance” voordat het tot een

mode-artikel van de rijke landen kon uitgroeien.

,,Basic needs”

Tijdens het opstellen van de VN Ontwikkelingsstrategie

voor de periode 1970- 1980 werd duidelijk dat het groeitempo

van het BNP in de ontwikkelingslanden gemiddeld hoog lag,

maar dat de inkomensverdeling binnen de arme landen

schever werd. Hoewel in de eerste groeifasen polarisering in

de inkomensverhoudingen een algemeen verschijnsel is, werd
toch in de Ontwikkelingsstrategïe benadrukt dat gezocht

diende te worden naar wegen en middelen om tot betere

inkomensspreiding te komen. Ook werd de noodzaak be-

klemtoond om de gehele bevolking zo spoedig mogelijk te

voorzien in haar basisbehoeften, zoals behuizing, kleding,

onderwijs en gezondheidszorg.

In 1973 werden door het Institute of Development Studies

te Sussex en door de Wereldbank een aantal symposia

georganiseerd over de mogelijkheden om de inkomensverde-

ling in de ontwikkelingslanden te verbeteren. Dit heeft onder

andere geresulteerd in het rapport
Redistribution with

grost’th
8). In dit boek werden concrete voorstellen gedaan om

reeds tijdens de vroege fasen van economische ontwikkeling

de inkomensverdeling te egaliseren. Uit deze studies kwam

naar voren dat het een moeilijk object is dat zowel drastische
beleidsveranderingen op macro-niveau vergt (herverdeling en
toegang tot produktiemiddelen, inkomens- en produktiepoli-

tiek gericht op werkgelegenheid en inkomensspreiding, pro-

gressieve belasting ter financiering van onderwijs, gezond-

heidszorg en overdrachten) als op micro-niveau (projecten

gericht op specifieke sectoren, regio’s en doelgroepen). Op
beide niveaus mag politieke tegenstand van gevestigde belan-

gen worden verwacht.

Een volgende impuls ontstond door de rede die R.S. Mac-
Namara in 1973 als president van de Wereldbank hield voor

de jaarvergadering van de Bank. In zijn toespraak legde

MacNamara de nadruk op het achterblijven van de onderste

40% van de bevolking in het ontwikkelingsgebeuren en hij
bepleitte specifieke acties om de positie van deze groepen te
verbeteren 9).

Daarna trad een fase in van simplificering en mode-vor-

ming. Dit kwam tot uiting tijdens de Wereidwerkgelegen-

heidsconferentie die de lLO in 1976 heeft georganiseerd.
Tijdens deze conferentie werd alle aandacht gefixeerd op het

begrip ,,basic needs”. Ter vervulling daarvan werden politiek

en economisch zeer ingewikkelde problemen en oplossingen

als eenvoudigheden aangedragen. Strategieën tot realisatie

van deze ingrepen werden niet of nauwelijks ontwikkeld en de

politieke componenten – die eerdere pogingen tot bijvoor-

beeld landhervorming en progressieve belastingen hadden

gefnuikt .- bleven buiten beschouwing. Het concept kreeg

een sloganachtig karakter en werd daardoor ontvankelijk

voor beinvloeding en herinterpretatie 10).

Deze lijn kruiste in 1976 een geheel andere. Bedoeld wordt

de houding van de rijke landen zoals die bepaald werd door

acute economische moeilijkheden (recessie, werkloosheid,
verhoogde olieprijzen, grondstoffenschaarste, betalingsba-

lanstekorten) en door, zoals H. Kahn het karakteriseert, de
ideologie van de ,,nieuwe klasse” II).

Deze ideologie vindt zijn oorsprong in het verzet tegen de

bestaande machts- en gezagsverhoudingen en de daarbij

behorende normen van dejaren zestig en de vertaling daarvan
naar sociaal-economische problemen in dejaren zeventig. Dit
heeft onder andere geleid tot twijfel aan de wenselijkheid van
verdere economische groei, tot de verwerping van grootscha-

lige, vervreemdende produktiestructuren en tot verzet tegen

verdere aantasting van het milieu. Positief gesteld komen de

ideeën neer op een herverdeling van inkomen in plaats van

groei, op kleinschaligheid in produktie en in bestuur, op

participatie in besluitvormingsprocessen, op milieuvriendelij-

ke produktie en daaraan aangepaste nieuwe levenswijzen. In

slogans: ,,redistribution”, ,,small is beautiful”, participa-
tion”, ,,new life styles”.

De acute economische moeilijkheden van de rijke landen en

de ideologie van de ,,nieuwe klasse” hebben grote invloed

uitgeoefend op de discussie over de ,,basic needs”-gedachte.
Vanuit de rijke landen werd het element groei in de strategie

steeds meer naar de achtergrond gedrongen en werden de

herverdelingselementen meer naar voren gehaald. Het accent

kwam te liggen op zeifvoorziening door de arme landen in hun

eigen basisbehoeften met behulp van arbeidsintensieve, sim-

pele produktieprocessen. Daarmede werd aan ,,basic needs”

een anti-industrie notie gegeven. En dat klopt met het belang

van de rijke landen: de snelle industrialisatie die thans in de
arme landen plaatsvindt hindert ons. De export van de

arme landen dwingt ons tot herstructurering en steeds meer

leggen de arme landen beslag op grondstoffen en energie.

Tekenend in dit verband is het standpunt van de vakbeweging

zoals dat bijvoorbeeld onder woorden is gebracht door

H. Hofstede. Hij knoopt ,,basic needs”, de wenselijkheid van
protectie en van economische isolatie van de arme landen tot
één geheel aan elkaar vast 12).

Het gaat echter niet alleen om belangen: ook in ideologisch

opzicht hebben de rijke landende ,,basic needs”-conceptie aan

hun inzichten dienstbaar gemaakt. Veel van de nieuwe over-

tuigingen hebben zij er in kunnen lozen. Herverdeling, klein-

schaligheid, participatie, milieubehoud en nieuwe levensstij-

len passen goed bij een op basisbehoeften gerichte,
zelfvoorzienende produktie.
Deze herinterpretatie van ,,basïc needs” onder invloed van
de rijke landen heeft opvallende gevolgen gehad. Toen de

,,basic needs”-conceptie ontstond verzetten de rijke landen

zich: zij vreesden dat zij meer hulp zouden moeten geven. De

arme landen omhelsden het: zij hoopten dat een committe-

ring van de rijke landen tot verbetering van de positie van

de armsten, realisatie van de nieuwe internationale eco-

nomische orde zou betekenen. Met andere woorden: de

arme landen verwachtten van de rijke landen additionele hulp
en meer kansen voor hun ontwikkeling.

Na de herinterpretatie zijnde bordjes verhangen. Nu zijnde

rijke landen warme voorstanders omdat de conceptie is

aangepast aan hun eigen economische behoeften en aan hun

eigen ideologie. Bovendien zou het wel eens tot belangrijke

vermindering van de hulpverplichting kunnen leiden 13).

H. Chenery e.a.
Redistribution with growih,
Oxford University
Press, Londen,
1974.
R.S.
MacNamara,
Address to the boardofgovernors,
Washing-
ton, oktober
1973.
L. Emmerij, Arme landen met slogans niet geholpen,
NRC
Handelsblad, 18
maart
1978.
II)
H. Kahn,
Briefing notes symposium Alternatives to growth,
Houston, oktober
1977.
H. Hofstede,
Internationale arbeidsverdeling,
lezing te Gronin-
gen,
13
maart
1978.
Zie het advies van de Nationale Adviesraad voor Ontwikkelings-
samenwerking,
Advies bilaterale hulp,
Den Haag, november
1977.
Hierin wordt geadviseerd alleen
hulp
te geven aan landen, die een
,,basic needs”-politiek voeren (dat zijn er maar enkele).

498

Thans, na de herinterpretatie, verzetten de arme landen

zich. Zij vrezen dat hun groei op de achtergrond zal raken, dat

zij door de anti-industrie notie gedoemd zullen worden

primitieve landbouw- en grondstoffeneconomieen te blijven,

zij vrezen legitimering van het protectiebeleid van de rijke

landen, zij vrezen minder hulp, zij vrezen dat het accent op

herverdeling politieke spanningen en autoritaire regimes zal
oproepen. bovendien zien de regeerders van de arme landen

hun eigen belangen bedreigd. En: hoe oprecht zijn de wensen

tot herverdeling, kleinschaligheid en participatie van de rijke

landen? Passen zij dat zelf toe? En waarom verminderen zij

dan hun hulp?

Projectie

Als wij de modes in het ontwikkelingsvraagstuk van de

laatste jaren bezien, dan blijkt dat de rol van de rijke landen

daarin groot is geweest. De modes ,,agriculture” en ,,popula-

tion control” zijn ontstaan uit de lange-termijnprognoses die

in de rijke landen werden geformuleerd. De population

control” volgde de ,,agrïculture” op toen door verandering in

de westerse moraal geboortebeperking aanvaardbaar werd.

De ,,self reliance” stamt uit de ontwikkelingslanden zelf. De
rijke landen hebbende ,,self reliance” beleidsmatig genegeerd

en in hun filosofie voor ontwikkelingssamenwerking onderge-

schikt gemaakt aan de wens om zelf invloed uit te oefenen op

de ontwikkelingsgang van de arme landen. De ,,basic needs”
vindt zijn oorsprong in objectieve constateringen, maar werd

door de rijke landen omgebogen naar een herverdelingsbeleid

gecombineerd met een anti-industrie notie, conform de ide-

ologie en economische belangen van de rijke landen in het

midden van de jaren zeventig.

De invloed van de rijke landen op de totstandkoming en op

de ombuiging van modes in het ontwikkelingsvraagstuk is

noch bepaald door fundamentele maatschappij-inzichten,

noch door nieuwe wetenschappelijke visies. In feite wordt de

westerse modepositie bepaald door eigen vermeende of reele

economische belangen en door korte-termijnvariaties in ide-
ologie.

Het projecteren van ideologische inzichten door de rijke

landen op de arme landen wordt door verscheidene factoren
bevorderd. De meest fundamentele kracht is het verbeterings-

ethos dat de westerse mens bezïelt en dat onvermijdelijk moet

leiden tot actieve bemoeienis met de gehele wereld, inclusief

de arme landen. Het gaat om diepliggende karakteristieken
van de na-middeleeuwse christelijke cultuur, die door vele

historici en cultuurfilosofen zijn beschreven. Het gaat om het

verwerpen van de gebroken wereld waarin wij leven, en om de

wil deze te herstellen en toe te werken naar de ,,world-to-

come”. Het leidt tot grote activiteit, tot het ontwerpen van

blauwdrukken, tot het kritiekloos uitdragen van eigen waar-
den en normen en tot een bijna onbegrensde energie vanuit

schuldgevoelens voor het continue te kort schieten 14).

De tragiek is dat ontwikkelaars enerzijds en historici en

cultuurfilosofen anderzijds in gescheiden werelden leven. Zij
weten nauwelijks van elkaars bestaan. Daardoor ontstaat

wederzijdse eenzijdigheid: de ontwikkelaars ontbreekt het

aan inzicht in eigen vooringenomenheid, de historici aan

inzicht in de actuele sociale en economische krachten.

Een tweede factor is dat de korte-termijnvariaties in de

westerse ideologie buitengewoon moeilijk zijn te verwezenlij-ken in de rijke landen zelf. De sociaal-economische structuur,
die in deze landen is gegroeid, blijkt nauwelijks wezenlijk te

kunnen veranderen binnen een overzienbare termijn (al was
het alleen al door de internationale concurrentie tussen

landen en bedrijven en – ondanks alles – de algemene wens

om werk en een hoger inkomen te hebben).
Het wegprojecteren van onze ideologieen naar de ontwik-
kelingslanden biedt in twee opzichten een oplossing. Ten

eerste betekent het een uitlaat voor onze idealen en het biedt

een mogelijkheid aan mensen uit onze landen die tot ver-

werkelijking van deze idealen willen komen dat – als ontwik-

kelingswerkers – concreet te doen. Ten tweede betekent het

dat de ideologie tot onderwerp van politiek kan worden

verklaard. De nieuwe levensstijlen, de kleinschaligheid en de

participatie kunnen in de programma’s van politieke partijen

in de rijke landen worden opgenomen (onder doorverwijzing

naar de derde wereld) waardoor deze programma’s tege-

moetkomen aan de wensen van de kiezers.
Een laatste factor is de feitelijke westerse overheersing van

de internationale ontwikkelingsïnstrumenten. Die overheer-

sing betekent dat, als het ware automatisch, westers denken en

westers belang tot universele waarden worden verklaard. De

beleidssalto’s van met name de bilaterale hulpprogramma’s
illustreren dit.

De laatste jaren begint in de wereld van de ontwikkelaars

een besef voor deze projectie-mechanieken te ontstaan. In zijn

Poverty curlain
schreef M. Ul Haq in 1976 6):

,,One of the most pleasurable sins of development planners is their
addiction to development fashion. We have seen a number of
fashionable prescriptions sweep the world in the last two decades”.

In 1977 schreef L.J. Zimmerman in zijn essay over
A
reconsi-
deration of
economic deve/opment theories 1952-1977 15):

,,Western social scientists have the incorrigible habit of projecting
their problems onto the Third World: ie. to make our problems their
problems”.

Dit inzicht kan leiden tot meer objectivering van het ontwik-

kelingsvraagstuk. En dat is nodig. Min 1964waarschuwde H.
Baudet 16):

,,Het ontwikkelingsaspect van de huidige wereidsituatie heeft aan het
westen een historische rol opgelegd, die ons letterlijk zozeer op het lijf
is geschreven, dat dit feit in onze geest als het ware een rood lampje
dient te ontsteken om ons tot bijzondere rekenschap en zeifanalyse
aan te manen, omdat de predispositie een slechte leidsvrouwe
is,
altijd
geneigd het oordeel te vertekenen”.

Slot

Ten slotte: wat zal de komende mode zijn? Het is waar-

schijnlijk dat deze —evenals in het verleden – zal worden

bepaald door de economische positie van de arme landen en
door de economische moeilijkheden en ideologie-variaties

van de rijke landen.
De arme landen zullen, naar mag worden aangenomen,

reageren op de ,,basic needs”-periode en zullen trachten hun

groei en industrialisatie veilig te stellen. Dit zullen zij probe-
ren door continuering en vergroting van de export van

eindprodukten naar de rijke landen of, als dat op protectionis-

me stuit, door produktie voor eigen markten. Verder zullen de

arme landen te kampen krijgen met toenemende onderlinge
tegenstellingen als gevolg van het economisch steeds verder

uit elkaar groeien: sommige ontwikkelingslanden exporteren

reeds meer eindprodukten dan zij importeren. Ook zullen zij gehinderd blijven worden door de wereldwijde inflatie, door

hun afhankelijke positie in het monetaire systeem en door de

continue recessie in de rijke landen. Al deze factoren bij elkaar

zullen de ontwikkelingslanden enerzijds doen uitzien naar

afspraken voor handelsafzet, prijzen en monetaire regelingen,

anderzijds zullen zij trachten zich zoveel mogelijk los te

maken van de rijke wereld, hoewel voor de meeste arme

landen de mogelijkheden daarvoor klein zijn.
In de rijke landen zal de zorg voor werkgelegenheid en groei

14) Zie bijvoorbeeld de geschriften van H. Baudet, W. Sierksma, J. van Baai, D. de Rougemont enz.
5) L.J. Zimmerman, ,4
reconsideration of economie development
theories 1952- 1977. 1
nstitute of Social Studies, Den Haag. december
1977.
16)
H. Baudet,
De historische dimensie van de ontit’ikkelingsproble-
matiek,
Leuvense Universitaire Uitgaven, Leuven,
1964.

ESB
17-5-1978

499

De relatie tussen de groei van de

produktie en de groeivan de arbeids-

produktiviteit en de werkgelegenheid

DRS. W.M. DERKS*

In het Praeadvies 1952 van de Vereniging voor de

Staathuishoudkunde stelt Verdoorn 1), dat er in de

industriële bedrijfstak een vaste verhouding bestaat

tussen de toename van de produktie en de toename van

de arbeidsproduktiviteit. Deze verhouding is van be-

lang voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid. In

dit artikel wordt nagegaan in hoeverre in Nederland

deze vaste verhouding in de industrie na 1950 is blijven
bestaan. Tevens wordt onderzocht of in de landbouw en
de dienstensector een constante relatie bestaat tussen de

groei van de produktie en de groei van de arbeidspro-

duktiviteit.

De relatie tussen de produktie en de arbeidsproduktiviteit

De vaste verhouding tussen de toename van de produktie

en de toename van de, arbeidsproduktiviteit wordt in de

literatuur aangeduid met de wet van Verdoorn. Die vaste

verhouding kan worden weergegeven in een log-lineaire rela-

tie:

ln(y/a)a+f3lny

(1)

waarin y

= volume van de produktie

a

= werkgelegenheid

a,/3 = coëfficiënten.

Vergelijking (1) kan worden herschreven tot:

Ltn(y/a)=$Llny

(2)

Omdat de verandering van de logaritme van een grootheid

(maal honderd) bij benadering gelijk is aan de relatieve

verandering van die grootheid 2), kan men stellen dat volgens

(2) de arbeidsproduktiviteit met
f3%
stijgt, wanneer de pro-

duktie met 1% toeneemt. De coëfficiënt
0
geeft de elasticiteit

weer van de arbeidsproduktiviteit ten opzichte van de pro-

duktie. Uit de wet van Verdoorn kan een relatie worden

afgeleid tussen de groei van de produktie en de groei van de

werkgelegenheid. Wanneer men (2) substitueert in de volgen-
de definitievergelijking:

Mna=lny – iln(y/a)

(3)

dan krijgt men:

Alna=(l—f3)dny

(4)

De coëfficient
(1-13)
geeft de elsticiteit van de werkgele-

genheid ten opzichte van de produktie weer. Wanneer /3 gelijk

* De auteur was tijdens het schrijven van dit artikel medewerker aan
het Economisch Instituut van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Thans is
hij medewerker van het Economisch Technologisch Instituut Lim-
burg (ETIL) te Maastricht. Hij dankt Drs. J.H. von Eije, Drs. L.
Hamminga en Drs. J.J. Siegers voor hun commentaar op een eerdere
versie van dit artikel.
P.J. Verdoorn,
Welke zijnde achtergronden en vooruitzichten van
de economische integratie in Europa en wetke gevolgen
zou
deze
integratie hebben, met name vor de welvaart in Nedertand?,
Centraal
Planbureau. Overdrukken no. 22, Den Haag, 1952, blz. 14.
Bij benadering geldt:

dx
A x

FT
=

= x (T = tijd), zodat

dlnx dlnx dx_1

Lx
lnx= dT
—=
d

x

dt
–.–
x
– .

x
x=—=derelatievever-

andering van
X.

domineren. Daartoe zullen afspraken tussen de rijke landen

onderling nodig zijn – zie de EG-toppen en die van de grote

mogendheden – en tussen rijk en arm. De afspraken zullen

liggen op het terrein van handel, groeimaatregelen en mone-

taire politiek. De ideologie van de ,,nieuwe klasse” zal wat
naar de achtergrond worden gedrongen door de directe

economische problemen. Hierdoor en door de actuele keuze

voor of tegen nucleaire energie zal deze ideologie meer op de
rijke landen zelf worden gericht dan op de arme landen. Ook

in de rijke landen zal door dit alles behoefte aan regulerende

afspraken bestaan.
Deze wederzijdse posities beginnen reeds tot uitdrukkingte

komen in nieuwe woorden in het internationale overleg:

,,interdependentie”, ,,management of the world economy”,
,,division of labour”, ,,pragmatisme”. Het laat zich denken
dat op basis van deze noemers een tendens zal ontstaan om tot
afspraken tussen de meest betrokkenen per probleemgebied te
komen: in de OECD heeft dit de naam ,,functionele differenti-

atie” gekregen. Uitgangspunt is het vinden van parallelle

belangen zodat alle betrokkenen baat hebben bij het arrange-ment. Boven zo’n afspraken-complex zou een samenvattende

naam kunnen worden geplaatst, bijvoorbeeld één van de

genoemde nieuwe woorden of een nog te verschijnen notie.

Zodra de nieuwe denkbeelden voldoende momentum hebben

gekregen zullen begrippen als ,,basic needs”, ,,nieuwe interna-

tionale economische orde” en ,,noord-zuid-dialoog” op de

achtergrond raken of hooguit nog dienen als verhullende

geloofsartikelen. Daarna zal – zoals steeds – de keuze gaan

tussen de ontwikkeling van een verder inhoudelijk beleid of van een futiele mode. De kans op het laatste is groot: steeds
immers dreigen simplificering, generalisering en eenzijdige
vertekening.
F. van Dam

500

is aan één, zal bij een stijging van de produktie de werkgele-

genheid onveranderd blijven, omdat dan de procentuele

stijging van de arbeidsproduktiviteit gelijk is aan de procentu-

ele stijging van de produktie. Indien
/3
kleiner is dan één, stijgt

de werkgelegenheid bij toename van de produktie; wanneer
/3

groter is dan één, daalt de werkgelegenheid bij toename van de

produktie. Voor een inzicht in de ontwikkeling van de werk-

gelegenheid is het dus van belang te weten of de wet van

Verdoorn opgaat en welke hoogte de coefficiënt /3 heeft.

Verdoorn stelt in 1952, dat de elasticiteit
/3
voor de meeste be-

drijfstakken en de industrie als geheel de waarde 0,4 â 0,6

heeft 3).

De veronderstelling, dat de stijging van de arbeidsprodukti-

viteit helemaal wordt bepaald door de stijging van de produk-

tie, kan men afzwakken door de mogelijkheid open te laten,

dat de toename van de arbeidsproduktiviteit gedeeltelijk

onafhankelijk is van de toename van de produktie. Wanneer
we veronderstellen, dat er een trendmatige autonome toena-

me van de arbeidsproduktiviteit is, kan vergelijking (1)
uitgebreid worden met de tijd als verklarende variabele
(T: 1950=1, 19512, enz.):

ln(y/a)cs+yT+/3lny

(5)

Vergelijking
(5)
kan worden herschreven tot:

Mn(y/a)=y+/3 Iny

(6)

Substitutie van (6) in (3) geeft:

Mna—y+(I—$)Iny

(7)

Omdat de wet van Verdoorn niet geldt in geval van con-

juncturele fluctuaties, doch uitsluitend voor de ontwikkeling

op de lange termijn 4), is van de waarnemingen het voort-

schrjdend gemiddelde over zeven jaar genomen, voordat de
logaritmen werden berekend
5).
Het voortschrijdend gemid-
delde van de produktie vertoont in de beschouwde sectoren

voortdurend een stijging. Bij een dalende produktie is de

relatie tussen de produktie en de arbeidsproduktiviteit moge-

lijk anders dan bij een stijgende produktie.

De industrie

Het volume van de produktie 6) van de industrie 7) kan

worden berekend uit
de
Nationale rekeningen
8), evenals de
werkgelegenheid 9). De reeksen kunnen met behulp van de

Macro Economische Verkenning
10) worden aangevuld
met de verwachtingen voor 1977 en 1978. Schatting voor de
periodë 1950 t/rri 1976 II) van vergelijking (5) geeft een

waarde van de coëfficiënt y, die niet significant van nul
verschilt. Wanneer men daarom overgaat tot schatting van
vergelijking (1), krijgt men:

ln(y/a) = 4,30
+1
0,93 In
Y2

(8)

(47,37) a) (34,33) a)

R = 0,992

a) t-waarde.

waarin (y/a)
2

=

arbeidsproduktiviteit in de industrie

(secundaire sector)

= volume van de produktie in de industrie
R

= voor vrijheidsgraden gecorrigeerde

multipele correlatiecoëfficiënt.

Gezien de hoge waarden van t en
R
krijgt men de indruk,

dat ook na 1950 de wet van Verdoorn is blijvengelden 12). De
elasticiteit
/3
heeft echter een veel hogere waarde dan bij
Verdoorn: 0,93 tegen 0,4 â 0,6. De coëfficiënt lijkt in Neder

land na 1950 bijna verdubbeld ten opzichte van vôör de
tweede wereldoorlog.

Ter vergelijking met de navolgende schattingen wordt de

schatting van vergelijking (2) gegeven:

iln(y/a)
2
0,95Mny
2

(9)
(16,79)

= 0,454

De elasticiteit /3 heeft in vergelijking (8) en (9) ongeveer

dezelfde waarde (resp. 0,93 en 0,95). De multipele correlatie-

coëfficiënt R is gedaald van 0,992 naar 0,454. Dit sluit aan bij
hetgeen in voetnoot 12 is opgemerkt.

Wanneer dè totale in beschouwing genomen periode opge-

splitst wordt in deelperioden, dan krijgt men een meer gediffe-

rentieerd beeld. Er zijn drie deelperioden te onderscheiden,

waarbij de coefficiënt y in twee deelperioden wel significant
van nul verschilt. Bij schatting van vergelijking (5) blijkt er

echter een hoge mate van multicollineariteit 13) te bestaan
tussen de tijdsvariabele T en In
Y2
waardoor de geschatte
coëfficiënten zeer onbetrouwbaar worden 14). De schatting
van
/3
en y voor de deelperioden wordt daarom gedaan met

vergelijking (2) en (6). De voortschrijdende gemiddelden over

zeven jaar worden aangeduid met het middelste jaar. De te
onderscheiden drie deelperioden zijn dan: 1954 t/rn 1963,

1964 t/ m 1968 en 1969 t/ m 1973. De laatste deelperiode wordt

uitgebreid met de waarnemingen, waarin de verwachtingen
voor 1977 en 1978 zijn verwerkt, omdat die waarnemingen

zeer goed aansluiten bij de relatie, die gevonden wordt met de
vijf voorafgaande waarnemingen. Uitgaande van de vergelij-
kingen (2) en (6) vindt men dan voor de drie deelperioden de
volgende schattingen:

1954-1963: á ln(y/a)
2
= 0,73 A In Y2

(10)

(88,84)

= 0,945

1964-1968: i1n(y/a)
2
—0,0610+ 1,95 tiiny
2

1l

(- 1,86)

. (3,93)

= 0,885

1969-1975: Mn(y/a)
2
= 0,0267 + 0,85 Mn Y2. (12)
(27,37) (42,14)

=0,998

Ter illustratie van de relatie tussen de arbeidsproduktiviteit

en de prodüktie en met name ter verklaring van de relatie in

vergelijking (II) is in figuur 1 ln(y/a)
7
X 100 afgezet tegen

MnyX 100.

Verdoorn, op Cit.,
blz. 14.
Idem,
De lengte van de periode, waarover het gemiddelde wordt geno-
men, moet groter zijn dan de lengte van de langste conjunctuurcyclus.
Ter benadering van de trend wordt een voortschrijdend gemiddelde genomen over
75
maanden door J. van Duijn en P. Verpoorte in:
Daling post war business cvcles in the Neiherlands. 1948-1975.
rapport no.
27,
Interuniversitaire Interfaculteit Bedrijfskunde, Delft,
1977,
blz.
8.
Bruto toegevoegde waarde, marktprijzen van
1970,
exclusief om-zetbelasting. Bedrijfstakken 1 t, m
5
van de SBI, dus inclusief openbare nutsbe-
drijven, bouwnijverheid en installatiebedrijven.
CBS,
Nationale rekeningen 1976,
Den Haag,
1977,
combinatie van
tabel
28
en tabel 30.
Arbeidsvolume (zelfstandige bedrijfshoofden, medewerkende ge-
zinsleden en werknemers), gemeten in manjaren, CBS, op Cit., tabel
50.
CPB, Macro economische verkenning 1978.
tabel IV –
14.
II) Vanwege het feit, dat een voortschrijdend gemiddelde over zeven
jaar wordt gehanteerd, resteren
21
waarnémingen.
Men moet er hierbij wel rekening mee houden, dat de schattin_g
met niveaugrootheden in verhouding veel hogere waarden van t en
geven dan schattingen met (relatieve) veranderingen van niveau-
grootheden.
Multicollineariteit betekent, dat er een.lineaire relatie bestaat
tussen verklarende variabelen. Dit verschijnsel treedt vaak op bij
schatting met niveaugrootheden.
Zie: E. Malinvaud.
Statistical methods of econometrics. Amster-
dam,
1970,
blz.
218.

ESB 17-5-1978

501

Figuur 1. De relatie tussen de groei van de produktie en de

groei van de arbeidsproduktiviteit in de industrie

A ln(y/a), X 100

a)

0
1

2
45°4ijn.
Vergelijking (10). Vergelijking (12).

Volgens vergelijking (10) is in de eerste deelperiode de

elasticiteit van de arbeidsproduktiviteit ten opzichte van de
produktie gelijk aan 0,73. Sabolo IS) vindt voor Nederland

voor de periode 1953- 1967 een waarde van /3 van 0,77. De

resultaten sluiten goed bij elkaar aan. Gezien het resultaat van

Verdoorn
(/3
= 0,4 â 0,6) is de elasticiteit na de tweede

wereldoorlog groter dan ervoor. Kaldor 16) vindt bij een

schatting met waarnemingen van twaalf gendustrialise’erde

landen, waaronder Nederland, voor de periode 1953- 1964

een waarde van ongeveer 0,5. Nederland realiseerde in de

jaren vijftig en beginjaren zestig dus een hogere stijging van de

arbeidsproduktiviteit in de industrie bij gegeven produktie

dan veel andere gëindustrialiseerde landen. Analoog aan vergelijking (4) kan uit vergelijking (10) een

relatie tussen de werkgelegenheid en de produktie worden

afgeleid.

1954- 1963: A Ina
2
= 0,27 In
Y2

(13)

(Directe schatting van (13) geeft dezelfde coëfficiënt).

Een stijging van de produktie in de industrIe met 1%

veroorzaakte tijdens de eerste deelperiode een stijging van de

werkgelegenheid in de industrie met slechts 0,27%.
De waarnemingen tot 1963 zijn in figuur 1 zonder aandui-
ding gegeven. In die figuur zien we, dat na 1963 een versnelling

in de stijging van de arbeidsproduktiviteit optreedt. Deze

versnelling wordt in het Vintaf-model 17) toegeschreven aan

een versnelde afstoot van oude jaargangen van de kapitaal-

goederenvoorraad. Na 1965 liggen de punten in figuur 1
boven de 45
1
-lijn. De procentuele stijging van de arbeidspro-

duktiviteit is dan groter dan de procentuele tijging van de

produktie. Dit betekent volgens vergelijking (3), dat na 1965

de werkgelegenheid in de industrie daalt. De tweede deel-

periode (1965 t/m 1968) wordt gekenmerkt door een versnel-

ling in de stijging van de arbeidsproduktiviteit. Volgens

vergelijking (II) had een extra stijging van de produktie met

1% een stijging van de produktiviteit met bijna
2%tot
gevolg.

Gezien de waarden van R en t is de verklaring in (II)

duidelijk minder dan in (10) en (12). De tweede deelperiode

kan worden gezien als de overgangsfase van de eerste naar de
derde deelperiode. Cripps en Tarling 18) komen in een onder-

zoek met waarnemingen van twaalf landen waaronder Neder-

land tot de conclusie, dat de Wet van Verdoorn niet geldt voor

de periode 1965- 1970. De versnelling in de stijging van de

arbeidsproduktiviteit eindigt in 1969. Er ontstaat dan een

nieuwe relatie tussen de stijging van de arbeidsproduktiviteit

en de stijging van de produktie. Die relatie is gegeven in

vergelijking (12).

In figuur 1 kan men de overgang van de eerste naar de

laatste deelperiode als volgt beschrijven. De lijn, die de relatie

in de eerste deelperiode weergeeft, schuift tijdens de tweede

deelperiode naar boven. In de derde deel periode heeft die lijn

bovendien een andere hellingshoek dan in de eerste deel-
periode. In de derde deelperiode wordt de stijging van de

arbeidsproduktiviteit niet helemaal verklaard door de stijging

van de produktie. De constante term in vergelij king (12) geeft

aan, dat de arbeidsproduktiviteit onafhankelijk van de pro-

duktie met 2,67% per jaar stijgt. Per procent stijging van de

produktie neemt de arbeidsproduktiviteit met 0,85% toe. De

elasticiteit is gestegen van 0,73 in de jaren vijftig naar 0,85 in

de jaren zeventig.

Analoog aan vergelijking (7) wordt uit vergelijking (12) een

relatie tussen de werkgelegenheid en de produktie afgeleid.

1969- 1975: Llna,= -0,0267 + 0,15Mny
2

(14)

Wanneer de produktie niet stijgt in de industrie, daalt daar
de werkgelegenheid met 2,67% per jaar. Per procent stijging

van de produktie neemt de werkgelegenheid slechts met 0,15%

toe. Door de hoge stijging van de arbeidsproduktiviteit heeft

stimulering van de produktie in de industrie nauwelijks een

werkgelegenheidseffect. Volgens vergelijking (14) zou de

produktie’ met 17,8% moeten stijgen, opdat de werkgelegen-

heid daar niet afneemt. De huidige daling van de werkgelegen-

heid in de industrie is praktisch onvermijdelijk zolang boven-
staande relatie geldt. Het gebruikte cijfermateriaal is grafisch

weergegeven in figuur 2.

Figuur 2. De groei van de produktie, arbeidsproduktiviteit en

werkgelegenheid in de industrie (voortschrijdend gemiddelde

over zeven jaren, 1950 t/m 1978)

Ina
2
X
100’—
..,

-u

5,14

960

1965

1970

197!

In het bovenstaande omvat de secundaire sector ook de

bouwnijverheid. Het aandeel van de bouwnijverheid en de
installatiebedrijven in het totaal van de industriële sector is

thans ten aanzien van de produktie (in prijzen van 1970)

ongeveer 16% en ten aanzien van de werkgelegenheid onge-
veer 28%. Mogelijk gelden voor deze bedrijfstak andere

waarden van de coëfficïënten yen /3 dan voor de totale indu-

IS) Y. Sabolo,
The service industries, Genve’l5, blz. lOS.
26) N. Kaldor,
Causes
of
the slow rale
of growth
of
the United
Kingdom; anJnaugwa/.lezture,
Cambridge ttniversity Press,
1966.
7) CPB,
Een macro-model voor de Nederlandse’ economie op
middellange termijn (VintaJ’Il),
Den Haag, Occasional’ Paper, No.
2, 1977.
18) T.F. Crpps en R.J. Tarling,
Growth,.in advanced capitalist
economies
1950- 1970,
Cambridge University Press,
1973,
blz.
23.

In
Y2
X 100

502

strie. Schatting van vergelijking (6) voor de bouwnijverheid

en -installatiebedrijven geeft voor de laatste periode:

1969_1975:A1n(y/a)=0,0119+0,62lflY2b (IS)

(5,75)

(5,67)

.=0,916

De waarden van
k
en t zijn hier lager dan in (12). Het

veronderstelde verband tussen de arbeidsproduktiviteit en de

produktie is in de bouwnijverheid minder sterk dan in het

totaal van de secundaire sector. Wanneer men (15) en (12) met

elkaar vergelijkt, blijkt dat zowel de constante term als de
elasticiteit /3 in (IS) lager zijn. In de bouwnijverheid is de

stijging van de arbeidsproduktiviteit, zowel voor zover die

onafhankelijk is, als voor zover die afhankelijk is van de

produktiestijging, lager dan in de industrie als totaal. Het

werkgelegenheïdseffect van stimulering van de produktie is in

de bouwnijverheid en -installatiebedrijven groter dan in de

totale industriële sector. Wanneer men (IS) analoog aan (7)

herschrijft, kan men daaruit berekenen, dat de produktie met

minimaal 4,25% per jaar moet stijgen opdat de werkgelegen-

heid in deze bedrijfstakken niet afneemt.

De landbouw

Op gelijke wijze als voor de industrie is voor de primaire

sector, de landbouw, het volume van de produktie en de

werkgelegenheid berekend. Bij schatting van vergelijking (IS)

verschilt de coëfficiënt
y
significant van nul. Evenals in de

industrie is er een hoge mate van multicollineariteit tussen de

tijdsvariabele en de produktie. Schatting van vergelijking (6)

voor de periode 1950 t/m 1976 (voortschrijdend gemiddelde

over zeven jaren) geeft:

1n(y/a)
1
=0,0268+ 1,07 zlnyi

(16)

(7,58) (10,36)

= 0,921

In (16) verschilt de waarde van de elasticiteit
6
niet signifi-

cant van 1,00. In de landbouw veroorzaakt een extra stijging

van de produktie met 1% een extra stijging van de arbeidspro-

duktiviteit van 1%. Bij de schatting van vergelijking (6) zijn

geen duidelijke deelperioden te onderscheiden zoals in de
industrie.

Analoog aan (7) kan uit vergelijking(16) een relatie tussen

de werkgelegenheid en de produktie worden afgeleid.

1lna
1
=-0,0268 – 0,07Mny
1

(17)

De daling van de werkgelegenheid in de landbouw is

nagenoeg onafhankelijk van het verloop van de produktie.

Stimulering van de produktie verhoogt de werkgelegenheid

niet.

De dienstensector

Op gelijke wijze als voor de industrie is voor de tertiaire

sector, de dienstensector inclusief overheid, het volume van dë

produktie en de werkgelegenheid berekend. Bij schatting

van vergelijking (5) verschilt de coëfficiënt y niet significant

van nul. Schatting van vergelijking (1) voor de periode 1950

t/m 1976 (voortschrijdend gemiddelde over zeven jaren)

geeft:

ln(yfa)
3
= 6,01 + 0,42 in y

(18)

(46,36) (66,01)

R= 0,998

Schatting van vergelijking (2) geeft:

&n(y/a)
3
=0,46L1ny3

(19)

(21,48)

=0,683

De schatting van de elasticiteit /3 in (19)is mogelijk minder

betrouwbaar dan in (18) door de geringe variantievan de

variabelen in (19) 19). Wanneer de produktie met 1% stijgt,

stijgt de arbeidsproduktiviteit met minder dan een half pro-

cent. Analoog aan (4) kan uit (19) een relatie tussen de

werkgelegenheid en de produktie worden afgeleid.

Alna=0,54ilny
3

(20)

Wanneer de produktie met 1% stijgt, dan stijgt de werkgele-

genheid met ruim een half procent. Stimulering van de

produktie heeft in de dienstensectoreen aanzienlijk werkgele-

genheidseffect. Voor de dienstensector zijn
bij
de schatting
van vergelijking (1) en (2) geen duidelijke deelperioden te

onderscheiden, zoals voor de industrie. Wel krijgt men uit een

periode-analyse de indruk, dat de elasticiteit 6 op het einde
van de periode enige stijging vertoont. Het werkgelegenheids-

effect van een uitbreiding van de produktie neemt dan af. Het
gebruikte cijfermateriaal, inclusief de cijfers, waarin de ver-

wachting voor 1977 en 1978 zijn verwerkt, is weergegeven in
figuur 3.

Figuur 3. De groei van de produktie, arbeidsproduktiviteit en

werkgelegenheid in de dienstensector (voortschrijdend ge-

middelde over zeven jaren, 1950 t! m 1978)

3
inty,axiooT.T
2

100

0

1

.
955

1960

1965

1970

1975

9

r

Alle bankzaken

0 vestigingen

&VS1AVENBURGS BANK

in Nederland

Affihiaties te New York,
HOOFDKANTOOR

Curaçao,Antwerpen,Brussel,
ROTTERDAM

Frankfiirç Zürich.

Vergelijking (1) is ook geschat voor de dienstensector exclu-

sief overheid, en voor de overheid. De gevonden waarde voor

de elasticiteit /3 is daarbij resp. 0,43 en 0,42. Deze waarden

verschillen nauwelijks van de waarde voor de gehele diensten-
sector zoals gegeven in vergelijking(l8). Bij een periode-ana-

lyse blijkt dat de waarde van 8 in de tweede helft van de perio-

de in de dienstensector exclusief overheid stijgt, en bij de

overheid daalt. Het werkgelegenheidseffect van een uitbrei-
ding van de produktie neemt dus af in de dienstensector
exclusief overheid en neemt toe bij de overheid.

19) Sabolo, op. cit., blz. 105, vindt voor Nederland voor de periode
1953 t/m 1967 een waarde van de elasticiteit
0
in de dienstensector
van 0,73. Het door hem gebruikte cijfermateriaal is verkregen van de
Verenigde Naties en komt ten aanzien van de produktie in de
dienstensector in het geheel niet overeen met de cijfers van de
Nationale rekeningen van het CBS.

ESB 17-5-1978

503

De drie sectoren tezamen

:

groei van de berepsbevolking van0,25% 20) dan blijkt dat de,

werkloosheid constant blijft bij een groei van de produktie

De vergelijkingén (2) en (6) zijn ook geschat voor h( totaal .

met
4%
per jaar. Deze gewenste groei ligt een w&nig hoger

van de produktie én de arbeidsproduktiviteitin Nederland:

dan bij de berekeningen van het CPB. Bij een groei van
4%

Voor de drie deelperioden, die in de industrie werden onder-.

. daalt volgens het CPBde werkloosheid 21). Het gebruikte

scheiden vindt mendan:

.

cijfermateriaal is weergegeven in figuur
4:

1954-1963: Aln(yja)
t

0 73

(21)

Figuur4. De,groeivandepr’oduktie, arbeidsproduktiviteit en

“1 14

96

.

0 97

werkgelegenheid in Nederland (voorischrjdend gemiddelde
– ‘

over zevèn jaren, 19501/m1978)

.

1964-1968:
LMn(y/a)
6

– 0,0149 + 1,10 t1n Yt . (22)

6

00
(-2,89)

(11124)

=09841

5

1969-1975: s.1n(y/a)

b,01 16 + 0,69
Jfl
Yt

(23),
.

‘ 2

rin aX 00

,

(6,28).

(16,70)

..

. =0,989
1 ‘—

—-

– .

Voor d’e drie sectoren te zamen is de waarde van de elastici-

teit/3 in de laatste deelperibde iets lagerdan in de eerste deel-

• periode (0,69 tegen 0,73). In de industrie is de waarde van
/3
in

dé laatste deelperiode duidelijk hoger dan in de’ eerste deel:.

periode (0,85 tegen 0,73). De daling van de waarde van
0
voor

het totaal kan worden toegeschreven aan een verschuiving in

de aandelen van de sectoren. De landbouw heeft.een jioge

waarde van /3(1,07). Het aandeél in de produktie en het

aandeel in dewerkgelegenheid van de landbouw is gedaald.

De dienstensector heeft een lage waarde van./3 (0,46). De

stijging van het aandeel in de werkgelegenheid van de dien-
stensector is van invloed op de ontwikkeling vande arbeids-

• produktiviteit van het totaal. .

Analoog aan (7) kan uit vergelijking (23) eenrelatietussen

de werkgelegenheid en de produktie w orden afgeleid.

1969-1975: 1na
t
=.-0,0116+ 0,31.1ny.

.

(24)

Volgens vergelijking (24) zal de produktie met minimaal

174%

per jaar moeten stijgen, opdat de werkgelegenheid niet

afneemt. Wanneer we dit cijfer verhogen met de verwachte

Vacatures

lilirctre

Blz.:

BI,.:

955

1960 .

– -1965

970

1975

Samenvatting

..

.

.

..
. .

Er bestaat een’ d’uidelijké relatie tussen de groei van de

arbeidsproduktiviteit en de groei van de produktie in de

industrie, in de landbouw, in de dienstensector en in de drie

sectoren te zamen. Deze relatie verschilt, aanzienlijk voor de

drie sectoren, terwijl ze, in de industrie mde jaren zestig

veranderd is door een versnelling in de stijging van de

arbeidsproduktiviteit. De relatie is in de landbouw zodanig,

dat een uitbreiding van de produktie nauwelijks een werkgele-

genheidseffect’ heeft. De daling van de.werkgelegenheid ‘is

‘daar vrijwel onafhankelijk van het verloop van de pro.duktié. In de industrie is de relatie thans zodanig, dat een uitbreiding

van de produktie een gering werkgelegenheidseffect heeft (de

betreffende elasticiteit is 0,1 5).Er is daar bovendien, onafhan-

kelijk van de produktie, een aanzienlijke stijging van de

CPB,
De Nederlandse. economie-in 1980,
Den Haag,
1976,
blz..96.
CPB, op. cit., blz. 122:

‘.

.

‘t etensehappelijk

medewerker

(unni.

sri.)

t.b.v.

de

Iloofdafdeling

Statustic keur

un

arbeid. inkomen

en
consuniplie sour het Centraal Burean noor de Statis-
tiek
490

\\etensehappeiijk

medewerker

studiedienst

(trini.

sri.)
t bi. de Ilnnofdafdetnrg
1
,1alisticken sair binnenlandse

handel

en

dienstverlcnruuig

noor

liet

(
entra,il

Bureau

soor dc Statistiek
490

1-boifd

onderafdeling

insOectie

(miii.

sri.)

t.h.s
.

de

entrale

Directie

san

de

t nnikshuiss estirig.

Directie

“t
onninigbonus
,

fdeIing \’toniirgeurporaties

soor

het
\linristc rie san t oikshuiss est ing en Ruiriutetnke Orde-
nung
491
r1edewerker afdeling natuurts etensehnippehijk t n ecouo-
nrischi

unilieu-onelertoek

(mni.

sri.)

t bi

de

Ilniofd-

•rfdehirg

‘slilieristatistieken noor

het

Centrati

Bureau

soor dc Statistiek
491

\dmunistratcur bij de PGE.ril te Arnhem
492

(,essooir

leetor

tin

liet

sak

nidustruele

econonuir’

en

1w-

drijfshnishoutt kuude

aan

de

t r:usnius

1 nu

ersnieut

Rnrtterd.nni
II

\keteursehaptielijk medewerker nu

s

bui
de unterfaculteit

der

\cruaricie tt eteursehappen en t conometrie van de
Rijksnunis ersuteit te

(,roningeni
III

\% etenschappelijk

iniedewerker

orgairisatiekunde

bi1 de

lnterfaeuulteit

Bedritfskuinde

san

de

Rijksunis ersiteit

t ronungen

Ceiuieenteseeretaris (miii.

sri.) hij de (,enieentc
(
apelle

aan den Ijssel
IV

I’l.rnolrrgiseh onderiocker, str r r1j ae,idr-rniseh
uh
eau
luj de afdeling soe r:ral-e.,nrrinise h onder,oek van de
Inn inciate Planologkuhe [)ienst ‘oor ieeland

,

443
1 in, fd
oor
de.afdeljng niet hodeu, statistiek en automna.
t nering van het Ecrrn,rmisr-ir Instituut voor de Bouw-
nijs rheid te Amsterdanr

ii
!-1o,rfd van tr,t seeretaria.ni’.h,ureari bij cle ( ornnussie
T'(.) serteers- ci) sensn,rsonrierjuck

III
II,lsUuI- sersoersecorrooni hij het bureau I4ruurriteiujke
teeturnische economische hek uks wrhereiding san hei
Ounbaar Lichaam Rijnmond te Rotterd•nni

III

1

I’
s
wl 0

Beleidsmedewerker hij de afdeling algemeen bestuur
air cle genieentesecretarie te Arnersfoorl

414

t corronietrist (inrit., sri.) snor de sctue wetenschappelijk
cii econometriseti ondcr,n,ek San de Strudiedueirsl nat]
[)e ‘sederlandsehe Bank

46))

Buiterigew our hoogleraar iii de Bedrijfskunde hij de
1F1 le Lindhios
CII

467
1)ire t te-assistent snor eriekcriungen 1)1 t, It

\sseri

486

t
COfloöfli
Drs.) son,r de functie van hoofd funancieli
in econonriselie afdeling bij Ilotthnis FI
Gk
ho pnnilipert
te

entnn

469

Bureauhocnfd nini, sri.) th s dc 1 )irectie Begroting’-
iaken van het \linisterre an t’ nancien

49))

504

Economische en maatschappelijke

aspecten van retailbanking

J. VAN DER HAVE

Ontwikkelingen op het gebied van de elektro-

nische injormatieverwerking in combinatie met

nieuwe marketingtechnieken hebben op het tër-

rein van de retailbanking, het verlenen van bank-

diensten aan kleine-rekeninghouders, geheel nieu-

we perspectieven geopend. De heer Van der Have,

sinds 1956 in en buiten Nederland werkzaam op

het terrein van de retailbanking, gaat in op een

aantal aspecten die met de nieuwe ontwikkelingen

samenhangen.

Nieuwe afzetmogelijkheden door technologische ontwikke-
lingen

Er voltrekt zich momenteel een fascinerende ontwikkeling
op het gebied van retailbanking, waarbij automatisering en

marketingtechnieken nieuwe mogelijkheden scheppen voor
de massale distributie van financiele diensten. Evenals fabrie-
ken gestandaardiseerde produkten vervaardigen en deze via

uiteenlopende distributiekanalen verkopen, kunnen thans
ook banken gestandaardiseerde dienstenpakketten ,,fabrice-

ren” en deze onder verschillende ,,merken” aan de man

brengen. Dat is niet slechts in figuurlijke zin gezegd. Diensten-

pakketten worden werkelijk geproduceerd, namelijk met
behulp van de informatieverwerkende technologie van onze
,,knowledge society”. Retailbanking is een branche die dit op
verbluffende wijze kan illustreren.

arbeidsproduktiviteit, waardoor de daling van de werkgele-

genheid niet kan worden gestopt door een uitbreiding van de

produktie. Die relatie is in de dienstensector zodanig, dat een

uitbreiding van de produktie met l%eenwerkgelegenheidsef-

fect heeft van ruim 0,5%. De elasticiteit van de werkgelegen-

heid ten opzichte van de produktie is in de dienstensector

ongeveer vier maal zo groot als in de industrie.
Mogelijkheden van de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen

door uitbreiding van de produktie moeten dus niet in de

industrie maar in de dienstensector worden gezocht, zoals de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft

opgemerkt 22). Uit de relatie tussen de groei van de arbeids-

produktiviteit en de groei van de produktie voor de drie
sectoren te zamen kan worden afgeleid, dat in Nederland het

volume van de produktie structureel met ongeveer4% perjaar
moet stijgen, opdat de werkloosheid niet toeneemt.

Wim Derks

22) Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid,
Maken wijer
werk van
7
,
Rapporten aan de regering nr.
13, 1977.

Reeds jaren terug heb ik gesteld 1), dat de synthese van

automatische informatieverwerking en marketing een door-

slaggevende factor zou worden in de concurrentiestrijd om de

markt van de retailbanking. Essentieel voor retailbanung is
immers informatie over bevoegdheden, verplichtingen, saldi

enz. Dit is altijd zo geweest. Nieuw is, dat de huidige technolo-
gie de geografische scheiding van de verwerking van informa-
tie en de verstrekking ervan in de praktijk probleemloos
maakt. De informatie kan doorlopend worden verstrekt,

regelmatig, na verwerking van telkens weer nieuwe gegevens,

in voortdurend contact met degenen, die aan deze informatie

in toenemende mate behoefte hebben.
Dat zijn in casu de gezinnen. In het volgende zal ik vaak het

woord consument gebruiken. Het gaat daarbij om gezinshuis-
houdingen die in deze tijd met niet geringe financiële proble-

men te maken krijgen en daarbij tot verantwoorde beslissin-

gen moeten komen. De maatschappelijke realiteit van het geld

besteden en geld lenen ziet er totaal anders uit dan het beeld
dat diegenen, die zich niet van het cliché van de ,,irratineel
handelende gebruiker” kunnen losmaken, voor ogen staat.

De ,,grondstof”kennis omvat voor retailbanking een grote verscheidenheid van variabelen, zoals gegevens over de ont-

wikkeling van bruto- en netto-inkomens en be’stedingspatro-
nen, sociaal-psychologische onderzoekuitkomsten over huis-
houdelijke betalingsgewoonten, over specifieke behoeften en

verwachtingen, over wettelijke regelingen, technische ontwi k-

kelingen en mogelijkheden, over kostenstructuren, conj unc-
turele trends, investeringsfondsen enz. Beschik bare kennis

over al deze factoren kan thans worden verwerkt om diensten-

pakketten te ontwikkelen die in de omstandigheden van

gezinnen passen en een hulp bieden bij een goed huishoudelijk

beleid. Voor handel en banken biedt deze ontwikkeling
verrassend nieuwe perspectieven.

Scheiding tussen produktie en distributie van retailbank-
diensten

Enige tijd geleden kwam in Nederland een bijzonder soort
samenwerking tot stand tussen een bank, een verzekerings-

maatschappij en assurantie-tussenpersonen met betrekking

tot het verlenen van retailbankdiensten, het nieuwe en bijzon-

dere van een dergelijke samenwerking ligt in de
markt benade-
ring.
In het dienstenpakket van de tussenpersonen passen

spaarregelingen en leningen net zoals verzekeringen. Deassu-

rantie-agent is nu niet langer de aanbrenger van een éénmalige
krediet- of spaartransactie. Hij vervult, net als bankfilialen,
een blijvende rol in het contact met de cliënt. Het is inmiddels

praktisch mogelijk geworden om produktie en distributie van
bankdiensten volledig van elkaar te scheiden. Ofschoon

1) Zie onze bijdrage tot
Retailbankingin Nederland,
NIBE-publika-tie no.
12, 1972,
blz.
57.

ESB 17-5-1978

505

bankfilialen nog altijd een aanzienlijk deel van het ,,produk-

tiewerk” op zich plegen te nemen, is de noodzaak hiertoe niet

meer aanwezig. Andere distributievormen met andere kosten-
structuren zullen realiseerbaar zijn. –

Tweeërlei ontwikkelingen hebben dit alles mogelijk ge-

maakt. Enerzijds zijn steeds meer mensen gewend geraakt aan

girale systemen. Dit kan worden gellustreerd door het feit dat

bv. het aantal particuliere rekeningen bij de Rabobank is

gestegen van 164.000 in 1967 tot 2.200.000 in 1976. In dit

laatste jaar werd het totale aantal rekeningen bij alle banken

en giro-instellingen geschat op 8.200.000 2). Anderzijds heeft

de huidige technologie het mogelijk gemaakt op elke plaats en

elk gewenst tijdstip. onafhankelijk van de meestal centrale

informatieverwerking, informatie te verstrekken die de verko-

pers van diensten en hun cliënten nodig hebben.
Traditioneel bankieren en retailbanking

Zoals bekend, hadden de grote banken en ook de kleine

spaarbanken oorspronkelijk een typisch beherende functie.
Zij werden geacht de hun toevertrouwde gelden degelijk te

beleggen via transacties met solide instellingen in handel,

industrie, scheepvaart en overheid. Het was niet de gewoonte
dat zij ..zomaar” geld leenden aan de gewone burger. Met het

toenemen van de welvaart kregen miljoenen gezinnen ,,discre-

tionary income”, de aspiraties stegen en dure, duurzame

gebruiksgoederen kwamen binnen bereik. Inkomens en beste-

dingen hoefden niet parallel te lopen; men kon vooruitlopen

op het toekomstige inkomen. Kredietbehoefte is al zeer lang

geen teken meer van armoede, maar juist van welvaart en

toont eveneens een toegenomen geroutineerdheid in de om-

gang met financiële middelen, aan.
Het heeft lang geduurd, voordat de banken deze ontwikke-

ling onderkeriden. Niet bankiers, maar ondernemende koop-

lieden waren het die de ontwikkeling begrepen en hierop

reageerden. Zo oitstonden de fïnancieringsmaatschappijen.

In samenwerking met de handel in duurzame gebruiksgoede-

ren gingen zij de nieuwe markt bewerken. Niettegenstaande

hun commercieel succes, ofjuist door dit succes en de daaruit

voortvloeiende behoefte aan groot vreemd vermogen, vielen

deze financieringsmaatschappijen in de loop der jaren in
handen van de banken en (ook wel) van de verzekeringsmaat-
schappijen. De filiaalbanken gingen vervolgens uit verschil-

lende overwegingen in een eigen groeiend net van bijkantoren

naast spaar- en betaaldiensten 66k gezinskredieten aanbie-

den. Daarmee begon een nieuwe fase, die echter maar gedeel.
Lelijk als een vooruitgang kan worden bestempeld. Retailban-

king is namelijk een typische ondernemersactiviteit. Het

effectief onderbrengen van deze activiteit in een beherend

bankmanagement is een moeilijk, zij het niet onoplosbaar

probleem. Mensen die zich tot retailbanking voelen aange-
trokken lijken meer op de marketingmanagers van consump-

tiegoederenbedrijven dan op bankiers. Bovendien kwam en
komt nog vaak de stimulans voor banken om zich met spaar-

en betaaldiensten tot de consument te wenden, meer voort uit

de eigen behoefte aan passieve middelen dan uit de overwe-
ging zaken te willen doen met de consument op grond van

diens behoeften.

Organisatie

Er bestaat nog een ander opmerkelijk verschil tussen

retailbanking en het traditionele bankbedrijf, dat voorname-

lijk het bedrijfsleven bedient. Het traditionele bankbedrijf

vereist een bijzonder gedifferentieerde Organisatie, een hiërar-

chische structuur van taken, bevoegdheden en verantwoorde-

lijkheden, met controlesystemen en stafafdelingen voor de
beheersing van veel kennisgebieden. Daarbij spelen de be-
kwaamheden van het middenmanagement een vitale rol. De

interne, verticale organisatie wordt gekenmerkt door een

grote afstand tussen de top en het laagste niveau. Bij retail-
banking dient dit niet het geval te zijn.

Retailbanking heeft uiteraard een topleiding nodig, maar er

zijn weinig functies voor het middenmanagement. Retailban-

king betekent voor de organisatiestructuur een herwaardering

van de lage niveaus. Het komt daarmee overigens tegemoet

aan tegenwoordig zo vaak geuite verlangens naar decentrali-

satie. Retailbanking is sterk afhankelijk van degenen die èn

het contact met de consumenten èn met de coördinerende

leiding onderhouden. De informatieverstrekking, die bij de

huidige stand van de techniek qua tijd en detail, generlei

hiërarchieke beperkingen kent, heeft voor de organisatie-

structuur een tweeledig gevolg: de ,,span of control” wordt

zeer groot en de ,,line of command” wordt zeer kort. Tussen

de top en de laagste niveaus is geen behoefte meer aan

tussenstations van informatie. Management-informatie

wordt informatie débr en v66r alle geledingen. Het behoeft

geen betoog dat dit verschijnsel in overeenstemming is met de

bepleite democratisering van de interne verhoudingen. Het

wegvallen van het ,,kennismonopolie” van de topleiding komt

alleen maar de communicatie en de samenwerking in de

Organisatie ten goede. Daar, waar de organisatiestructuren

van het traditionele bankbedrijf en retailbanking door elkaar

lopen, kan gemakkelijk de effectiviteit en efficiency in het
gedrang komen.

Ge,.inskrediet

De handel in consumentenspaargelden omvat in Nederland

ca. f. 60 mrd. De handel in afbetalingskredieten, persoonlijke

leningen en zogenaamde doorlopende kredietrekeningen

(waarvan de laatstgenoemde in afzienbare tijd het leeuwedeel

voor hun rekening zullen nemen) bedraagt f. 6 mrd. 3). Dit

geweldige volume in de consumentenmarkt zou geen detaillist

onberoerd hebben gelaten, ware het niet dat de mogelijkheden

om de markt mede te ontwikkelen door de reeds genoemde

technische en economische omstandigheden – de ontbreken-

de scheiding van produktie en distributie van diensten en

daardoor de grotere kapitaalbehoefte – buiten de aspiratie-

horizon moesten blijven. Hierin komt thans verandering. Van

grote betekenis is voorts dat door de toegenomen mogelij khe-

den niet alleen spaar- en kredietdiensten, maar ook hypothe-
ken vrijwel probleemloze ,,waren” zijn geworden, zowel voor
de consumenten als voor de aanbieders ervan. Het ,,ijken” van

rentetarieven – ik kom hierop terug – zal de doorzichtig-

heid van de markt vergroten en daardoor nog verder bijdra-

gen tot de vereenvoudiging van de problematiek. Op grond
hiervan valt te verwachten dat de revolutie in de distributie

van gebruiksgoederen zal worden gevolgd door een revolutie

in de distributie van financiële en economische dienstverle-
ning aan gezinnen. De diensten zullen daarbij goedkoper en

gemakkelijker verkrijgbaar worden zoals dit ook het geval is

geweest met industriële gebruiksgoederen. Weliswaar moet

daarbij één voorbehoud worden gemaakt: verondersteld moet

worden dat wetgeving of het ontstaan van kartels geen

belemmeringen zullen vormen.

In de Verenigde Staten staat het betalingswezen aan de

vooravond van een grote omschakeling naar elektronische

systemen. Enkele grote detaillisten hebben hun posities al
ingenomen om het consumentenbankspel mee te kunnen

L.J.H.M.
Sonneschen R.A., De ontwikkeling van het betalings-
verkeer,
Maandblad voor het Bank- en Effectenbedrijf,
no. 200,
bIz
175.
Verstrekt krediet in miljoenen guldens.”’

1970

1972

1974

1976

1 .755,S

2.457.6

3.730,2

5.955,9

Bron: CBS,
Statistiek van het consumptief krediet 1974-1975.

506

spelen. In Scandinavië ziet men ook detaillisten omzichtig te

werk gaan om de kredietverstrekking van middel tot doel te

maken.

In Nederland is het warenhuis Vroom en Dreesmann enkele

jaren geleden begonnen met het verkopen van verzekerings-

diensten. Inmiddels heeft V en D een kleine voorschotbank

overgenomen en verkoopt op kleine schaal via eigen verkoop-

plaatsen deze diensten. Ten slotte kunnen de Postcheque- en
girodienst en de Rijkspostspaarbank worden genoemd die in

feite, voorlopig via postordertechnieken, hun miljoenen pri-

véklanten ,,bewerken” om kredietomzet te verkrijgen.

Postbank

Over de bekende bezwaren die uit de Nederlandse bankwe-

reld tegen de nieuwe plannen voor de oprichting van een

postbank zijn gekomen, is al veel geschreven. Met betrekking

tot retailbanking is tegen een dergelijke postbank weinigin te

brengen, zolang zij op generlei wijze wordt bevoorrecht of

gesubsidieerd – bijvoorbeeld uit overrendabele monopolisti-
sche diensten van de PTT. Een postbank in een NV- of BV-

vorm, duidelijk losgekoppeld van andere activiteiten van het

PTT-concern, een instelling dus, die net als iedere andere

bank rendement op zijn toegekend vermogen dient te maken,

is gewoon een concurrent méér en mag in principe geen

bezwaar vanuit het bedrijfsleven ontmoeten. Wel zou men be-

zwaren kunnen hebben, wanneer bewindslieden versluierende

concurrentieverhoudingen laten bestaan. Hierbij komt, dat

de PTT op het gebied van de informatievervoerende technolo-

gie (communicatiesatellieten e.d.) een monopoliepositie heeft

en dus in staat is haar kennis aan de eigen postbank te leveren

nog voordat andere instellingen op deze kennis en de daaraan
verbonden mogelijkheden een beroep kunnen doen. Dit is bij

mijn weten bij banken nog niet aan de orde geweest.

Ervan uitgaande dat monopolies het publiek niet tengoede

komen, behalve in die gevallen waarin
grootschatigheid
van

operaties economische verspilling voorkomt, zou in het

bovenstaande een taak van speciale waakzaamheid besloten
kunnen liggen voor die organisaties, die de belangen van de

consument behartigen. Dit geldt eveneens mb.t. het streven
van banken en PCGD te komen tot één ,,nationaal girocir-

cuit”. De gevolgen hiervan voor de consument, ook op lange
termijn, zouden nauwkeurig dienen te worden geanalyseerd

en afgewogen.

Gezien de gigantische klantenkring van de Postcheque- en

girodienst en van de Rijkspostspaarbank is de kredietver

koop, voorlopig via postordertechnieken – die overigens

ook weer hun beperkingen hebben! – een efficiënte vorm van

distributie. Erkend moet worden dat de kredietdienstenpak-

ketten van de PTT door bekwame deskundigen uit de consu-

mentenkredietwereld zijn ontwikkeld. Er valt niet aan te
twijfelen dat de instellingen van de PTT een redelijk deel van

de markt naar zich toe zullen trekken. In welke mate een en

ander rendabel is, zal uiteindelijk het parlement moeten
beoordelen. De heer Duisenberg heeft zijn bezorgdheid erover geuit, dat
het te kleine aantal aanbieders op de markt tot prijsverstar-

ringzou kunnen leiden. Metde noodzaak dit laatstete helpen

verhinderen werd de uitbreiding van de Rij kspostspaarbank
met kredietdiensten mede gerechtvaardigd. Het andere argu-

ment dat de heer Duisenberg, toen nog minister, hanteerde,

nI. het feit dat de combinatie RPS-PCGD deze uitbreiding
nodig had om zich in de markt te kunnen handhaven, is

natuurlijk sterker. Voor zover ik weet, heeft de RPS zich via

haar spaardiensten nooit als een prijsbreker gekenmerkt of

zich anderszins positief onderscheiden van particuliere instel-

lingen. Naar mijn oordeel zit de starheid van de spaarprijzen

dan ook niet alleen in de oligopolistische structuur van de
markt, maar ook in de verticale prijsbinding, die ontstaat
wanneer enkele marktpartijen hun prijzen aan duizenden

verkooppunten kunnen opleggen. Ik meen dat deze toestand

in de toekomst minder door politiek ingrijpen dan door de

technische en economische ontwikkeling zal veranderen.

Klantenbinding

De gevolgen van toekomstige ontwikkelingen voor de
filiaal-banken zullen van deze banken zelf afhangen. Bij

meningen bestaat de veronderstelling dat de klantenbinding

bij bankfilialen op de rekening-courant berust, waarop de

salarissen worden gestort en waaruit betalingen plaatsvin-
den. Men heeft deze rekeningcourant zelfs de ,,navelstreng”

genoemd waarmee de consument aan zijn bank zou zijn

verbonden. Deze zo beeldende vergelijking kan voor een deel

naar het rijk der mythen worden verwezen. Alleen wanneer
de filiaalbanken de betaalrekening tot een werkelijke hoek-

steen zouden maken van een geintegreerd dienstenpakket,

zou daardoor een hechtere verbinding tot stand komen.

Immers, de technische perfectionering van de girale systemen
maakt het de consument mogelijk zijn gehele dienstengebruik

gemakkelijk over verschillende instellingen te spreiden, ver

ondersteld dat niet min of meer verkapte kartelvormen dit

belemmeren.

Een voorbeeld van dit laatste is de beperking, die de

Bankgirocentrale de banken oplegt m.b.t. automatische in-

casso van creditgelden bij andere banken. Dit betekent dat het

voor een bankrekeninghouder niet mogelijk is van dit vernuf-

tige systeem gebruik te maken, wanneer hij bij een concurre-

rende bank periodiek tegen betere condities wenst te sparen.

De PCGD kent deze restrictie niet en laat in dit geval het

beginsel van de vrije concurrentie zwaarder wegen.

De rol van de overheid

De Consumentenbond dringt er reeds jaren op aan de

prijzen van financiële diensten in gestandaardiseerde renteta-

rieven uit te drukken. Tot nu toe vruchteloos, ondanks de

grote genegenheid, die regeringsinstanties voor deze organi’sa-

tie (ca. 500.000 leden) met de mond belijden. Wij hebben hier

te maken met een probleem waarbij men over enige deskun-

digheid moet beschikken om tot een adequaat oordeel te
kunnen komen. Wanneer twee banken een hypothecaire
lening van 8% per jaar aanbieden, dan kan dit betekenen dat

er toch een verschil in zit. Wie namelijk bij’één van de twee
banken de rente per kwartaal moet afrekenen betaalt effectief
8,25%. Bij het korte en middellange consumentenkrediet isde

doorzichtigheid op dit punt vaak van dien aard dat zelfs een

vakman er moeite mee heeft. Doorde z.g. spaarbankmethode

van renteberekening rekenen de gezamenlijke Nederlandse

spaarders zich enige tientallen miljoenen guldens per jaar
rijker dan zij t.z.t. op hun bankafschrift zullen tellen. Een
soort ,,ijkwet” zal daarom zeker op zijn plaats zijn. –

Helaas krijgt men de indruk dat bij de betrokken overheids-
instellingen de nodige kennis var zaken ontbreekt om deze

problematiek goed te onderkennen en met een behoorlijk
uitgewerkt voorstel te komen.’De wetgeving m.b.t. het consu-

mentenkrediet is voorts een bont allegaartje van bepalingen

en reglementen, waarbij afbetalingskrediet (huurkoop e.d.)

met een eigen wetgeving onder het Ministerie van Economi-

sche Zaken ressorteert en persoonlijke leningen en doorlo-
pend krediet door middel van de Wet op het consumptief

krediet door CR M worden beheerd. Deze wet is een opgelapte

oude wet, die met kunst en vliegwerk een institutioneel kader

in stand houdt, dat opgeen enkele wijze in overeenstemming

is met de economische ën sociale ontwikkeling. De wetten op
zich, en ook gezamenlijk, lokken overtredingen uit, zijnjuist

vaak de oorzaken van misstanden, zijn niet effectief in de
bestrijding van het euvel van overkreditering en wat ervan

bruikbaar is, wordt iet adequaat toegepast.

Ter illustratie’stip ik slechts één eigenaardigheid aan, ook
omdat deze zo paradoxaal is. Het vaststellen van maximum

ESB 17-5-1978

507

toelaatbare tarieven is een zaak van CRM. Voor doorlopende

kredieten heeft men de limiet als criterium voor het tarief

genomen. Voor een krediet met een hoge limiet mag minder

rente worden gevraagd dan voor een krediet met een lager

maximumbedrag. Dat betekent dus dat een persoon met een

laag inkomen (die daarom een lage limiet heeft) op een

uitstaand kredietsaldo van bijvoorbeeld f. 4.000 een hogere

rente betaalt dan een welvarend persoon met een hoge limiet

die dezelfde f. 4.000 heeft uitstaan. Het zou juist zijn geweest

een trapsgewijs tarief in te voeren op basis van een uitstaand
saldo, niet op basis van de limiet. Bovendien is dit volkomen

probleemloos bij de huidige stand van de informatieverwer-

king. Huurkoop (afbetaling) is in het geheel niet aan tarieven

gebonden, hoewel deze vorm van kredietverlening juist vaak

wordt gebruikt door minder ontwikkelde en/of minder wel-

varende bevolkingsgroepen. Van belang wordt de nieuwe Wet Toezicht op het Krediet-

wezen. Deze geeft aan De Nederlandsche Bank o.m. de

bevoegdheid om alle instellingen die spaar- en kredietdiensten

aanbieden, aan regelingen te onderwerpen. Gedacht is daarbij

niet alleen aan regels m.b.t. het ,,monetair in de pas lopen”

maar ook aan bepalingen m.b.t. liquiditeit en solvabiliteit. Dit

betekent in ieder geval ook een garantie voor de consument.

De waakzaamheid die De Nederlandsche Bank wordt opge-

legd, heeft terecht alleen op die taken betrekking, die tot haar

specifieke kennisgebied behoren. Toezicht op andere, com-

merciële en distributie-aspecten van retailbanking, dient
vanuithet Ministerie van Economische Zaken te komen. Het

geld- en kredietwezen is een economische zaak Wel is het

hierbij een vraag van algemene strekking of voor specifieke

mededingingszken niet een onafhankelijk lichaam deaange-

wezen instantie zou zijn.

Voorkomen van ontsporingen

Ook voor maatregelen ter beperking van misstanden in dit

specifieke deel van het economische verkeer is het Ministerie

van Economische Zaken de aangewezen instantie, niet

het Ministerie voor CRM. Onderzoekingen hebben overigens

aangetoond, ook in Nederland, dat in zijn algemeenheid

bij een relatief gering aantal personen sprake is van on-

verantwoord gedrag en van ontsporingen. Het consumenten-

krediet heeft betekenis bij de toekomstplanning en behoort

tot het instrumentarium van de gezinshuishoudingen om tot

een rationeel investeringsbeleid te komen. Daarom is ook de

naam ,,Wet op het consumptief krediet” misleidend. Het

begrip consumptief krediet impliceert een uitspraak over de.

bestemming van het krediet. Salarisrekeningen e.d. zijn voor

,,consumptieve doeleinden” bestemd, consumentenkrediet
daarentegen – nogmaals – voor ,,gezinsinvesteringen”. Het

zou het wezen van de wet beter tot zijn recht doen komen door

van ,,Wet op het consumentenkrediet” te spreken hetgeen

bovendien in overeenstemming zou zijn met de gebruikelijke

terminologie in het buitenland.

Slot

De ontwikkeling van de elektronische informatieverwer-

king is nog lang niet aan een eind gekomen. Integendeel, zij

gaat juist in versneld tempo verder. Wie zich afvraagt wat er in

de toekomst allemaal mogelijk zal zijn behoeft geen science-

fictionboekjes te lezen. Men hoeft alleen maar de reële,

dagelijkse, ontwikkeling te volgen, niet uitsluitend in de

techniek, maar ook in de maatschappij. Dat geldt zeker ook

voor de ondernemer. De ontwikkeling van de techniek en de

maatschappij is geen autonoom proces, waarop hij alleen

maar zou behoeven in te spelen. Het is een gebeuren dat mede

door zijn doen en laten, door zijn doelstellingen en door zijn
voorstellingsvermogen kan worden bepaald. Wetenschaps-
mensen kondigen aan.dat de ,,postindustriële” maatschappij

vooral een maatschappij van dienstverlening zal zijn. De

econoom(wijvrf.)

Bij de Verzekeringskamer te Apeldoorn, de

overheidsinstelling die belast is met het toezicht op
het verzekeringsbedrijf en de pensioenfondsen, is
plaatsingsmogelijkheid voor medewerkers voor de

afdeling Economische en Beleggingszaken.

Deze afdeling is onder meer belast met het
bestuderen en volgen van de verschijnselen en

ontwikkelingen op economisch gebied, in het

bijzonder gericht op geld- en kapitaalmarkt. In

nauwe samenwerking met de accountants beoordeelt
zij het beleggingsbeleid van de onder toezicht

staande instellingen aan de hand van de door het

eigenschappen. De kandidaat moet voorts in staat
zijn initiatieven te nemen en een creatieve bijdrage
te leveren aan het functioneren van deze afdeling.

Salaris: voor een pas afgestudeerd econoom

bedraagt het aanvangssalaris f 2832,- per maand,

exclusief
8°Io
vakantie-uitkering.

Promotiemogelijkheid aanwezig.

Een psychotechnisch onderzoek kan deel uitmaken

van de selectieprocedure.

Eigenhandig geschreven sollIcitatiebrieven te
zenden aan de Verzekeringskamer, Postbus 9029,

7300 EM Apeldoorn.

bedrijf periodiek of incidenteel verkregen gegevens.

Op de enveloppe te vermelden ,,Sollicitatie”.

Vereist: naast het doctoraal examen economie

Jd

(b.v.k. de algemene studierichting) beschikken over

redactionele vaardigheid en goede contactuele

10

508

Au courant

Beleidsplan in aanbouw

Het kabinet wil niet volstaan met een

ombuigingsoperatie, het zal voor de
komende jaren een compleet sociaal-

economisch plan presenteren. Dit ambi-

tieuze voornemen heeft de minister van

Sociale Zaken, Dr. Albeda, aangekon-

digd in een radiodebat met de voorzitter

van de FNV, Wim Kok. Albeda, die als

de spil van het kabinet-Van Agt mag

worden beschouwd, omdat hij het minis-

terie beheert dat het gesprek met de
maatschappelijke organisaties gaande

moet houden, heeft het centrum-rechtse

kabinet-Van Agt/Wiegel een niet ge-

ringe taak voorgehouden. Tot nu toe im-

mèrs kènmerkt het sociaal-economisch

beleid van dit kabinet zich vooral door

het sluiten van compromissen tussen

twee kwantitatief ongelijkwaardige

coalitiepartners. De CDA-fractie in de

Kamer beijvert zich vooral het overwicht

van CDA-ministers in het kabinet uit

te buiten.
Het kabinet is na een voorzichtige

aanloop, waarin het vermeed al te scherp
af te wijken van de koers die door het
kabinet-Den Uyl was uitgezet, in het

stadium gekomen waarin het zijn eigen

profiel moet tonen. De inmiddels inge-

diende wijzigingsvoorstellen voor wets-

ontwerpen die door het vorige kabinet

als aanzetten tot maatschappij-hervor

ming waren aangeduid, de WIR, de inte-

gratie van kinderaftrek en kinderbijslag

en de VAD, zijn typerende voorbeelden

van de compromissen die christen-

democraten en liberalen moeten vinden.
Aan de Wet Investeringsrekening

werd, mede onder druk van de Euro-

pese Commissie waaraan maar al te
gemakkelijk werd toegegeven, het
sturende karakter grotendeels ontnomen.

Het zwaartepunt van de investerings-

stimulering komt te liggen op de alge-
mene basispremie. Via een SIR-heffing

moet worden geprobeerd investeringen

in gebouwen in de richting van de regio’s

te leiden. Directe bevordering van inves-

teringen in gebieden buiten de Randstad

door middel van regionale toeslagen

was voor ,,Brussel” onaanvaardbaar.

Voor de VAD heeft het kabinet de

zonderlinge uitweg gezocht van een

in tweeën gesplitst ontwerp: een voor

het individuele deel en een voor het col-
lectieve. Het vermoeden rees hier bij sommigen dat deze splitsing bedoeld

was om de VVD gelegenheid te geven te-

gen de collectieve VAD te stemmen. Al-

beda heeft nu laten weten dt verwerping
van deel II van de VAD voor hem on-

aanvaardbaar zou zijn, zoals bekend

een zwaar beladen politieke frase.

Voor de kinderbijslagoperatie is een

heel wat gelukkiger compromis gevon-

den dat, althans wat het buigpunt betreft,
vriend en vijand tevreden stemt. Maarde

VVD blijft principieel gekant tegen

afschaffing van de kinderaftrek voor

loon- en inkomstenbelasting, omdat
daardoor het z.g. draagkrachtbeginsel

wordt aangetast. De beoogde besparing

van f. 1,2 mrd., onmisbaar onderdeel van

de ombuigingsoperatie, moet voorname-

lijk worden bereikt door afschaffing

van de meervoudige kinderbijslag voor
16- en 17-jarigen in de tweede fase van

de operatie. Al in de Memorie van Toe-
lichting heeft het kabinet compensaties

in het vooruitzicht moeten stellen voor

gezinnen die daardoor wel eens kunnen

worden genoodzaakt om hun kinderen

maar niet verder te laten leren. De libe-
rale minister van Onderwijs, Dr. Pais,

eens voorvechter van rigoureuze bezui-
nigingen, heeft een claim van f. 400

mln, op tafel gelegd voor aanvullende

vergoedingen ten behoeve van 16-en 17-

jarige scholieren. Als die claim gehono-

reerd wordt, blijft er van de beoogde

A. F. VAN ZWEEDEN

besparing ongeveer de helft over.

De beleidsombuiging zelf wordt de
grote krachtproef voor dit kabinet. Al

heeft vice-premier Wiegel pijnlijke in-

grepen in het vooruitzicht gesteld, het

zal een buitengewoon moeilijke taak

blijken te zijn om zonder de sociale

minima aan te tasten, substantië!e be-

dragen te vinden. Al is in de publiciteit

een totaal bedrag van f. 10 mrd. pas-
munt geworden, de ministers blijven
weigeren zich op bedragen vast te leggen.

Albeda heeft die f. 10 mrd. wel erg veel

genoemd en het leeuwedeel van de om-
buigingen zal toch in zijn sector moeten

worden gevonden. Pais verdedigt zijn

departement, dat nu juist voor de nood-

zaak komt te staan arbeidsplaatsen te

scheppen voor tienduizenden onderwijs-

krachten in het kleuter- en basisonder-

wijs.

In een sociaal-economisch plan voor middellange termijn zouden ombuigin-

gen in de collectieve uitgaven aanne-
melijk moeten worden gemaakt door
daarnaast projecten te stellen die uit-

zicht bieden op bevordering van de
werkgelegenheid. Globale stimulering

van bedrijfsinvesteringen via de WIR of
de Hofstra-operatie is weiniggeloofwaar-

dig in een situatie die wordt beheerst

door overcapaciteiten en een stagneren-

de afzet. Massale steunoperaties kunnen

delen van verzwakte bedrijven en be-

drijfstakken in stand houden, zonder
een gericht plan voor her-industrialisatie

blijft het kwakkelen.
Loonmatiging blijft voor de komende

jaren het uitgangspunt. Lubbers, die

als economisch specialist van de CDA-
fractie bouwstenen wil aandragen voor

het plan, is van mening dat voor de

komende jaren moet worden volstaan

met prestatiebeloningen. Inkomens-

produktie van fysieke goederen kan niet meer als tot dusver

voortgang vinden. Energie, grondstoffen, milieuen een recht-
vaardiger verdeling staan dit niet toe. Kennis daarentegen is

een grondstof die onbegrensd is en het milieu niet aantast!

De ontwikkeling van de informatieverwerkende industrie
past voortreffelijk in de gedachten van al die economen die

ons vertellen, dat we de dienstensector moeten ontwikkelen en
dat de groei in de toekomst van daar zal moeten komen. De

behoefte aan diensten is onbeperkt. Daarom ook behoeft een

vergaande automatisering van diensten, die zich daarvoor
lenen, indien omgeven door een aantal waarborgen, geen

verontrusting te wekken. Integendeel, kosten- en prijsverla-

gingen zullen binnen een per definitie beperkt nationaal

budget ruimte en kansen scheppen voor die sectoren, welke zich niet voor automatisering zullen lenen. Voor al dan niet
commerciële organisaties kansen genoeg voor creatief onder-

nemerschap!

J. van der Have

ESB
17-5-1978

509

Beroemde economisten(12)

Jean Baptiste Say

(1767-1832)

Jean Bapliste Say werd te Lyon geboren als telg uit een

protestantse koopmansfamilie. Zijn vader liet hem goed en

modern onderwijs geven. Dit onderwijs werd echter wel

enige tijd onderbroken, omdat de zaken niet zo best liepen
en Jean Baptiste moest gaan verdienen. Toen de financiële

omstandigheden verbeterden, kon Jean Baptiste met zijn

broer naar Engeland om daar zijn studie voor koopman

af te maken. Hier zag hij de zich ontwikkelende industrie,

de verbeteringen in de landbouw en de verovering van de

wereldmarkt, hetgeen een diepe indruk op hem maakte.

Hier leerde hij ook vloeiend Engels spreken, hetgeen hem

later goed te pas kwam. Hoewel hij zich meer tot de literatuur

aangetrokken voelde dan tot het zakenleven, voegde hij zich

naar de wens van zijn familie en kwam bij een levensver-
zekeringsmaatschappij terecht. Zijn interesse bleef echter

bij de literatuur en bij het theater, waar hij ook graag zelf

in optrad. Zijn belangstelling voor de politieke omwentelin-

gen resulteerde in zijn eerste publikatie La liberté de La presse

(1789). Toen hij in 1792 als vrijwilliger in dienst trad, vormde

hij, trouw aan zijn interesse, met enige andere kunstenaars
en literators een ,,compagnie des arts’

Gedurende de Franse revolutie trad Say niet zozeer op de
voorgrond, wel kreeg hij grotere bekendheid toen Napoleon

hem in 1799 als medelid, financieel deskundige, van het
Tribunat benoemde. Say had toen echter reeds een sterk

liberale visie ontwikkeld, niet in de laatste plaats beïnvloed

door de
Wealth of Nations
van Adam Smith, die hij in zijn

verzekeringstijd toevalligerwijs (het werk was in Frankrijk

onvertaald en onbekend) te pakken had gekregen. Zijn
ideeën over de maatschappij had hij verder ontwikkeld
gedurende de jaren dat hij hoofdredacteur was van een tijd

schrift om gezonde levensfilosofie te bevorderen.

Zijn onafhankelijke opstelling en liberale opinies die ook
heel sterk tot uiting kwamen in zijn in 1803 gepubliceerde

Traité d’economie politique
deden hem politiek in ongenade

vallen en hij werd – onder aanbieding van een ander

lucratief baan ije, dat hij echter weigerde – van het Tribunat
uitgesloten. Napoleon die persoonlijk en tevergeefs had

geprobeerd hem tot minder liberale gedachten en uitspraken

te brengen, verhinderde de tweede druk van de
Traité.

Om aan geld te komen, begon Jean Baptiste een katoen-

spinnerij, waartoe hij eerst met zijn zoon – hij was in 1793
getrouwd – als arbeider in een fabriek ging werken om het

vak zelf helemaal te beheersen. De spinnerij kwam tot bloei,

maar in 1813 trok Say, die de economische toekomst niet

zo rooskleurig in zag, zich na een meningsverschil met zijn

compagnon terug en vestigde zich met zijn gezin in Parijs.

Door de val van het keizerrijk kreeg hij de gelegenheid de

Traité
te laten herdrukken en na de vrede werd Say als

vooraanstaand Frans economist door de regering naar

Engeland gezonden om daar de economie te bestuderen en

alles wat voor Frankrijk nuttig en toepasbaar scheen, te

rapporteren.
Het werd een groot succes. Door zijn goede kennis van de
Engelse taal, zijn roem als Europees economist en zijn prak-

tische kennis opgedaan als ondernemer kon Say zijn op-

dracht uitstekend vervullen. De Engelse economisten, waar-

onder Malthus, Mill en Ricardo, namen hem in hun midden

op en in Glasgow vroeg men hem zelfs plaats te nemen in de

stoel die eens werd gebruikt door Adam Smith. Zijn be-

vindingen legde Say neer in de brochure
L’Angleterre et les

Anglais. Teruggekeerd in Frankrijk begon Say in Parijs

colleges te geven aan een Atheneum waar vrije cursussen

in letteren en wetenschappen werden gegeven.

In 1817 publiceert hij
Cathéchisme d’economie politique
dat net als de
Traité
in bijna alle Europese talen werd ver-

taald. Op het vlak van de maatschappelijke moraal en de

maatschappelijke zeden publiceerde Say het boekje
Petit

volume, contenant quelques aperçus des hommes et La

société. Direct daarna liet hij zijn economisch licht schijnen

op De l’importance du port de La Vilette.
Ondertussen cor-

respondeerde Say met verschillende prominente economisten

verbetering, zo is zijn stelling, zal nog

uitsluitend moeten worden gevonden

in de incidentele looncomponenten

en niet meer in contractloonsverhogin-

gen. Een dergelijke loonpolitiek, die
buiten het gangbare cao-overleg valt,

bevordert de mobiliteit van de werk-

nemers die waarschijnlijk eerder ge-
neigd zullen zijn werk te zoeken in be-

drijven en sectoren waar nog flinke

promoties mogelijk zijn of waar pres-
tatietoeslagen zijn te verdienen. Een
dergelijk uitgangspunt voor het arbeids-

voorwaardenbeleid komt echter in strijd

met het gecoördineerde loonbeleid van

de vakbeweging.
Een sociaal-economisch plan zal al-
leen maar kunnen slagen als het uit-

gangspunten biedt waarop de sociale

partners elkaar kunnen vinden. Opmer-

kelijk is dat de voorzitter van de FNV,
Kok, niet meer van het woord loon-

matiging wil horen. Hij stelt dat de FNV

voor de komende jaren een keus heeft
gemaakt, waarbij als eerste prioriteit

het scheppen van werkgelegenheid geldt
en inkomensverbetering pas in de laatste
plaats komt. De ruimte die nog beschik-

baar is zal zo moeten worden verdeeld,

dat de koopkracht van de gemiddelde
werknemer in stand blijft en dat de marge

die vrijkomt door het afstand doen van

rede loonsverbetering gebruikt wordt
voor het scheppen van arbeidsplaatsen

en voor het in stand houden van col-

lectieve voorzieningen.
Een sociaal-economisch plan van het
kabinet zal op een of andere manier

moeten inspelen op de redelijkheid die

510

in de wereld, waaronder Ricardo en Ma/t hus; een po/emiek

met Ma/thus verscheen in druk.

Inmiddels begonnen in Frankrijk stemmen op te gaan dat

een zo belangrijke nieuwe wetenschap als de economie toch

aan een officiële universiteit moest worden gedoceerd.

Er waren echter ook vele tegenkrachten, o.a. een regering die
bang was voor alte liberale opvattingen, volgens welke zij een

deel van haar macht moest prijsgeven. Uiteindelijk werd be-

sloten dat het vak zou worden gedoceerd aan de faculteit

der rechtswetenschappen, maar niet onder de naam

,,économie po/itique ‘ maar onder de naam , ,économie
industrielle”. Bovendien zou de plaats waar zou worden

gedoceerd aan de buitenrand van Parijs komen te liggen,
in het Conservatoir des Arts ei des Métiers. Hier doceerde

Say voor een beperkt publiek dat voor een groot deel uit bui-

tenlanders bestond, op een zeer zorgvuldige en heldere wijze.

Aangezien hij vond dat zijn tweede gedachte over een

onderwerp meestal beter was dan zijn eerste, werkte hij

nooit d l’improviste maar schreef zijn colleges uit. Deze

colleges resulteerden in 1828 en 1829 in het zes delen om-

vattende werk
Cours complet d’économie politique practique.
In 1832, enkele jaren na de dood van zijn geliefde vrouw,

stierf de met wetenschappelijke eerbe wijzen gedecoreerde

Jean Baptiste. Hij had altijd een teruggetrokken, vrede-
lie vend en wetenschappelijk leven geleid te midden van zijn
gezin en een kleine kring van vrienden, trouw aan zijn Uit-

spraak ,,i’out ftmnatisme est un ,néchant instrument et une

grandeur personelle et vaine, un méchani bui “. Zijn schoon-

zoon Charles Comte schrijft over de oorzaken van zijn

succes als economist:

La première est / ‘hahitude quil a vait prise de ne jamais abondonner
!’observation des phénoniènes de la nature; ii portait, dans l’étude
de lecononiie politique, lesprit que porte un bon naturaliste dans
l’étude des choses quil aspire faire connaitre; ii se croyait appelé,
non d faire triompher un svstème ou d donner des avis, mais d
exposer la véritable nature des choses’

Vanuit deze houding zette hij zich af tegen de fysiocra-

ten, van wie hij met de naar de Verenigde Staten uit ge-
weken Dupont de Nemours (,nion (‘her ei respectable

maître’) een uitgebreide correspondentie voerde. Sav onder-

scheidde zich in zijn produktiviteitsbegrip duidelijk van cle

fi’siocraten en Smith. Produceren is volgens hem het creëren

van nut tigheden. Daarmee vallen betaalde diensten onder het

procluktiebegrip. Interessant is in dit verband de discussie

over het al dan niet produceren van waarde door dames van

lichte zeden waarbij ook de basis van zijn beroemde ,,lot des

déhouchés” duidelijk wordt;

savez vous qu ‘el/es donnent lieu d une grande guerre entre nous?
Ce nest pas pour leurs beauxyeux, sans doute; eest pour lafaculté
product ive ou non productive du travail; eest pour la question de
/a source des valeurs.

Quand ces biens nous sont donnés par
la nature, conime la santé, l’attachement de nos femnies, cesont des
richesses gratuites, les
plus
precieuses de toutes, co,nme la lumière
du soleil; mais quand nous les demandons d des étrangers, ci des
gens qui nous doivent ni leur temps, ni leurs peines, il faut bien leur
donner quelque chose en échange.

Appliquez tout ce verbiage
ci
ces denioiselles, ei vous aurez l’explicaiion dune consequence
incontestable de la doctrine de Smith, quoique lui-mê,ne ne l’ait
pas apercu

Kort samengevat komt de is’et van de afzet wegen hierop

neer dat Sav zegt dat iemand als hij iets wil kopen daarvoor

iets anders moet inleveren. Dat andere is geen geld, want dat
is een neutraal intermediair, maar een ander goed. Men moet

dus iets produceren, hetgeen het aanbod vergroot, maar

hetgeen ook tegelijkertijd een vergroting van de vraag

inhoudt. Het aantonen van een verband tussen totale vraag

en totaal aanbod is een van de grote verdiensten van Say

geweest. Hij heeft zich echter in de extreme hoek laten dringen

door steeds meer te gaan benadrukken dat iedere aan hods-
toename ook een vraagtoename van gelijke grootte oplevert,

welke stelling als basis ging dienen voor de optimistische

even 14’ichtslheorie der klassieken waarte gen Kernes zich

later, blijkens de laatste regel van het Franse voorwoord
van zijn
General theory,
afzette: ,, Perhaps Ican best e.vpress

to the French readers what 1 claim for this book bi’ sai’ing

that in the theort’ of procluction it is afïnal breakwat’ from

the doctrines of J. B. Sat’
……

Sat’ was de eerste economnist die in Frankrijk de econo-

mische wetenschap populair
heefi
gemaakt. Zijn indeling

(‘produktie, distributie, consumptie) en terminologie heeft

eeuwen doorgewerkt. Schunipeter waardeercle hem als volgt:

,,His real/t’ great con tribution to analt’tic economics is his

conception of economie equilihrium, hazi’ and unperfecili’

fbrmulatecl thou’gh ii was: Sat’ ‘s woi’k is the most important of the links in the chain that leads from Cantillon to Walras

Hoewel Say een bewonderaar was van Smith, kan men
toch bepaald niet stellen, zoals wel gedaan wordt, dat Say

een zuivere uit werker van de Engelse grootmeester is ge-

weest. Op een aantal punten heeft Sap Smith zelfs duidelijk
bekritiseerd, zoals op het feit dat deze de vergoeding voor

kapitaal en voor ondernenwrsactiviteit niet goed scheicicle;

,,Smith s’est jeté dans un grand emharras faute d’avoir

séparé les profits de- l’entrepreneur d’industrie des pro fits

de son capital’ In Frankrijk
heefi
Sat’ een eigen school

gevormd, waartoe o.a. zijn schoonzoon, broer, zoon en klein-

zoon behoorden. Deze school t’ordt wel de liberale opti

niistische school genoemd. Sa;’ was namelijk in wezen veel
liberaler (hoe ivel geen lid van een politieke partij) dan

Smith en veel minder pessimistisch dan h. v. Ricardo en

Ma/t hus. Meer dan anderen benadrukt Sat’ het bestaan van

natuurwetten en de angst voor staatsingr ijpen dat deze

natuurwetten geweld aan zou doen: ,,l’essentiel en economie

politique, comiime dans la pht’sique animale est la con-

naissance de l’enchainement qui lie les causes et les effets.

II nv a rien de rigoureux dans la nature vivante ei encore
nioins dans la nature morale “. Door de feiten te observeren

probeerde hij het st’steern te ontdekken en dit aan te wen-

den voor de verbetering van de mensheid. Blan qui schreef
dan ook over zijn dood: II est nlort comme il avait vécu,

fidèle ô ses doetrines èconomiques, philosophiques, poli-

tiques; quelque peu susceptible ei fier, connne un homme
str de luimênie et qui n ‘a jamais baissé le front devant aucun

pouvoir, peuple ou roi; mais tou/ours sincèrement pré-

occupé des intérêts de l’humanité”.

H. M. Becker

de vakbeweging bereid is op te brengen.
Het zal moeten voldoen aan de ook door

de vakbeweging erkende noodzaak van
rendementsherstel in het bedrijfsleven.
Het zal positieve impulsen moeten geven

aan een economische groei die de laatste

twee jaar onder de 3% is gezakt.

Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat
het kabinet de doelstelling om de werk-

loosheid in 1980/81 terug te dringen

tot 150.000 zal moeten opgeven. Wan-
neer de doelstelling van gemiddeld 3,75%
groei van het nationale inkomen per jaar

niet meer haalbaar blijkt, is het een
illusie om ervan uit te gaan dat in de

komende jaren zoveel netto-werkgele-
genheid kan worden geschapen dat het

nog verwachte verlies van arbeidsplaat-

sen in de industrie kan worden gecom-

penseerd. Bovendien moet erop gerekend
worden dat na 1980 het aanbod van

arbeidskrachten sterk zal toenemen.
Zeer waarschijnlijk kan de regering

in haar plan voor 1982 geen expliciete

werkgelegenheidsdoelstelling opnemen.

Eerder valt te verwachten dat zij ervan

uit zal gaan het beleid, afhankelijk van

de reële economische groei, periodiek

te moeten bijstellen. Geringere groei

betekent ook minder belastingopbreng-

sten en een nog kleinere ruimte om in te

manoeuvreren. Misschien kan zij erop

hopen dat haar beleidsruimte wat groter

wordt door de gelukkig afnemende in-
flatie.

A.
F.
van Zweeden

ESB 17-5-1978

511

0

de rijksoverheid vraagt

beleidsmedewerker
(mnl./vrl.)
voc. nr
. 8.522110936

voor het Ministerie van Financiën
t.b.v. de Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Nationale Monetaire Zaken, Bureau
Financiële Analyse en Planning

Taak: de Afdeling Nationale Monetaire Zaken bereidt in samenwerking met de
Nederlandsche Bank het nationale monetaire en kapitaalmarktbeleid voor, terwijl voorts
macro-economische vraagstukken m.b.t. monetaire en financiële ontwikkelingen behandeld worden. Het Bureau Financiële Analyse en Planning analyseert relaties binnen
de monetaire sector en tussen de monetaire en reële sector. Met behulp van statisch
getoetste relaties worden t.b.v. het te voeren monetaire en kapitaalmarktbeleid prognoses
gemaakt voor de korte en middellange termijn. De functionaris zal worden ingeschakeld bij hét kwantitatieve onderzoek, waarvoor computerfaciliteiten aanwezig zijn.
Vereist: doctoraal examen economie met aantoonbare belangstelling voor monetaire
economie en kwantitatief onderzoek.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.

Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max, f5032,- per maand.

financieel-economisch medewerkers
(mnL/vrl.)
vac. nr
. 8-21410936

voor het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
t.b.v. de Interdepartementale Werkgroep Regeling Rijksuitkering Kleuter- en Lager
Onderwijs

De Interdepartementale Werkgroep is belast met: instellen van een onderzoek naar de
oorzaken van de huidige problemen m.b.t. de uitgaven van het kleuter- en lager
onderwijs en de daartegenover van rijkswege beschikbaar gestelde middelen; verrichten
van een onderzoek naar de mogelijkheden voor het oplossen van deze problemen; aangeven von de wijze waarop, ter bereiking van een redelijk en financieel verantwoord landelijk onderwijsniveau, van de van rijkswege beschikbaar te stellen vergoedingen
dienen te worden bepaald.

Taak: volgen, bestuderen en analyseren van ontwikkelingen op het terrein van de
uitgaven van het kleuter- en lager onderwijs enerzijds en de van rijkswege vast te stellen
vergoedingen anderzijds
;
het mee ontwikkelen, in teamverband, van een bekostigings-
systeem van het kleuter- en lager onderwijs.

Gevraagd: b.v.k. doctoraal examen economie (bedrijfseconomie), diploma HEAO (bedrijfseconomische richting) of volledig SPD. Ambtelijke ervaring met overheids-financiën strekt tot aanbeveling.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.

Salaris: afhônkelijk van leeftijd en ervaring van f2564,- tot f5032,- per maand.

Sollicitaties inzenden véôr 20 juni 1978.

economisch medewerker
(mnl.JvrI.)
vac. nr
. 8.524210936

voor het Ministerier van Verkeer en Waterstaat
t.b.v. de Rijksluchtvaartdienst, Directie Politieke, Juridische en Economische Zaken,
Bureau Economische Zaken

Het Bureau Economische Zaken is nauw betrokken bij het luchtvaartgebeuren in
Nederland en houdt zich bezig met tal van bedrijfseconomische, macro-economische en planologische aspecten de luchtvaart betreffende. Het bureau onderhoudt vele externe contacten met om. luchtvaartmaatschappijen en luchthavens en treedt ook in inter-
nationaal verband actief op.

Taak: werkzaamheden m.b.t. bovengenoemd gebied.

Vereist: doctoraal examen economie met b.v.k. vervoerseconomie in het pakket.

Standplaats: s-Gravenhage.

Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f5032,- per maand.

Sollicitaties inzenden v66r 10 juni 1978.

512

Auteur