Ga direct naar de content

Jrg. 61, editie 3067

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 25 1976

ECONOMISCH
STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

25 AUGUSTUS 1976

esbECONOMISCH

STICHTING HET NEDERLANDS

6IeJAARGANG

INSTITUUT

No. 3067

De Nederlandse landbouw en de EG

De forse stijging van de groenteprijzen heeft de Europese

gedachte bepaald niet bevorderd. Zoals vaak blijkt, zijn velen

gauw geneigd, ter verbetering van hun eigen positie op korte

termijn, met moeite tot stand gebrachte gemeenschappelijke
verworvenheden op het spel te zetten. Deze maal gold dat

een groot deel van de Nederlandse vakbeweging. Vooral uit
het meest radicale onderdeel daarvan klonk vaak de mening

dat de export van groenten maar moest worden afgeremd

ten behoeve van ons eigen verbruik of, zo nodig, helemaal

verboden. Het zou overigens onjuist zijn alleen een verwijt

te richten tot de Nederlandse protectionisten. Ook in andere
EG-landen, vooral in Frankrijk, deinst men er niet voor
terug zich aan de handelspartners te vergrijpen. Soms lijkt
het erop dat vooral in tijden van economische problemen het
egoïsme hoogtij viert, terwijl er dan juist behoefte is aan een gemeenschappelijke ondersteuning.

Laten we ons echter tot de Nederlandse landbouwperike-
len beperken. De gunstige agrarische exportpositie en de
droogte veroorzaakten scherpe prijsstijgingen. De ge-

noemde protectionisten dachten dat met behulp van export-

verboden die stijgingen zouden kunnen worden ingedamd.
Ongetwijfeld zou op korte termijn op deze wijze een ge-
ringere prijsstijging kunnen worden gerealiseerd. Wat

hiervan echter het effect op lange termijn zou zijn, is onzeker.

Het is jammer dat dit niet werd nagegaan. Ik ben er namelijk

van overtuigd dat dit lange-termijneffect de schreeuwers

eerder zou kalmeren dan het beroep op solidariteit dat op
hen werd gedaan.

Zoiets vereist natuurlijk wel een ingewikkelde econo-
mische analyse. Vreemd genoeg – niemand heeft erop ge-

wezen – is die analyse al voor een groot deel gedaan, nI.

door Prof. Dr. J. de Hoogh. In het onlangs verschenen jaar-
verslag over 1975 van het Landbouw-Economisch Instituut

publiceerde hij een artikel waarin hij naging wat de invloed is van de gemeenschappelijke landbouwmarkt op de Neder-
landse economie.

Prof. De Hoogh splitste zijn studie in tweeën. In de eerste plaats ging hij na welke invloed de eenwording van de land-

bouwmarkt in de EG heeft gehad op de Nederlandse agra-
rische bedrijfstak en in de tweede plaats bepaalde hij de in-vloed van die bedrijfstak op de Nederlandse economie.
Het eerste deel is het moeilijkst. Je zou namelijk de huidige

economische ontwikkeling van de agrarische bedrijfstak

moeten vergelijken met de ontwikkeling die zich zou hebben
voltrokken indien er geen EG zou zijn geweest. Omdat een

dergelijke vergelijking in de praktijk onmogelijk is, nam
Prof. De Hoogh de landbouw in Denemarken als verge-

lijkingsobject. Vôôr de totstandkoming van de EG voerde

ieder land zijn eigen markt- en prijspolitiek. Na de totstand-

koming werd die politiek op EG-niveau uitgevoerd en ge-
coördineerd. Voor Nederland had die wijziging een gunstig
resultaat. In tegenstelling tot Denemarken, profiteerde Neder-
land binnen de EG in sterke mate van de relatieve voordelen
van zijn specialisatie overeenkomstig de natuurlijke en econo-
misch-geografische produktie-omstandigheden. Door de vrij-

making van het EG-handelsverkeer verbeterde de agra-

rische exportpositie van Nederland sterk, dit in tegenstelling

tot de Deense. Omdat Denemarken thans deel uitmaakt van

de EG, zal dit land in de toekomst ook steeds meer gaan

profiteren van de EG. Bovendien blijkt uit De Hooghs
analyse dat ten gevolge van de EG de bijdrage van de agra-

rische sector aan het nationale inkomen groter werd. De bijdrage van de agrarische sector aan de Nederlandse

economie werkt Prof. De Hoogh nader uit met behulp van
een input-output-analyse. Twee belangrijke conclusies zijn:

1. Met de toelevering van grondstoffen aan de land- en tuin-

bouw en de verwerking van de produkten van deze sector

blijkt ongeveer evenveel inkomen te worden gevormd als in de
agrarische bedrijfstak zelf; 2. de expansie van de agrarische
uitvoer droeg in belangrijke mate bij tot een evenwichtige
ontwikkeling van de betalingsbalans.
Prof. De Hoogh besluit zijn analyse met de effecten op de
inkomensverdeling. Hij noemt twee begunstigden: de agra-
rische beroepsbevolking en de overheid. Dit deel van zijn
analyse vind ik niet zo sterk. Het spreekt vanzelf dat de

agrarische beroepsbevolking van de EG heeft geprofiteerd.

Iemand die echter input-output-technieken hanteert, kan
weten dat het overige deel van de beroepsbevolking evenveel

kan profiteren. Volgens De Hoogh is de overheid begunstigde
omdat zij door een gewijzigde landbouwfinanciering haar

budget nauwelijks meer met subsidies behoeft te belasten.

De financiering geschiedt nu immers via de consumentenprij-

zen. Dit moge waar zijn, voor de consument maakt het

echter weinig uit of hij aan de financiering meebetaalt via
hogere prijzen of via meer belasting om de schatkist te vullen.
Het zou overigens interessant zijn na te gaan wat precies de

effecten van die gewijzigde financiering voor de diverse be-volkingsgroepen (w.o. de consumenten) zijn.
Deze kritiek doet gêen afbreuk aan de heldere analyse
van Prof. De Hoogh. Duidelijk werd door hem aangetoond
dat Nederland profijt heeft ondervonden van het EG-

landbouwbeleid. Wie de verworvenheden daarvan op het
spel wil zetten, verdient te worden bestreden.

L. Hoffman

797

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

ESb

Inhoud

Drs. L. HoJj»ian:

De Nederlandse landbouw en de EG ……………………….797

Column

Nederland: te klein om compleet te zijn,
door Prof: Dr. J. A. A. van Doorn
799

Drs. J. van Ark:

Inkomstenbelasting en tax-expenditures …………………….800

Dr. A. A. de Boer:

Economische structuurnota
(5).
De structuurnota en de energiepolitiek 803

Ingezonden

De toestand van ‘s rijks financiën (1),
door Prof: Dr. A. Heertje ….
806

De toestand van ‘s rijks financiën (II),
door Prof: Dr. H. W. J. Bosman
807

Naschrift,
door Prof Dr. D. J. Woijson …………………….
808

Dr. S. Huisman:

Groeinorm en groeivoet …………………………………810

Dr. W. Drees:

Van dubbeltjesgebruikers en kwartjestrekkers ………………..813

Europabladwijzer

De visserijquota en de EG,
door Mr. L. A. M. Mulders ………..
815

Au courant

Jeugdwerkloosheid,
door A. F. van Zweeden …………………
818

Boekennieuws

H. L. G. Zanders: Omschakeling van een beroepsgroep,
door Dr. W. van

Voorden
…………………………………………….
819

Louis Emmerij: Can the school build a new social order?,
door Drs.

M
. Santema

………………………………………….
820

Mededelingen …………………………………………..821

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituul

Redactie

Conunissie van ree/actie: H. C. Bos.
R. liveina. L. H. Klaa.esen, H. W. Lan ihers,
P. J. Montagne. J. H. P. Pae/inck.
A. de Wit.
Ree/acteur-secretaris: L. Hofjman.
Reclactie-mec/ett’erker: L. van der Geest.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50.
Rotterdam-3016: kopij voor cle redactie:
postbus 4224.
Tel. (0 10) 14 55 II. toestel 3 70 1.
Bij adresti’tj:iging .e. v.p. .eteecl.v adreshandje
nieesturen.
Kopij voor de redactie:
in tt”eet’oud,
getipt, dubbele regela/Sstancl. brede i?targe.
Abonnementsprijs:/:
/
19.60 per kalenderjaar
(‘mci.
4% BTW): studenten t: 78.-
(‘mci.
4% BTW). franco per post voor
Nederland, België. Lu.venihurg, o l’e,’zeese
rijk.sdelen (zeepost).

Betaling:
.4
honneinenten en contributies
(na Wit langst lan stOrtitig.u/ giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945
Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummer!. 3.-
(‘int’!. 4% BTW en portokosten).
Be.stellin gen van losse nu,nmc’r.s
uitsluitend door o termaking lan cle hierbo ten
vermelde prijs op girorekening no. 122945
Economisch Statistische Berichten
te Rotier(lani mei ve,’melcling
ton clatuni en nummer van liet ,gelt’enste
exemplaar.
.4
bonne,nenten kunnen ingaan op elke
getl’enste drnu,n, maar slechts ro,’cictt
beëindigd per tilt imo ton een kalenderjaar.

Ad vertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Pr,.çtbu.s 7021
Dcii Haag
Telefoon (070) 23 41 03
Te/e.r 33101.

Indien u onderstaande bon invult, verhoogt u uw kennis

van de economie.

Hierbij geef ik mij op voor een abonnement op
Economisch Statistische Berichten.

NAAM
.
……………………………………………………

STRAAT’ ………………………………………………….

PLAATS
.
………………………………………………….

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement)’ ………………………

Ingangsdatum
.

……………………….. …………………….

Ongefrankeerd opzenden
aan
*
:
ESB,
Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM

Handtekening:

*Dit adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Stichting
Het Nede,’/and.s Economisch lnstimuum

Adres:
Burgemeester Oucllaan 50,
Rotierdam-3016: tel. (010) 14 55 II.

Onderzoekafdelingen:

.4
rheid.sniarktonderzoek

Balanced International Grotth

Bedrijfs- Economisch Onclerzoek
Economisch- Technisch Onderzoek

Vcrs’tigingspaironen

Macro- Economisch Onderzoek

Pro jectstudies Ont tt’ikkelingslanclen

Regionaal Onderzoek

Statistisch- Mat hematisch Onclerzoek

Transport’ Econo,ni.s’ch Onderzoek

798

Prof
Van Doorn

Nederland:

te klein

om compleet
te zijn

Wie een tijdlang in een ander wereld-

deel verblijft, komt spoedig tot de ont-

dekking dat Nederland niet veel meer is
dan een wat zelfstandig opererende

provincie van Europa. Ook serieuze be-
studering van de beste kranten levert geen nieuws: Nederland komt niet in
het verhaal voor.

Toch is ons land een complete samen-

leving, ,,van alle gemakken voorzien”.

We beschikken over nagenoeg alle voor

zieningen, in de ruimste zin van het

woord, waarover grote landen de be-

schikking hebben. We kunnen weliswaar

geen man op de maan zetten of een

nucleair wapen ontwikkelen, maar we

troosten ons met de gedachte dat derge-

lijke evenementen, indien al begeerljk,
slechts aan weinig naties gegeven zijn.
Wie echter marine-officier wil worden of

Chinese taal- en letterkunde wil gaan
studeren, kan binnen de grenzen zijn

gang gaan. Evenzeer hebben we onze
eigen encyclopedieën en onze eigen

internationale luchthaven.
Het is niettemin de vraag of we het

zullen volhouden. De luchtbrug van
hartpatiënten naar buitenlandse kli-

nieken is zo’n symptoom van toenemen-
de afhankelijkheid van anderen, als het

gaat om zeer hoog gespecialiseerde
diensten. Of onze kleinzoons nog bij de

zeemacht zullen kunnen dienen, is een
open vraag; al langer gaan stemmen op

die pleiten voor een doelmatiger werk-
verdeling binnen de NATO, een gedach-

te waarvan ook minister Vredeling een
voorstander lijkt te zijn.

Waar we nog wél standhouden moeten

we vaak kiezen tussen twee onaantrek-

kelijkheden: relatief hoge kosten of rela-
tief lage kwaliteit. Het is nu al zo dat ons

land kennelijk niet één krant van interna-

tionaal niveau meer kan produceren.

Veel van onze activiteiten, hoewel
respectabel en nog steeds in trek, komen
niet boven provinciale prestaties uit.
Excelleren wordt voor een klein land
steeds moeilijker.
Een van de oplossingen is gelegen in
een concentratie van capaciteiten en

middelen. Wat in de sport wordt gedaan
– het opstellen van één nationaal elftal

bijvoorbeeld – zou ook op andere ge-

bieden soelaas kunnen bieden. Nog

altijd kunnen we een nationaal ballet-
gezelschap, een nationaal orkest en een
rijksmuseum in stand houden dat aan

internationale maatstaven voldoet.
Maar op andere gebieden viert de ver-

snippering van krachten hoogtij of wordt

zelfs spreiding als een hooggewaardeerd

beleid beschouwd. We zouden op weten-

schappelijk terrein per belangrijk deel-

gebied zeker een of twee universitaire
centra van excellentie kunnen hebben,

maar vooralsnog beschikken we meestal

over zes of zeven instellingen van ge-

mengd, maar overwegend matig, niveau.
Niet anders is het in de wereld van de

massamedia, steeds meer op elkaar

lijkend door de algemene middelmatig-
heid.

Een andere oplossing – die de vorige
overigens geenszins uitsluit – bestaat in

internationale arbeidsverdeling. Op eco-

nomisch gebied is de tendentie hiertoe al
heel lang zichtbaar: al in de 17de eeuw

heetten wij de vrachtvaarders van Euro-
pa en al in het begin van deze eeuw kon-

den wij onze bevolking niet meer uit
eigen landbouwproduktie voeden. Hoe

trots ook op onze nationale zelfstandig-
heid, we zijn nooit autarkisch georiën-

teerd geweest. We waren altijd realis-
tisch genoeg om te begrijpen dat het niet
kon en bovendien koopman genoeg om te weten dat het niet voordelig was.

Het is een goede zaak als deze inter-
nationale arbeidsverdeling ook nu en in

de toekomst voortgaat. De economische
bloei van Nederland ligt niet in het be-

houd van arbeidsintensieve ondernemin-
gen, maar in de uitbouw van techno-

logisch hoog-gespecialiseerde bedrijven.

De arme landen, met hun overvloed aan

goedkope arbeid, valt de rol toe die de
ontwikkelde landen gisteren hadden.

Dat dergelijke standpunten momen-
teel ,,kapitalistisch” heten, heeft te
maken met een geleidelijk aan sterker

wordende politieke en maatschappelijke
greep op het bedrijfsleven. Wie immers
aan ondernemingen de eis stelt arbeids-
plaatsen te scheppen of in stand te hou-

den, doorkruist welbewust het econo-

misch internationalisme. Wie zelfs zo-
ver gaat de werkgelegenheid te willen

spreiden binnen de landsgrenzen, ver

valt in economisch provincialisme in de
letterlijke en figuurlijke betekenis.
Met een dergelijke politiek dreigen
onze ondernemingen in de positie te

worden gedrongen die onze omroep-

verenigingen en universiteiten al langer
innemen: bevredigend voor wie niet

over de grenzen kijkt, maar ondermaats

voor wie internationale maatstaven
durft aanleggen. Dit betekent bovendien

dat steeds meer steun van de overheid

nodig zal zijn: wie niet competent is ôm

zich te weren op de vrije markt van het
internationale verkeer van goederen en

diensten, rest als enige uitweg het zoeken
van de protectie van de nationale ge-
meenschap.

Veeleer is het noodzakelijk dat het
economisch internationalisme model
komt te staan voor andere terreinen van

activiteit. Waar de concentratie zich niet

vanzelf voltrekt – bij gebrek aan markt-werking – dient de overheid deze te be-

vorderen. Waar ook geleide capaciteits-
concentratie niet meer werkt, moet met

anderen worden samengegaan of aan

anderen worden afgestoten.
In een tijd van herlevend nationalisme,

niet in de laatste plaats een onbedoeld

gevolg van de democratisering van onze

samenleving die nu eenmaal in naties is
georganiseerd, zal een dergelijke stelling-

name moeilijk populair kunnen worden.
Maar ze is realistisch voor eigenlijk alle
naties van het moment en zeker voor een

land als het onze, te klein om compleet
te kunnen zijn.

ESB 25-8-1976

799

Inkomstenbelasting
en tax-expenditures

Integratie van belasting- en premieheffing

DRS. J. VAN ARK

De laatste tijd worden er pleidooien gehouden

voor herziening van het Nederlandse belasting-

stelsel. Drs. J. van Ark, inspecteur van ‘s rijks

belastingen bij het Ministerie van Financiën,

behandelt in dit artikel twee pleidooien, die

nauw met elkaar samenhangen, maar vanuit

verschillend gezich tspunt worden gehouden. Het

eerste pleidooi betreft de afschaffing van de

progressie in de loon- en inkomstenbelasting
met tegelijkertijd het verhogen van de belas-

tingvrije voet. Het tweede wil daarentegen de

progressiviteit vergroten door de sociale pre-

mies met de belastingen te integreren omdat

door die premies en de z.g. tax-expenditures

de progressiviteit zeer gering is.

NRC Handelsblad
van 4 mei jI. bevat onder de titel Inkom-
stenbelasting een column door Prof. Hartog. Het slot van
deze column luidt enigszins samengevat als volgt: Welke
politieke partij adopteert mijn idee om in plaats van de hef-

fing volgens het dolgedraaide tarief van de loon- en inkom-
stenbelasting een belasting te heffen van 16,5% naar de
maatstaf van het persoonlijk inkomen verminderd met een

belastingvrije voet van f. 10.000. Een dagbladcolumn biedt

uiteraard slechts plaats voor het slaken van een hartekreet.

Dit prikkelt in dit geval echter wel tot een meer tijd en

ruimte vergend onderzoek naar de feitelijke achtergrond
waarop de essentie van de onderhavige gedachtengang is
gebaseerd. Ook de veronderstelling dat er ten aanzien van

de inkomensverdeling eigenlijk maar bitter weinig veran-
dert bij het doorvoeren van zo’n rigoreuze vereenvoudi-
ging nodigt royaal uit tot een nader onderzoek.

Naar het inzicht van Prof:Hartog zullen de lage inkomens
duidelijk profiteren van de invoering van het nieuwe tarief
van 16,5%, want nu reeds is het laagste heffingspercentage

20 en dat springt al vrij snel naar 26. En aan de bovenkant
van de inkomensverdeling gebeurt er ook al weinig, want

getuige het onderzoek van Prof. Halberstadt en Mr. De

Kam 1) is door de talrijke aftrekposten die daar voorkomen
het effectieve tarief aldaar reeds vrij laag. Dit laatste mag

zo lijken, toch ligt de gemiddelde belastingvoet ten opzichte

van het belastbaar inkomen voor de hoogste inkomensgroe-
pen boven 50% en alleen voor de allerhoogste jaarinkomens,

waarin relatief veel bijzondere baten zijn begrepen die naar
een laag tarief worden belast, ligt de gemiddelde belasting-

voet duidelijk lager, i.c. rond 40% 2).
Waarde heffing van 16,5% over de persoonlijke inkomens
verminderd met een forse belastingvrije voet ook aan de
overheid een gelijkblijvende ontvangst garandeert, rest mij

uiteraard de vraag wie al die voordelen dan wel betaalt. De

oplossing wordt hier geboden door de definitie van het be-
grip persoonlijk inkomen, dat naar mij is gebleken afkomstig

is uit de terminologie van de nationale rekeningen 3). Het

persoonlijk inkomen omvat de volledige bruto-loonkosten
inclusief werkgeverspremie, het inkomen uit bedrijfsuit-
oefening en uit belegging (inclusief toegerekende rente van
levensverzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen), als-

mede de inkomensoverdrachten van de overheid en de uit-

keringen van de sociale verzekering. In de jaren 1970 en 1974

is de samenstelling van dit persoonlijk inkomen als aange-
geven in tabel 1.

Tabel 1. Samenstelling van het persoonlijk inkomen (mln.
gid.)

1970

1974

Bruto-loonkosten
……………………………
65,2

11.9
Inkomen uit bedrijfsuitoefening en belegging

21,2 a)

29.9 b)
Uitkeringen soc. verz. (w.o.zfw)
………………..

16,7

33,4
Inkomensoserdrachten c)

2,5

6,7

Persoonlijk inkomen
…………………………..
.
05,7

1

181.9

Waaronder toegerekende rente levensverzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen
3.2 mrd.
Idem 6.2 mrd.
cJ Voornamelijk ABW, WSW, individuele huursubsidie, studiebeurzen en bijzondere pen-
sioenen.

Ten behoeve van een inkomstenbelasting die wordt gehe-
ven naar het daadwerkelijk in de betrokken periode voor de
belastingplichtige beschikbaar gekomen inkomen dient dit

persoonlijk inkomen ontdaan te worden van een aantal bin-

nen de sfeer van overheid en cao liggende inhoudingen en

heffingen, welke voor de individuele belastingplichtige een
zodanig verplicht karakter dragen dat zij niet gerekend

kunnen worden tot het actuele inkomen aan de hand waar-
van de actuele belastingplicht wordt vastgesteld. In dit licht
bezien, dient de benadering van de belastingbasis te worden voortgezet, zoals vermeld in tabel 2.

Verschillen in aanpak

Voor 1970 zijn vergelijkbare fiscale gegevens beschik-

baar waaraan de hierboven via de nationale rekeningen be-

naderde belastingbasis getoetst kon worden. Het is van be-
lang te onderkennen dat tussen de uitkomsten van beiderlei

1.) Tax-expenditures as an instrument for achievement of govern-
ment goals, report of the Netherlands for the 1976 Congress of the
International Fiscal Association, Leiden, 9januari 1976.
Inkomensverdeling 1972
(Statistisch Bulletin CBS d.d. 5 augustus
1975) en beantwoording van vragen ter zake (Handelingen Tweede
Kamer 197511976, blz. 259).
Nationale rekeningen 1974
tabel 38 post 8.

800

Tabel 2

1970

J

1974

Persoonlijk inkomen
……………………………….
105.7

181.9
premies soc. verzekering
……………………..
16.8

34.0
uitkeringen AWBZ
………………………….
1.1

3,1
besparingen via levensvereekeringsmaatschappijen
en pensioenfondsen al
……………………….
5.7 bI

11.1 c)

23.6

48.2
Vanuit de nationale rekeningen benaderde geconsoli-
deerde belus(ingbasis
………………………….
82.1

133.7

Hier worden slechts de besparingen en niet de totale premies in mindering gebracht
daar dc nationale rekeningen, anders dan het in het
CEP
opgenomen nationaal budget. de
pensioenuitkeringen niet in het persoonlijk inkomen begrijpt, maar ee beschouwt als
vermogensintering.
Zie voetnoot a. tabel 1.
cl Zie voetnoot b. tabel t.

aanpak noodzakelijkerwijs verschillen aanwezig zijn. De nationale rekeningen verschaffen inzicht in de geconsoli-
deerde geldstromen tussen de verschillende economische
sectoren waarvan de gezinshuishoudingen er één vormt. De
fiscale gegevens zijn daarentegen verkregen door aggregatie
van de individueel gevormde fiscaal relevante inkomens-

bestanddelen, uiteraard zonder dat acht wordt geslagen

op de vraag uit welke sector van de economie de betreffende
inkomensbestanddelen afkomstig zijn.

Toch kan het in tabel 3 vermelde totaal van de voor-
naamste fiscale inkomensbestanddelen als redelijk overeen-

stemmend met de uit de nationale rekeningen benaderde
belastingbasis worden beschouwd.

Tabel 3

1970

Bruto-inkomsten uit arbeid
mcl.
overdrachten en sociale uitkeringett
(m.u.v. kinderbijslag) en na aftrek van de werknemerspremies
(may. Zfw)

…………………………………………..
67,2
Winst uit onderneming
……………………………………
3.5
Winst uit aanmerkelijk belang
……………………………….
0,5
Dividenden en centen
……………………………………
2.8
Kinderbijslagen

………………………………………..
2,5
Premies volksverzekeringen
……………………………….
.6.0

Vanuit Oscale gegevens bettaderde geconsolideerde belustingbasis . . . .

80.5

Wanneer ook de overige fiscale inkomensbestanddelen,
vnl. inkomsten uit goederen, wo. eigen woning en aftrek
hypotheekrente, arbeidskosten
(4%-regeling),
buitengewone
lasten, giften en persoonlijke verplichtingen, in rekening
worden gebracht blijkt dat in 1970 een totaal belastbaar in-
komen werd genoten van f. 75,2 mrd.
Daar het
Centraal Economisch Plan 1976
als gebruikelijk
in bijlage Al een met de nationale rekeningen vergelijkbare
opstelling van het nationaal budget geeft, kunnen in het

volgende samenvattende overzicht mede enige ramingen
voor 1976 worden opgenomen (zie tabel 4).

Tabel 4

1970

1972 1974
1976

105.7
137,9
181,9
227.5
Benaderde geconsolideerde helastingbasis
82.1
105.0
133,7 165.5

Persoonlijk

inkomen

…………………..


vanuit Oscale gegevens ………………80,5
– –



vanuit de nat, rekeningen

…………….

Totaal belastbaar inkomen

…………….75,2
96.6

Ter vergelijking:

bruto nationaal produkt

……………..
15.0
147,8
187,0
231.5

Uitgaande van deze opstelling kan het totaal aan belast-baar inkomen in 1976 na aftrek van de kinderbijslagen ge-
raamd worden op ca. f. 147 mrd. Aan de hand van de ver-

deling van de ca. f. 7,4 mln. belastingplichtigen over de

verschillende tariefgroepen kan voor 1976 het totaal aan
feitelijke belastingvrije sommen (mcl. kinder- en bejaarden-

aftrek) geraamd worden op f. 52 mrd, zodat een totaal aan
belastbare sommen resulteert van ca. 95 mrd. 4).

De nivellering

Indien de totale opbrengst aan loon- en inkomstenbelas-
ting met deze grootheid in verband wordt gebracht blijkt

dat een gemiddeld tarief van 28,5% noodzakelijk is om bij
een ongewijzigde opbouw van zowel het belastbaar inkomen

als de belastbare sommen budgettair neutraal het progres-
sieve tarief van de loon- en inkomstenbelasting te kunnen
afschaffen. Hieruit is zonder meer duidelijk dat dit een niet onbelangrijke denivellering van besteedbare inkomens met

zich zou brengen. Ter illustratie zij vermeld dat voor de

gehuwde zonder kinderen het draaipunt van een dergelijke
tariefoperatie zou liggen bij een belastbaar inkomen van
f.32.125, hetgeen overeenkomt meteen bruto-loon van bijna
f. 40.000. Belastingplichtigen met een lager inkomen zouden

een achteruitgang ondergaan; belastingplichtigen met een

hoger inkomen zouden daarmede een belastingverlichting
tegemoet kunnen zien.

De door Prof. Hartog in dit kader gesuggereerde geïso-
leerde afschaffing van alle aftrekposten zal ten ‘ongunste

werken van met name de middeninkomens. Dit vindt zijn
oorzaak in de omstandigheid dat kwantitatief het overgrote
deel van de aftrekposten bestaat uit de lasten die opge-
bracht moeten worden in het kader van de werknemers- en
volksverzekeringen, die alle een geplafonneerde premiehef-

fing kennen. Voor zover de overige aftrekposten niet als negatieve inkomensbestanddelen kunnen worden aange-

merkt ben ik het, getuige het onderzoek ter zake van Prof.
Halberstadt en Mr. De Kam, met Hartog eens dat de voor-
delen daarvan in overwegende mate aan de hogere inkomens ten goede komen.

Tax-expenditures

Bij dit laatste valt overigens een interessante parallel te
trekken met de internationaal in de volle belangstelling
terecht gekomen gedachtenvorming rond de z.g. tax-expen-
ditures, dat zijn overheidsuitgaven in de vorm van het toe-

staan van een niet-fiscaal gemotiveerde belastingreductie.
De theorievorming dienaangaande is voor een groot gedeel-

te van Amerikaanse origine. Een verklaring daarvoor zou
gevonden kunnen worden in de vele aldaar in de belasting-
wetgeving aanwezige ,,loopholes”. Het cruciale punt bij
het identificeren van dergelijke tax-expenditures is de de-

finitie van hetgeen uit fiscaal oogpunt beschouwd moet
worden tot de inkomensvaststelling te behoren waarnaar,
ware er geen distorsies aanwezig, de belasting berekend zou
moeten worden.

Het eerdergenoemde Nederlandse onderzoek sluit wat

betreft deze definitiekwestie nauw aan bij de door Prof.
Surrey verwoorde Amerikaanse opvatting waarin de eco-

nomische inkomensdefinitie, zij het in enigszins afgezwakte

vorm, tot richtsnoer wordt genomen. Het inkomen wordt
volgens de economische definitie gevonden door vermogens-
vergelijking en wel als volgt: inkomen = consumptieve be-
stedingen + vermogenstoename. Het voldoen van verschul-
digde premies voor sociale verzekering en pensioenopbouw
wordt via deze inkomensdefinitie, en zo ook in het Neder-
landse rapport, geacht te behoren tot de consumptieve be-

4) Vgl.
gedrukte stukken Tweede Kamer
13600
nr. 3,
antwoord op
vraag
94
waarin bij toepassing van het structurele tarief een totaal
aan belastbare sommen wordt genoemd van f.
98,5
mrd.

ESB 25-8-1976

801

stedingen dan wel te leiden tot vermogensvorming. In dat
geval is echter geen reden meer aanwezig om op dezelfde wijze ook niet de werkgeversbijdragen tot het inkomen te

rekenen om zodoende bij het door Prof. Hartog genoemde
persoonlijk inkomen als maatstaf voor de heffing van loon-
en inkomstenbelasting uit te komen.
Naar mijn mening doet het bovenstaande bepaald tekort

aan de nationale inbedding van het fiscale inkomensbegrip.

Dit ondanks het feit dat in het voetspoor van zijn in 1973

verschenen
Paihways to tax-reform
Prof. Surrey als algeme-

ne richtlijn voor de nationale IFA-rapporteurs aangeeft dat
zij dienen uit te gaan van een in brede kring onderschreven

inkomensdefinitie en zich dienen aan te sluiten bij de alge-
meen geaccepteerde structuur der nationale inkomstenbelas-

ting 5). Voor Nederland mag dit laatste aldus worden opge-
vat dat aangesloten zou moeten worden bij de opvatting

dat de belasting geheven wordt op het tijdstip dat en in de

mate waarin het inkomen daadwerkelijk voor de belasting-
plichtige beschikbaar komt 6).

Het onderzoek naar mogelijke in de Nederlandse belas-

tingwetgeving aanwezige tax-expenditures zou zich derhalve

wat betreft de aftrekposten kunnen beperken tot een onder-
zoek van de posten die zich bevinden tussen het belastbaar
inkomen en het in het begin van dit artikel geformuleerde

begrip belastingbasis. In overeenstemming hiermee heeft

Prof. Halberstadt tijdens zijn rede op het Hofstra-congres
in december 1975 de aftrekbaarheid van de premies volks-

verzekering op een wijze gekritiseerd die niet loopt langs de
lijn der tax-expenditures. Dan toch zou de kritiek zich in de

eerste plaats moeten richten op de buitenfiscale doeleinden
die door middel van die premie-aftrek in het belasting-

stelsel geïncorporeerd zijn, maar die doelmatiger via andere
kanalen zouden kunnen worden bereikt.

Integratie

Een pleidooi voor integratie van belasting- en premie-
heffing richt zich echter veeleer op het stelsel der volks-

verzekeringen. Het verzekeringsaspect heeft zeker in de
begintijd van dit deel der sociale zekerheid op de voorgrond

gestaan en de belastingheffing heeft zich bij deze beschou-
wingswijze aangesloten door de premies aftrekbaar te doen
zijn. In een moderner deel van het sociaal zekerheidsstelsel
is meer in de richting gekoerst van de sociale voorzieningen, dat wil zeggen dat de overheid zelve via overdrachtsuitgaven

de zorg op zich heeft genomen in bepaalde noden te voor-

zien. Dit doet opnieuw de vraag rijzen of het thans toch niet
zo is dat de door de volksverzekeringen behartigde belangen
in brede kring gevoeld worden als door de overheid geboden
voorzieningen, zodat ook de premie eerder als een fiscale

last wordt beschouwd dan dat zij nog reëel als een verzeke-
ringspremie wordt aangevoeld 7).

Wederom zal de vormgeving van belasting- en premie-
heffing zich dienen aan te sluiten bij de beantwoording van
deze vraag. Zo wijst een negatief antwoord in de richting

van bestendiging van de huidige situatie en is alleen bij een
positieve beantwoording van deze wezenlijke voorvraag inte-

gratie van belasting- en premieheffing geboden. Alsdan zal

op eigen merites, een op hoger niveau liggend, tarief voor
de loon- en inkomstenbelasting moeten worden bepaald,

waarbij zo min mogelijk gerefereerd dient te worden aan de
per saldo bestaande situatie van belasting- en premieheffing.
Ook is het zeer wel denkbaar dat andere belastingen bij het
opvangen van de integratiegevolgen in ogenschouw worden
genomen 8).

doeleinde in het vervolg beter langs een andere weg te be-

reiken is, kan vanuit theoretisch oogpunt de betreffende
aftrekpost zonder meer worden afgeschaft. De daardoor ver-

kregen bate staat primair ter beschikking voor een directe
financiering van het beoogde doeleinde.

Tegengestelde oogmerken

Tot slot kan worden opgemerkt dat, hoe dicht de redene-

ringen van Hartog en Halberstadt inzake de niet-aftrekbaar-

heid van premies ook bij elkaar blijken te liggen, zij geheel

tegengestelde oogmerken bezitten. Hartog vat uitsluitend
het belastingstelsel in het oog en wenst de progressieve tarief-

stelling om te zetten in een proportionele.
1

lalberstadt beziet
in zijn rede vooral de volksverzekeringen, weegt in het licht
van de maatschappelijke opvattingen de plaats die zij inne-

men en komt tot de conclusie dat de per saldo vrij sterk pro-
portionele belasting- en premieheffing omgezet behoort te
worden in een geïntegreerde meer progressieve belasting-
heffing.

De dwars op deze tegenstelling staande mening van Mr.

C. P. Tuk en Prof. Hofstra kan hierbij niet ongemerkt blij-

ven. Zij stellen een meer fundamentele wijziging van het
belasting- en premiestelsel voor uitmondende in een propor-

tionele loonsombelasting en een daarop in de vorm van een
surtax gesuperponeerde progressieve inkomstenbelasting
voor de hoogste inkomens 9).

Een voorkeur voor integratie van belasting- en premie-
heffing moet worden geplaatst in het licht van de maatschap-

pelijke opvattingen over het karakter van de volksverze-
keringen, die daarbij aan de orde zijn. Verkenning van het
pad dat voert in de richting van een integratie zal gepaard

moeten gaan met een toetsing aan deze ontwikkelingen. Een
dergelijke verkenning verdient naar mijn mening te worden
ondernomen. Overigens zullen gezien de opbrengstverhou-dingen uit genoemde integratie niet zeer wezenlijke lasten-

verlichtingen voor de lagere inkomensgenieters kunnen
voortvloeien. Binnen de marges waarin dergelijke verande-ringen zich gewoonlijk voltrekken zijn zij echter belangrijk

genoeg om ook uit dien hoofde dit pad te willen betreden.
Het signaleren van de meningen van Tuk en Hofstra in-
zake een meer fundamentele wijziging van het belasting-
stelsel heeft intussen die betekenis dat dit aanleiding kan

geven tot een verbreding van het te bestuderen terrein. Hoe-
wel tussen integratie- en stelselstudie geen rechtstreeks

verband bestaat – de integratie speelt immers primair op
sociaal terrein, de stelselstudie op fiscaal terrein – kunnen zij beide de fiscaliteit behoorlijk in beweging brengen. Er
resteren derhalve ten minste argumenten van meer prak-

tische aard voor een enigszins gelijk oplopende bestudering
van beide onderwerpen.

J. van Ark

O.c., blz. 17-18.
Vgl.
Interim-nota inkomensbeleid
(gedrukte stukken Tweede
Kamer 13399 nr.
2),
blz. 73: ,,De inkomsten die tot het onzuiver inkomen worden gerekend en de aftrekposten die daarop weer in
mindering komen, hebben in hoofdzaak via de weg van een maat-
schappelijke inkomensopvatting hun plaats in de inkomstenbelas-
ting gevonden”.
Vgl. afscheidscollege prof. Hofstra: ,,Loonbelasting en sociale
verzekeringspremie liggen niet slechts psychologisch dicht bij elkaar,
maar het wordt tijd dat wij trachten ook theoretisch beide systemen
te coördineren in één stelsel, dat beide heffingssystemen Omvat”
(WFR 20
november 1975). Zo ook de Nijmeegse hoogleraar
P. J. L. M. Peters: ,,Functioneel beschouwd heeft ons systeem van
sociale zekerheid toch al meer van een collectieve voorziening dan
Hierin ligt een verschil met de handelwijze met betrekkingvan een verzekering”
(ESB
3 december 1975).
tot de tax-expenditures. Indieff nien meent dat een bepaald-

– «–8-) ln-bij-Etsgeland en Denemarken waar steeds een belangrijk deel
van de sociale zekerheid via het overheidsbudget is gefinancierd
heeft zich in de loop van de tijd impliciet eenzelfde proces voltrok-

adverteer in £58

enm’ Vijf en twintig jaar belastingvereenvoudiging,

college, zie
WFR, 20
november 1975.

802

Economische structuurnota (5)

De structuurnota en de energiepolitiek

DR.
A. A.
DE BOER

In de serie over de Economische st ructuurnola
Selectieve groei
in
ESB
verschenen reeds:

Prof: Drs. C. J. van Eijk, De Nota over de selectieve groei (14 juli);

Prof: Dr. L. B. M. Mennes, Selectieve groei en ontwikkelingssamenwerking (4 augustus);

Prof Dr. C. de Galan, Sociale aspecten in de nota Selectieve groei (11 augustus),
Dr.
A.
C. van Wickeren, De nota Selectieve groei beoordeeld op grond van een aantal concrete maatregelen
(18 augustus).

Deze week schrijft Dr. A. A. de Boer over de grondstoffen en wel met name over de energie. Hij signaleert dat de

veranderende situatie op de arbeidsmarkt inspireert tot correcties op plannen in de energiesector zoals die in 1974

werden neergelegd in de
Energienota.
Hij meent dat de wijze waarop de structuurnota dit probleem behandelt en

de traagheid waarmee de energiepolitiek van de grond komt aanleiding geven tot bezorgdheid.

Enige tijd geleden presenteerde de minister van Eco-
nomische Zaken aan de Tweede Kamer de
Nota inzake de
Selectieve groei
met als ondertitel:
Economische structuur-
nota 1).
Deze beoogt een aanzet te geven tot een politiek met
betrekking tot de continuïteit en de versterking van de werk-

gelegenheid onder het waarborgen van selectiviteit in de
groei.

Bij het streven naar selectieve groei moeten de positieve en
negatieve effecten van de groei tegen elkaar worden afge-

wogen in het licht van andere doelstellingen van het beleid.
Dit is, sinds de gedachte ontstond, steeds moeilijker geworden

door de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt die met name een
verschuiving teweegbrachten in de prioriteiten gezien het
belang van het scheppen en handhaven van arbeidsplaatsen.

Dit heeft gevolgen voor de energievoorziening en voor de
bescherming van het milieu. Er kunnen gemakkelijk span-

ningen ontstaan tussen enerzijds het streven naar zuinigheid

met energie en het vermijden van vervuilende activiteiten en

anderzijds de urgentie van het scheppen van arbeidsplaatsen.
Nu verscheen in 1974 de
Energienota
2), waarin een beleid
is uitgestippeld dat gericht is op het afremmen van de groei

van het energieverbruik en het vergroten van de zekerheid van de voorziening in de energiesector. Daarbij staan voor
de komende jaren voorop: een zo zuinig mogelijk energie-

verbruik, een langzamer uitputtingstempo van het aardgas,
de vorming van een strategische aardgasreserve en een zo

doelmatig mogelijk gebruik van aardolie en aardolie-
produkten. De
Energienota
geeft veel cijfermateriaal, vooral
met betrekking tot het effect van zuinigheidsmaatregelen,

maar geeft nog weinig concrete maatregelen.
Door de verschuiving van prioriteiten ten gevolge van de
ontwikkeling op de arbeidsmarkt moet de regering nu al gaan sleutelen aan verschillende beleidspunten in de energiesector
die in de
Energienota
nog maar embryonaal aanwezig
waren. Voor de grote lijnen verwijst de structuurnota naar de
Energienota.
In concrete gevallen echter waar de groei
arbeidsplaatsen kan scheppen is de aantrekkelijkheid van

een stringente zuinigheidspolitiek kleiner geworden.
Daardoor is de mogelijkheid de beloften uit de
Energie-
nota
na te komen verminderd. Ondanks dat moet men zich

echter wel afvragen of de principes van de energiepolitiek

en de ontwikkeling in de energiesector op bevredigende wijze

in de structuurnota worden weerspiegeld. Vooraf echter
enkele opmerkingen over milieu en grondstoffen.

Milieu

Ten aanzien van het milieu geeft de nota kort en bondig een filosofie die sterk aanspreekt. Vervuiling wordt zoveel moge-

lijk vermeden; de vervuiler betaalt, maar duidelijke normen
moeten verhinderen dat degeen die het wel betalen kan ons

ook mag vervuilen. De kosten van eliminatie en compensatie
moeten dus door de vervuiler worden vergoed en komen te-

recht in de prijzen van de produkten. Verder is er dan nog de

omkering van de bewijslast: degeen die nieuwe activiteiten

wil ontplooien moet bewijzen dat hij geen schade aanbrengt aan het milieu.

Op dit gebied moet worden aangedrongen op het snel tot

stand brengen van dein het vooruitzicht gestelde maatregelen
en het vaststellen van zeer stringente normen en verbods-
bepalingen. Zo lang daarover onduidelijkheid bestaat ge-

beurt er in de praktijk weinig. Zo komt bijvoorbeeld in de

nota de schone CVCC-motor wel voor in de berekeningen
van het CPB, maar de nieuwe Honda die rondom die motor
is ontworpen wordt in Nederland afgeleverd met een vuile

motor omdat er toch nog geen concrete maatregelen zijn ge-
nomen. Ikjuich de vele studies van het CPB en de indicatieve

plannen voor het verbeteren van het milieu toe, maar ik ge-loof dat het van eerste urgentie is een duidelijk plan te pro-

duceren met streefdata voor een aantal duidelijke geboden
en verboden. De vervuilers gaan dan betalen voor de research

waarvan de kosten anders zo makkelijk kunnen worden af-
gewenteld op de staatskas.

Nota inzake de selectieve groei
(Economische Structuurnota),
Tweede Kamer zitting
1975-1976, 13 955,
juni
1976.
Energienota,
Tweede Kamer zitting
1974-1975, 13 122,
septem-
ber
1974.

ESB 25-8-1976
803

Grondstoffen

De nota vermeldt terecht dat de Club van Rome een aantal

problemen heeft verduidelijkt die samenhangen met de uit-

putting van grondstoffen bij voortduring van de groei. De

mededeling dat de cijfers van de Club van Rome oorzaak zou-

den zijn geweest van het ontdekken van nieuwe reserves lijkt

mij wat overdreven, maar dat is een detail. De Club van

Rome had de cijfers ook maar voor de gelegenheid geleend

van de vakmensen; zij zijn het die de correcties hebben aan-
gebracht die hebben geleid tot wat de nota noemt ,,een be-

langrijke relativering van de absolute schaarsteproble-

matiek”.
Dit betekent niet dat de problemen de wereld uit zijn.

Ik waag mij echter op dit moment niet aan een commentaar,
omdat de Stichting Toekomstbeeld der Techniek een uitge-
breide publikatie voorbereidt over materialen en grondstof

fen waaraan een groot aantal Nederlandse experts hebben

meegewerkt. Het lijkt mij zinvol deze publikatie af te wach-

ten omdat zij naar alle waarschijnlijkheid een degelijke basis
voor verdere discussie zal vormen, zoals dat ook met vorige

publikaties van de STT het geval was.

Energie en economische groei

Ook met betrekking tot de uitputting van energiebronnen

is de door de Club van Rome en de energiecrisis opgeroepen

angst wat verminderd. Het belangrijkste resultaat van de
Club van Rome is dat zij een breed publiek van politici en

kiezers de ogen heeft geopend voor de problematiek van de
groei. Het kwalijk nevenprodukt was de dogmavorming en
het hobbyïsme dat niet altijd op positieve wijze heeft bij-
gedragen tot de politieke meningsvorming. Voorbeelden

hiervan, eerder aangeroerd in deze kolommen, zijn de over-

schatting van de resultaten van rekenmodellen als richting-

gevende basis voor een beleid en de ,,energiepolitiek” van
Mesarovic en Pestel. Deze auteurs van het z.g. tweede rap-

port van de Club van Rome meenden immers de Arabische
landen te kunnen bewegen, met een hoog nationaal produkt
in de verre toekomst als lokaas, hun olie uit te verkopen aan
de westerse wereld in ruil voor de belofte dat wij in de 21e

eeuw zonne-energie zouden kopen.
Dit gebrek aan kwaliteit van de overigens luid toegejuichte

concrete beleidsvoorstellen doet niets af aan het belang van de

alarmkreet van de Club van Rome. We moeten vooral voor-

komen dat wij onder het gezellig discussiëren over reken-
modellen en politieke luchtkastelen langzaam maar zeker

indutten.
Exponentiële groei is en blijft een bedreiging. Maar als
we niet willen vervallen in een dogmatisch zuinigheidsstreven
moeten we een aantal zaken goed onderscheiden die te vaak
– ook in de structuurnota – door elkaar worden gehaald.

Men moet duidelijk onderscheid maken tussen
twee
soorten

van problemen en tussen
twee
vormen van zuinigheid. Dat

onderscheid is van belang voor het vaststellen van priori-

teiten.
Er is een probleem dat vooral op lange termijn van belang

is, namelijk het effect van de groei op de uitputting van reser-
ves met een voorraad karakter en de explosieve toename

van de effecten van vervuiling. Daartegen helpt alleen die
vorm van zuinigheid die voortvloeit uit het aantasten van de

groei van de vraag naar energie.
Daarnaast is er een actueel probleem dat ligt in de beperkte

beschikbaarheid van aardolie. Daartegen helpt ook de zui-
nigheid in de sfeer van omzettingen, van rendementen, dat

wil zeggen het verminderen van de input aan energiebronnen
om eenzelfde output (finale energie, comfort) te bereiken.
Die zuinigheid in de rendementssfeer werkt echter niet

noodzakelijkerwijs in op de vraag naar het eindprodukt en

de groei daarvan. Alsde vraag stug doorgroeit met bijvoor-

beeld 5% per jaar betekent een besparing in de rendements-

sfeer van 10% over een periode van tien jaar, dat wij over die
periode wel een daling van de toename van het verbruik

constateren (3,9% i.p.v.
5%)
maar in feite hebben wij alleen

maar een uitstel van executie bereikt van 2 jaar 3).

Het is dus onjuist en slordig, maar vooral uit beleids-

overwegingen onduidelijk om te spreken over efficiënt ener-giegebruik als wapen om de groei te remmen. Minstens even

belangrijk echter is dat velen, ook de auteurs van de struc-

tuurnota terecht, de vaak eenvoudige ideeën over de gevaren

van de groei nuanceren, maar daardoor te veel de indruk

wekken dat we nu maar onze gang kunnen gaan.

Energie-intensieve bedrijven

In dit licht moet men de problematiek zien van de groei van

energie-intensieve industriële activiteiten. De continuïteit
van de industriële activiteit en het scheppen van nieuwe ar-

beidskrachten zijn prioritaire doelstellingen. Maar bij de uit-

breiding van bestaande en het aantrekken van nieuwe

energie-intensieve bedrijven bevinden we ons in de groei-
sfeer en dan blijft vanuit de energie-optiek voorzichtigheid

géboden..
Ik heb moeite met de wat erg simplistische redeneringen

die de structuurnota hierover geeft. Groeiremming in Neder-

land heeft weinig invloed op de mondiale groei en terug-

dringing van energie-intensieve industrieën zou door middel

van aanpassingen leiden tot vervanging van binnenlandse
produktie door invoer, lezen wij. En als energie-intensieve produktie in ons land een kwestie van vestigingsvoordelen

is, zou terugdringing leiden tot verplaatsing naar minder

gunstige gebieden en tot een minder juiste internationale

arbeïdsverdeling. Milieu-effecten zouden van hier naar elders verplaatst worden; kortom, het zou allemaal toch niet helpen.

De auteurs verwijzen ten slotte geruststellend naar de prijs-

stijgingen die met name in de energie-intensieve bedrijven
al tot een efficiënter energieverbruik leiden. Dit gezegd zijn-
de, kan men dan bij het beoordelen van concrete projecten

alle kanten op.

Bevordering van de zuinigheid

Op het punt van de bevordering van de zuinigheid is er

sinds de
Energienota
niets veranderd. Er kan gedacht

worden, lezen we in de structuurnota, aan schaarste-heffingen

en progressieve tarieven, maar wat het resultaat van dat denk-

werk is sinds anderen al jaren geleden ontdekten dat men
daaraan zou kunnen denken, blijft in het duister. Resten de zuinigheidsmaatregelen in de rendementssfeer, die politiek

geen problemen bieden, maar met betrekking tot het rem-

men van de groei weinig effect hebben. En dat is dan zo’n
beetje alles wat er van de zuinigheidspolitiek over is.

Aardgas

Het speciale probleem van onze nationale energiebron,

het aardgas, wordt benaderd op volkomen identieke wijze

als in de
Energienota
het geval was: hoogwaardigheid als

richtsnoer, hoge prioriteit aan het kleinverbruik, geen aard-

gas voor de elektriciteitsproduktie. Ook nieuwe vondsten

zouden volgens de structuurnota geen verandering van prio-

riteiten met zich meebrengen.
Misschien zou men juist hier een evolutie moeten ver-

wachten die invloed kan hebben op de verdeling van de
3) Zie over het verschil in effect tussen groeiremming en verlaging
van het niveau van het energieverbruik
ESB
van 5 juni
1974,
blz.
471
en hoofdstuk 6 van Energie vandaag en morgen.
Deventer,
1974.

804

aardgasvoorraad. Die verandering zou kunnen worden in-

gegeven door een op de ervaring van de laatste jaren ge-

baseerd streven naar grotere veiligheid. Men kan zich af-

vragen of het indertijd wel juist is geweest te besluiten het

aardgas naar de keuken te vervoeren in de vorm van gas en

niet in de vorm van elektriciteit, die als zodanig milieu-
vriendelijk is en veilig. Maar men begint in te zien dat alter-

natieven voor de kernenergie om de groei van de elektrici-

teitsproduktie op te vangen, te gemakkelijk als schoon en

veilig zijn beschouwd. Dat betekent niet dat men elektriciteit

taboe moet verklaren, maar dat men de eventuele vervuiling
door centrales met duidelijke maatregelen moet aanpakken.
Ook hèt argument dat elektrificatie rendementsverliezen
geeft, is maar betrekkelijk, al zou er op dit punt veel kunnen

veranderen door bijvoorbeeld afvalwarmte te benutten,

zoals oyerigens al in de
Energienota
wordt voorgesteld.

In het kader van een integrale energie-economie zou de

elektrificatie dan ook meer aandacht verdienen. In andere
landen, zoals Duitsland en Frankrijk, wordt momenteel het

gebruik van elektriciteit in nieuwe wijken, vaak ook voor ver-

warming, sterk gestimuleerd.
Daarbij zal men de veiligheids- en risico-aspecten van alle

energiebronnen op gelijkwaardige wijze bij de vergelijking

moeten betrekken. In
Interformatie 4)
is onlangs aan deze
kant van de zaak aandacht besteed aan de hand van voor-

beelden die aansluiten bij wat hierboven is gezegd. Een groot
flatgebouw zou bijvoorbeeld minder aan explosiegevaar

zijn blootgesteld als de gastoevoer zich beperkte tot een korte
leiding naar een centrale installatie voor verwarming en
warmwatervoorziening, gecombineerd met elektrificatie van

de keuken. Hetzelfde geldt voor de energievoorziening van
woonwijken. Dit lijkt in strijd met het streven naar zuinig-
heid met energie, maar dat behoeft niet zo te zijn. Men moet,
aldus
Inierformatie,
de beide alternatieven, meer elektrische
centrales of meer gas, tegen elkaar afwegen rekening hou-

dend met de voorzienings- en veiligheidsaspecten, in plaats
van bijvoorbeeld de kernenergie eenzijdig uit risico-over-

wegingen uit te sluiten en over de risico’s verbonden aan het
alternatief te zwijgen. Nader onderzoek hierover lijkt

dan ook de moeite waard.

Mevrouw Epema-Brugman, lid van de Tweede Kamer voor

de Partij van de Arbeid, heeft in dit artikel aanleiding ge-

vonden de minister van Economische Zaken aandacht te

vragen voor het veiligheidsaspect van de keuze voor of tegen
bepaalde vormen van wijkverwarming. Zij maakte van de

gelegenheid gebruik de minister nog eens te wijzen op zijn
voornemen overleg te plegen met de gemeente Utrecht waar

de wijkverwarming van de nieuwe wijk Lunetten moest
wijken voor het belang van de gemeentekas bij de levering

van aardgas aan de nieuwe wijk 5).

Men zou nog op een ander punt kunnen wijzen. Als
een integratie van de verschillende deelonderzoeken betref-

fende de veiligheid en risico’s van olie-opslag, gastransport,

gasgebruik in de keuken, kernenergie enz. zou uitlopen op

een gunstiger beoordeling van de elektrificatie van het huis-
houden en een grotere prioriteit voor wij kverwarming, kon

dit wel eens invloed hebben op de prioriteiten bij de toe-

wijzing van aardgas, hetzij direct door de aantrekkelijkheid
van het vervoer naar de woning na omzetting in elektriciteit,

hetzij indirect door het reserveren van gas om eventueel uit

de elektrificatie voortvloeiénde rendementsverliezen op te
vangen. Daarmee zou de in de structuurnota zo gemakkelijk

U reageert op annonces

in ,,E.-S.B.”?

Wilt U dit dan steeds duidelijk

tot uitdrukking brengen?

bepleite toewijzing van aardgas voor grote nieuwe hoogwaar-
dige industrialisatieprojecten wel eens heel wat minder van-
zelfsprekend kunnen worden.

Kernenergie

Dat ook op dit punt de onduidelijkheid een rol speelt die
nog steeds heerst met betrekking tot de toepassing van de

kernenergie spreekt vanzelf. De minister houdt zich met dit

probleem bezig. Al jaren. De structuurnota beperkt zich op
dit punt tot een betoog dat niet veel meer zegt dan dat in

1977 beslissingen zullen worden genomen over een definitief

beleidsvoornemen in de zin van de planologische kern-

beslissingsprocedure. Men vergeet te vermelden dat de posi-
tieve kanten van de toepassing ervan (ruime reserves, minder

problematische elektriciteitsvoorziening, soelaas in de

groeisfeer) des te zwaarder wegen nu de zuinigheid op energie

bemoeilijkt wordt door de noodzaak hierop inbreuk te maken
uit werkgelegenheidsoverwegingen. Wel is uiteraard gewezen

op de tijd die gemoeid is met dergelijke beslissingen, maar als argumentatie voor het besluit een en ander aan een vol-
gende regering over te laten ondanks het belang van een

snelle beslissing is dat hoogst onbevredigend. De onduide-
lijkheid blijft; voor de industrie, die zich nota bene door

regering, parlement en progressieve zowel als behoudende
media gesteund zag toen zij besloot in deze sector een be-
langrijke activiteit te ontplooien, begint deze situatie lang-
zaam maar zeker funest te worden.

Dat de absolute omvang van de op fossiele brandstoffen
gebaseerde produktie van elektriciteit in verband hiermee niet

groter behoeft te worden dan oorspronkelijk werd voorzien
dank zij de geringere groei van het elektriciteitsverbruik is in

dit verband een misplaatste grap van de auteurs van de

structuurnota. Waar het om gaat is dat ook nu nog het te ver-
wachten toekomstig olieverbruik alle reden tot ongerustheid

en waakzaamheid geeft. Juist de situatie die aanleiding was

tot het schrijven van de structuurnota maakt het des te aan-
trekkelijker om de elders aangetaste besparingsmogeljk-
heden op te vangen met een nieuwe energiebron.

Als er niettemin aanvaardbare argumenten zouden zijn

om na de uitgestelde bescheiden aanloop een vraagteken te
zetten bij een grootscheepse toepassing van de kernenergie
zal ik de laatste zijn om te ontkennen dat men daar serieus
rekening mee moet houden. Er moet op dit punt snel duide-

lijkheid komen. Als blijkt dat de toepassing van de kern-
energie in het licht van onze huidige kennis en ervaring

aanvaardbaar geacht moet worden, kan verder uitstel de

schade alleen nog maar vergroten. De industriële belang-
stelling en activiteit op het gebied van de kernenergie in
Nederland zijn al bijna zo niet volledig om zeep geholpen.
Reden te meer voor
deze
regering om ons te zeggen wat
zij
nog aan dit urgente probleem denkt te doen, in plaats van zich
achter langzame procedures te verschuilen en de volgende
regering met de brokken op te zadelen.

Conclusies

Bij het bestuderen van de structuurnota komen zoveel
problemen op ons af dat het onzinnig zou zijn te trachten een
goed gestructureerd alternatief te geven voor de be-
schouwingen die vatbaar zijn voor kritiek. Dat neemt niet
weg dat de nota te gemakkelijk de ontspanning in de energie-

sector en de wat optimistischer kijk op de Club-van-Rome-

problematiek hanteert om bijvoorbeeld ruimte te scheppen

voor een ruimer industrieel gebruik van aardgas en voor het aantrekken van energie-intensieve industrialisatieprojecten.

!nierformatie,
le jrg. nr
. 10, juni 1976.
In,erJbrrnatie,
le jrg. nr
. II, juli 1976.

ESB 25-8-1976

805

Esb
In gezonden

De toestand van ‘s r

..

ijks financien (1)

PROF. DR. A. HEERTJE

In
ESB
van 7juli gaat Dr. Wolfson in

op de toestand van ‘s rijks financien.
Daarin verdedigt Wolfson het falende

financiële beleid in de volgende be-

woordingen:

,,Ook het accent op een structurele uitgaven-
expansie i.p.v. op conjunctuurstimulerende
programma’s buiten de begroting om was
rationeel, vanuit het inzicht dat aldus de
normale prioriteitenafweging het minst werd
doorkruist en vanuit de verwachting dat de
zich herstellende groei de dekking zou doen
inverdienen. Op dat laatste punt is het beleid
afgeknapt, het herstel van de groei bleef
langer uit dan aanvankelijk werd verwacht
en viel ook in omvang tegen. Maar onder de
toenmalige ondoorzichtige omstandigheden
lijkt het mij nog steeds een verantwoord bod
te zijn geweest: one down is good bridge, en de
minister van Financiën heeft een voor de
politiek ongebruikelijke en onvoldoende ge-
waardeerde blijk van sportiviteit gegeven door
in
Vri/ Nederland
ruiterlijk toe te geven dat
hij de beslissende slag niet heeft gemaakt.
Het gevolg is dat het kabinet nu de zware
gang terug moet gaan. Dat brengt ons op de
tweede vraag: is 1% (met alle hierboven
gereleveerde plussen en minnen) genoeg? Ik
geloof dat niemand dat
i’eet”.

Terecht

prijst Wolfson minister

Duisenberg, die zijn foutieve beoorde-

ling erkent en er de consequenties tot op
zekere hoogte uit trekt. Fraaier zou het

intussen zijn geweest, indien Wolfson

dit voorbeeld van de minister zou volgen
en de hand in eigen boezem zou steken.

In het goede gezelschap van Pen, Oort,
Koopmans en Pais heeft Wolfson
immers zelfs steun gegeven aan het sinds

1974 vigerende begrotingsbeleid. Door

nu van ,,toenmalige ondoorzichtige

omstandigheden” te spreken, wordt de
aandacht afgeleid van het gebrekkige
inzicht dat de toenmalige Nederlandse

economen in de situatie hadden. Zij
waren allen zozeer in de ban van de

Keynesiaanse benadering, dat zij on-
voldoende oog hadden voor de ont-

wikkelingen aan de aanbodzijde van het

economisch proces en voor de gevaren

van een onvoldoende dekking van de

sterke toeneming van de overheidsuit-
gaven. Het heeft weinig zin op deze

plaats en op dit moment, deze stelling

verder uit te werken, daar ik in oktober

1974 in dit blad een alternatieve visie op

het economisch proces heb ontwikkeld,
waarin met meer factoren dan die welke

in de Keynesiaanse analyse zijn be-

grepen, wordt rekening gehouden. On-
getwijfeld is dit artikel toen en nu aan de

aandacht van Wolfson ontsnapt.
Van meer belang is de toekomst. De

situatie dreigt zich te herhalen, daar

Wolfson opnieuw zegt ,,dat niemand het
wee!”.
Op die grond verdedigt hij de

1%-operatie. Nu is de mededeling dat

economische politiek moet worden ge-
voerd in een wereld van onzekerheid,

weinig opzienbarend. Het gaat er op-
nieuw om welke verzameling van fac-

toren de grondslag voor het beleid vormt.
In dit opzicht is sinds 1974 in zoverre
vooruitgang geboekt, dat het inzicht is

gerijpt dat de expansie van de publieke
sector haar natuurlijke grenzen vindt in’
de draagkracht van de particuliere sec-

tor. Terecht wordt nu dan ook het

accent gelegd bij het stimuleren van de

neiging van ondernemingen hun pro-

duktiecapaciteit uit te breiden 1). Toch

moet ernstig worden betwijfeld of vol-

doende tijdig en in voldoende mate het

roer wordt omgegooid. De mate waarin
minister Duisenberg nu monetair moet
financieren is m.i. onverantwoord en

dreigt het herstel dat zich elders duidelijk
aftekent, nog steeds uit te stellen, zoals

ook de recente werkloosheidscijfers’
illustreren. Laten wij nu toch eens

eindelijk erkennen dat wegens de ge-

voerde economische en financiële poli-
tiek de situatie in ons land aanzienlijk

slechter is dan elders. Terwijl in andere
landen de werkloosheid vermindert,
neemt deze hier onrustbarend toe. Zo-

lang wij de inflatie in stand houden blijft

‘dat zo. De overheid zal zelf een meer we-
zenlijke bijdrage tot het terugdringen van
de inflatie moeten leveren, zodat in de
particuliere sector weer de ruimte ont-

staat op een verantwoorde wijze de
investeringsactiviteit te hervatten.
Daarna kan de door waarderingsoorde-

len beheerste discussie worden begonnen
omtrent de maatschappelijk optimale
verhouding van publieke en particuliere

sector op lange termijn, maar nu kan al
worden vastgesteld dat de marges in de

economische politiek smaller zijn dan
men denkt en heeft gedacht.

1) Deze formulering legt het accent bij de
aanbodkant van de economie en niet bij de
vraagzijde, zodat foutieve Keynesiaanse con-
clusies worden vermeden.

Ook als de nood dwingt tot een dergelijke inbreuk op de

oorspronkelijke plannen voor een energiebeleid zou ik daar-
bij graag wat meer tranen zien vloeien, al was het alleen maar

om te voorkomen dat we de problemen in de energiesector
gaan verwaarlozen en om te bereiken dat wij ons des te

serieuzer bezighouden met de concrete vraag hoe we toch tot

energiebesparingen kunnen komen die hout snijden.
De ontwikkelingen die aanleiding waren tot het schrijven

van de structuurnota zouden dan ook te meer moeten dwin-
gen snel voortgang te maken met het concretiseren van een

energiepolitiek.
Een belangrijk punt verdient tot slot nog te worden aan-
geroerd. De lezer van de structuurnota ontkomt niet aan de

indruk, dat wordt doorgeborduurd op het oude principe

dat de bedrijven en lagere overheden onder het toezicht
van de regering hun eigen gang kunnen gaan. Juist in de

energiesector is een slagvaardig beleid alleen mogelijk als er

op dit punt een grote schoonmaak wordt gehouden. Wijk-
verwarmingsprojecten, belangrijk uit een oogpunt van
energiebesparing en/of veiligheid, stranden op de belangen
van de gemeentekas. Ik noemde hierboven in dit verband

al de Utrechtse wijk Lunetten; ook in Zwolle dreigt een wijk-

verwarmingsproject de mist in te gaan omdat de aanloop-
kosten te hoog zouden zijn. Zolang de chaos op dit gebied
voort blijft duren, zal het moeilijk zijn centraal een energie-
beleid te voeren’ dat het juiste midden houdt tussen energie-

besparing en selectieve industrialisatie.
A. A. de Boer

806

ESb
In gezonden

De toestand van ‘s rijks financiën (11)

PROF. DR. H. W. J. BOSMAN

Prof. Wolfson heeft met zijn artikel

,,De toestand van ‘s rijks financiën”
(ESB 7
juli
1976)
die velen een dienst
bewezen, die het recente Kamerdebat

over het financieel-economisch rege-
ringsbeleid slechts met moeite uit de
persverslagen konden reconstrueren,

doch die de moed misten om de
Hande-
lingen
van de Tweede Kamer door te
nemen. Meer als commentaar dan als

kritiek zou ik een aantal opmerkingen

willen maken, waartoe het artikel van
Wolfson mij inspireert en waarover ik
graag zijn mening zou vernemen.
1. De eerste vraag, die de auteur stelt

na zijn overzicht van de deelproblemen

te hebben gegeven, is: Hoe is het ooit

zover gekomen? Ik ben het met hem eens,

dat niemand eind
1973
de diepte en duur
van de mondiale inzinking heeft kunnen

peilen en dat het toen dus begrijpelijk
was, dat men de buitenlandse vraaguit-
val door stimulering van de binnen-
landse bestedingen heeft willen com-

penseren. Met dit conjuncturele aspect
ga ik akkoord en ik zal de laatste zij

om nu precies aan te geven hoe ver de

regering daarmee had moeten gaan.
Maar voor mij weegt de structuurcom-
ponent veel zwaarder. Op dit punt zegt

Wolfson betrekkelijk weinig. Ik zeg

ervan, dat het mij onbegrijpelijk voor-

komt, dat wij eerst thans met de eerste
aanzet voor maatregelen ter zake wor-den geconfronteerd. De bedrijfsrende-

menten dalen al sinds jaren en het
Centraal Planbureau wijst al geruime

tijd op de gevolgen daarvan voor de

investeringen. Weliswaar is de meer
modelmatige samenhang tussen die in-

vesteringen en de arbeidsplaatsen van

recente datum, doch in meer algemene

zin was die relatie toch al eerder duide-
lijk. En het is evenmin nieuw, dat de

Nederlandse burger in feite niet bereid
is te betalen voor de door regering en

parlement vastgestelde collectieve voor-

zieningen, inkomensoverdrachten en

sociale zekerheid. Dit is met name

door de werkgeversorganisaties reeds

jaren geleden naar voren gebracht en
het blijkt duidelijk uit het feit, dat de
toename van de som van beschikbaar
loon, belastingen en sociale premies
steeds maar weer boven de stijging van de
produktiviteit uitging.

Kwalitatief i.p.v. kwantitatief

2.
Over de 1%-operatie stelt Wolfson
terecht, dat het politiekewaarde-oordeel
straffeloos in de plaats treedt van de

economische analyse. Hij noemt de ver-
schillende bedragen, die men wil om-

buigen en ik ben het volmondig met hem
eens, dat we de exacte verbanden eigen-

lijk niet weten. Dat gegoochel met cijfers
verbaast mij vaak: alsof we naar believen

het een of het ander kunnen doen. Ik
zou willen pleiten voor een meer kwalita-

tieve en minder kwantitatieve aanpak
dan in Nederland gebruikelijk is gewor-
den. Ik bedoel het volgende. Alle be-

oefenaren van de openbare financiën
(ik herinner mij in het bijzonder uit-

latingen van mijn Tilburgse collega
Stevers, maar hij stond daarin niet

alleen) hebben gesteld, dat het een
politiek belangrijke en soms lastige zaak

was om een nieuwe overheidsuitgave
op de begroting te krijgen, doch dat

daarna de verdediging veel minder

sterk behoefde te zijn, want dat een

eenmaal opgevoerde uitgave er niet

gemakkelijk meer afging, doch een eigen
leven ging leiden en niet meer regelmatig
tegenover andere uitgaven werd afge-
wogen. Het is dit proces, dat doorbroken
moet worden. Ik zie niet in, waarom

juist alles wat bij de 1%-operatie
,,bezuinigd” moet worden,
niet
essen-
tieel is en wat kan blijven en dus door-
groeien,
wel
onvermijdelijk is.
Ik zou er voor willen pleiten, dat

sector voor sector van overheidszorg

onder de loep wordt genomen, zoals

Prof. Halberstadt dat terecht bepleit
voor de sociale verzekering
(NRC Han-
delsblad,
rubriek Kijk op de economie,
10 juli jI.). Daarbij moet de vraag

centraal staan: Zoals deze sector zich nu
ontwikkeld heeft, was dat werkelijk de

bedoeling? Is het bijv. zo, dat de uit-
keringen krachtens de Bijstandswet

alleen ten goede komen aan mensen, die

het hard nodig hebben, is het redelijk, dat

ambtenaren en daarmee gelijk gestelden

een zekerheid en een welvaartsvast

pensioen hebben, waar anderen niet aan

kunnen tippen. Zouden we ons onder

wijs, als we opnieuw zouden moeten

beginnen, weer net zo organiseren als
thans het geval is? Reeds in
1967
werd

vanuit de Tweede Kamer verzocht om de

instelling van deskundigengroepen om

het uitgavenbeleid op onderdelen door
te lichten. Drs. H. Notenboom, KVP-lid

van de Tweede Kamer, die dit en andere

aspecten van het begrotingsbeleid kort
geleden analyseerde, wees er in zijn
artikel op, dat het resultaat van deze

groepen tegenviel en dat morele steun
uit het parlement nagenoeg had ont-

broken (H. Notenboom, De voor-

geschiedenis van de uitgavenombuiging,
Politiek Perspectief:
maart! april
1976).
Zou een dergelijk onderzoek in het licht
van de momentele situatie niet opnieuw
geprobeerd moeten worden?

Helaas bieden onze instituties niet

voldoende mogelijkheden om concrete

voorstellen tot wijziging van het beleid

op hun merites te toetsen. Dient men de

VVD-voorstellen niet stuk voor stuk te

bezien op hun gevolgen, ook voor de

inkomensverdeling, juist omdat zij zo-
veel afwijken yan de regeringsplannen?
Men zal pas werkelijk kunnen kiezen
als men in alle grote sectoren van het

beleid het noodzakelijke minimum heeft
losgemaakt van datgene, dat ook zou
kunnen vervallen. Ik pleit niet voor dat

,,laten vervallen”, maar voor een wel-

bewuste keuze, rekening houdend met

wat de burger nog wil opbrengen. In-

vloeden op de werkgelegenheid door ver-
schil in arbeidsintensiteit, zoals door

collegae Van den Doel en Driehuis be-

klemtoond, dienen daarbij hun eigen
plaats te krijgen. Ik denk, dat de

Stichting voor Onderzoek van Over-

heidsuitgaven hier uitermate nuttig werk
zou kunnen verrichten. Een opdracht
in deze zin zou een veelvoud van het
daarin te steken geld opbrengen!

Alternatieven

3.
Wat de structurele uitgavenexpansie

betreft, meent collega Wolfson, dat in

de ,,toenmalige ondoorzichtige omstan-
digheden” het .,bod” van het kabinet ver

antwoord is geweest en hij wijst op de
•sportiviteit van minister Duisenberg,
die in
Vrij Nederland
heeft toegegeven,
,,dat hij de beslissende slag niet heeft

gemaakt”. Ook ik waardeer het, dat deze
minister regelmatig en openhartig voor

ESB
25-8-1976

807

zijn mening uitkomt (en ik waardeer het

bijzonder, dat hij met name zijn partij-
genoten af en toe waarschuwt als deze

niet verantwoorde dingen zeggen of

doen), maar of de minister in dit geval

zo sterk staat, betwijfel ik toch. De

bedoelde uitlating in
VN
was, dat

minister Duisenberg, als hij alles had

geweten, de overheidsuitgaven niet zo

sterk had laten uitdijen. Nu kent men de
toeneming van het reële nationale in-

komen uiteraard nooit precies en het is

daarom zaak niet op een te hoge stijging
te mikken. Waarom niet enkele alterna-

tieven door het Planbureau laten ont-

wikkelen en daarbij de overheidsuit-

gaven aanpassen? Uiteraard moet er in de begroting een concrete reeks cijfers

staan en daarvoor kan men dan het

voorzichtigste alternatief nemen met de

mogelijkheid van expansie als het na-

tionale inkomen dat mogelijk maakt.

Maar volgens de uitlating van Duisen-
berg was dus een minder expansief uit-

gavenbeleid mogelijk geweest. Mijn

kritiek is, dat hij dat beleid dan had

moeten toepassen, omdat de uitgaven al
zo hoog zijn, dat elke winst aan
manoeuvreerruimte welkom was ge-

weest. Thans terugdringen (de 1%-opera-
tie) is veel moeilijker dan de pas in-

houden en eventueel verruimen als de
mogelijkheden alsnog aanwezig zouden

blijken te zijn.

4. Volgens Wolfson zal het financie-

ringstekort op kasbasis in 1976 oplopen

tot 8 â 9% van het nationaal inkomen
,,om daarna geleidelijk te dalen tot
5%
in 1980″. In het afgelopen decennium

bedroeg dit tekort 3 â 5% van het na-

tionaal inkomen. Het is ongetwijfeld

mogelijk om een cijferreeks te ontwer

pen, waaruit de teruggang van 8 â 9 tot

5%
blijkt, maar dat in 4 jaar tijds een zo
grote verandering zal kunnen optreden,
moet ik nog zien. Als het nationale in-
komen sterk stijgt zullen de belasting-

opbrengsten meer dan evenredig toe-

nemen, al is dat door de toegenomen
nivellering weer minder het geval dan
voorheen. Maar hoe zal men in zo’n

hoogconjunctuur de uitgaven in toom houden? Stijgt het nationale inkomen

niet sterk, dan zal er een sterke aandrang

op de overheid worden uitgeoefend om

uitgaven te doen ten einde ,,een stuk

werkgelegenheid” veilig te stellen.

Collega Wolfson schrijft zelf dat een

Nederlandse regering nog nooit zulke

risico’s heeft genomen op monetair ge-
bied. Die risico’s acht hij aanvaardbaar
,,onder de huidige uitzonderlijke struc-
turele omstandigheden”, mits alles in

het werk wordt gesteld om ook budget-

tair zeer snel te kunnen ingrijpen als de
bestedingen uit de hand lopen. Die

huidige uitzonderlijke structurele om-
standigheden duren naar mijn mening
al een paar jaar, maar ik ben bijzonder
benieuwd naar dat snelle ingrijpen als de
bestedingen uit de hand lopen. Wolfson
heeft nog recentelijk in de keuken

kunnen kijken en ik geef mijn mening

dus graag voor een betere, maar een reële vermindering van uitgaven ten

opzichte van de aangenomen begroting

op korte termijn, acht ik onmogelijk.
Het is dunkt mij in het huidige maat-
schappelijke klimaat niet doenlijk om

bijv. het welzijnswerk of de defensie of

het onderwijs in betekenende mate terug

te dringen. Wel op lange termijn na een
analyse en afweging van doelstellingen

en instrumenten, zoals ik eerder be-

pleitte, maar dat is niet wat Wolfson
bedoelt.
5.
Prof. Wolfson put ten slotte moed
uit het feit, dat het begrip voor de nood-

zaak van de ombuiging veel sneller is

gegroeid dan tijdens de Miljoenennota

verwacht werd. Die les put hij uit het

kamerdebat. Dat zegt mij bijzonder
weinig. De kamer had nauwelijks ge-

legenheid om de zaak voor te bereiden
en had nog een groot aantal andere zaken

tegelijk te behandelen. Bovendien is de

aanvaarding door de kamer helaas niet
het belangrijkste. Hoe zullen de pressie-

groepen in onze volkshuishouding
reageren? De reactie van verschillende

ambtenarenbonden was uitermate af-
wijzend. En hoe lang zal het duren voor-

dat alles wettelijk in kannen en kruiken

is? Het kabinet heeft zoveel naar zijn
laatste jaar geschoven, dat dit alleen al

een knelpunt zal worden.

H. W. J. Bosman

Naschrift

Eerst maar even over die hand die Dr. Heertje mij in eigen boezem wil

laten steken. Ambtenaren dienen hun
minister en zijn voor de rest onzicht-

baar. Daarmee verdraagt zich niet dat
zij, eenmaal ambtenaar-af, eer opeisen

of schuld erkennen voor wat er goed of
fout gegaan zou zijn. Wat betreft mijn

ambtelijk verleden houd ik me daaraan.
Van meer belang is de toekomst, zegt

Heertje, en vrij vertaald gaat hij dan

voort met uit te leggen dat, hoewel er bij

anderen sinds 1974 inzichten zijn gerijpt,
het bij mij nog steeds schemert. Daar kan

ik op antwoorden.

In de economische politiek hebben we
niet genoeg aan het begrijpen van
theoretische samenhangen, we moeten

de lessen die we daaruit trekken nog
maatschappelijk aanvaard kunnen krij-

gen ook. Gelijk hebben is nog geen ge-
lijk krijgen. Die aanvaarding blijkt mak-

kelijker te gaan naarmate de bewijs-
kracht van een — altijd hypothetische –

samenhang door successievelijke empi-
rische verificaties gestaafd wordt. Er

ontstaat dan een situatie waarbij de

marges waarbinnen je in redelijkheid met
elkaar van mening kunt verschillen
gering zijn.

Maar aan die verificatie schort het
nog. In de laatste tien jaar hebben we

allemaal kunnen zien hoe mondiaal een

steeds voortschrijdende machtsconcen-
tratie op nagenoeg alle markten het

aanpassingsmechanisme verstarde ter-

wijl een golf van intolerantie de onder-

handelingstafels op scherp stelde. Daar-

naast groeide allerwegen het relatieve

beslag van de collectieve sector op het

nationale inkomen sneller dan de maat-

schappelijke bereidheid een hogere
collectieve lastendruk te aanvaarden,

waardoor het collectieve besluitvor-

mingsproces meer en meer medever-

antwoordelijk werd voor de kosten-
inflatie.

Aanbodzijde

Voor Nederland komt Heertje inder

daad de eer toe dat hij al bij de bespre-
king van
de
Mijoenennoia 1975 op

indringende wijze het belang van een
zuivere analyse van de aanbodzijde en

het gevaar van een door de overheid

gestimuleerde lastenafwenteling voor

werkgelegenheid en prijsontwikkeling
op tafel heeft gelegd. Ook het kabinet

geeft blijk lessen te willen trekken uit de

veranderde economische toestand. Het
staat daarbij evenwel voor de noodzaak

steun te verwerven bij een door ,,con-

ventional wisdom” beheerste achterban.
Een oud probleem: ook de Keynesiaanse

theorie vond met vertraging zijn aan-

vaarding buiten de academische wereld.
We mogen stellen, dat de patiënt zijn
ziekte onderkent, maar een medicijn

met onaangename bijverschijnselen niet
van harte slikt zolang Dr. Heertje niet

kan aangeven met hoeveel maal daags

een lepel het gewenste resultaat intreedt.
Dat is het verschil met de vrij redelijk gespecificeerde modellen van vroeger

en dat verruimt de marges voor een
verschil in beoordeling. Ik moet nu toch

wel even de twee zinnen herhalen die
onmiddellijk volgden op het citaat dat

Heertje gaf:

,,Na alle conjuncturele onzekerheid zijn ons
de laatste jaren ook onze structurele zeker-
heden ontnomen. De Keynesiaanse receptuur
voldoet niet meer en in plaats daarvan weten
we
wel
dat loonkostenmatiging tot behoud of
zelfs toeneming van arbeidsplaatsen leidt,
maar
nie,
hoe precies de kwantitieve verban-
den liggen”.

Deze twee zinnen verduidelijken mijn
beroep op onzekerheid; zij verduide-

lijken wat ik niet wist en ook van Heertje

niet aan de weet heb kunnen komen. Het
gaat er immers opnieuw om, welke ver-
zameling van factoren de grondslag voor

het beleid vormt. Die factoren worden

niet alleen bepaald door de economische
theorie, maar ook door de politieke

praktijk. Er zijn er drie. In de eerste
plaats het theoretisch inzicht dat beper-

king van het beslag van de collectieve

sector op het nationale inkomen een
noodzakelijke, maar geen voldoende

voorwaarde is voor het herstel van de

808

investeringsactiviteit. En hiermee komen

we op de moeilijkheden bij het vinden
van een maatschappelijke aanvaarding

van de politieke bijverschijnselen van het

ombuigingsbeleid.
Iedere gulden ruimte die onder knar

sing van rode tanden wordt vrijgemaakt,

verhoogt de druk op de vakbewegingom

zich, tussen de vuren van de eigen achter-

ban en van dreigende wilde acties, tegen

de nullijn te verzetten. De vakbeweging

herinnert zich de rekening in termen
van gezichts- en ledenverlies van haar ál
te dociele medewerking aan een lage ar-

beidsinkomensquote vôôr de looncrisis
van 1963. Anders gezegd: meer ruimte
maakt een loonmaatregel moeilijker en
minister Boersma is toch al geen lief

hebber, zoals we ten tijde van het

kabinet-Biesheuvel al konden zien.
Smalle marges

Maar ook al zou het kabinet een
grotere ombuiging in een grotere mati-

ging ten behoeve van het overig inkomen

kunnen vertalen, dan rest nog de derde

horde: er zijn veel minder redenen dan in

de jaren 50 en 60 waarom betere rende-
menten ook tot meer arbeidsplaatsen in
Nederland zouden moeten leiden. Con-
cluderend moeten we erkennen dat noch

werknemers, noch werkgevers – ieder

voor zich om misschien begrijpelijke,
maar daarom nog niet vergeeflijke

redenen – de regering veel ruimte bieden

voor het voeren van een beleid waar
beide sociale partners constructief op in kunnen spelen. Op de oude koers liepen
we aan de grond, dat ben ik met Heertje
eens. Maar ook de marges voor koers-

verandering
zijn smal.

In deze wat uitvoerige verduidelijking

zitten al enige elementen voor een reactie

op de eerste en derde vraag die collega

Bosman aan de orde stelt. De Kamer

steunt of gedoogt in meerderheid de
hoofdlijnen van het kabinetsbeleid en
daarmee is de doelstellingsfunctie een
gegeven. Gegeven die programgrond-

slag en de daaruit voortvloeiende af-
spraken konden we aanvankelijk reke-
nen op een jaarlijks met ca. 1,3% van het

nationale inkomen toenemend beslag
van de collectieve sector. Dat werd bij
het optreden van het kabinet draagbaar

geacht (dat was het misschien niet, maar

dan komen we weer aan de grondslag).
De vraag is of de tering tijdig naar de

nering gezet werd. Het kabinet, dat een

slagvaardig conjunctuurbeleid heeft

gevoerd, heeft de kat structureel uit de
boom gekeken. Uit angst zijn program te

verloochenen door te vroeg te snijden,

heeft het een structureel voorschot op

het conjunctuurherstel genomen. Die

vlieger ging niet ver genoeg op, de

waarschuwingen van de majorerende

werkgevers werden te sterk gediscon-

teerd 1). Met een beetje minder pech was
het een huzarenstuk geworden: politiek

is een hard vak. We hebben kostbare tijd

verloren, maar Heertjes bewering dat de

situatie in ons land aanzienlijk slechter is
dan elders komt mij toch te veel uit de

vrije hand: ik kan er bijv. in de juist ver

schenen Economie out/ook
van de

OESO geen bevestiging voor vinden,

zolang we Duitsland niet als enige

vergelijkingsmaatstaf nemen. En ook

al wil het nog niet erg met de prijzen en

de werkgelegenheid, de zorgen van de
dag moeten ons niet uit het oog doen ver-
liezen dat de erkenning van de noodzaak

een ander beleid te voeren een eerste en
belangrijkste voorwaarde schept voor
het herstel van de investeringsneiging
ineendaartoe nog steeds gunstigarbeids-
klimaat.

Procedure-rationaliteit

Ook de tweede en vierde vraag die

Bosman opwerpt, zijn van groot belang.
Voor de door hem bepleite verbetering

van de procedure-rationaliteit zijn in de
literatuur onderde noemer van de pro-
grammabudgettering talloze voorstellen
gedaan die echter in de praktijk nergens

de verhoopte resultaten hebben opgele-
verd. En bij een zich op noninterventie

richtend coalitiegedrag zijn die resultaten
nog niet eens te verwachten ook. Als

we ons eens afvragen hoeveel mensen

nu werkelijk van een open Ooster

schelde zouden gaan genieten (onder

aftrek van het motorbotenvolk dat niet
weet wat open of dicht is) komen we

waarschijnlijk terecht bij een handjevol

zeezeilers en wat watervogelkijkers en
derhalve bij een gigantisch meerkosten-

bedrag per hoofd van dat elitaire groepje.

Niettemin sleepte minister Westerterp

het erdoor zonder dat dit soort vragen
gesteld werden. Waarom? Omdat de

progressieven en met name de milieu-

vriendelijke PPR nog een spectaculaire

kluif moesten hebben voordat het slechte
nieuws van de ombuigingen aan de orde
kwam? Mij wordt dan altijd uitgelegd
dat dit nu politiek is. De oplossing die

we hier, zoeken is een budgettaire Steen
der Wijzen. Buitenstaanders als het

Instituut voor Onderzoek van Over-

heidsuitgaven – dat veel meer opdrach-
ten zou moeten krijgen voor minder

gevoelige zaken, die suggestie neem ik

graag van Bosman over – kunnen op dit
soort situaties nauwelijks invloed uit-

oefenen.

De meest voor de hand liggende be-

nadering is een redres van de steeds
verder uiteenlopende deskundigheids-

verhouding parlement/regering +
ambtelijk apparaat. Maar hoe? Niet

door wat meer ongestructureerde fractie-
assistenten -zonder-opsporingsbevoegd-

heid. Door de doelmatigheidscontrole

van de Rekenkamer uit te breiden en

meer naar een ex ante toetsing te streven?

(Het parlement van de staat Californië
kent een onafhankelijk Office of the

Legislature’s Joint Budget Committee

Analyst dat alles met een technocratisch

oog doorlicht voordat het in behandeling

komt). Of door meer openbaarheid van
bestuur? (Zit zo vast als een huis). Vraag

op vraag dus, maar Bosman heeft gelijk

dat we, met name in de sociale zeker-
heid, van de nood een deugd moeten

maken en het hele stelsel kritisch be-
zien. Daar is men ook mee bezig. In dit

verband wil ik wel kwijt dat wie parle-

mentaire controle op de uitgaven een
goed hart toedraagt het moet betreuren,
dat de motie-Van der Mei, die de
regering uitnodigde tijdig aanvullende

ombuigingsvoorstellen met betrekking

tot de collectieve uitgaven voor te berei-

den voor het geval de economische groei
zou achterblijven bij de verwachtingen,

om zeep werd gebrach door de VVD

die deze CDA-eerstgeborene het levens-
licht niet gunde. Op die manier kreeg het

kabinet het al te makkelijk. Het parle-

ment schiet in verantwoordelijkheid
te kort als het niet voortdurend aan de

hand van de feitelijke ontwikkeling

blijft toetsen of de infiatierisico’s die

het kabinet neemt binnen aanvaardbare

proporties blijven.
Afgezien van deze schoonheidsfout

hecht ik inderdaad meer waarde aan de
uitslag van het debat dan Bosman. Al
had de Kamer dan te weinig tijd, de

hoofdlijn van het kabinetsbeleid kwam
niet als een verrassing en daaraan is

ondubbelzinnig steun verleend in het

kennelijke vertrouwen dat als het puntje
bij het paaltje komt de aansluiting met

de achterban niet verloren zal gaan. Die
achterban is het laatste jaar al sterk bij-

gedraaid. Het is nu zaak voet bij stuk te
houden.

D. J. Wolfson

1) Dit klinkt wel wat facile, maar ik geloof
– nogmaals – dat het trauma van het des-
tijds betoonde te veel aan égards voor het
overig inkomen diepe littekens van wan-
trouwen achtergelaten heeft in linkse kringen.
En de reactie ten principale van werkgevers
op plannen om de overwinst die bij matiging
zou Ontstaan te delen heeft dat oude zeer on-
getwijfeld weer verhevigd.

Met ESB een beter economisch-politiek inzicht

ESB 25-8-1976

809

Groeinorm en groeivoet

DR. S. HUISMAN

In dii artikel berekent Dr. S. Huisman, lector

economie aan de Vrije Universiteit te ,4mster-

dam, welke gevolgen verschillende normen

voor de groei van de collectieve bestedingen –

geëxirapoleerd beleid, Duisenbergs 1%-norm en

de RBA/CDA-norm – hebben voor de groei-

voet van het nationaal inkomen en welke ruimte

voor de particuliere bestedingen resulteert.

Onmiddellijke vervanging van geëxtrapoleerd
beleid door de Duisenberg-norm betekent, dat

in 1980 de bestedingen in de collectieve sfeer

2,1% lager, maar die in de particuliere sfeer

14,8% hoger liggen. Deze bijdrage van Dr. Huis-

man s/uit aan op een eerder artikel van zijn hand

in
ESB
van 3 maartj/., waarin de één-procents-

norm van Duisenberg aan een cijferma lig onder-

zoek werd onderworpen.

Inleiding*

In ons artikel van 3 maartjl. in
ESB
onderwierpen wij de
1%-norm van Duisenberg of D-norm aan een nader onder-
zoek. Deze norm vormt de basis van de recente beleidsom-
buiging, waarbij de regering f. 10 mrd. minder wil besteden

in de periode 1977-1980. Bij ongewijzigd beleid zou het aan-
deel van de collectieve bestedingen in het nationaal inkomen
elk jaar met 1,75 procentpunt toenemen, maar volgens Dui-
senbergs norm mag dit slechts met 1,0 procentpunt zijn. Op
deze manier bespaart de regering in vier jaren 3,0 (=
4
x
1,75 —4 x 1,0) procentpunt. Bij een nationaal inkomen van
f. 330 mrd. in 1980 komt dit neer op ca. f. 10 mrd. in guldens

van 1980, zijnde 3% van f. 330 mrd. De regering heeft inmid-

dels een pakket ombuigingsvoorstellen op tafel gelegd van
f. 8,8 mrd. in guldens van 1980.

Ook Duisenbergs
1%-norm
betekent dat er overheveling
van bestedingen plaatsvindt van de private naar de collectieve
sfeer, en wel ter grootte van 1% van het nationaal inkomen.
Het aandeel van de collectieve sector in het nationaal in-
komen neemt van jaar tot jaar toe met 1,0 procentpunt en
het aandeel van de particuliere sector daalt dienovereen-

komstig met 1,0 procentpunt. Deze groei van de collectieve bestedingen is een gevolg van
interne
oorzaken. Wij zullen
dit de
groeinorm
noemen.

Daarnaast groeien zowel de bestedingen in de collectieve
sfeer als die in de private sfeer ten gevolge van
externe
oor-
zaken, nI. door een stijging van het nationaal inkomen. De

relatieve toeneming van laatstgenoemde variabele heet de
groeivoet.
Van belang is de constatering dat de collectieve
sector twee positieve effecten ondervindt, te weten een groter

aandeel en groei, terwijl de particuliere sector te maken heeft

met twee tegengestelde effecten: een geringer aandeel en groei.

Van bijzondere betekenis is het voor de volkshuishoudïng

wanneer deze twee laatste effecten in omvang dezelfde zijn.
De particuliere sector heeft dan zijn
nullijn
bereikt.

Probleemstelling

Met behulp van enkele eenvoudige formules lichtten wij in
ons eerdergenoemde artikel een en ander toe. In deze

formules kwamen zowel de groeinorm als de groeivoet voor,

ofschoon wij niet op hun onderlinge samenhang zijn inge-
gaan. Wij volgden toen meer de methode van de
afwisselende
abstractie.
Thans hanteren wij eerder de methode van de
afnemende abstractie
door stil te staan bij het verband
tussen de groeinorm enerzijds en de groeivoet anderzijds.

Eigenlijk gaat het om de relatie tussen het collectief beslag

op het nationaal inkomen en de groeivoet van het nationaal
inkomen, zoals David Smith doet in zijn artikel
Public
consumplion and economic performance
1). Hierin komt hij
tot de conclusie dat voor het Verenigd Koninkrijk een stijging

van het aandeel van de consumptieve overheidsbestedingen
(dus exclusief overdrachtsuitgaven) in het nationaal inkomen

met 1,0 procentpunt leidt tot een daling van de investerings-
quote met 0,94 procentpunt, terwijl een daling van de in-

vesteringsquote met 1,0 procentpunt leidt tot een daling
van de groeivoet van het nationaal inkomen met 0,13 â 0,23

procentpunt 2). Een eenvoudige rekensom leert ons dat een stijging van de overheidsconsumptie als percentage van het

nationaal inkomen met 1,0 procentpunt leidt tot een daling

van de economische groei met 0,12 â 0,22 procentpunt.
Wanneer dus de consumptieve overheidsbestedingen een
groter deel gaan uitmaken van het nationaal inkomen, neemt
de groeivoet van het nationaal inkomen af. De gedachte die hierachter zit is dat overheidsconsumptie de plaats inneemt
van bedrijfsinvesteringen. Deze geringere accumulatie van
de kapitaalgoederenvoorraad vertraagt de groei van het

nationaal inkomen. Het artikel eindigt met: ,,as a simple rule
of thumb to concentrate the mi, it be assumed that each
5
per cent increase in the share of national disposable income

absorbed by direct state consumption (on the narrow defini-
tion excluding transfer payments) implies 1,0 per cent drop in
growth rate”.

* De auteur is dank verschuldigd aan Drs. B. Compaijen, Weten-
schappelijk medewerker aan de Faculteit der Economische Weten-
schappen van de Vrije Universiteit te Amsterdam, voor zijn commen-
taar op het manuscript.
t) D. Smith, Public consumption and economie performance,
Quarterty Review,
National Westminster Bank, november
1975,
blz.
17-30.
2) Aangezien de marginale kapitaalcoëfficiënt gelijk is aan de
investertngsquote gedeeld door de groeivoet, zou de
conslanle
waarde van deze kapitaalcoëfficiënt gelijk zijn aan
4,3 â 7,7.

810

Aangezien de relatie die Smith blootlegt niet bekend is
voor Nederland, zullen wij ons moeten behelpen. Zo blijkt

uit recente onderzoekingen voor ons land dat een lagere

groeinorm gepaard gaat met een hogere groeivoet, en omge-

keerd. De collectieve sector ziet zich dus geplaatst voor het
probleem van de
intertemporele substitutie.
Een hoge groei-
norm en een lage groeivoet, of omgekeerd: een lage groeinorm
en een hoge groeivoet. In het laatste geval stijgen de

collectieve bestedingen in het heden en de nabije toekomst
minder snel vanwege de lage groeinorm, maar in de verre

toekomst veroorzaakt de hogere groeivoet juist een snellere

stijging van de collectieve bestedingen. Hier manifesteert zich

het verschijnsel van de intertemporele substitutie. Men ziet
af van
huidige
collectieve bestedingen om in de plaats daar-
van over meer
toekomstige
collectieve bestedingen te be-

schikken. De substitutie van huidige door toekomstige
collectieve bestedingen hebben wij in figuur
1
in beeld ge-
bracht.

Figuur 1. Verloop van de collectieve bestedingen

collectieve

bestedingen

c
c

rm

ivoet

)rm
ivoet

0

T

tijd

Op tijdstip T is het niveau van de collectieve bestedingen

volgens beide groeipaden gelijk. Het gearceerde oppervlak

tussen de groeipaden C
0
R C en C
5
R C’, begrensd door de

punten C
0
en R, weerspiegelt de ,,opportunity costs”, die na

tijdstip T moeten worden goedgemaakt 3). Het verschijnsel

van intertemporele substitutie zal ons op zich niet onbekend
zijn. Inwoners van Oosteuropese landen worden tot op heden
met dit verschijnsel geconfronteerd, terwijl ons land in de
herstelperiode na de tweede wereldoorlog er eveneens mee

te maken had. Thans lijkt het alsof het kabinet-Den Uyl
voor een gelijksoortig keuzeprobleem staat ten aanzien van

de collectieve bestedingen 4). Met de woorden van
MEV

1980 5) sprekend: ,,Dynamisch, in de loop van de tijd gezien,
is er dus van ‘inverdienen’ sprake”. Juist over dit ,,inver-

dienen”, waarbij het gaat om de afweging tussen groeinorm
en groeivoet, koesteren wij twijfel.

Groeivergelijking

Wij definiëren de symbolen als volgt:

y = reëel nationaal inkomen;
c = collectieve bestedingen;

a = collectief beslag op het nationaal inkomen;
= trendmatige groeinorm; g = groeivoet van het nationaal inkomen;

t = tijd.

Door middel van deze symbolen kunnen wij aangeven hoe

de collectieve bestedingen zich in de loop van de tijd ont-
wikkelen:

ct = (a
0
+ta)y
0
(l+
g
)t

(1)

of:

c=a
0
y
0
(l+

t)(l+g)
t

(2)
a
0

Uit vergelijking (2) blijkt dat de bestedingen in de collec-

tieve sfeer (a
0
y
0
) onderhevig zijn aan twee soorten groei:

lineaire groei 11
+(a/a
0
)t} en
exponentiële groei
(I+
g
)t.

Wij constateerden reeds dat ,,inverdienen” neerkomt op de

afweging tussen groeinorm en groeivoet. Overgezet in verge-

lijking (2) betekent dit de afweging tussen lineaire en ex-

ponentiële groei.

Berekening: collectieve bestedingen

Uit
MEV
1980
en
Perspectief ’80
6) van de acht centrale

werkgeversorganisaties, samenwerkend in de Raad van

Bestuur in Arbeidszaken (RBA), kunnen wij de volgende

drie beleidsalternatieven distilleren. Aangezien RBA en
Christen Democratisch Appel (CDA) 7) nagenoeg dezelfde

norm hanteren, resp. 0,6 â 0,7% en 0,7%, vatten wij hun

beleidsalternatief onder één hoofd samen. Zo komen wij in
tabel 1 tot de volgende alternatieven voor de periode 1975-
1980.

Tabel 1. Beleidsalternatieven

Beleid
Geëxtrapoleerd
1

Duisenberg-
RItA/CDA-
beleid
norm norm

Groeinorm in
1 1
1,75
1

1,0
0.7
procentpunten
i
Groeivoet in
t
3,2
1
4,0
4.3
procenten
J
1

Als wij y
0
op lOO stellen dan is het collectieve beslag op
het nationaal inkomen op tijdstip 0
(ae)
het enige gegeven dat
ontbreekt. Compaijen en Van Til merken in hun onlangs

verschenen boek 8) op dat men de relatieve omvang van de collectieve sector op drie manieren kan bepalen. Er zijn nI.

drie soorten criteria: produktie, uitgaven en ontvangsten. Wij
nemen de overheidsuitgaven of collectieve bestedingen en
stellen die voor 1975 op
55%
van het nationaal inkomen.
De
zuivere
particuliere bestedingen
zijn
dan gelijk aan 45%
van het nationaal inkomen. Hieruit mogen wij evenwel niet
de conclusie trekken dat de overheid de uiteindelijke be-

stedingsbeslissing neemt met betrekking tot
55%
van het
nationaal inkomen. Immers, ongeveer 30% van het nationaal

inkomen bestaat uit overdrachtsuitgaven, die voor het
grootste deel niet aan een bestemming gebonden zijn. De
ontvangers kunnen hierover dus vrij beschikken. De uit-

Eigenlijk moeten wij ook nog rekening houden met de tijds-
voorkeur, d.w.z. men heeft een voorkeur voor huidige boven
toekomstige collectieve bestedingen.
Misschien bestaat er wel een collectief beslag op het nationaal
inkomen dat optimaal is in de zin van Von Neumann, d.w.z. een
zodanige samenstelling van het nationaal inkomen Uit particuliere
en collectieve bestedingen, dat het nationaal inkomen het snelst
groeit. Eventueel kan er een ,,turnpike” worden afgeleid.
Een macro-economische verkenning van de Nederlandse economie
in
1980, Staaiscourang, 24
februari
1976,
Den Haag, blz.
4-7
en
blz.
23.
Raad van Bestuur in Arbeidszaken,
Perspectief ’80,
Den Haag,
1976.
Bijv. B.
Goudzwaard, Duisenbergs 1%-norm kritisch getoetst,
Nederlandse Gedachten, 17
april 1976,
blz.
5.
Bernard Compaijen en Reinold H. van Til,
De Nederlandse
economie: beschrijving, voorspelling en besturing.
Groningen, 1976,
blz.
295-297.

ESB 25-8-1976

811

eindelijke beslissingsbevoegdheid van de overheid behelst
daarom ongeveer 25% van het nationaal inkomen. Daarvan gaat 15% naar de personele overheidsconsumptie (lonen en
salarissen van ambtenaren) en 10% naar de materiële over-
heidsbestedingen (materiële overheidsconsumptie en over-

heidsinvesteringen).
Thans beschikken wij over voldoende gegevens om de drie

groeipaden via vergelijking (2) te bepalen. Wij zullen dit

slechts doen voor een periode vanaf 1975 tot en met 1980,
omdat voor een langere periode de omvang van het collec-
tieve beslag op het nationaal inkomen zeker zijn invloed zal

laten gelden op de groeivoet van het nationaal inkomen.
Inmiddels is dan het aandeel van de collectieve sector in het

nationaal inkomen in geval van het geëxtrapoleerde beleid,
Duisenberg-norm en RBAI CDA-norm aangegroeid tot resp.

63,75%, 60,0% en
58,5%.
Het niveau van de collectieve

bestedingen geeft in de periode 1975-1980 volgens tabel 2

het volgende beeld te zien.

Tabel 2. Collectieve bestedingen in de periode
1975-1 980

(nationaal inkomen
1975
=
100,0)

Beleid
Geëxlra-
Duisen-
Verschil
RBA/
Verschil
1
poleerd
berg-
tussen
CDA-norm
tussen
Jaar
beleid (1)
norm (II)
1 en II
norm (III)
II en III

975
55,0
55,0
0,0
55,0 0,0
1976
58,6
58,2
0,4
58,1
0,1 1977
62,3 61,7
0,6 61,4
0,3 978 66,2
65,2
1,0
64,8 0,4
1979
70,3
69,0
1,3
68,4
0,6
1980
74,6
73,0
1,6
72,2 0,8

Uit de kolommen 4 en 6 kunnen wij gewaarworden dat de

bestedingen in de collectieve sfeer het snelst toenemen bij

het geëxtrapoleerde beleid en het traagst bij de RBA/CDA-

norm. Kunnen wij nu van inverdienen spreken? In ieder

geval ligt het toekomstige niveau van collectieve bestedingen

in de nieuwe bedeling niet hoger dan in de oude bedeling. De

,,opportunity costs” worden daarom nooit goedgemaakt.
Ook geldt voor de betrokken periode niet dat de kloof van

de collectieve bestedingen tussen de diverse beleidsalter-

natieven eerst toeneemt -om later. af te nemen. -Hooguit
constateren wij dat een lagere groeinorm gepaard gaat met

een hogere groeivoet, zodat de daling van de groei van de bestedingen in de collectieve sfeer toch iets minder is dan

bij een ongewijzigde groeivoet. Dit ,,inverdienen” te noemen

gaat ons toch te ver.

Berekening: particuliere bestedingen

In feite is deze analyse tot nu toe
tepartieel,
daar zij slechts

rekening houdt met de invloed van de beleidsalternatieven

op de collectieve sector en niet op hun betekenis voor de
particuliere sector. De particuliere bestedingen zijn gelijk

aan het verschil tussen het nationaal inkomen en de collec-

tieve bestedingen. Om die reden hebben wij voor de periode
1975-1980 het nationaal inkomen vastgesteld volgens de drie
beleidsalternatieven. Tabel 3 vermeldt het resultaat.

Tabel 3. Reëel nationaal inkomen in de periode 1975-1980

(nationaal inkomen
1975
=
100,0)

Beleid
Geëxtra-
Duiten-
Verschil
RBA/ verschil
poleerd
berg-norm
tussen
CDA-norm
tussen
Jaar
beleid (1)
(II)
II en 1
(III)
III en II

1975
100,0 100,0
0.0
100,0
0,0
1976
103,2
104,0
0,8
04:3
0,3
1977
106,5 108,2
1,7
108,8
0,6
1978
109,9
112,5
2.6
113,5
1.0
1979
113,4
117,0
3.6
118.4
1,4
1980
117.0
121,7
4,7
123.5
1,8

Aan de hand van de tabellen 2 en 3 kunnen wij nu de parti-

culiere bestedingen in de betrokken periode bepalen. In tabel

4 noteren wij de bestedingen in de private sfeer op grond

van het geëxtrapoleerde beleid, de Duisenberg-norm en de

RBA/ CDA-norm. –

Tabel 4. Particuliere bestedingen in de periode 1975-1980
(nationaal inkomen
1975
=
100,0)

Beleid
Geextra’
Duiten-
Verschil
RBAI
Verschil
poleerd
berg-norm
lassen
CDA-norm
tussen
Jaar

“…
beleid (1)
(II)
II en 1
(III)
III en II

1975
45,0
45,0
0.0 45,0
0,0
1976
4-4,6
45,8
1,2
46,2
0,4
1977
44,2
46,5
2.3
47,4
0,9
1978
43,7
47,3 3,6
48.7
1,4
1979
43,1
48,0
4,9
50.0
2,0
1980
42,4
48,7
6,3
51,3 2,6

Uit tabel 4 blijkt dat de particuliere bestedingen op grond

van het geëxtrapoleerde beleid afnemen, terwijl zij bij de

Duisenberg-norm, maar meer nog
bij
de RBA/CDA-norm,

toenemen. Aan de hand van de tabellen 3 en 2 schetsen wij

in figuur 2 de groeipaden van het nationaal inkomen en

die van de collectieve bestedingen over de periode 1975-1980,

zowel volgens het geëxtrapoleerde beleid als volgens de
Duisenberg-norm.

Figuur 2. Verloop van de collectieve bestedingen en het

nationaal inkomen

nationaal inkomen,
collectieve bestedingen

130

120

110

100

eëxtraPoleerJ Duisenberg-

90

beleid
norm

70

60

50

01

1

1975

1976

1977

1978

1979

1980

tijd

De afstand tussen de aaneengesloten lijnen stelt voor de particuliere bestedingen onder het regiem van het geëxtra-

poleerde beleid en die tussen de onderbroken lijnen de

particuliere bestedingen bij de Duisenberg-norm. Op grond
van tabel 4 zullén ‘de aaneengesloten lijnen conVergeren en

de onderbroken lijnen divergeren. Uit de schets maken wij
op dat in geval van de Duisenberg-norm de bestedingen in de private sfeer twee positieve effecten ondervinden. Aan de ene
kant stijgen de bestedingen van de collectieve sector minder
snel, terwijl aan de andere kant het nationaal inkomen juist

sneller groeit. Er vindt als het ware substitutie plaats tussen
de collectieve en particuliere bestedingen. Bijv. in 1980 ziet

de collectieve sector af van 1,6 (zie tabel 2) en de particuliere
sector krijgt daarvoor in de plaats 6,3 (= 1,6+4,7) (zie tabel
3 en 4). In geval van onmiddellijke vervanging van het

geëxtrapoleerde beleid door de Duisenberg-norm zijn dus in
1980 de bestedingen in de collectieve sfeer 2,1% lager, maar
die in de private sfeer zijn 14,8% hoger. Duidelijkheidshalve
hebben wij het beleidsalternatief van RBA/CDA niet in de

812

Van dubbeltjesgebruikers
en kwartjestrekkers

DR. W. DREES

De Voorlopige Wetenschappelijke Raad voor

het Regeringsbeleid publiceerde onlangs zijn

literatuurstudie over ongelijkheid in de Neder-

landse inkomensverdeling. Dr. W. Drees,ftactie-

voorzitter van DS ’70 in de Tweede Kamer be-

spreekt in het volgend artikel dit rapport. Zijn

waardering voor het rapport is gering.

1. Studie van de Voorlopige Wetenschappelijke Ra
ad*

De Voorlopige Wetenschappelijke Raad voor het Rege-
ringsbeleid heeft in juni onder de titel
Van dubbeltjes en kwartjes
een literatuurstudie ,,over ongelijkheid in de Ne-
derlandse inkomensverdeling” gepubliceerd. Deze studie

besteedt weinig aandacht aan de officiële of officieuze pu-blikaties ter zake. De
Nota over de inkomensverdeling
van
het kabinet-De Jong 1) wordt nauwelijks genoemd. Ditzelf-

de geldt voor de Monografie nr. 19 van het Centraal Plan-
bureau
De personele inkomensverdeling 1952-1967
2). Deze
twee studies groeven echter dieper inzake fundamentele be-
grippen als gezinsinkomen, levensduurinkomen ed. De

nieuwe ,,literatuurstudie” is oppervlakkig in de behandeling

van het begrip inkomen en van de begrippen ,,periode waarin
inkomen wordt ontvangen” en ,,gebruiker” van inkomen,

in tegenstelling tot de trekker van een belastbaar inkomen.
Van dubbeltjes en kwartjes
geeft daardoor over ,,de”
verdeling én over de literatuur een fout beeld.

figuur getekend, maar toepassing van de RBA/CDA-norm
impliceert nog omvangrijkere afwijkingen in absolute en

relatieve zin, omdat enerzijds de collectieve bestedingen lager
liggen en anderzijds het nationaal inkomen een hogere
groeivoet heeft.

Conclusie

Samenvattend kunnen wij stellen dat bij vervanging van

het geëxtrapoleerde beleid door de Duisenberg- of RBA/
CDA-norm van ,,inverdienen” geen sprake is, daar de

afwijking tussen de collectieve bestedingen bij de drie be-leidsalternatieven in de periode 1975-1980 toeneemt. Wél
constateren wij dat een geringere groei van de bestedingen

in de collectieve sfeer ruimschoots wordt gecompenseerd

door een sterkere groei van de bestedingen in de private
sfeer. In dit licht gezien vormt de ombuiging van het geëxtra-
poleerde beleid in de zin van de Duisenberg-norm of de
RBA/CDA-norm een punt dat voor verwezënlijking in aan-
merking komt.
S. Huisman
2. Het begrip inkomen

Op blz. 22 wordt ,,de ongelijkheid van de personele inko-

mens” vermeld (let op het frequente gebruik van het woord

,,de”) ,,zoals die naar voren komt uit de frequentieverdeling

van de inkomenstrekkers”. Blijkens appendix A wordt als
bron gebruikt ,,de” inkomensstatistiek van het Centraal
Bureau voor de Statistiek, een statistiek van belastbare

inkomens. Deze statistiek beschrijft echter slechts een min-
derheid van de ingezetenen, inkomens van nul worden
niet
vermeld. Dat er ook statistieken bestaan van inkomen per

gezin of per hoofd wordt verzwegen. Studies over life-time-
income (zoals van Faase), een belangrijker begrip dan het
inkomen in één jaar, worden evenmin vermeld.

Het inkomensbegrip van de fiscus wijkt af van een eco-
nomisch inkomensbegrip. Het rapport noemt op blz. 97 het
voorbeeld dat men het bezwaarlijk zou kunnen vinden dat
,,door belastingplichtigen betaalde rente voor hypothecaire
leningen buiten beschouwing blijft, zeker zolang een huur-

waarde wordt gehanteerd, die in de thans gebruikelijke
orde van grootte ligt”. Wat voor verschil maakt het of men

een woning financiert met hypothecaire leningen, met andere
leningen, of door verkoop van effecten? Andere bezwaren

verbonden aan het begrip ,,belastbaar inkomen” worden
niet
vermeld. Bijv. het feit dat pensioenvoorzieningen bui-

ten het belastbare inkomen (en buiten het fiscale vermogen)

vallen. Dit element maakt gauw een verschil van tien procent

of meer uit. Bij zeer gunstige regelingen, zoals voor politici,
gaat het om grote bedragen. Een lid van de Tweede Kamer
bouwt, naast zijn jaarinkomen van ca. f. 80.000 per jaar,

forse pensioenrechten op die netto per jaar enige tiendui-
zenden waard zijn, dus bruto nog veel meer. Het salaris van

een minister is ca. anderhalve ton, zijn totale bruto inko-
men mcl. extreem snelle pensioenopbouw, is ca. een half
miljoen 3).

Wie op de arbeidsmarkt vergelijkt zal de volledige loon-
som die aan iemand ten goede komt, dus
mcl.
werkgevers-
premie, in de vergelijking betrekken, en soms nog andere
elementen.

Vgl. het rapport van de Werkgroep Inkomens Vrije Be-
roepsbeoefenaren 4). Deze werkgroep had tot taak te bevor-

deren dat vergelijking van de inkomens uit arbeid van vrije

* Van dubbeltjes en kwartjes,
Staatsuitgeverj, Den Haag, 1976,
102 blz.
Bijlage 15 bij de
Mijoenennota 1970.
september 1969.
Door A. 1. V. Massizzo, in samenwerking met Drs. G. A. Tuinier
en W. Brouwer, Den Haag, 1975.
Vanuit de Tweede Kamer zijn tweemaal voorstellen gedaan om de
pensioenen van politici tot een meer normaal niveau, bijv. tot dat
van ambtenaren, terug te brengen. In 1969 werden de amendemen-
ten Nypels door een meerderheid verworpen, in juni 1976 een initia-
tief-voorstel van dezelfde strekking, ingediend door leden van de
DS ’70-fractie.
Sociale Zaken, verslagen en rapporten, jaargang 1974-6.

ESB 25-8-1976
813

beroepsbeoefenaren met die van vergelijkbare personen in

dienstbetrekking mogelijk wordt.
Van dubbeltjes en kwarjes

wijst er op blz. 43 op dat de inkomens in Vrije beroepen

veel hoger liggen dan bijv. bij universiteiten, maar zwijgt
over de vergelijkbaarheid. Volgens een – wellicht iets

overtrokken – raming van A. Hartman
5)
moet ,,de winst

van een advocaat in de buurt van het dubbele van de belo-ning in geld van een vergelijkbare loontrekkende liggen… ten einde te bereiken dat de advocaat financieel in een ge-

lijkwaardige positie komt te verkeren”.

Belastbaar inkomen omvat voorts ontvangen rente, hoe-

wel dit langzamerhand slechts een vergoeding voor aan-

tasting van de hoofdsom door inflatie is geworden. Voorts
omvatten belastbare inkomens in een jaar ontvangsten die
tot een langere periode behoren, bijv. bij liquidatie van een

zaak. Dit geeft vooral bij topinkomens een vertekening.

Inkomensperiode

Van dubbeltjes en kwartjes
spreekt over ,,de” verdeling
terwijl dat rapport slechts de indeling binnen één jaar beziet.

Dit is weinig zinvol. Het inkomen van de vader van een

groot gezin komt daarin voor, naast de inkomens uit een
vakantiebaantje van diens zoon of deelarbeid van diens
vrouw. Een zelfstandige kent ups and downs. Honderd-

duizenden vertoeven slechts enkele maanden op de Neder

landse arbeidsmarkt (schoolverlaters, immigranten van dat

jaar, zij die stierven, emigranten). Het is absurd om mensen

met deelfuncties te vergelijken met kostwinners of om men-
sen met een verblijf hier te lande van enkele maanden te

vergelijken met permanente ingezetenen.
Het is weinig minder vreemd om bijv. jeugdloners te ver-

gelijken met kostwinners van bijv. 25 of 45 jaar. In een land
zou volledige sociale gelijkheid kunnen bestaan terwijl ,,de”

statistiek grote ongelijkheid laat zien bij belastbare inko-
mens. Stel bijv. dat alle mannen daar hetzelfde loon ver-
dienen op dezelfde leeftijd. Stel dat hetzelfde geldt voor alle

vrouwen, die van hun 25e tot hun 40e jaar buiten het arbeids-
prpces staan, daarvôôr enkele jaren een volledige werkkring

hebben en na hun 40e aan deelarbeid doen. Stel dat de sala-

risschaal oploopt naar leeftijd ongeveer als bij onderwijzers.
Dan zal ,,de” door de Voorlopige Raad tot maatstaf geko-
zen statistiek grote verschillen laten zien hoewel sociaal
eenieder tot dezelfde stand behoort en in zijn leven dezelfde

bestedingsmogelijkheden heeft.
Om te beoordelen of er belangrijke verschillen zijn in
verdiend inkomen moet men het levensduurinkomen bezien,
of zich beperken tot een vergelijking tussen mensen met

volledige dagtaak van ongeveer dezelfde leeftijd. Het rap-
port geeft enige aandacht aan verschillen naar beroeps-

groep (blz. 43) en erkent op blz. 30 dat met leeftijdsverschil
samenhangende ongelijkheid weinig interessant is. Deson-

danks laat het rapport daarna verfijnde statistische maat-
staven (standaardafwijking, variatie-coëfficiënt, Gini- en

Theil-coefficiënten) los op het ruwe materiaal. De literatuur-
studie is een grote achteruitgang vergeleken met het werk

van het CPB of dat van het kabinet-De Jong.

Waarschuwing van Pen

J. Pen schreef voor de bundel
Schaarste en welvaart
6)

de bijdrage ,,Feitenpresentatie en theorievorming: het geval
van de personele inkomensverdeling”. Hij eindigt daar met
de waarschuwing ,,dat het object.. de personele inkomens-
verdeling allerminst voor zichzelf spreekt. Het maakt we-
zenlijk verschil of wij het materiaal presenteren in de vorm
van…. De conclusie .. is klaarblijkelijk deze, dat de weten-

schap niet mag blijven stilstaan bij één enkele vorm van sta-
tistische observatie.. Wie een bepaalde methode van presen-
teren kiest doet er goed aan, .. te verantwoorden waarom
hij deze heeft gekozen”. Deze waarschuwing is nog immer

van nut. Zij is ook van toepassing op Pens opstel, dat op

blz. 154 spreekt over ,,de” inkomensklassen zonder aan te
geven waarom de door hem gebruikte jaarinkomens zo’n

goede maatstaf zijn.

Inkomens van nul

Het rapport van de Raad behandelt slechts positieve in-
komens. Er zijn ook negatieve inkomens in een jaar, bijv.
van sommige zelfstandigen, of van werknemers die vroeg in

het jaar zijn overleden, waarbij de aftrekposten het inkomen

overtroffen. Inkomens van nul komen veel voor, vooral bij
vrouwen en kinderen, vroeger ook
bij
bejaarden. Een over

zicht van ,,de” verdeling dient deze inkomens op te nemen.

Anders ontstaat een fout beeld wanneer bijv. een uitkering

voor bejaarden wordt ingevoerd, of meer gehuwde vrouwen
deelarbeid gaan verrichten, of scholieren kranten gaan rond-

brengen. Verzwijgt men de nul-inkomens dan ontstaat nI.

een optische toename van het aantal ,,lage” inkomens, van
ongelijkheid en van optische armoede. Zou morgen deel-

arbeid of werk van jeugdloners worden verboden, dan zou
de inkomensgelijkheid volgens dit rapport toenemen!

Aantal verbruikers van één inkomen

Stel dat een samenleving bestaat uit twee gezinnen van
elk drie personen. In het ene gezin werken alle drie de leden,

in het andere één. De vier die beroepsarbeid verrichten,

verdienen elk f. 30.000 per jaar. Oppervlakkige waarnemers,
die kijken naar belastbaar inkomen, zien dan volledige ge-
lijkheid. In feite heeft het ene gezin het driemaal zo ruim als

het andere.

Er zijn ruim tweemaal zoveel Nederlanders als er trekkers
van belastbaar inkomen zijn. Een verdiend kwartje wordt

gewoonlijk geconsumeerd in porties van ca. een dubbeltje
door twee of drie personen.

Beziet men de verdeling uit sociaal oogpunt dan is het
essentieel, te weten
hoeveel
mensen van een inkomen moeten
rondkomen. Inkomstenbelasting en kinderbijslag zijn geba-

seerd op omvang van de consumptiehuishouding. Zoals
blijkt uit de nota van het kabinet-De Jong en uit de Mono-

grafie van het CPB (bijv. blz. 94) zijn inkomens per gezin

gelijker verdeeld dan inkomens per belastingplichtige en in-

komens per gezinslid nog gelijkmatiger. Overigens kan men
zich t.a.v. die maatstaf verfijningen voorstellen, bijv. door

minderjarigen als consument gelijk te stellen aan een halve
of driekwart volwassene.
Levensduur – inkomen en opleiding

Inkomen in één jaar geeft een toevallig beeld, denk aan
een voetballer of een zelfstandige. Velen zijn het eens met
de conclusie van de CPB-Monografie (blz. 93): ,,Zou een

verdeling van (beschikbare) life time inkomens

wellicht
nog meer inzicht in de werkelijke ongelijkheid geven”. Op blz. 71 geeft die monografie een schatting van de contante
waarde van bruto inkomens over de actieve beroepsperiode

van ambtenaren en employés. Bij bepaalde veronderstellin-

gen inzake inflatie e.d. wordt het levensduurinkomen van
mensen met een universitaire opleiding geraamd op ruim

f. 4 mln., voor rhensen met semi-hoger onderwijs op ca.
f. 3 mln. en voor mensen met kortere opleidingen op f. 2 mln.
tot 2,7 mln.

Van dubbeltjes en kwartjes
zwijgt over levensduurinko-
men. Op blz. 67 – 69 wordt wel ingegaan op de betekenis van

,,lnkomsten uit dienstbetrekking versus winst uit Vrij beroep” in
Advocagenbiad
Van april 1976.
Opstellen aangeboden aan Prof. Dr. P. Hennipman, Leiden, 1971.

‘4

814

.
Europa-bladwijzer

De visserjquota en de EG

MR. L. A. M. MULDERS

In het begin van 1975 hee» de minister van Landbouw en Visserij voor de vangst

van long en schol diverse beperkende maatregelen, waaronder quota, vastgesteld
voor de Nederlandse vissery. Deze maatregelen, bedoeld om de overbevissing legen
te gaan, betekenden een nieuwe belasting t’oor de Nederlandse visserijvloot, die met

een overcapaciteit kampt als gevolg van te grote investeringen in voorgaande jaren.
Reeds eerder hadden de hogere prijzen van olie en vele andere produkten geleid tot
aanzienlijk hogere kosten.

De maatregelen lokten dan ook hevige protesten uit en vele vissers weigerden
zich te houden aan de uit voeringsbepalingen. Dit blijkt we/uit de ongeveer 600 straf-

vervolgingen die de Officier van Justitie in 1975 heeft ingeleid. Voor de strafrechter

is in vele van deze zaken het verweer gevoerd, dat de vastgestelde maatregelen in strijd

zouden zijn met het Europese recht. De rechtbanken van Alkmaar en Zwolle hebben
daarom aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om uitleg van de

EG-bepalingen gevraagd ten einde te kunnen beoordelen of en in hoeverre het verweer

gegrond was. Op 14julijl. heeft het Hofdaarover uitspraak gedaan. Voor de vissers
viel de uitspraak niet gunstig uit.

De quota

De vangstbeperkende maatregelen,

die in 1975 zijn genomen, zijn niet getrof-
fen ter uitvoering van EG-voorschriften,

maar van aanbevelingen van de Visserij-

commissie. Deze commissie, die geves-
tigd is te Londen, is ingesteld door het

Verdrag inzake de Visserij in het noord-

oostelijke deel van de Atlantische

Oceaan, dat op 24 januari 1959 door een

aantal Europese landen is ondertekend
en op 27 juli 1963 in werking is ge-
treden 1). Doel van het verdrag is de
instandhouding van de visvoorraden en
een rationele exploitatie van de Visserij

in dat gedeelte van de oceaan 2) te ver-
zekeren. Jaarlijks beveelt de Visserij-

commissie, op grond van wetenschap-
pelijke gegevens, de maatregelen aan,
die hiertoe moeten worden genomen.

De voornaamste maatregelen zijn:
regeling van de maaswijdte van de vis-
netten, de grootte van de te vangen vis-

sen en het verbod te vissen in bepaalde
gebieden of gedurende bepaalde seizoe-

nen. Hieraan werden in 1974 vangst-
beperkende maatregelen toegevoegd 3).

Indien een aanbeveling met tweederde

Zie
Tractatenbiad (Trh) 1
959, nr. 114. De
ondertekenaars zijn België, West-Duitsland,
Frankrijk, Ierland, Nederland, Noorwegen,
Polen, Portugal, Spanje, USSR, Verenigd
Koninkrijk, IJsland en Zweden. De DDR
trad toe op 26juni 1974.
Globaal is dit het gebied ten noorden van 36° NB en tussen 42° WL en
510
OL,
d.w.z.
het gebied ten noorden van de ingang van de
Middellandse Zee, in het noorden ongeveer begrensd door Groenland en Nova Zembla.
Zowel de Middellandse Zee zelf als de Bal-
tische Zee zijn van het toepassingsgebied uit-
gesloten.
Wijziging van artikel 7 van het verdrag,
aanvaard in mei 1970,
Trh
1971, nr. 36.

opleiding met als conclusie ,,dat de grote aandacht die in de
discussie rond de inkomensongelijkheid steeds aan de op-
leiding wordt gegeven, misplaatst is”. Dit is vreemd, gezien

genoemd CPB-materiaal en gezien bijv. de gewoonte bij de
overheid – de grootste werkgever en als het zo doorgaat

straks de enige – om een hoger salaris te geven als men een
hogere opleiding heeft voltooid. Voorts zwijgt het rapport
over de voorsprong voor academici vergeleken met anderen

omdat zij hun opleiding die een ton of tonnen kost vrijwel
cadeau krijgen. Als de overheid aan iedereen omstreeks zijn

21e jaar zo’n bedrag cadeau zou geven zou er meer gelijk-heid zijn thans worden academici sterk bevoorrecht.

8. Afwenteling

Op blz. 74 gaat het rapport in op eventuele afwenteling

van belastingen en premies met als conclusie: ,,De moge-
lijkheden om de mate van afwenteling te meten zijn uitslui-
tend theoretisch”. Vermelding zou verdienen dat de over-

heid zelf tegenwoordig veelal uitgaat van 100% afwenteling,
deze ook nastreeft. Zo zijn allerlei sociale normen (bijstand,

minimumloon, sociale verzekeringen ed.) gebaseerd op
netto-netto-vergelijking. De loonmaatregel per 1 juli jI.
gaat ook uit van volledige doorwerking van herziening van
sociale premies.

9. Conclusie

Op blz. 77 komt
Van dubbeltjes en kwartjes
tot de con-
clusie: ,,Bescheiden daling van de inkomensongelijkheid

in de periode 1950-1967 … Wie overziet wat er sinds de
tweede wereldoorlog aan maatregelen genomen is om een

grotere inkomens tin (mijn accentuering van deze drukfout,
W.D.) gelijkheid te bewerkstelligen zal worden getroffen

door het feit dat de ongelijkheidsdaling uiteindelijk zo be-
scheiden is geweest”. Die conclusie is fout. Wie maatregelen
sinds 1945 (of sinds 1940, denk aan invoering kinderbijslag

werknemers) wil toetsen zal moeten beginnen bij 1945 of

1940, niet bij 1950. Voorts zal hij een zinvolle maatstaf moe-

ten kiezen, buy, inkomen per gezinslid. Dit rapport schiet met fijne statistische hagel op vogels die ergens anders te
vinden zijn.

W. Drees

ESB 25-8-1976

.

815

meerderheid van de aanwezige en stem-
mende delegaties in de Commissie is

aanvaard, moet deze door de verdrag-
sluitende staten worden uitgevoerd. Het

is echter mogelijk, bezwaar te maken

tegen de aanbevelingen waardoor de ver-

plichting om deze uit te voeren kan

vervallen.
De wetenschappelijke gegevens ver-

krijgt de Visserijcommissie van de Inter-
nationale Raad voor het onderzoek van
de zee 4). De in de Internationale Raad

samenwerkende visserijbiologen hebben
een onderzoek ingesteld naar de over-

bevissing, die zij in de navolgende stadia
van toenemende ernst onderscheiden.

Overbevissing van het groeivermogen:
de toenemende visserij levert een min-

der dan evenredige vangst op, zodat
de produktie per vis-uur sterk daalt.

De totale massa van volwassen dieren
loopt terug en de gemiddelde leeftijd

der gevangen vissen wordt lager. De

omvang van de vangsten wordt minder

stabiel, daar de visserij van een gerin-
ger aantal jaarklassen afhankelijk

wordt.
Overbevissing van stapels jonge vis:

de vangsten lopen terug en in de

vangsten stijgt het percentage onvol-
wassen exemplaren. De totale massa
van volwassen dieren is sterk gedaald
en de nieuwe jaarklassen worden klei-

ner en kunnen in toenemende mate in

omvang variëren. Bij opeenvolgende

slechte jaarklassen is het voortbestaan
van de stapel dan in gevaar.

1 Uitgeputte stapel: de visserij op vol-
wassen exemplaren is ineengestort en

er bestaat gevaar dat de stapel uit-

sterft.

Zowel de tong als de schol bevinden
zich in het eerste stadium van over-

bevissing, de tong in de Noordzee is
echter het eerste stadium reeds gepas-

seerd en op weg naar het tweede sta-

dium 5). Dringende maatregelen waren
dan ook gewenst.

Tijdens een tussentijdse bijeenkomst
van de Visserijcommissie in november

1974 werden voor het kalenderjaar 1975

met betrekking tot de vangst van tongen

schol in de Noordzee, het Engelse Ka-

naal, het Kanaal van Bristol en de Ierse
Zee de volgende maatregelen aan-

bevolen 6) (voor zover van direct be-
lang voor Nederland):

• totale quota: voor tong in de Noord-

zee 12.500 ton, in de Ierse Zee 1.700

ton en voor schol resp. 126.000 en
5.100 ton (voor 1976 en 1977 zijn de

quota resp. 12.500, 1.670, 99.000 en

4.150 ton); de biologen hadden voor
de Noordzee nog aanzienlijk strengere

quota voorgesteld, nI. 6.500 ton tong

en 105.000 ton schol 7);

• individuele quota: Nederland 9.200
ton tong en 47.000 ton schol in de

Noordzee en 245 ton tong en 20 ton

schol in de Ierse Zee (voor 1976 en

1977 resp. 9.200, 35.600, 240 en

20 ton);
• vissen in de kustwateren van Neder-

land, België, de BRD en West-

Denemarken – een zone van 12 mijl

gemeten van de laagwaterlijn – werd

verboden voor schepen boven 50 BRT

en meer dan 300 pk motorvermogen.

Uitvoering in Nederland

Nadat eerst het Reglement Zee-

visserij 1971 was gewijzigd 8) om ook

vangstbeperkende maatregelen voor
andere vissoorten dan haring, zoals tot

dan gold, mogelijk te maken, werd door
de minister van Landbouw en Visserij

een ,,Beschikking vangstbeperking tong

en schol 1975″ 9) uitgevaardigd. Hierin
werd de vangst van tong en schol tot het

einde van 1975 in de betrokken zeeën

verboden, behoudens een ontheffings-
mogelijkheid binnen de voor 1975 aan Nederland toegewezen quota. Om met

grote schepen in de kustwateren van
Nederland te vissen kon echter geen ont-

heffing worden verkregen. Ter uitvoe-
ring van deze beschikking werden door
het Produktschap voor Vis en Vis-

produkten nadere regels gesteld. Zo

werd het vissen op tong vanaf 25 juli
1975 gedurende de eerste twee weken

van een vier-wekelijkse periode slechts
toegestaan met een vaartuig met een on-

even registratienummer, de andere twee
weken met een vaartuig met een even

nummer. Op 22 november 1975 volgde
zelfs een volledig verbod om op tong te
vissen in de Noordzee, daar het quotum

reeds ver was overschreden (zie tabel).
In de zaken die leidden tot de prejudi-

ciële vragen bij het Hof werden twee vis-
sers verdacht van overtreding van het

verbod te vissen in de kustwateren met
te grote boten en een andere visser van
het verbod te vissen met een vaartuig met

een even reistratienummer in een

,,oneven periode”. Doel van de prejudi-
ciële vragen was een uitspraak te ver-
krijgen of de EG-lidstaten wel bevoegd

waren vangstbeperkende maatregelen
overeen te komen in de Visserijcommis-
sie en of de door Nederland vastgestelde

maatregelen wel verenigbaar waren met

het EG-verdrag en met de EG-visserij-

regeling.

EG-visserijregeling

In 1970 heeft de Raad van de EG bij
verordening een marktordening voor

visserijprodukten vastgesteld en werd
gelijktijdig een structuurbeleid be-

De marktordening voor visserij-

produkten kent een prijsregeling (op-

houdprijs, oriëntatieprijs, interventie-

prijs), handelsnormen (bijv. kwaliteits-
normen) en een handelsregeling met
derde landen (bijv. communautaire in-
voerregeling). Het structuurbeleid be-

oogt te bevorderen, dat de ,,visSerijsector

zich binnen het algemene raam van de

economie harmonisch ontwikkelt en dat

Aanvoer (x 1.000 kg) van vissen/produkten door Nederlandse zee-, kust- en

lisselin eer Visserij

Schol

Tong

Totaal
Noordzee
+
Engels Kanaal
Ierse Zee
Totaal
Noordzee
+
Engels Kanaal
Ierse Zee

13.202
8.064
7.786

13.737
11.661 11.151
17.048

4.627
14.297

20.834
20.700
1
12.246
12,178
22.233
22.022
1
7.463
7.356

1961

……………..13.866
1962

……………..17.180

20.738
20.464
0
11.592 11.336

1963

……………..
1964

……………..

23.862 23.604
5
23.384 22.900
14
1965

……………..

24.885
24.436
0
22.425 21.968
0
1960

……………..13.247

1966

……………..

26.309
25.706
0
22.682 22.193
0
33.884 33.883
0
19.763
19.752
3
41.012 41.008
3
14,544 14.345
195

1967

……………..

39.495
39,484
II
17.414
16.914
496

1968

……………..
1969

……………..

46.130 46.038
29
16.205 15,917 272

1970

……………..
1971

……………..

51.870
51.826
30
14.545
14.305
219
1972

……………..
1973

……………..
40.472
48.372
17
14.116
13.892
221
1974

……………..
1975

……………..
44.411
nl,,
n.b.
13.977
n.b. n.b.

Bron: CBS. Statistiek van de Visserij.

Een op 22juli1902 te Kopenhagen opge-
richte intergouvernementele organisatie.
Brief van de minister van Landbouw en
Visserij van 8 maart 1976,
Bijlage Handelin-gen Tiveede Kamer
1975-1976, 13 600 XIV
nr. 24. Voor de Atlanto-Skandische haring
bijv. is het derde stadium bereikt.
Trb
1975, nr. 27, blz. 18. Zie voor 1976,
Trb 1
976, nr. 23 en voor 1977,
Staatscourant
(Sier!.)
1976, nr. 133.
Minister Van der Stee tijdens Openbare
Commissievergadering van 14 oktober 1974,
Handelingen Openb. Comns. Verg.,
1974-
975, blz. 9.
Wijziging van artikel 7, op 19 december
1
974,
Siaatsbiad (S)
744. Het Reglement zelf is opgenomen in
S
1971, nr. 284.
Beschikking van 25 februari 1975, Nr.
J. 377, in werking getreden 2 maart 1975,
Siert.
1975, nr. 42.
0) De Verordeningen 2141170 voor het
structuurbeleid en 2 142170 voor de markt-
ordening, zie Publikatieblad EG (Pb) 1
970,
L 236. Beide verordeningen zijn ingetrokken
en vervangen door de verordeningen 100176
en 101/76 van 19januari1976.
Pb
1976, L20.

816

de biologische rijkdommen van de zee

en van de binnenwateren rationeel

worden geëxploiteerd”. Voor alle

vissersvaartuigen uit de lidstaten gelden
gelijke voorwaarden ten aanzien van de

toegang tot en de bevissing van de vis-

gronden in de kustwateren. De Raad kan
in geval van een dreigende overbevis-

sing in de kustwateren de voor de in-
standhouding van deze visgronden nood-
zakelijke maatregelen vaststellen. Ter ge-
legenheid van de toetreding van Enge-

land, Ierland en Denemarken is boven-
dien overeengekomen dat de Raad uiter

lijk vanaf 1978 voorwaarden zal vaststel-

len voor de uitoefening van de visserij
ten einde de bescherming van de vis-

banken en het behoud van de biologische

rijkdommen van de zee te waarbor

gen II).

Tot nu toe heeft de Raad nog niet van

deze bevoegdheden gebruik gemaakt.

Wel machtigde de Raad op 6april1976,

dus na de datum waarop de vragen aan

het Hof zijn gesteld, de lidstaten om

van 10 april tot 31 december 1976 uit-
voering te geven aan overeengekomen
vangstbeperkende maatregelen 12). Dit

maakte een einde aan de onzekerheid,
die tot dan in Nederland de controle

op de maatregelen sterk had bemoeilijkt.

Uitspraak van het Hof

Bevoeg(1heid.
Uit de bepalingen van

het Verdrag betreffende de landbouw

en de Visserij en de visserijverordeningen
leidt het Hof een bevoegdheid voor de
Gemeenschap af om intern maatregelen
vast te stellen tot instandhouding van

de biologische rijkdommen van de zee,
vangstquota daaronder begrepen. Een

dergelijke interne bevoegdheid heeft

een externe bevoegdheid op dit terrein
als uitvloeisel, d.w.z. dat de Gemeen-

schap de bevoegdheid heeft overeenkom-

sten te sluiten op dat terrein. In 1971

had het Hof reeds dezelfde uitspraak

gedaan. Toen ging het om een Europese

overeenkomst inzake rij- en rusttijden
voor het wegvervoer, die de lidstaten
wilden sluiten met niet-EG-landen, ter-

wijl er al een EG-rijtijdenregeling be-
stond.
Daar de Gemeenschap ten tijde van de
overtreding van deze bevoegdheid ech-
ter nog geen volledig gebruik had ge-

maakt, mochten de lidstaten in het kader
van de Visserijcommissie nog vangst-

beperkende maatregelen overeenkomen
en de nakoming ervan verzekeren Deze

bevoegdheid van de lidstaten is ech-
ter van transitoire aard. Uiterlijk vanaf
1978, wanneer de Raad de maatregelen

tot behoud van de biologische rij kdom-
men van de zee moet hebben vastge-

steld, zal de bevoegdheid namelijk op-

houden te bestaan. Het Hof herinnert

verder de lidstaten nog aan hun ver-

plichting om gezamenlijk op te treden

in het kader van de Visserijcommissie,

terwijl een gelijke verplichting bestaat bij
andere overeenkomsten met betrekking
tot de visserij.

Verenigbaarheid.
Voor de beantwoor-

ding van deze vraag gaat het Hof ener-

zijds na of de vangstbeperking de doel-
stellingen of de werking van het stelsel

van de visserijverordeningen in gevaar

brengt en anderzijds of ze een maatregel
vormt van gelijke werking als een kwan-
titatieve beperking van het intracommu-

nautaire handelsverkeer.

Daar de machtiging om de visvangst
te beperken aan de lidstaten kon worden

verleend zonder de visserijverordenin-

gen te wijzigen, concludeert het Hof,

dat dergelijke maatregelen een integre-
rend deel vormen van het algemene stel-

sel van de verordeningen. Deze maat-

regelen hebben natuurlijk invloed op

andere onderdelen van de markt-

ordening (bijv. op de prijzen), doch daar

deze gevolgen vanaf het begin door de
communautaire regeling zijn aanvaard, kan men zulke maatregelen niet op één
lijn stellen met nationale maatregelen
die niet met het doel van de gemeen-

schapsregeling zijn overeen te brengen.

Deze rubriek wordt verzorgd door
het Europa Instituut te

Leiden

De lidstaten dienen er aldus het Hof
echter wel voor te zorgen, dat de ge-
volgen van de vangstbeperkende maat-

regelen voor de werking van de markt-
ordening tot een minimum worden be-
perkt. Ze hebben dus geen vrijbrief.
Ten aanzien van de vraag ofde vangst-
beperkende maatregelen zijn verboden

als een maatregel van gelijke werking als

een kwantitatieve beperking in het intra-
communautaire handelsverkeer, merkt

het Hof op, dat dit verbod het handels-

stadium van de economische kringloop

betreft en niet het produktiestadium.

Een beperking van de produktie kan

natuurlijk wel het intracommunautaire
handelsverkeer belemmeren. In 1974
stelde het Hof bijv. een dergelijke on-
gunstige invloed op het handelsverkeer
vast van een Nederlandse bloembollen-

regeling, die bestemd was om de teelt
van bloembollen kwantitatief te be-
perken. Bijgevolg werd deze regeling
als een maatregel van gelijke werking

als een kwantitatieve beperking be-

schouwd. Het is niet verwonderlijk, dat
de vissers zich vooral op deze uitspraak
van het Hof beriepen. Het Hof rekent de

vangstbeperkende maatregelen echter

niet tot een dergelijke verboden maat-

regel. Rekening houdend met de

,,produktie”-voorwaarden van vis, moet
juist door maatregelen, die gedurende
een bepaalde tijd de vangsten beperken,

worden voorkomen, dat de produktie
een teruggang gaat vertonen. Opiange

termijn zijn deze maatregelen nodig om

een optimale en bestendige opbrengst te

verzekeren. Een kortstondige vermin-

dering van de handel moet men daar-

voor over hebben.

Conclusie

Het directe belang van de uitspraak
van het Hof ligt in de erkenning van de

wettigheid van de vangstbeperkende

maatregelen, zodat uit dien hoofde niets

meer de strafvervolging van overtre-

ders in de weg staat. De visserijwereld
zal deze maatregelen moeten naleven,

omdat een oplossing van de huidige
overcapaciteit in de Nederlandse vissers-

vloot slechts structureel, d.w.z. door
vlootsanering kan worden bereikt.

Enige spoed lijkt hierbij gewenst. Im-
mers, de vangstbeperkende maatregelen,

die terecht werden genomen om de be-
staande visstapel op zijn minst in stand

te houden, leiden ertoe, dat met de hui-
dige vlootomvang de visserij geen eco-

nomisch renderende zaak meer is.

Boetes, variërend van f. 500 tot f. 1.000

aan 600 vissers zullen zeker niet tot een

oplossing bijdragen.

De uitspraak heeft echter nog een ver-
der belang, doordat het Hof benadrukt,

dat de lidstaten voortaan in het kader
van het Visserijverdrag en andere soort-
gelijke verdragen gezamenlijk moeten

optreden. Dit kan hebben bijgedragen
tot het bereiken van een principe-
akkoord in de ministerraad van de EG,
volgens welk de lidstaten de grenzen van

hun visserijzones gezamenlijk op 200
mijl zullen brengen 13). In deze zones zal

de EG-visserijregeling van toepassing
zijn. De gelijke voorwaarden ten aan-
zien van de toegang tot en de bevissing

van de visgronden betreffen namelijk de

visgronden ,,in het gedeelte der zee dat

onder de soevereiniteit (van de lidstaten)

of hun jurisdictie valt” 14). Een uitbrei-
ding van de territoriale wateren (soeve-

reiniteit) of van de visserijzone (juris-
dictie) betekent derhalve een automa-

tische uitbreiding van het gebied, waarin
de EG-regeling van toepassing is. De
VN-conferentie over het internationale
recht van de zee IS) waar de 200-mijls-

zone op de agenda staat, is derhalve voor

de visserij in de EG niet van belang Ont-
bloot.

L. A.
M. Mulders

II) Artikel 102 Toetredingsakte,
Pb
1972,
L 73.
12) Verordening 811176,
Pb
1976, L 94.
3) Zie
Agence Europe
no. 2028. 2031 en
2032 van 21, 26en 28juli 1976.
Artikel 2 van verordening 101/76.
De conferentie komt van 2 augustus tot
17 september 1976 voor de vijfde maal bijeen.

ESB 25-81976

817

Au courant

Jeugdwerkloosheid

A. F. VAN ZWEEDEN

Eind juli bedroeg het geregistreerde
aantal werklozen onder jongeren tot
23 jaar 72.000 tegen 61.700 een jaar ge-

leden en 35.100 eind juli 1974. De werk-
loosheid onder de jongeren maakt thans

32,7% uit van het totale aantal werkloze

mannen en vrouwen. In deze tijd van het

jaar melden zich op de arbeidsmarkt

jongens en meisjes aan die van school af
komen, maar hun diploma mavo, havo,

atheneum, Its of hts helpt hen weinig om
een baan te vinden. Het aantal jongeren
dat volgens de cijfers van het Ministerie van Sociale Zaken in juli nog geen werk

had gevonden bedroeg 27.400 en dat

was een stijging ten opzichte van juli

1975 met 8.200. In de komende maanden
kunnen de cijfers een nog ongunstiger

beeld te zien geven, omdat het totale
aantal schoolverlaters dit jaar op

190.000 wordt geraamd tegen vorig jaar
165.000. Premier Den Uyl heeft de
jeugdwerkloosheid het afschuwelij kste
probleem genoemd waarvoor het kabi-

net zich gesteld ziet. Het NVV-Jongeren-

contact heeft opgemerkt dat het kabinet
daaruit wel de consequenties moet

trekken door meer geld beschikbaar te
stellen om de jeugdwerkloosheid te
bestrijden. In een brief aan de minister-

raad en het parlement hebben FNV en
NVV-Jongerencontact met klem aan-

gedrongen op een uitgebreid bestrij-

dingsprogramma. Niet alleen de grote

omvang van de jeugdwerkloosheid is

een reden voor een bijzondere aanpak,
zeggen FNV en NVV-JC, maar ook de
sociale gevolgen. Een bestaan als werk-

loze geeft veel jongeren, in het bijzonder
de schoolverlaters, het gevoel dat er voor

hen geen plaats is in de samenleving.

Minister Boersma zelf heeft in een

notitie over de jeugdwerkloosheid, die
hij op 19 maart jI. zond aan de bijzon-

dere Tweede-Kamercommissie die zich
bezighoudt met de nota werkgelegen-

heid, de gevolgen nog veel duidelijker ge-
schetst. Hij wees op de breuk die in het

ontwikkelingsproces van jeugdigen op-treedt in de toch al vaak gevoelige over-

gangsfase van school naar maatschappij.

In een aantal gevallen zal de beroeps-

opleiding in het leerlingwezen niet kun-
nen beginnen of zelfs moeten worden
afgebroken.

Boersma beseft wel degelijk de ernst
van de situatie. De maatschappelijke ge-

volgen van de niet alleen in aantallen,

maar ook in duur toenemende werkloos-
heid onder jongeren zijn zonder over-

drijving alarmerend, niet alleen voor die

jongeren zelf, maar ook voor het be-

drijfsleven dat zijn eigen arbeidsvoorzie-

ning in de toekomst in gevaar brengt.

Uiteraard bestaat er een nauwe samen-
hang tussen de algemene teruggang van
de werkgelegenheid en de toeneming

van de jeugdwerkloosheid. Het bedrijfs-

leven reageert op de slechte economische
situatie door het natuurlijk verloop

onder het personeel niet op te vullen en
door ontslagen. Degenen die zich op de

arbeidsmarkt komen aanmelden, in

hoofdzaak de schoolverlaters, zijn het
eerst de dupe van de verminderde vraag
naar arbeid. Bij ontslagen worden

meestal de oudere werknemers ontzien.
Het gevolg is dat de werknemers die er
het laatst zijn bijgekomen – in het
bijzonder jeugdigen – het eerst worden
afgevoerd.

De laatste tijd blijkt in sommige be-
drijfstakken het inzicht te dagen dat

men zich door deze lifo-methode voor
personeel in de vingers snijdt. In de

grond-, water- en wegenbouwbedrijven

is een campagne op gang gekomen om in

het bijzonder schoolverlaters aan te

trekken en ze zoveel mogelijk in ploeg-
verband een beroepsopleiding te geven.
Tegelijkertijd hebben de organisaties in

deze sectoren een beroep gedaan op het

kabinet om zoveel mogelijk opdrachten

te plaatsen. Ook in de bouwnijverheid is
onlangs een actie aangekondigd om

jongeren op te leiden in een vak dat hun
nauwelijks nog toekomst lijkt te bieden.

Terecht gaan de initiatiefnemers er van
uit dat men zich niet bij de slechte stand
van zaken mag neerleggen, maar dat een

bedrijfstak die in leven wil blijven, toch

voor opvolging moet zorgen door zelf
jonge werknemers op te leiden.

Van de overheid alleen is de oplossing

niet te verwachten. Minister Boersma

heeft op het voorstel van NVV-Jonge-

rencontact om meer werkgelegenheid bij
de overheid te scheppen, geantwoord

dat ,,binnen de grenzen van de ter be-

schikking staande mankracht en midde-
len alles in het werk (wordt) gesteld om

dit verschijnsel (de jeugdwerkloosheid)

te bestrijden”. Het scheppen van de

15.000 extra arbeidsplaatsen bij de over-
heid waar het NVV-JC om vroeg, is bud-

gettair een onmogelijke zaak, nu de
regering voor de noodzaak staat de over-
heidsuitgaven te matigen. FNV en

Jongerencontact vonden dit antwoord

buitengewoon teleurstellend. Zij zeggen

dat extra aandacht tot gevolg moet heb-

ben dat de op dit moment voor dit doel
beschikbare mankracht en middelen
moeten worden uitgebreid en zij be-

treuren het daarom dat de minister in zijn
reactie bij voorbaat stelt binnen de be-
staande middelen te willen blijven. In

de eerste plaats is er thans de z.g. inte-
rim-maatregel jeugdige werklozen, die
zich ertoe beperkt jeugdigen beneden

23 jaar in de overheidssector of bij geen

winst beogende instellingen te werk te

stellen. Voor deze maatregel is f. 76 mln.

beschikbaar. Totaal zullen vermoedelijk
ruim 4.200 jeugdigen tijdelijk aan werk
kunnen worden geholpen. Dan is er het
besluit stimuleringspremie partiële leer-

plicht dat aan de werkgever van een

leerling die is ingeschreven bijeen onder-

wijsinstituut of deelneemt aan een be-
drijfscursus, een premie toekent van

f. 45. Over het effect van deze maatregel
is nog weinig bekend.
Er is verder een tijdelijke bijdrage-

regeling voor de opleidingskosten van

jeugdig produktiepersoneel in de confec-

tie-industrie, een tijdelijke maatregel

voor opleiding van jeugdigen in bedrijfs-
scholen krachtens het extra stimulerings-

programma 1976 waarvoor een bedrag
van f. 35 -mln, is gereserveerd en ten
slotte een regeling ter stimulering van
een vakopleiding voor jeugdigen. Deze

laatste regeling beoogt o.a. het beschik-
baar komen van pseudo-arbeidsplaat-
sen voor werkloze leerlingen en school-

verlaters voor wie geen echte arbeids-

plaats kan worden gevonden. De werk-gever, die met een leerling een arbeids-

en leerovereenkomst aangaat, krijgt

een subsidie.

Wie het geheel van bestaande maat-
regelen overziet, kan moeilijk aan de in-

druk ontkomen dat het maar lapmid-

delen zijn. Het hele pakket van maat-

regelen staat in geen verhouding tot de
groeiende omvang van het probleem.

Zeker zou de werkloosheid onder jon-

geren nog groter zijn zonder die maat-
regelen en zonder de verlenging van de
leerplicht tot IS jaar.

818

Het centrale thema in dit proefschrift
vormt de omschakeling van de mijn-
werkers als gevolg van de mijnsluitingen.

De studie is opgebouwd rond een steek-
proefonderzoek in 1968 met als pro-
bleemstelling: ,,Doen er zich bij de veran-
dering van werk door de sluiting van de
niijnbedrijven problemen voor bij ex-
mijnarbeiders en kunnen deze proble-

men gelokaliseerd worden, waardoor er
bij verdere sluiting van de mijnbedrijven
en de plaatsing in een nieuwe werkkring

rekening mee kan worden gehouden?”
Een drietal inleidende hoofdstukken

gaan aan de presentatie van de onder

zoekgegevens vooraf. Het eerste hoofd-
stuk geeft een beknopt overzicht van de
historie van de Nederlandse mijnindu-
strie en haar plaats in de Zuidlimburg-se samenleving. Het tweede behandelt

de crisis en de sluitingsplannen voordeze
bedrijfstak, alsmede de concrete omscha-
kelingsmaatregelen. Achtereenvolgens
komen aan bod de financiële wederaan-
passi ngsmaatregelen, de bemiddelings-diensten van de mijnindustrieen de over-

heid en de diverse herscholingsfacilitei-
ten. Als belangrijk gegeven voorde mijn-

werkersgroepering geldt de overheids-

garantie van vervangende werkgelegen-
heid bij sluiting van de mijnbedrijven.

In het derde hoofdstuk komt de theore-

tische aanzet voor het onderzoek aan de

orde. Gedwongen mobiliteit kan optre-
den indien de werknemer niet aan de

verwachtingen, die dearbeidsplaats stelt,

Het normale proces van uitstroming
van ouderen uit het produktieproces.en

instroming van jongeren erin is sedert
een aantal jaren ernstig verstoord. Een

van de dieper liggende oorzaken is de

groeiende afstand tussen schooloplei-
ding en functie-vereisten. Het gevolg

van het slecht op elkaar aansluiten van

vraag en aanbod is dat de opleidingskos-

ten in het bedrijfsleven stijgen. Er moet

worden vastgesteld dat de bereidheid

van werkgevers om te investeren in
,,human capital”, d.w.z. in bijscholing

en beroepsopleiding, sterk is afgenomen. Jonge werknemers die van school komen
zijn extra duur, niet zozeer door de

hoge minimumjeugdlonen, als wel door
de extra opleidingskosten.
Het valt te vrezen dat de jeugdwerk-
loosheid geen voorbijgaand verschijn-

sel is dat met het herstel van de con-

voldoet of door economische en/of

technische veranderingen in het arbeids-
bestel, die de arbeidsplaats doen ver-

dwijnen. Voor de mijnwerkersgroepe-
ring geldt het laatstgenoemde type van
gedwongen mobiliteit. De hypothese

wordt gesteld dat de oriëntatie ten op-
zichte van de nieuwe werkkring minder
positief zal zijn naarmate de dwang,
waaronder van arbeidsplaats wordt

gewisseld, toeneemt. Zanders onder-
scheidt in dit verband een drietal situ-

aties op de arbeidsmarkt. De frictie-
markt duidt op de situatie waarin werk-

nemers ten gevolge van conjuncturele

en/of structurele veranderingen bin-

nen het arbeidsbestel noodgedwongen
van positie moeten wisselen; op de eco-
nomische markt laten werknemers zich
voornamelijk door economische motie-
ven leiden en op de preferentiemarkt
vindt overwegend vrijwillige mobiliteit

plaats op grond van niet-materiële fac-

toren.
Bij de presentatie van de onderzoekge-
gevens wordt de nader te onderzoeken

groep in een drietal subgroepen inge-
deeld, nI. de ex-bovengronders, de ex-
ondergronders en de ex-ondergronders,

die in aanmerking kwamen voor uitke-
ringen, die via de bemiddeling hun
nieuwe baan kregen en die voor hun
functie werden omgeschoold. Het oor-
deel over het oude en het nieuwe werk
wordt op een drietal punten vergeleken:
autonomie, financiën en sociale relaties;

junctuur en de verbetering van de alge-

mene werkgelegenheid wel weer zal ver-
dwijnen. In het algemeen heeft de vraag

naar arbeid zich niet aangepast aan het

snel stijgende scholingspeil en bovendien

zijn de opleidingen, ook de technische,
minder op het beroep gericht. Het lijkt
mij dat de overheid door het scheppen
van nog meer arbeidsplaatsen in de dien-
stensector hooguit tijdelijk soelaas zou

kunnen bieden. Het wordt tijd, meer dan

tijd, om in dit land eindelijk eens een
werkelijk actief arbeidsmarktbeleid van

de grond te tillen.

A. F.
van Zweeden

(De maatregelen die minister Boersma

vorige week bekend maakte, kii’a,nen
te laat om nog in dit artikel te kunnen

worden verwerkt, red.).

daarnaast is het oordeel over het oude en
het nieuwe bedrijf opgenomen. Verder

komen aan bod de mobiliteitsgeneigd-
heid op het omschakelingsmoment, een inschatting van de nieuwe functies naar
niveau en aspecten, de wijze van bemid-

deling, de mate waarin omscholing
plaatsvond en de invloed van de omscha-
keling op het gezin. Al deze factoren en
variabelen worden zoveel mogelijk met

elkaar in verband gebracht wat een veel-
voud van deelsamenhangen oplevert. In

een afzonderlijk hoofdstuk wordt vervol-
gens aandacht besteed aan de mobiliteit

na omschakeling, waarover straks meer.
In het laatste hoofdstuk ten slotte poogt

Zanders het onbevredigende resultaat
,,dat wel een overzicht werd geboden van

een groot aantal samenhangen, maar dat het onderlinge verband tussen de geana-
lyseerde factoren weinig naar voren kon

komen” te compenseren door via de

,,path”-analyse enigermate naar oorza-

kelijke verbanden te speuren.
Enige uitkomsten van deze analyse
zijn:

• of ex-mijnwerkers een financiële uitke-
ring kregen bij overgang naar een
nieuwe werkkring wordt doordrie fac-
toren verklaard: de leeftijd, de woon-regio en het tijdstip van afvloeiing;
• de werknemers die buiten de indu-
striële sector werk vonden, konden

hierin hun wensen ten aanzien van het
dienstrooster meer realiseren dan de-
genen die wel in de industriële sector
terechtkwamen; werknemers buiten de oostelijke mijnregio zagen hun wensen
t.a.v. het samenwerken met ex-colle-

ga’s iets minder vervuld dan de respon-

denten in de oostelijke mijnstreek;
• omschakeling oefende een duidelijk

ongunstige invloed uit op de financiën;
• de verandering in autonomie werd be-

invloed door vier factoren: het wel of

niet bemiddeld zijn,dein 1968 bereikte

werkkring, het gerealiseerd zijn van
preferenties met betrekking tot het
dienstrooster en de woonregio;
• de sociale relaties in de werkkring en

de maatschappelijke waardering voor

de baan worden beïnvloed door de
grootte van het bedrijf, het samenwer-
ken met vroegere collega’s en het feit of
men in de mijn boven- of ondergronds
werkte: de vroegere ondergronders

hebben iets meer gunstige ervaringen opgedaan dan de ex-bovengronders;
• het merendeel van de ex-mijnwerkers
waardeert de na omschakeling be-

reikte positie gunstig, hetgeen voorna-
melijk het gevolg is van de goede soci-
ale relaties in de nieuwe werkkring;
• de omschakeling heeft meestal weinig
veranderingen in het gezin veroor-
zaakt; het positieve oordeel overheerst
eveneens voornamelijk ten gevolge
van de sociale relaties.

De conclusie met betrekking tot de uit-
gangshypothese – die in de studie overi-

gens niet wordt getrokken – lijkt te zijn
dat zelfs op een frictiemarkt, dus
bij
ge-

Boekc

ieuws

H. L. G. Zanders: Omschakeling van een beroepsgroep.
Universitaire Pers Tilburg,
1975, 305 blz., f. 29,50.

ESB
25-8-1976

819

dwongen mobiliteit, bedrijfs- en beroeps-

wisseling overwegend als positief worden

ervaren. De terugkoppeling naar de pro-
bleemstelling die evenmin plaatsvindt

– zou tot de conclusie leiden dat er zich bij de ex-mijnarbeiders door de sluiting
van de mijnbedrijven geen problemen
voordoen. Het getuigt — meen ik — van

een gepaste realiteitszin dat deze uitkom-
sten niet als harde conclusies zijn gefor-

muleerd. Het onderzoekmateriaal laat
dergelijke gevolgtrekkingen niet toe.
Laat mij enige bezwaren, ten dele ook
door de auteur onderkend, noemen.
Het onderzoek betreft uitsluitend (een
deel van de) mijnwerkers. Een vergelij-

king met een omschakelingsproces bij andere beroepsbeoefenaren ontbreekt.
Een dergelijke opzet maakt een ,,case-
study” mogelijk van omschakeling op
een frictiemarkt, maar kan niet leiden tot

een antwoord op de hypothese dat de

oriëntatie ten opzichte van de nieuwe
werkkring minder positief zal zijn naar-

mate de dwang waaronder van arbeids-
plaats wordt gewisseld, toeneemt.

Ten tweede ligt bij omschakeling van
een beroepsgroep de vraag voor de hand

naar het aantal arbeidsplaatsen, hun

kwaliteit en hun aard van werkzaamhe-

den dat ten behoeve van deze groep is
(wordt) geschapen. De regionale werkge-
legenheid komt evenwel niet aan bod.
Dit leidt tot merkwaardige uitspraken
als: de maatschappelijke waardering
voor de baan wordt beïnvloed door de
grootte van het bedrijf, het samenwerken
met vroegere collega’s en het feit of men

vroeger in de mijn boven- of onder-
gronds werkzaam was. Zou de waarde-
ring van het werk echter niet meer wor-

den bepaald door de aard der werkzaam-

heden in de nieuwe baan en de mate
waarin bij de keuze van die baan een
ruim en gevarieerd aanbod van arbeids-
plaatsen voorhanden was?
Voor het speuren naar knelpunten tij-

dens het omschakelingsproces lijkt mij
een beoordeling van de hoeveelheid en de

kwaliteit van de geboden (vervangende)
werkgelegenheid een voornaam aan-

dachtspunt. Voorts is hierbij sprake van
een onderzoek waarbij na de fase van de
materiaalverzameling de auteur discre-
panties onderkent met de gewenste on-derzoekopzet. De complexiteit van soi-
ologisch onderzoek, de noodzaak om
vooraf een beslissing te nemen welke re-
laties wel en welke niet in het onderzoek
betrokken moeten worden en het pro-
bleem dat het tijdstip van materiaalver-

?.ameling soms niet alleen door de onder-
zoeker kan worden vastgesteld, maken
dit een relatief veel voorkomend manco

in veldonderzoek. Zanders verdient lof
voor de pogingen die hij later in het werk
heeft gesteld om de gegevens uit het ,,sur-
vey” van 1968 in het licht van zijn pro-bleemstelling aan te vullen. Toch over-
tuigen zij niet.

• Aan het gebrek aan informatie over
de nieuwe functies van de ex-mijnwer-kers is in 1970 tegemoetgekomen door

beroepsdeskundigen van het Districtsbu-
reau voor de Arbeidsvoorziening deze

functies te laten classificeren naar enkele

gezichtspunten. Ten eerste rijst de vraag
waarom deze gegevens via een omweg

zijn verzameld en niet rechtstreeks door

een benadering van de betrokken bedrij-
ven. Zanders’ argument dat de grote ver-

scheidenheid van nieuwe werkkringen
hiertegen pleit, lijkt mij onjuist. Integen-

deel, de verscheidenheid aan werkkrin-
gen maakt informatie van de meest be-
trokken functionarissen des te meer
noodzakelijk. Ten tweede heb ik twijfels

over de zin van deze actie; een indeling
van de oude mijnwerkersfuncties naar

deze gezichtspunten ontbreekt, waar-
door vergelijking onmogelijk is. Zanders

stelt dit zelf ook vast: ,,Verderop zal blij-
ken dat een volledig antwoord met dit
onderzoekmateriaal ook moeilijk gege-
ven kan worden. Het vaststellen van een

stijging of daling (voor het niveau)en van

verschuivingen (voor de aspecten) ver-
onderstelt zowel kennis van de nieuwe als

van de vroegere situatie. De gegevens

over de vroegere functie waren echter

nogal beperkt” (blz. 133).

• Aan het probleem dat de responden-

ten niet zijn gevolgd in de loop der jaren,
is gepoogd in 1971 tegemoet te komen
met een vervolgonderzoek. Dit vervolg-
onderzoek sluit echter slecht aan op het

eerder uitgevoerde onderzoek. Er is gere-
gistreerd in welke mate feitelijke mobili-
teit is opgetreden tussen 1968 en 1971;

naar de achtergronden, overwegingen en
redenen van de mobiliteit is niet ge-
vraagd. De samenhangen tussen dit
nieuwe gegeven en de eerder onderschei-
den variabelen (22 in getal), die in hoofd-
stuk 6 zijn ondergebracht, laten zich
moeilijk interpreteren. Ten eerste omdat
onbekend is of de mobiliteitscijfers het
resultaat zijn van vrijwillig of onvrijwillig
vertrek. Ten tweede omdat wordt uitge-

gaan van de veronderstelling dat ontslag
door externe omstandigheden (ze zijn

ongeschikt voor de functie of er is sprake
van overtolligheid) geen samenhang met
individuele oordelen van werknemers zal
vertonen. Mijns inziens is echter een ver-

Na een verblijf van zeven jaar bij de

OECD, waar hij zich bezig hield met
problemen die in verband staan met

onderwijseconomie, onderwijsplanning

en onderwijsbeleid, biedt de auteur
ons dit boek aan bij wijze van testament.
Het is voor een wetenschappelijk werk

vrij vlot geschreven, biedt veel informa-
tie en is uiterst actueel. Voordien schreef

deze internationale Nederlander samen

met M. Frank, 0. F. Staleman, P. de

Wolff en R. Ruiter: De economie van het

onderwijs, Préadi’iezen Vereniging voor
de Staahui.shoudkuncIe, ‘s-G
raven hage,

1968.

band tussen negatieve oordelen over be-

drijf en/of werk en de mobiliteitsfre-
quentie plausibel. Te meer curieus is deze

veronderstelling omdat zij lijnrecht staat

tegenover de uitgangshypothese dat op

een frictiemarkt (ontslag door externe
omstandigheden) de werknemersoorde-
len meer negatief zullen zijn. Ten derde

heeft de auteur bij vergelijking van de va-riabelen in 1968 en de opgetreden mobili-
teit tot 1971 zich onvoldoende gereali-
seerd dat mensen tussentijds het idee
kunnen krijgen om van baan te verande-
ren. Drie jaar is tenslotte een lange tijd,

waarin mensen wel eens van mening ver

anderen of handelen op basis van voor

dien afwezige motieven. M.a.w., de mate
waarin de variabelen en factoren in 1968
hun werking uitoefenen op latere mobili-
teit is moeilijk in te schatten. Ten vierde

zijn de mobiliteitscijfers zelf onvolledig,
omdat de bedrijfswisselingen van ex-
mijnwerkers na omschakeling tussen

1966 en medio 1968 ontbreken (voetnoot
blz. 201).

De studie van Zanders heeft ons ge-

ïnformeerd over de omschakeling van
een beroepsgroep die snel zijn maat-

schappelijke betekenis verloor. Het om-
schakelingsproces zelf is daar uiteraard
door beïnvloed. In negatieve zin door de
snelheid waarmee het zich voltrok, in po-
sitieve zin door de grote beleidsaandacht

die rond de omschakeling is geweven. Omschakelingsprocessen van dit sterk
sociaal-economisch geconditioneerde
karakter komen wellicht in de toekomst
meer voor; Zanders’ studie heeft daar

voor exemplarische waarde. Voorts geeft
het boek een indruk van het onmisken-

bare doorzettingsvermogen en de ge-
trooste inspanningen – rekentechniek, noch computer zijn gespaard – van de

onderzoeker om door aanvullingen ach-

teraf het onderzoekmateriaal te laten
sluiten op de opzet. Dat dit tenslotte niet
goed lukt, is een (oude) methodologische
les in sociologisch onderzoek, waaruit
onderzoekers meer lering zouden moeten
trekken.

W. van Voorden

Emmerij brengt — op geheel eigen
wijze — verslag uit van de recente ont-

wikkeling van het denken over onderwijs

en vorming in het in Westeuropese lan-

den vaak invloedrijke internationale
forum van wetenschappers en beleids-
mensen rond de OECD. Het is dan ook

verhelderend de beleidsstukken van
Van Kemenade c.s. (vooral de
Con-

tourennota)
eens te bekijken tegen de

achtergrcind van het hier samengevatte
internationale denken. Van veel nut

voor or’ts land lijkt ook de aanzet tot een
meer interdisciplinaire benadering van

onderwijs- en vormt ngsvraagstukken in

Louis Emmerij: Can the school build a new social order?
Elsevier, Amsterdam,

1974, 200 blz., f. 30.

820

(l.M.)

Voor boeken op het gebied van economie, sociologie, recht,
‘..
medicijnen en techniek:

WETENSCHAPPELIJKE BOEKHANDEL
0•
ROTTERDAM B.V.

t

Waarin opgenomen:
De Wester Boekhandel
Stamboekhandet Rotterdam

Korte Hoogstraat 11-13, Rotterdam
Postbus
21333, tel. (010) 33 26 88

.

0

Vestiging in de Erasmus Universiteit, Complex Woudestein. Tel. (010) 14 55 11,

toestel 31 1 5.
0

dit internationale forum; daaruit kan

onzes inziens de vraag worden afgeleid
of het niet tijd wordt de onderwijskunde

meer interfacultair te gaan beoefenen.

De kern van het boek vormt de
analyse die Emmerij biedt van de ,,rat

race” of de ,,ring-dance of madness”

die ons zich almaar uitdijend onder-

wijs kenmerkt. Hij laat op zeer in-
dringende wijze zien, dat de tendens naar

steeds meer aaneengesloten onderwijs
op jeugdige leeftijd een doodlopende weg

is. Het principe van de nul-correlatie

tussen een bepaald onderwijsniveau en
beroepskansen – dat van toepassing is

wanneer vrijwel iedereen met succes aan onderwijs op een bepaald niveau

deelneemt – én de wet van de ,,last
entry” illustreren, dat steeds opnieuw

kwantitatieve en kwalitatieve cycli van
frustraties wachten voor met name de

lagere milieus, wanneer het
huidige
onderi’i/s zonder meer steeds wordt
uitgebreid,
mede door de distinctie-
drift van oude en nieuwe elites. Een
beleid gericht op ,,gelijkere kansen”

dreigt volgens Emmerij de ,,rat race”

bovendien nog te versnellen en te in-

tensiveren. Om deze uitzichtloze, dwaze
wedloop (met o.a. ten dele overbodige

,,rare specialists” als eindprodukt) te

stoppen, beveelt Emmery als meest

reële oplossing een strategie van
,,recurrent education” aan. Aldus kan

volgens hem de toename van onderwijs-
kansen-voor-een-ieder beter in over-

eenstemming worden gebracht met de

motivatie van het individu en zijn
beroepskansen.

In de inleiding stelt Emmerij, dat het

boek in de eerste plaats gaat over het
effect van onderwijs op de levenskansen

van mensen en in de tweede plaats over
onderwijsbeleid en planning als middel
om het onderwijs meer systematisch in
verband te brengen met de maatschappe-

lijke en individuele behoeften, zoals

deze in de jaren zeventig opduiken. Zijn

informatieve verslag beslaat de periode
na 1950.

Wij achten het een omissie dat in

tegenstelling tot op de aanbodzijde
(het onderwijs), nagenoeg niet wordt
ingegaan op herstructurering en her-

programmering van de vraagzijde (de
arbeidsplaatsenstructuur en de arbeids-

kwalificaties), alsmede op de arbeids-
plaatsentoewijzing. Ook op vragen

betreffende herijking van de arbeids-

waardeleer en vooral die met betrekking

tot bestaande en wenselijke economische
en maatschappelijke orden, wordt onzes

inziens onvoldoende ingegaan.

M. Santema

Andrea Boitho: Japan: an economic
survey
1953-1973.
Oxford University Press, Londen, 1975, 204 blz., £ 2.75.

Dit boek maakt deel uit van de serie

,,Economics of the world”, waarin reeds

verschenen boeken over Italië, Egypte

en Nederland. De auteur vergelijkt de
economische groei van Japan met die

van andere belangrijke landen. Ver

volgens behandelt hij enkele kenmerken

van de Japanse economie die de aan-
dacht trekken (economisch dualisme en
werkgelegenheidspolitiek). Deze onder-

werpen worden over twee delen verdeeld.

Het eerste deel bevat een beschrijving

van de economie en het tweede deel gaat
in op de factoren die tot de economische
groei hebben geleid. Het boek isafgeslo-
ten met de signalering van enkele actuele

problemen en van de komende verande-
ringen.

Product liability
in
Europe. Kluwer BV,
Deventer, 1975,
155
blz., f. 36.

Bevat de rapporten opgesteld voor een
conferentie van de Association

Européenne d’Etudes Juridiques et
Fiscales op 25 en 26 september 1975
te Amsterdam over de eisen waaraan de
produkten in België, Denemarken,
Frankrijk, West-Duitsland, Italië,

Nederland, Engeland en de Verenigde

Staten moeten voldoen.

Korea’s economy, past and present.

Korea Development Institute, Seoul,

1975, 367 blz.

Voorlichtend

boek over de Zuid-

koreaanse economie vanaf 1960. Bevat

uitvoerige beschrijvingen van de diverse

sectoren, toegelicht met vele kleuren-
foto’s, grafieken en tabellen.

Kosten en opbrengsten van gemeente-
lijke sportaccommodaties in
1971, 1972
en
1973;
een voorstudie in 14 gemeenten.

Stichting Nijenrode, Instituut voor Be-

drijfskunde, Breukelen, 1975, 44. blz.

Voorstudie van een werkgroep over

de kosten en opbrengsten van stadions,

sportvelden, tennisbanen, zwembaden,

sporthallen en gymlokalen over de jaren

1971, 1972en 1973,aandehandvange-
gevens uit Eindhoven, Groningen, Til-
burg, Enschede, Arnhem, Breda,

Dordrecht, Leeuwarden, Delft, Den
Bosch, Vlaardingen, Amersfoort, Ede
en Hengelo.

ESb
Mededelingen

De overheid in de klem

Op vrijdag 1 oktober a.s. organiseert
het Instituut voor Onderzoek van Over-

heidsuitgaven een discussiemiddag over:
,,De overheid in de klem, de rijks-

begroting 1977 in meerjarenperspectief’.
Inleiders – bestuursleden van het
Instituut – zijn:

• Prof. Dr. Th. A. Stevers, De macro-
economische gevolgen van de be-
groting;

• Prof. Dr. J. Pen, De maatschappe-

lijke weerstanden tegen verlaging van

de groei van de overheidsuitgaven;

• Prof. Dr. D. J. Wolfson, De feitelijke
voorstellen voor 1977 en volgende
jaren, resp. voor de sociale voor-
zieni nge n;

• Dr. W. Drees, De rijksuitgaven,
andere dan die voor sociale voor-
zieni ngen.

Na afloop discussie.
Plaats: Congresgebouw, Faya Lobbi-
zaal, Den Haag. Aanvang: 13.30 uur.

Aanmelding en inlichtingen: Instituut
voor Onderzoek van Overheidsuitgaven,
Anna Paulownastraat 58B, Den Haag,

tel.: (070) 64 58 73.

Nationale onderzoekdag economie

Op 9 september a.s. wordt op de
Erasmus Universiteit Rotterdam de
nationale onderzoekdag voor economen
georganiseerd. Veertig inleiders zullen

in kort bestek iets van hun onderzoek-

activiteiten vertellen, met als doel het

contact tussen onderzoekers onderling
en met anderen te verstevigen. De onder-
werpen tonen een grote verscheidenheid:

inkomensverdeling, arbeid en kapitaal,

moneiair beleid, rentabiliteit, gezond-

heidszorg, belastingen enz.

Plaats: Erasmus Universiteit Rotter-

dam, Burg. Oudlaan 50, zalen Dl-D4.

Aanvang: 9.30 uur. Toegang: gratis.
Inlichtingen: W. J. Keller, Fiscaal Eco-
nomisch Instituut EUR, Postbus 1738,

tel. (010) 14 55 II, tst. 3298.

ESB 25-8-1976

821

T

•’ RIJKSUNIVERSITEIT

I
MS

Bij de Wiardi Beckman Stichting,
het wetenschappelijk bureau van de

Partij van de Arbeid,

komt binnenkort een plaats vrij voor een

STAFMEDEWERKER
(Mlv)

bij voorkeur ekonoom,

— met belangstelling voor uiteenlopende

aktueel-ekonomische problemen;
– met aandacht voor de sociologische en

politieke aspekten daarvan;
– die zich verwant voelt of lid is van de

Partij van de Arbeid;
– die in teamverband werken wil;
– die over organisatorische eigen-
schappen beschikt;
– die zich mondeling en schriftelijk
redeiijk kan uitdrukken.

Wie meent zich in deze algemeneomschrijving te

herkennen en deze aantrekkelijke, maar lastige
funktie aandurft, wordt verzocht binnen veertien
dagen na verschijning van deze advertentie schrif-

telijk te reageren bij de Wiardi Beckman Stichting,

Postbus 6070, Amsterdam.

Voor nadere inlichtingen: Wim van Gelder of
Wouter Gortzak; telefoon 020-12 5811.

Bij het Sociologisch Instituut kan worden
geplaatst:

EEN TOEGEPAST

WISKUNDIGE (m/v)

(halve dagt.) (vac.nr
. LP 760808)

bij de vakgroep i.o. Methoden en Technieken.

Zijn/haar taak zal bestaan uit:

Het geven van onderwijs t.b.v. wiskunde-
toepassingen binnen het sociologisch wetenschapsgebied voor het doctoraal bijvak

,,wiskundige methoden”.
Het adviseren van stafleden en studenten bij

wiskundetoepassingen in het sociaal-weten-schappelijk onderzoek. Het geven van een blok-college over
waarsch ijnlijkheidsrekening in het kader van

het statistiek-onderwijs aan eerste-jaars
studenten.

Er is mogelijkheid tot samenwerking met andere wiskundedocenten in het kader van de Werkgroep Wiskunde, informatica en statistiek
van de Faculteit der Sociale Wetenschappen.

Vereisten:
— een doctoraalexamen dat de garantie biedt
voor een grondige wiskundekennis
— didactische capaciteiten
— bereidheid tot intensieve samenwerking met

stafleden en studenten.

Ervaring met bovengenoemdé werkzaamheden
strekt tot aanbeveling.
Er zal naar gestreefd worden de functie in de
toekomst tot een volledige dagtaak uit te breiden.

Aanstelling en salariëring zal geschieden over-eenkomstig het rangenstelsel van wetenschap-

pelijk medewerker.

Betrokkene wordt aanvankelijk aangesteld voor een proeftijd van ten hoogste vier jaren, doch is
bestemd voor blijvende opneming in het wetenschappelijk corps.

Inlichtingen over deze functie worden verstrekt door de voorzitter van de sollicitatiecommissie,
drs. H. H de Vos, tel. werk 050-114862; thuis
05908-32650.

Sollicitaties binnen drie weken na verschijnen
van deze advertentie te richten aan het Hoofd
van de Afdeling Personeelszaken der Universiteit, Postbus 72 te Groningen, onder vermelding van
het vacaturenummer.

Praktische toepassing

Industriöle marketing

Dit is het centrale thema in onze 8-daagse

leergang

. é
lndustrule

marketing

Ervaren marketing- en organisatie-adviseurs behandelen marketing knelpunten in
handel en industrie.

Bestemd voor commerciële, technische en

financieel-economische beleids-
functionarissen.

De najaarsleergang wordt gehouden op
4, 5, 6, 7, 18, 19, 20 en 21 oktober
In Hotel Huis ter Duin, Noordwijk aan Zee.

Uitgebreide cursusbrochure

op aanvraag bij:

BOSBOOM+NEGENER

de Lairessestraat 111-115 – Amsterdam
Telefoon 020-736666

822

Auteur