Ga direct naar de content

Jrg. 62, editie 3118

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 24 1977

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN DE

24AUGUSTUS
1977

esb

STICHTING HET NEDERLANDS 62eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 3118

Verkeer, ruimte en insti
*tuti
*es

De verkeersproblematiek kan in essentie alleen maar
worden opgelost door activiteiten als werken en wonen
effectiever over de beschikbare ruimte te verdelen. Als
voorbeelden van een inefficiente verdeling van de ruimte

kunnen vele binnensteden gelden die – ten koste van

de woonfunctie – zijn volgebouwd met kantoren. Een
deel van die kantoren is uit het oogpunt van representatie
in het stadscentrum gevestigd, maar draagt niet bij tot
de ,,centrumfunctie” van de binnenstad. Wel worden er
o.a. doordat overdag veel parkeerruimte in beslag wordt

genomen door de werknemers en veel spitsverkeer wordt
uitgelokt, veel problemen voor de overheid gecreeerd.

Het hierboven (zeer beknopt) geschetste probleem is
in
ESB
al diverse malen uitvoeriger behandeld, met name
door Klaassen 1). Als een nuttige bijdrage om de samenhang

tussen verkeer en de verdeling van activiteiten over de

ruimte te institutionaliseren wees Klaassen een viertal
jaren geleden op de mogelijkheid om een verkeersfonds
in te stellen: ,,een vorm van uitgavenfinanciering via

een speciaal daarvoor aangewezen rekening”.
Wilde zo’n fonds goed kunnen functioneren, dan moest
volgens Klaassen aan een aantal voorwaarden worden

voldaan. In de eerste plaats zou de voeding van het
fonds moeten bestaan uit heffingen, te betalen door de

vervoersconsument, die afhingen van de mate van congestie

(,,road-pricing”). De technische mogelijkheden om zo’n

heffing langs elektronische weg via plaatsing van meters

in auto’s te innen, verkeren echter, als we afgaan op
mededelingen van minister Westerterp, nog steeds in een

experimenteel stadium.
Een andere belangrijke voorwaarde waaraan zou moeten
worden voldaan, is dat er duidelijk criteria zijn voor

de besteding van de gelden die in het fonds terechtkomen.

De gedachte aan een verkeersfonds is sinds het regeer-
akkoord-Steenkamp (de grondslag voor het kabinet-Biesheu-

vel) waarin de vorming van een verkeersfonds werd aange-

kondigd wat op de achtergrond geraakt, totdat onlangs in
een rapport van het Instituut voor Onderzoek van Over-
heidsuitgaven weer positieve geluiden waren te vernemen

over de mogelijkheden van fondsvorming 2).

Het is interessant om na te gaan hoe het inmiddels
staat met de condities die Klaassen stelde. Ideale oplossingen
voor ,,road-pricing” zijn nog niet in aantocht, maar op

het gebied van ,,second-best”-oplossingen zijn er wel aardige

ontwikkelingen op gang gekomen, met name in de Parijse
agglomeratie. De bedrijven die in Parijs zijn gevestigd,
moeten een heffing betalen die afhangt van de loonsom

die zij hun werknemers betalen en de ligging van het

bedrijf. Deze heffing komt ten goede aan een agglomeratie-
vervoersautoriteit, ook aan te duiden als ,,fonds”, die
de heffing t.b.v. verkeer en vervoer kan besteden. Doet

zo’n heffing op het eerste gezicht nogal globaal aan,

via criteria ook door Klaassen ontwikkeld, zoals de bezoe-
kers/werkers verhouding van de bedrijven, zou naar ver-
fijning kunnen worden gestreefd. Het voordeel van
zo’n heffing is dat de bedrijven langs deze weg kunnen

worden geconfronteerd met een deel van de maatschappelijke

kosten die zij veroorzaken door de keuze van vestigingsplaats.
Hoewel ook objectieve criteria voor de uit een fonds

te financieren investeringen allerminst eenvoudig zijn te
vinden, zijn er op het gebied van de kosten-batenanalyse
toch vorderingen gemaakt die een belofte inhouden. In
Engeland is deze techniek bijv. toegepast bij de beslissingen
of onrendabele spoorlijnen konden worden vervangen door

goedkopere busverbindingen 3). Hoewel ook hier alle
problemen nog niet zijn opgelost is toch duidelijk dat

de kosten-batenanalyse meer succes belooft op te leveren
bij het evalueren van concrete projecten dan bij de waarde-

ring van gehele vervoerssystemen.
Of men voor- of tegenstander is van fondsvorming
hangt overigens niet alleen af van de wijze waarop men recente ontwikkelingen als hier geschetst taxeert. Bij de
instelling van een fonds spelen onvermijdelijk bestuurs-

kundige elementen een rol van niet te onderschatten
betekenis. Het waarde-oordeel dat men heeft over het

beleid van de huidige instituties die zich met verkeer

en ruimtelijke ordening bezighouden gaat dan ook snel

meewegen. Met andere woorden, de vraag in hoeverre
men via de instelling van een fonds een beter (of slechter)
beleid verwacht, speelt ook een rol.

W.D. Franckena

L. H. Klaassen, Een verkeersfonds als instrument van een
ruimtelijke ordeningspolitiek,
ESB,
24januari1973.
Personen vervoer, beïnvloeden, besturen, betalen,
Den Haag,
1977.
Zie hiervoor Pryke en Dodgson,
The rai! problem,
Londen,
1975, blz. 185 e.v.
797

Inhoud
ECONOMISCH STATISTiSCHE BERICHTEN

ESb.

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. W. D. Frankena:

Verkeer, ruimte en instituties

797

Column

Realiteitszin,
door Dr. J. Bartels

799

Prof Dr. P. Ni/kamp:

Regionaal beleid

………………………………………

800

A.
Stemerding en H. Verbeek:

De financiele verslaggeving van Nederhorst (1965-1974)

805

Vacatures
……………………………………………..

808

Dr. B.
A.
de Wilde:

Enkele alternatieve, mogelijkheden
met betrekking
tot
de Organisatie der

overheidsaanschaffingen …………………………………811

Ingezonden

Rijken van Olsten Box-Jenkins: een antwoord volgens
Dostojewski,door
Drs. E. J. Bomhoff met naschrift: De apologie van B.J. door E.J.B.:
,,L’apprenti sorcier”,
door Prof Dr. H. Rijken van 0/st ………..
815

Maatschappijspiegel

De arbeidsplaatsenovereenkomst in spiegel en in beeld, door Dr. W. van

Voorc/en

……………………………………………..
818

Mededelingen
…………………………………………..
820
B
oekennieuws
……………………………………………
820

Uitgezonderd over abortus schrijft
ESB
over alles, wat de

politieke discussie beheerst.

Hierbij
geef ik mij op
vooreen abonnement op
Economisch Statistische Berichten

NAAM
.
……………………………………………………

STRAAT
.
…………………………………………………..

PLAATS
.
………………………………………………….

Evt.: no. collegekaart (studentenabonnement) ………………………

Ingangsdatum
.
………………………………………………

Ongefrankeerd opzenden aan
*
:
ESB,
Antwoordnummer 2524
ROTTERDAM

Handtekening:

*Djt adres alleen gebruiken voor opgeven van abonnementen.

Redactie

Commissie van redactie: H. C. Bos.
R. hierna, L. H. Klaassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Paelinck.
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L. Hoffman.
Adjunct-redacteur-secretaris:
L. van der Geest.

Adres:
Burgetneester Oud/aan 50,
Rotterdam-3016: kopij voor de redactie:
postbus 4224.
Tel. (0 10) 14 55 II, 1oeste/3701.
Bij adresseijziging s. v.p. steeds adresbandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tss’eevoud,
getypt, dubbele regelafstand, brede marge

Abonnementsprijs:f
130.— per kalenderjaar
(inc/. 4% BTW): studenten f 88,40
(md. 4% BTW), franco per post voor
Nederland, België, Luxemburg, overzeese
rijksdelen (±eepost).
A honnenienten kunnen ingaan op elke
gessenste datum, maar slechts st’orden
beëindigd per ulti,no van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93.
Rotterdam, t.n. v. Economisch Statistische
Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3.-
(mcl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen san losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hierboven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
in. s’. Economisch Statistische Berichten
te Rot terdain met vermelding san datum en nummer van hei gewenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de
Regelen voor het Advertentiewezen.

Stichting
Het Nederlands Economisch ln.çtituut

Adres: Burgemeester Oud/aan 50,
Rotterdam-3016; tel. (010) 1455 II.

Onderzoekafdelingen: Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrijfs-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek Vestigingspatronen
Macro- Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaal ‘Onderzoek
Statistisch-Mathematisch Onderzoek
TranspoFt- Economisch Onderzoek

798

Dr. J. Bariels

Realiteitszin

Naar ik meen zijn er niet veel

lichtpunten te vinden in de moeilijke
economische positie waarin ons land

verkeert. Toch zou ik het een positief

punt willen noemen, dat er althans

een grote mate van eenstemmigheid

heerst over de oorzaken van onze

structurele depressie. Het centrale

vraagstuk – zo zeg ik de Commissie

van Economische Deskundigen na

– waarvoor wij op dit ogenblik

staan, is dat van de werkloosheid.

Zelfs een column zou onvolledig

zijn, als daar niet terstond aan

werd toegevoegd de te sterke infla-

tie, die nog altijd ons deel is. Die

inflatie wordt gevoed door de sterke

stijging van de collectieve lasten

en in dit hele proces speelt het

indexeringsmechanisme een belang-

rijke rol. Heel deze ontwikkeling

en het gevoerde prijsbeleid, de posi-
tie van de gulden en de concurrentie

met het buitenland waren factoren,

die aanleiding waren tot de in Ne-

derland zo voelbare rendementsda-

ling van het bedrijfsleven.

Om aan de griezelige ontwikkeling

van de werkgelegenheidssituatie in

ons land een keer ten goede te

geven zijn een aantal zaken van

primair belang. Ik noem: verbetering

van het rendement in het bedrijfs-

leven, verhoging van de investerin-

gen en versterking van de concurren-

tiepositie en dus doorbreking van

de infiatiespiraal. Daar ligt een taak

voor overheid en sociale partners

samen.

Adam Smith schreef zijn
Jnquiry

into the nature and the causes of

the wealth of nations
als een kritiek

tegen het mercantilisme en een plei-

dooi voor een zo groot mogelijke

economische vrijheid. Hij verweet

de overheid een te grote inmenging

in het economisch leven en dat

achtte hij nutteloos en zelfs schade-

lijk. Zijn visie is niet meer van

deze tijd. In onze economische orde

heeft de overheid wel degelijk een

taak.

Zeer recent is in Italië in boekvorm

verschenen een uitgebreid interview

met Guido Carli, dat getiteld is

Interview over het Italiaanse kap ita-

lisme.
Carli, die lange jaren gouver-
neur van de Italiaanse centrale bank

is geweest, is op dit ogenblik pre-

sident van het Italiaanse werkgevers-

verbond. In dat interview wordt

Carli op zeker moment het verwijt

gemaakt als zou hij nog een aanhan-

ger zijn van de klassieke economie

in de zin van Smith. Zijn reactie

is scherp. Nooit – zo stelt hij –

ben ik het eens geweest met de

theorieën, die leren dat een markt-

economie zonder enig ingrijpen tot

een natuurlijk evenwicht leidt. Ook

de markteconomie vereist planning.

Maar deze planning, deze interventie

van de overheid, deze aanwezigheid

van de staat in het economisch

leven moet wel berusten op een

coherent systçem. En in dit coherent

systeem moet het particulier initia-

tief zich nuttig kunnen ontplooien.

De Amerikaanse Conference

Board heeft dit jaar een onderzoek

over staatsinterventie in het econo-

misch leven, dat tien jaar geleden

voor het eerst werd gehouden, her-

haald. In tweeërlei opzicht komt

deze studie, die zich over 33 landen

uitstrekte, tot gelijksoortige conclu-

sies als hierboven uit de mond van

Carli werden opgetekend. Vrijwel

algemeen aanvaardt men inmenging

van de overheid in de economie.

Vele voorbeelden van overheidsin-

grijpen worden genoemd; ik telde er

zo’n kleine twintig. Maar ook wijzen

zeer velen van de ondervraagden

erop – en dat is anders dan tien

jaar geleden – dat langzamerhand

dit overheidsingrijpen een punt heeft

bereikt waar het de burger vaak

meer stoort dan beschermt.

Wie zich aan een ander spiegelt,
spiegelt zich zacht. Het is een heel

duidelijke zaak, dat de Nederlandse

overheid een belangrijke taak heeft

bij de sanering van onze zieke econo-

mie. Eerder op deze pagina gaf

ik al heel globaal aan welke medi-

cijnen voor dit genezingsproces no-

dig zijn. Ik zal dat niet herhalen.

Wat ik wel herhaal zijn Carli’s

wijze woorden: ,,De overheid ont-

houde zich van elke maatregel, welke

het de particuliere onderneming on-
mogelijk maakt zich te ontplooien”.

Het al geciteerde rapport van

The Conference Board eindigt met

het weergeven van twee Duitse me-

ningen:

,,A German panelist, who believes

that the downtrend of profits ‘has re-duced industry’s propensity to ïnvest

for a long time to come’, contends

that ‘It is necessary to strengthen the
earning power of companies on a last-
ing basis, to safeguard their planning

by a stable policy, and to restore indu-

stry’s confidence in the nation’s econo-

mic and social policy’.
And another German business leader

expresses the crux of the relationship
between economic freedom and the
public interest in these words: ‘In the

face of all endeavors by the authorities
to influence economic and social develop-

ment, it is first of all important to
convince political leaders that the scope

for free action by enterprises must re-
main large enough to make it possible

for them to steadily improve production
and productivity. Only then can the
standard of living continue to increase
in real terms – an aim all parties

in my country are striving for”.

Bij de oplossing van de economi-
sche problemen waarmee wij in ons

land zijn geconfronteerd, lijkt op

dit ogenblik een aansporing tot een

realistische benadering niet overbo-

dig. Dat betekent niet in de laatste

plaats het onderkennen van de cru-

ciale betekenis, die in ons econo-

misch stelsel de ondernemingen

hebben voor het bereiken van werk-

gelegenheid en welvaart.
ESB 24-8-1977

799

Regionaal beleid

PROF. DR. P. NIJKAMP*

Het naoorlogse regionale beleid in Nederland draag: reeds jarenlang de sporen van een macro-economisch getinte

ruimtelijke ordening. Na de reeks nota’s inzake industrialisatie en ruimtelijke ordening die vanaf de jaren vijftig met
regelmatige tussenpozen zijn gepubliceerd, is onlangs van regeringswege een nieuw document naar voren gebracht,

namelijk de
Nota inzake het regionale sociaal-economische beleid 1977 t/m 1980.
Samen met de ,,ruimtelijke

ordenaars” hebben de economen zich weer in de strijd geworpen om een bijdrage te leveren aan een evenwichtige en

integrale regionale ontwikkeling in Nederland. In dit artikel zal een poging worden ondernomen om een aantal

beleidsvoornemens uit bovengenoemde nota te belichten. Na de presentatie van enkele algemene regionaal-econo-
mische gedachtengangen, zal aandacht worden geschonken aan regionale discrepanties die een belangrijk aankno-
pingspunt voor het beleid vormen. In het licht hiervan zal daarna een (bescheiden) evaluatie van het voorgenomen

regionale sociaal-economische beleid worden gegeven.

Regionaal beleid: veel wensen versus smalle marges

Kernelementen van het begrip ,,regionaal beleid” zijn:
regionale (normatieve) doelstellingen, geschikte (overheids)-

instrumenten, ruimtelijke (de)centralisatie en interregionale
interdependenties.
Regionale
doelstellingen
zijn een resultante van een maat-
schappelijk en politiek afwegingsproces en bevatten veelal

onderling conflicterende elementen. De reikwijdte van het
instrumentarium
om de doelstellingen te bereiken wordt

mede bepaald door politieke overwegingen en de financiële
speelruimte, waarbij het resultaat van een instrument ge-

raamd kan worden door middel van de (margïnale) effectivi-

teit 1). Het regionale beleid kan daarbij voortdurend een
frictie vertonen tussen
decentralisatie
(met het oog op slag-
vaardigheid) en
centralisatie
(met het oog op coördinatie). De aanwezigheid van ruimtelijke interdependenties.
(veroorzaakt
door ,,spill-over”-effecten in een open ruimtelijk systeem)

vereist in dit opzicht een geïntegreerd ruimtelijk beleid. (Men

denke in dit verband aan de beleidsmislukkïngen ten aanzien
van het probleemgebied de Mezzogiorno in Zuid-Italië,

waarvan de positieve multiplier-werkingen terecht kwamen in
Noord-Italië).

Het voorgaande duidt aan dat, afgezien nog van exogene
randvoorwaarden, het realiseren van een breed scala van
geintegreerde regionale doelstellingen meestal slechts binnen

nauw begrensde marges mogelijk is. Een meer op ,,manage-
ment” gestoelde beleidsstructuur, waarin via een flexibele

delegatie effectief kan worden bestuurd, lijkt hierbij zeer
wenselijk.

Het bereiken van een reeks desiderata per regio vereist een
grote hoeveelheid gedetailleerde
informatie,
niet alleen over
trends uit het verleden, maar ook over toekomstige regionale

ontwikkelingen; vgl. het WE RON (Werkproces Ruimtelijke Ontwikkeling Nederland).

Zonder adequate informatie over de regionale investenngs-
ontwikkeling, de regionale arbeidsmarkt, de regionale pro-

duktiviteitsstijging, de regionale inkomensontwikkeling, de

regionale inkomensverdeling en de regionale migratie- en
pendelstromen dreigt elk beleidsvoornemen een ,,schot in het

duister” te worden, zonder kans op realisatie van doelstellin-
gen of op een efficiënt gebruik van instrumenten (afgezien nog
van exogene verstoringen). De creatie van regionale databan-

ken,
die gecoördineerd relevante informatie verzamelen (en

ook mogen doorgeven!) is welhaast een noodzakelijke voor-
waarde voor het welslagen van het regionale beleid. Hierbij

zullen uniforme standaardindelingen en gedetailleerde basis-
statistieken van onschatbare betekenis zijn.

Het opstellen van nationale middellange-termijnprognoses

moge reeds een problematische zaak zijn, het regionaal

uitsplitsen van dergelijke prognoses is in het algemeen nog
veel moeilijker (men zie voor een illustratie de ESSOR-studie

Een prognose van economische ontwikkelingen in het Rijn-

mondgebied tot 1980, 1977).
Regionaal-economische model-
len zijn vooralsnog zeer onvolwassen. Vaak zullen gevoelig-

heidsanalyses en soms zelfs simulatie-exercities nodig zijn om
de robuustheid van bepaalde prognoses te toetsen.

Beleid voeren impliceert het nemen van beslissingen ten
aanzien van een onzekere toekomst. Wetenschappelijk onder-

zoek kan in veel gevallen helpen om meer licht te laten

schijnen in de complexe materie waarvoor het (regionaal)

beleid zich ziet gesteld, al dient er onmiddellijk aan toege-
voegd te worden dat naar de mening van beleidsvoerders in
sommige gevallen wetenschappelijk onderzoek alleen maar

méér onzekerheid schept. Dit laatste impliceert uiteraard dat
men aan het wetenschappelijk onderzoek geen sacrale beteke-

nis moet toekennen, alhoewel de kritische functie van de
wetenschap wel inhoudt dat de beleidsvoerder van zekerhe-
den die niet terecht zijn, wordt ,,bevrijd”. Elk onderzoek zal

de begrenzingen en de mogelijkheden van de analyse moeten
aangeven.
De vele fricties die in de onderzoekpraktijk van de beleids-

arena optreden, illustreren maar al te duidelijk dat een goede
scheiding van verantwoordelijkheden in dit opzicht bijzonder
moeilijk is. Een dergelijke afbakening van verantwoordelijk-
heden is veelal moeilijker te maken naarmate men dichter bij

de uitvoering van het beleid zit. Dit is bijvoorbeeld in sterke mate het geval bij stedelijk en regionaal onderzoek, waar de
afstand ten opzichte van de beleidspraxïs vaak gering is 2).

* De auteur is hoogleraar regionale economie aan de Vrije Universi-
teit te Amsterdam.
E.S. Kirschen,
Economicpolicy in our time,
North-Holland Pubi.
Co., Amsterdam, 1964.
Zie ook P.A. de Ruiter, ,,Zwemmende” onderzoekers,
ESB.
23
maart ji., blz. 267.

800

Tot op zekere hoogte zal deze spanning niet op te lossen

zijn: een onderzoeker zal zich een bepaalde onderzoekhou-

ding eigen moeten maken in het spanningsveld tussen politie-
ke loyaliteit enerzijds en kritische distantie c.q. steriele tech-
nocratie anderzijds.

Ten slotte is het in het licht van het bovenstaande wel

begrijpelijk, maar desalnittemin jammer dat een
evaluatie
ex

Post van het gevoerde beleid en van het daaraan ten grondslag

liggende onderzoek zo zelden wordt uitgevoerd 3).

Regionaal beleid: ,,efficiency” versus ,,equity”

In elk regionaal beleid treedt veelvuldig de welhaast tradi-tionele spanning op tussen de twee economische paradigma’s

,,efficiency” en ,,equity”. De neo-klassieke denkwereld richt

zich vooral op een efficiente allocatie van schaarse hulpbron-

nen en goederen, terwijl er relatief weinig aandacht is voor een
billijke verdeling over personen of groepen. Het vraagstuk

van de ,,trade-off’ tussen doelmatigheid en billijkheid is dan

ook een van de moeilijkste uit de neo-klassieke visie op eco-

nomische politiek 4)
5).

Het is opmerkelijk dat de aanleiding voor het voeren van
een regionaal beleid veelal niet zozeer gelegen is in een
minder
efficiënt gebruik
van regionale hulpbronnen, als wel in het feit

dat sommige regio’s structureel in een ongunstige positie
verkeren ten opzichte van andere regio’s. Deze positie kan
onder meer zijn gekenmerkt door sociaal-economische onge-

lijkheden (bijv. de inkomensverdeling), maar evenzeer door

andere sociaal-economische indicatoren zoals voorzieningen-

niveaus (bijv. onderwijsfaciliteiten) of regionale toegankelijk-
heid (bijv. verkeersinfrastructuur).

In de
neo-klassieke
gedachtengang over regionale ontwik-

keling wordt verondersteld dat door een reductie in transport-

kosten en/of afstandsfricties (bijv. door verbetering van de

verkeersinfrastructuur) de produktiefactoren (en goederen)
voldoende mobiel zullen worden om de regio’s te bereiken

waar zij het meest efficient zijn. Daardoor zal er tevens een

tendens zijn tot een interregionale nivellering van factorprij-
zen en goederenprijzen 6). Ruimtelijke specialisatie zou hier
dus leiden tot ,,efficiency” én ,,equity”. Voor zover de ,,equi-

ty” niet wordt bereikt, kunnen beleidsinstrumenten (bijv.
investeringssubsidies en infrastructuurpolitiek) worden ge-
bruikt om al te grote interregionale discrepanties te vermij-
den.

De kritiek op djt denkmodel, die van verschillende zijden
werd geuit, had onder meer betrekking op de verwaarlozing
van ,,natuurlijke” voor- en nadelen van een regio (bereikbaar-

heid, natuurlijke hulpbronnen enz), de verwaarlozing van
machtsfactoren en institutionele ,,bottlenecks”, de overschat-

ting van de mobiliteit van personen en de spreidingseffecten

van economische groei (men denke aan ,,backwash”-effec-

ten 7), 8).
De groeipooltheorie is een tijdlang een nieuw concept

geweest om het dilemma groei versus verdeling in het regio-
naal beleid op te lossen. Deze theorie die een ,,mix” is van een

,,export-base”-theorie en een sectortheorie heeft door haar

eenzijdige nadruk op urbaan-industriële groei echter de
verdelingsrelaties ten opzichte van het achterland helaas maar

al te vaak verwaarloosd. Indringende kritiek bleef dan ook
niet uit 9), 10), II), onder meer op de verwaarlozing van
ruimtelijke verdelingseffecten (bijv. centrum-periferie-rela-

ties) en op de Organisatie en de inhoud van de regionaal-eco-

nomische politiek.

Terecht merkt overigens Stilweli 12) op dat de aanwezig-
heid van regionale ongelijkheden als zodanig nog geen regio-

naal beleid rechtvaardigt. Pas nadepolitiekebeslissingdatde

regionale verdeling van de welvaart onbillijk is, kan een

aanleiding worden gevonden voor een actiever regionaal
beleid, waarbij een dergelijk beleid zich eerst dient af te vragen

of het marktmechanisme niet zelf al een trend vertoont naar
meer billijkheid en of de voorgestelde beleidsingrepen effec-
tief zullen zijn en vallen binnen het competentiekader van de
overheid.

Meer doorzichtigheid in het regionaal-economische beleid

zou verschaft kunnen worden wanneer een profiel-analyse
gebruikt zou worden. Een regionaal profiel weerspiegelt de

waarden van een hele reeks relevante sociaal-economische

variabelen per regio 13). Een politicus zou dan op basis

hiervan een gewenst of ,,satisficing” profiel moeten specifice-
ren dat zijn kwantitatieve voorkeuren ten aanzien van de regio

in kwestie weerspiegelt. De mate van discrepantie tussen het

werkelijke profiel en het gewenste profiel zou dan kunnen

worden gebruikt als een maat voor de intensiteit van het te

voeren regionaal beleid (voor een toepassing van deze gedach-

te op industrialisatie-politiek zij verwezen naar Nij kamp en

Rietveld 14). Het voordeel van een dergelijke profielaanpak is
dat een breed scala van belangrijke sociaal-economische
indicatoren in de beschouwing kan worden betrokken op

basis van geuite voorkeuren ten aanzien van ,,trade-offs”,

zonder dat een direct beroep op het gebruik van het prijsme-

chanisme nodig is (men zie voor een toepassing op het Maas-
vlakte-probleem Van Delft en Nijkamp 15) en op milieu-

vraagstukken Nij kamp 16).

Het is een vraag van groot belang of het regionaal beleid
kan volstaan met het geven van een aantal indirecte ,,incen-
tives” (zoals subsidies en verbetering van de infrastructuur)
ten einde de ,,efficiency” en ,,equity” van een regio te verzoe-
nen. Recentelijk is er door Stuart Holland 17) op gewezen dat
een indirecte interventie door de overheid weinig effectief
meer is. Hij wijt dit aan de opkomst van de
meso-econo-
mische
sector (leidende ondernemingen in een bedrijfstak of
multinationale ondernemingen). De kleinere bedrijven zijn

daardoor niet in staat om een eigen prijs- en lokatiepolitiek te
volgen, maar zullen hun gedrag baseren op het gedrag van de

meso-sector.
Deze meso-sector heeft door zijn ruimtelijk verspreide

locaties zoveel kracht en macht, dat ze weinig gevoelig is voor

indirecte stimulansen. Door het vaak uniforme interregionale

loonniveau binnen hetzelfde land is er weinig reden om een

vestigingin een achtergebleven regio te overwegen. Vaak zal

Voor een goede aanzet daartoe zie: J.G. Lambooy en J. H. Huizin-
ga, Het nieuwe westen des lands,
!ntermediair,
jaargang 13, nr. 12,
1977, blz. 1-17.
M.C. McGuire en H.A. Garn, The integration of equity and
efficiency criteria in public project selection,
Economicfournal, vol.
79, december 1969, blz. 882-893.
K. Mera, Trade-off between aggregate efficiency and interregional
equity: a static analysis,
Quarterly Journal
of
Economics, vol.
81,
1967, blz. 658-674.
H.W. Richardson,
Regional growth theory,
MacMillan Londen,
1973.
A.O. Hirschman,
The strategy
of
economic development,
Yale
University Press, New Haven, 1958.
G. Myrdal,
Economic theory and underdeveloped regions,
Duck-
worth, Londen, 1957.
J. Friedman,
The evolution
of
doctrine in regional development
and planning.
1nterdisciplinres lnstitutfijr Raumwirtschaft, Wenen,
1976 (mimeo).
M.J. Mosely,
Growth centres in spatial planning,
Pergamon,
Londen, 1974.
II) W. Stöhr en F. Tödtling,
Spazial equity; some anti-theses to
current regional development doctrine,
Interdisciplinares lnstitut für Raumwirtschaft, Wenen, 1976 (mimeo).
F.J.B. Stilwell,
Regional economic policy,
MacMillan, Londen,
1972.
J.H.P. Paelinck and P. Nijkamp,
Operationaltheoryandmethod
in regional economics,
Saxon House, Farnborough, 1976.
P. Nijkamp en P. Rietveld,
Impact analyses, spatialexternalities
and policy choices,
Paper First Canadian Regional Science Associa-
tion Meeting, Halifax, 1977 (Research Memorandum no. 65, Econo-
mische faculteit VU.).
IS) A. van Delft en P. Nijkamp,
Multi-criteria analysis and regional
decision-making,
Martinus Nijhoff, Leiden, 1977.
P. Nij kamp,
Theory and application
of
environmental econo-
mics,
North-Holland PubI. Co., Amsterdam, 1977.
S.K. Holland,
The regional problem.
MacMillan, Londen, 1976.
S.K. Holland, Meso-economics, multinational capital and regional
inequality,
Economy and Society in the EEC: Spatial Perspectives
(R. Lee and P.E. Ogden, eds.), Saxon House, Farnborough, 1976,
blz. 38-62.

ESB 24-8-1977

801

het meet winstgevend zijn om een deel van de produktie over te brengen naar ontwikkelingslanden (met besparingen op de

loonkosten). Voor zover men al geneigd is om in een achterge-

bleven regio in het eigen land te investeren, zal men toch

daarbinnen weer een vestigingsplaats kiezen met het grootste

groeipotentieel (waar het dus eigenlijk het minst nodig is).

Volgens Stuart Holland kunnen dan directe ,,incentives” via
centrale planning veel effectiever zijn.

Er zij hierbij aangetekend dat in deze visie op de meso-

structuur verschillende elementen zitten die kunnen verklaren

waarom de regionaal-economische werkelijkheid vaak weer-

barstiger is dan het de beleidsvoerders lief is. De aandacht

voor de ruimtelijk-organisatorische aspecten van ,,multi-regi-

onals” is zeker terecht 18). Anderzijds dient men wel te
beseffen dat deze ,,multi-regionals” vaak helemaal niet zo

geweldig mobiel zijn; de vestigingsplaats is in hoge mate

afhankelijk van het type produktie en de daarvoor benodigde
soort arbeid, van de communicatiestructuur ten opzichte van

dienstverlenende instanties, van de concentratievoordelen
van grootschalige produktie-éenheden, van fysische of histo-

risch-gegroeide omstandigheden enz. De Nederlandse erva-

ringen met het spreidingsbeleid voor de PTT en het CBS

hebben ons geleerd dat directe ,,incentives” niet zonder meer
een sociaal optimum garanderen. Hoogstens is in de uitvoe-

rende fase van de produktie de mobiliteit wat groter, maar

dan dient eraan toegevoegd te worden dat hiervan in het

algemeen alleen sprake is in een tijdperk van economische

expansie. De aandacht voor de meso-structuur en de daarmee
samenhangende starheid in het regionaal beleid is dus zeker

belangrijk, al betekent deze analyse inhoudelijk nauwelijks

een vooruitgang ten opzichte van de traditionele oligopolie-

en ,,leader-follower”-theorieen van Chamberlin, Robinson en Von Stackelberg.

Regionaal beleid: gelijkheid versus ongelijkheid

De vraag of een zekere mate van regionale ongelijkheid een

(indirecte of directe) beleidsinterventie rechtvaardigt, dient
met de nodige voorzichtigheid te worden beantwoord, aange-

zien ongeljkheidsmaatstaven uitermate gevoelig zijn voor de
ruimtelijke schaal waarop ze gemeten worden.

Verschillen in conclusies spruiten soms mede voort uit ver-
schillen in
regionale
indeling (bijv. interregionale ongeljkhe-
den versus intraregionale ongelijkheden). Tevens is het van

belang te letten op de gehanteerde
variabelen
(ongelijkheden
in inkomensverdeling hoeven beslist niet parallel te lopen met
ongelijkheden in werkgelegenheid, voorzieningenniveaus of

milieukapitaal).

Zo komen Stöhr en Tödtling 19) na een vergelijking van inter- en intraregionale inkomensongeljkheden in verschil-lende landen (Brazilie, Spanje, Italië, Frankrijk, Oostenrijk

en Japan) tot de conclusie dat in veel landen, ondanks een

varieteit van regionaal-economische maatregelen, geen spra-
ke is van een convergentie van regionale inkomens. In het

bijzonder lijkt een politiek van geconcentreerde regionale

ontwikkeling (zoals de groeipool-politiek) gekoppeld aan een

eenzijdige industriepolitiek te leiden tot een stijging in intrare-
gionale en personele inkomensongeljkheden. Landen met

een gemiddeld lager inkomen lijken evenwel eerder aan te
koersen op meer regionale inkomensgeljkheid. Het slot van

de conclusies van deze auteurs is dat regionale; groeipolitiek
niet in staat schijnt te zijn om bestaande ongelijkheden
significant te beïnvloeden. Voor zover het echterlwél het geval

is, lijkt een daling van de interregionale inkomensongelijkheid

gepaard te gaan met een stijging van de intraregionale en

personele ongelijkheid.
Ten aanzien van de Nederlandse situatie zij opgemerkt dat

volgens berekeningen van Pen en Tinbergen 20) een aanzien-

lijke inkomensegalisatie is opgetreden: deze zou sinds 1938

ongeveer gehalveerd zijn. Deze conclusie is gebaseerd op een
vergelijkende analyse van een hele reeks kengetallen over per-

sonele inkomensongelijkheid. Deze resultaten zouden de

hypothetische conclusies van Stöhr en Tödtling ten dele

kunnen weerspreken, maar uit de door Pen en Tinbergen
uitgevoerde studie kunnen geen rechtstreekse conclusies

worden getrokken aangaande de inter- en intraregionale
ongelijkheden.

Uit een andere studie 21) bleek dat er in Nederland een
sterke correlatie bestaat tussen het regionale inkomensniveau

en de regionale inkomensongelijkheid (gemeten via de Gini-

coëffïcient of de Theil-coefficient). Gemeten op COROP-

niveau blijken de ,,rijkere” regio’s in het algemeen te tenderen
naar een hoge inkomensongelijkheid, terwijl de meer agra-

risch-georienteerde gebieden met lagere inkomens veelal een

lage inkomensongelij kheid bezitten. Deze resultaten lijken

niet in tegenspraak te zijn met de hypothetische conclusies van

Stöhr en Tödtling. Anderzijds hoeft er niet noodzakelijker-

wijs een discrepantie te bestaan met de resultaten van Pen en

Tinbergen, aangezien in hun analyse geen aandacht is besteed

aan de ruimtelijke verdeling van personele inkomens. Het laat
zich namelijk zeer wel indenken dat door een ruimtelijke

mobiliteit de ruimtelijke (bijv. intraregionale) ongelij kheid

niet is afgenomen, ook al is er wel een mvellering opgetreden

in de personele inkomens. Aanknopingspunten voor deze
veronderstelling zijn ook te vinden- in studies van Lam-
booy 22), PahI 23) en Vipond 24).
Regionaal beleid: werkgelegenheid versus ruimtelijke orde-
ning.

In de
Nota inzake het regionale sociaal-economische beleid
1977
t/m
1980 wordt een poging ondernomen tot een geinte-
greerd regionaal beleid. Rekening houdend met de relaties

tussen het regionale sociaal-economische beleid, het selectieve
groeibeleid, het verstedeljkingsbeleid, het milieubeleid en het

energiebeleid, worden een aantal uitgangspunten en voorne-

mens ten aanzien van het regionale beleid geformuleerd.

Volgens deze nota behoren werkgelegenheid, bevolking en
inkomen in een redelijk evenwicht met elkaar te verkeren,
zowel op
intra-
als op interregionale schaal. Het beleid dient gericht te zijn op het bereiken van een evenwicht hiertussen.

Daarom dienen de regionale werkloosheidsverschillen te
verminderen, de regionaal-economische structuren verbeterd te worden en dient het vestigingsklimaat meer in het vizier te
worden gehouden.

In de nota wordt dan ook de zoeker op veel meer gebieden
gericht dan op de traditionele probleemgebieden zoals het

Noorden, Twente en Limburg. Op basis van allerlei wensen
ten aanzien van ruimtelijke ordening en werkgelegenheid

wordt een nogalgedetailleerd en ruimtelijk gedifferentieerd
pakket van beleidsinstrumenten (bijv. investeringspremies en

toeslagen) voorgesteld.

Op deze wijze hoopt men het ruimtelijk spreidingspatroon
in de hand te houden. Het
spreidingsbeleid
als zodanig
ondergaat inmiddels ook enige wijziging. De eerste fase van

de overplaatsing van (semi-)rjksdiensten, zoals de PTT, zal

0.
McDonald, Multinationals, spatial inequalities, and workers
control, Alternative Frameworks for Analysis,
(D.B. Massey and P.W.J. Batey, eds.), Pion, Londen,
1977.
Zie voetnoot II.
J. Pen en J. Tinbergen, Hoeveel Bedraagt de Inkomensegalisatie
sinds
1938?, ESB,
jaargang
61,
nr.
3070, 1976,
blz.
880-884.
C.P.A. Bartelsen P. Nijkamp, An emperical welfare approach to
regional
i ncome distributions,
Socio-Economic Planning Sciences,
vol. 10,
1976, blz.
117-128.
J.G. Lambooy, Bedrijvigheid en hei grootszedeljkprodukiiemi-
1,eu,
Paper Congres Nederlandstalige Afdeling Regional Science
Association, Rotterdam,
1977.
R. PahI, Poverty and the urban system,
Spatial policv of the
British economy (M.
Chisholm and G. Manners, eds.), Cambridge
University Press, Cambridge,
1971,
blz.
126-146.
J.
Vipond, City-size and unemployment,
Urban Studies, vol. II,
1974, blz. 39-47
802

normaal uitgevoerd worden, maar in de tweede fase zal de

nadruk minder op verhuizing komen te liggen, maar wel op de

vestiging van nieuwe diensten (of diensten die toch moeten
verhuizen) in de perifere provincies. Door deze meer flexibele

spreidingsoperatie zoudenjaarlij ks ongeveer duizend arbeids-

plaatsen kunnen worden overgeheveld vanuit de Randstad

naar de perifere gebieden.

De nieuwe nota sluit aan bij de
Verst edeljkingsnoza
waarin
een beperkt aantal groeisteden en een flink aantal groeikernen

worden aangewezen. Deze plaatsen zullen moeten zorgen

voor een redelijk geïntegreerde woon-werkbalans. Vandaar

dat de regering via een reeks financiële prikkels ondernemers

wil aanmoedigen om het ruimtelijk beleid tot een succes te

maken. De voorgestelde middelen zijn onder meer: een
verplaatsingsregeling, een steunregeling nieuwe bedrijven, een investeringspremieregeling alsmede de veel besproken

Wet Investeringsrekening (WIR). Het doel daarvan is de

algemene stimulering van investeringen en een bijsturing naar
gewenste ontwikkelingen ten aanzien van de werkgelegenheid
en de ruimtelijke ordening. Naast algemene en bijzondere
regionale toeslagen zijn er nog speciale toeslagen voor groei-

kernen. Naast dit discriminatoir beleid staat op het program-

ma een nauwere coöperatie tussen overheidsinstanties en

bedrijfsleven via planningovereenkomsten en regelmatige
rapportages. Daardoor zou een betere integratie van het
regionale beleid gerealiseerd kunnen worden (zoals onder
meer wordt voorgestaan bij het
Integrale Structuurplan voor

het Noorden
en de Perspeczievennota Zuid-Limburg).
Als geheel kan dus worden geconstateerd dat de nota inzake

het regionale sociaal-economische beleid een heldhaftige
poging doet om de wensen ten aanzien van de werkgelegen-

heid en ten aanzien van de ruimtelijke ordening in elkaar te
schuiven. In de volgende paragraaf zal deze poging nader

worden bezien.

Regionaal beleid: wensen versus mogelijkheden.

Bovengenoemde nota over het regionaal beleid in Neder-

land is een zinvolle poging om een integratie te bereiken ten

aanzien van verschillende andere
beleidsfacetten,
met name

ten aanzien van ruimtelijke ordening en milieu. Via onder
meer de toepassing van de WIR hoopt men een selectief beleid

gestalte te kunnen geven. Ook
institutionele
aspecten (zoals
de organisatie van de besluitvorming en de codperatie met het

bedrijfsleven) krijgen aandacht in de nota. Deze beleidsnota
concentreert zich vooral op het terugdringen van de werkloos-

heid en op een evenwichtiger ruimtelijke spreiding van de

werkgelegenheid.
Desalniettemin blijven verschillende vragen onbeantwoord

en het is wellicht zinvol om op basis van de voorgaande

paragrafen een aantal kanttekeningen bij de nota te plaatsen.

In de nota wordt het westen des lands terecht als een
belangrijk
brandpunt
van economische ontwikkeling be-

schouwd. De vraag rijst nu of het zinvol is om in een tijdperk
van economische recessie het beleidsaccent toch bijna volledig
op perifere gebieden (met minder gunstige lokatievoordelen)

te leggen. Zou niet tevens een sterkere stimulering moeten

plaatsvinden van de economie in het westen des lands (mede in verband met de gunstige infrastructuur en de sterke agglo-

meratievoordelen aldaar)? Te denken valt in dit verband ook

aan de plannen tot creatie van een Noordzee-eiland.
Het vraagstuk dat hier op de achtergrond meespeelt is het
hierboven besproken dilemma tussen ,,efficiency” en ,,equi-
ty”. De nota probeert eigenlijk beide elementen te verwezenlij-

ken, maar geeft niet operationeel aan tot op welke hoogte men
concessies wil doen zôwel ten aanzien van doelmatigheid als
ten aanzien van billijkheid. De nota spreekt wel van het

wegnemen van onevenwichtigheden, maar zonder kwantita-

tieve vulling blijft dit problematisch. Het gedifferentieerde
stelsel van beleidsmaatregelen biedt in elk geval de mogelijk-

heid om ten aanzien van de werkgelegenheid een zeker
evenwicht tussen ,,equity” en ,,efficiency” te bereiken. Wel is

het regionale beleid zozeer toegesneden op de werkgelegen-
heidsproblematiek, dat een bredere evaluatie van regionale

ongelijkheden nauwelijks meer ter sprake komt. In dit opzicht.

is het jammer dat deze nota blijft steken in het aandragen van

allerhande vaak macro-getinte informatie, zonder dat een

integrale en gedegen analyse van de regionaal-economische

structuur en de ontwikkelingen daarin plaatsvindt.

Met name de
ruimtelijke conceniratietendensen
en de
ontwikkeling hiervan zouden een bredere uiteenzetting ver-

dienen. Na de fase van grootschalige ruimtelijke agglomera-

tievorming 25) zijn er veel symptonen dat de negatieve aspec-

ten van al te grote ruimtelijke concentraties de positieve

aspecten gaan overtreffen. Dientengevolge nemen we zowel in
de Verenigde Staten als in West-Europa gedurende de afgelo-

pen jaren een toenemende uitstroom uit urbane gebieden naar
suburbane en intermediaire gebieden waar. Het is echter de

vraag of deze uitstroom uit stedelijke aggiomeraties naar

buiten (bijv. West-Brabant en de Utrechtse Heuvelrug) een

evenwichtiger spreiding van bevolking en welvaart op nation-
aal niveau betekent. Het is immers plausibel dat deze uit-
stroom alleen maar een voortzetting is van het urbamsatie- en

suburbanisatieproces vanuit de Randstad. Het is duidelijk dat

dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen en de bestuurbaarheid

daarvan van immens belang zijn voor het regionaal beleid.

Overigens is in het algemeen het ruimtelijk element in de

nota over het regionaal beleid weinig gedifferentieerd geana-
lyseerd. Naast een beschouwing over nationale ontwikkelin-

gen wordt op vrij globale wijze een schets van de (vier)

landsdelen en de provincies gegeven, waarna verschillende

subgebieden iets nader worden belicht. De samenhang met de

economische structuur naar inkomensniveaus, investerings-
gedrag en produktiviteitsontwikkeling wordt echter summier

behandeld. Men kan zich nu de vraag stellen of de informatie
vervat in het Regionaal Arbeidsmarktmodel en het Regionaal

Economisch Model van het Centraal Planbureau wel vol-
doende is uitgebuit. In elk geval kan men zich afvragen of de
beleidskeuzen die in de onderhavige nota zijn gemaakt ten

aanzien van de investeringspremies op lokaal niveau voldoen-
de zijn gerechtvaardigd op grond van de informatie die in de

nota wordt aangedragen. Uiteraard valt een en ander niet de

opstellers van de nota te verwijten, want evenzeer moet
worden bedacht dat de ruimtelijke dataverzameling en het

gebruik van deze data voor analysedoeleinden onvoldoende
tot hun recht komen in Nederland.

De lokale en regionale investeringsstimulansen
zijn zeer gedetailleerd opgenomen in de nota over het regionaal beleid,

zodanig zelfs dat van verschillende kanten reeds geklaagd

wordt dat men door de bomen van de premies het bos van het
investeringsbeleid niet meer ziet. Belangrijker is echter nog de
vraag hoe in een concreet geval de werkgelegenheidsaspecten

op regionaal niveau moeten worden afgewogen tegen de facet-

eisen zoals milieu, energie, ruimtelijke ordening en de Derde
Wereld. De opmerking in de nota dat geen van de in 1976 in

het kader van de Wet Selectieve Investeringsregeling inge-

diende en afgehandelde vergunningsaanvragen is geweigerd,
doet vermoeden dat de werkgelegenheid toch wel een hoge

prioriteit heeft gekregen. Hoe dient echter in de toekomst het
in het milieubeleid gehanteerde ,,stand still”-principe gecon-

cretiseerd te worden in economisch zwakke gebieden? Zonder
duidelijke afwegingscriterïa is er een groot gevaar voor

willekeur 6f concurrentie tussen provincies of gebieden. Zo
blijken ook in de praktijk de verschillende regionale ontwik-

kelingsmaatschappijen elkaar af en toe onderling te beconcur

reren wat betreft het doorgeven van informatie over en het

aanbieden van vestigingsplaatsfaciliteiten.

Ten aanzien van het facet ,,milieu” zij hieraan toegevoegd
dat er in toenemende mate behoefte bestaat aan een goede

milieu-kartering, aan het opstellen van milieu-effectrapporta-

25) R. Lee, Regional relations and economic structure in the EEC,
Alternative Frameworks for Analysis
(D.B. Massey and P.W.J.
Batey, eds.), Pion, Londen, 1977, blz. 19-35.

ESB 24-8-1977

803

ges (naar analogie van de Amerikaanse ,,environmental

impact statements”) alsmede aan de constructie van geïnte-
greerde economisch-ecologische modellen op regionale

schaal (men zie hiervoor tevens Nij kamp en Opschoor 26).

Wat betreft het facet ,,ruimteljke ordening” dient te wor-

den opgemerkt dat de wens tot afremming van de groei van de

mobiliteit
(een uitgangspunt in de Oriëntingsnota,
de
Verste-

delijkingsnota
en het
Structuurschema verkeer en vervoer)

gemakkelijk in conflict kan komen met de wens tot een

evenwichtige ontwikkeling van de perifere gebieden.

Een uitgebreide analyse van regionale effecten van
land-

schapsbeheer en stadsrenovatie
ware in dit verband eveneens

wenselijk geweest: de regio is per slot van rekening de ,,werk-

plaats” van het facettenbeleid.

Ten aanzien van de regionale infr astruct uur
zij opgemerkt

dat bereikbaarheid nu eenmaal een noodzakelijke voorwaar-

de is voor een goed ontwikkelingspotentieel. Ten aanzien van

het noorden des lands zou dit, afgezien nog van een goede

weg-infrastructuur, kunnen betekenen dat ook de (nog aan te leggen) spoorlijn Amsterdam-Lelystad wordt doorgetrokken
naar het noorden, zodat deze lijn op langere termijn gebruikt
kan worden als een ruimtelijk speerpunt om de uitstralingsef-

fecten van de Randstad te transformeren naar het noorden.

Op deze wijze zouden zowel de intermediaire als de perifere

gebieden kunnen profiteren van een evenwichtiger ruimtelijke

ontwikkeling 27).

Ten aanzien van
de perifere
gebieden wordt het spreidings-

beleid van (semi-)rjksdiensten enigszins teruggeschroefd. De
directe ,,incentives” via het overplaatsen van bestaande dien-

sten blijken zoveel weerstand te hebben opgeroepen dat nu

een iets genuanceerder aanpak wordt voorgesteld. Bij de

nadruk op overplaatsing van nieuwe diensten kan men zich

wel de vraag stellen
welke
deze diensten zijn en of er een
meerjarenplanning voor de creatie van nieuwe diensten be-

staat. De door Stuart Holland voorgestane centrale besturing

van ruimtelijke ontwikkelingen via directe middelen blijkt dus

in de praktijk te botsen op de lokatievoorkeuren van gezins-
huishoudingen die toch zich het recht willen voorbehouden

om zelfstandig een lokatiekeus te maken. In het algemeen kan
worden opgemerkt dat bijzonder weinig aandacht is besteed

aan woon- en lokatievoorkeuren van gezinnen. De taakstel-

lingen ten aanzien van werkgelegenheid die voor verschillende

landsdelen zijn gespecificeerd betrekken nauwelijks het
woonklimaat (inclusief bereikbaarheid; men denke aan Em-

men) in de overweging. Meer aandacht voor dit vraagstuk zal

in de toekomst bij een implementatie van het beleid beslist
nodig zijn 28).

Overingens is er ook ten aanzien van het investerings- en

vestigingsbeleid van ondernemers sprake van een schrijnend

tekort aan inzicht. De vraag
waarom
en
waar
zal worden
geinvesteerd blijkt nauwelijks te beantwoorden in de litera-

tuur over lokatiebeslissingen. Wel blijkt dat ondernemers in

toenemende mate eerder letten op allerlei non-monetaire en

kwalitatieve vestigingsplaatsfactoren (zoals institutionele ele-
menten, vestigingsplaats- en woonmilieu-kwaliteiten enz).

Sterker nog, het blijkt dat in veel gevallen niet de objectieve
aanwezigheid van deze factoren, maar de subjectieve percep-

tie hiervan de doorslag geven bij investeringsbeslissingen en
vestigingsplaatskeuzen 29). De nadrtik op het premie-instru-

ment in de nota over het regionaal beleid miskent enigszins de
kwalitatieve determinanten van het vaak grillige onderne-

mersgedrag.

Bovendien is het niet duidelijk of het de bedoeling van het
uitgebreide premie-instrumentarium in het kader van de

WIR is om investeringen uit te lokken die anders achterwege

waren gebleven (bijv. door gebrek aan rendement hierop) ôf

om de investeringen die toch wel gedaan worden
ruimtelijk
bij
te sturen. In het eerste geval is de kans groot dat men een
aantal structureel zwakke activiteiten gaat subsidieren in

perifere gebieden die door gebrek aan schaal- en aggiomera-
tievoordelen weinig ontwikkelingspotentieel hebben. Voor-
komen dient te worden dat door een korte-termijnoplossing

het lange-termijnprobleem wordt verergerd. Een blijvende

premiering van onrendabele activiteiten zal een economische

vernieuwing en herstructurering eerder in de weg staan.

Overigens kan men zich ook afvragen of het regionaal

beleid, dat zich voorlopig blijkbaar uitkristalliseert als een

werkgelegenheidsbeleid,
niet een bredere plaats zou moeten inruimen voor
loonsubsidies,
te verstrekken aan nieuw te
creeren arbeidsplaatsen voor een middellange periode in

daartoe aangewezen gebieden. Een voordeel van deze maatre-

gel zou in elk geval zijn dat de onzekerheid over de winst-

werk-relatie meer op de achtergrond zou komen en dat de

discussie zich meer zou toespitsen op de premie-werk-relatie.

Uiteraard zitten aan deze maatregel ook haken en ogen (met

name in EG-verband), maar meer aandacht hiervoor lijkt nu
zeker zinvol.

Nu moeten de stimulansen voor het behoud van arbeids-

plaatsen in toenemende mate gegeven worden door de
regi-
onale ontwikkelingsmaatschappijen
(alsmede door de NE-

HEM). Door de indirecte overheidsparticipatie in particuliere

bedrijven via de regionale ontwikkelingsmaatschappijen is

het gevaar van een ruimtelijke prijs- en concurrentieverval-

sing reëel aanwezig. Op korte termijn moge dit een middel zijn
om de werkgelegenheid veilig te stellen, maar op lange termijn

betekent een dergelijke vervalsing eveneens een ondergraving

van gezondere bedrijven in dezelfde sector. Op deze wijze zou

een bron voor ëen structurele lange-termijnmalaise wegens

gebrek aan innovatiestimulansen kunnen worden gevormd

(vgl. ook de Engelse situatie). In het verlengde van de periode
van
sluipende inflatie
lijkt nu tevens een periode van
sluipende
participatie (c.q. socialisatie) voor de deur te staan. Het zal

zaak zijn deze ontwikkeling nauwlettend te beheersen en meer

aandacht te schenken aan alternatieve lange-termijn-beleids-maatregelen om de werkgelegenheid veilig te stellen 30).
Een hiermee verband houdend vraagstuk is dat van de

bestuurlijke Organisatie op alle
hiërarchische mveaus 31).
Coördinatie, evaluatie en slagvaardigheid zijn een aantal

begrippen die in het pakket van overheidstaken niet bij

voorbaat elkaar ondersteunen. Toch zal de organisatie van de
besluitvorming effectief dienen te zijn, wil althans het be-
drjfsmanagement zijn vertrouwen houden in het overheids-

management en daar via de creatie van arbeidsplaatsen

effectief op inspelen. Eén van de grootste uitdagingen op

bestuurlijk ruimtelijk niveau voor de komende periode lijkt
me een Organisatie van de besluitvorming voor het struct uur-
en facetienbeleid
waarin
rechtszekerheid
en
slagvaardigheid
hand in hand gaan. Elke rechtsonzekerheid en elke bureau-

cratie betekent een uitholling van het structuur- en facettenbe-

leid. In dit opzicht is een reden tot groot optimisme voorals-
nog niet aanwezig.

Voorlopig zij volstaan met de conclusie dat de
Nota inzake
het regionale sociaal-economische beleid 1977 t/m 1980
een
kapstok verschaft voor een ruimtelijk uitgekristalliseerd

beleid. Er dient echter voor gewaakt te worden dat niet de vele
onzekerheden en fricties ten aanzien van informatie en be-
sluitvorming een blokkering betekenen voor een geïntegreerd

ruimtelijk structuur- en facettenbeleid.
P. Nijkamp

P. Nijkamp en J.B. Opschoor,
Naar een geintegreerd milieumo-
de!,
Instituut voor Milieuvraagstukken, Amsterdam, 1977 (mimeo).
F. Kutsch Lojenga en P. Nijkamp, De plaats van de Ijssel-
Vechtdelta in het na-oorlogse ruimtelijke beleid,
Almanak !Jsselaka-demie Kampen,
1977 (te verschijnen).
H. Gordijn en H. Heida,
Regionale woonvoorkeuren,
Planolo-
gisch Studiecentrum TNO, Delft, 1977. G.J. Bakker,
Vestigingsplaatsfactoren in de dienstensector,
Geografisch Instituut, Rijksuniversiteit, Groningen, 1975.
P. Nijkamp en N. Vogelaar,
Ver!egenheidrondwerkge!egenhejd
De Vuurbaak, Groningen, 1977.
N.A. de Boer, Stagnerende ruimtelijke ordening,
ESB,
1976, blz.
1I48-1152;nr.3081,blz. 1168-1172; nr. 3082 blz. 1201-1206nr.3083
blz. 1222-1226.

804

De financiële verslaggeving

van Nederhorst (1965-1974)

A. STEMERDING

H. VERBEEK*

De jaarrekeningen van Nederhorst v66r 1971 vallen op door beknoptheid en nietszeggendheid. De jaarverslagen

vanaf 1971 voldoen in het algemeen aan de eisen van de Wet op de Jaarrekening van Ondernemingen (WJO). Toch
kan duidelijk worden gesteld dat niet voldaan is aan art. 309 van de Wet, die vereist dat een getrouw beeld gegeven

wordt van het vermogen en resultaat van de onderneming. Wij concluderen dan ook dat de WJO in gebreke blijft.

Gezien de jaarverslagen van Nederhorst vinden wij het een bittere noodzaak dat de WJO op de helling gaat en

aangescherpt wordt.

De balanspost Onderhanden werk van Nederhorst lijkt onbetrouwbaar, gezien de forse claims die opdrachtgevers

van Nederhorst indienden, alsmede claims die Nederhorst zelf indiende tegen opdrachtgevers. De vorming van en
onttrekking aan de Post Voorziening herstructureringskosten is onbegrijpelijk; wij kunnen ons dan ook niet aan de

indruk onttrekken dat in dejaren 1972, 1973 en 1974 op zeer vreemde wijze met deze post is omgesprongen. Met name

zetten wij vraagtekens achter het resultaat over 1973. Gegevens over de afschrjvingspolitiek ontbreken; vreemde
herwaarderingen geschieden (terreinen in 1973). Een specfieke toelichting op de gevolgen van valutawijzigingen

ontbreekt. Of en hoe men met inflatie rekening houdt, is onduidelijk. De accountant heeft onzes inziens Nederhorst

wel erg veel speelruimte gelaten om – binnen de WJO – de problemen te camoufleren. Een andere positie van de

accountant (bijv. een publiekrechtelijke status) is onzes inziens wenselijk.

1. Inleiding

De Wet op de Jaarrekening van Ondernemingen, en in
samenhang daarmee de gewenste kwaliteit van dejaarreke-

ning, is de laatste jaren onderwerp van veel discussie. Met dit artikel willen wij een bijdrage tot deze discussie leveren in de
vorm van een gedetaileerde analyse van de financiele verslag-

geving van de Verenigde Bedrijven Nederhorst, een concern

dat als gevolg van financiële moeilijkheden geliquideerd zal
worden.

Nederhorst was in 1974 Nederlands grootste bouwconcern, met een omzet van f. 1,3 mrd. en ruim 16.000 werkers (waar-

onder 7.000 in het buitenland). De enorme groei van Neder-

horst was vooral te danken aan overnames van andere
bedrijven, en in veel mindere mate door groei van het eigen
bedrijf. In 1965 was Nederhorst met een omzet van f. 144 mln.

vijfde op de ranglijst van Nederlandse bouwbedrijven. In 1970
was ze tweede met een omzet van f. 533 mln. In 1974 was
Nederhorst de grootste onder de bouwbedrijven, de omzet
was toen f. 1.343 mln. De groei van Nederhorst is dan ook

typerend voor het tijdperk van de fusiegolf in de jaren zestig
en begin van de jaren zeventig.

Het merendeel van deze overnames werd gefinancierd door
middel van aandelenruil. Daarnaast is kenmerkend voor het
tijdperk van de fusiegolf dat veel snel-groeiende bedrijven in

zeer sterke mate vreemd vermogen aantrokken, waardoor

onder bepaalde voorwaarden de rentabiliteit van het eigen
vermogen sterk kan stijgen. Dit wordt wel de hefboomwer-

king genoemd: indien de kosten van vreemd vermogen lager

zijn dan de rentabiliteit van het totale vermogen, dan stijgt
daardoor de rentabiliteit van het eigen vermogen. Verderop
zullen we zien dat Nederhorst deze financieringspolitiek in
extreme mate doorvoerde.

Nederhorst is bovendien een voorbeeld van een snelle

groeier die zich aan dit expansiestreven vertild heeft. In mei
1975 stond het concern aan de rand van faillissement, en kon

slechts door staatshulp van honderden miljoenen guldens
enige tijd op de been worden gehouden. In Nederland is

Nederhorst het eerste naoorlogse voorbeeld van een groot

concern dat na financiële moeilijkheden geliquideerd werd.
Onder druk van het Ministerie van Economische Zaken werd

innovember 1975 besloten dat de bouwdivisie overgenomen wordt door een holdingmaatschappij van OGEM en de staat,

waarbij OGEM het beheer voert en een optie heeft op het
grootste deel van de staatsaandelen. Na deze beslissing gingen

de holding VBN (Verenigde Bedrijven Nederhorst, de moe-

dermaatschappij van alle Nederhorst-werkmaatschappijen) en de staaldivisie in surséance van betaling. In de loop van

1976 gingen veel Nederhorst-bedrijven over in andere handen

en werden in geringere omvang voortgezet. Enkele andere

bedrijven werden gesloten. In totaal hebben hierbij ten minste

1.500 mensen hun werk verloren. De holding VBN en over-

blijvende werkmaatschappijen zullen eind 1977 worden geli-

quideerd 1). Tevens zal dan een liquidatie-jaarrekening over
1975 worden gepubliceerd.

In dit artikel gaan we nader in op de relatie van de financiële
verslaggeving van Nederhorst met het snelle groeiproces en de
aftakeling erna. De cijfers die men leest in financiële verslagen
zoals een jaarrekening en een emissieprospectus zijn geen

,,harde cijfers” 2), maar deze cijfers zijn een produkt van vele
beslissingen, namelijk beslissingen over waarderingsregels,

* De auteurs zijn studenten aan de Economische Faculteit van de
Rijksuniversiteit Groningen.
Voor een uitgebreide beschrijving van de ondergang van Neder-
horst en de afwikkeling daarvan, zie: A. Stemerding en H. Verbeek,
De Nederhorst Affaire,
Tijdschrfl voor Politieke Economie,
le
jaargang no. 1, april 1977.
De kreet ,,harde cijfers” is op zich zelf eerder misleidend dan
verhelderend. Wij bedoelen ermee: cijfers met een ondubbelzinnige,
intersubjectieve betekenis.

ESB 24-8-1977

805

boekingsmethoden en methoden van balanspresentatie. De

cijfers die het
resultaat
zijn van al deze beslissingen geven te
zamen een beeld van de onderneming. Bovendien kunnen uit

deze cijfers kengetallen worden berekend, waarmee men

pretendeert een beeld te geven van onder meer de vermogens-

verhoudingen, de liquiditeiten de rentabiliteit. Het is alleszins

mogelijk dat de ondernemingsleiding probeert om haar ex-
pansiestreven te ondersteunen door de financiele verslagge-

ving. Dit kan bijvoorbeeld door boekings-en balanspresenta-
tiemethoden te kiezen die leiden tot een hoge rentabiliteit,

groei van de winst per aandeel, een hoge koers/winst-verhou-
ding en dergelijke. Bovendien is het mogelijk dat de onderne-
mingsleiding tracht om moeilijkheden te verbergen voor de

buitenwereld, zoals een dalende rentabiliteit of een verslechte-
rende liquiditeitspositie.

In de volgende paragraaf worden dejaarverslagen van 1965

tot en met 1974 geanalyseerd. In 1965 publiceerde Nederhorst
voor het eerst een geconsolideerde jaarrekening (i. v. m. beurs-

introductie van de aandelen Nederhorst); het jaarverslag

over 1974 is het laatste dat tot nog toe verschenen is. De

posten worden afzonderlijk behandeld, eerst de posten van de

geconsolideerde balans en dan die van de geconsolideerde
verlies- en winstrekemng. Waar nodig wordt verwezen naar

de desbetreffende gegevens van de holding. De nadruk ligt op
de jaarverslagen na 1970, wanneer de Wet op de Jaarrekening

van Ondernemingen (WJO) is ingevoerd. Bij elke Post wordt

getoetst of voldaan is aan de WJO. Deze paragraaf wordt
besloten met een evaluatie van de jaarverslagen van Neder

horst en, als uitvloeisel daarvan, van de waarde van de WJO.

In aansluiting hierop plaatsen we enige vraagtekens achter de

goedkeurende verklaringen van de accountant van Neder

horst; alle jaarrekeningen zijn door accountantskantoor

Moret en Limperg gecontroleerd en goed bevonden. De
laatste paragraaf bevat tot slot een kritische bespreking van

een aantal kengetallen, die een beeld geven van de vermogens-

verhoudingen, de liquiditeit en de rentabiliteit.

2.
De actiefzijde van de balans

Duurzame produktiemiddelen

De waarderingsgrondslag is van 1965 t/m 1967 ,,kostprijs
met in het algemeen ruime afschrijving”, in 1968 en later
wordt de zinsnede: ,,historische kostprijs (in guldens) vermin-

derd met de bedrijfseconomische afschrijvingen, die in het

algemeen ruim genoemd kunnen worden”. Vanaf 1971 wordt

de in de WJO voorgeschreven indeling toegepast. Van 1969

t/ m 1974 wordt vermeld dat enige terreinen van overgenomen

ondernemingen ,,op voorzichtige wijze” werden opgewaar

deerd. Alleen in 1973 wordt de waarde van de opwaarderin-
gen vermeld en, alhoewel zeer onduidelijk, de gevolgen van de

opwaardering voor het resultaat.

Commentaar. Op
de balans worden uitsluitend de boek-
waarden vermeld. Men voldoet hiermee aan de wet, maar

voor een beter inzicht zou men vermelding van hoofdsom en
afschrijvingen kunnen wensen 3). De afschrjvingspolitiek

van Nederhorst is hoogst onduidelijk: hoe interpreteert men

ruime bedrijfseconomische afschrijvingen? Bekend is wel dat
men in het buitenland gebruikte produktiemiddelen zo snel

mogelijk afschreef als de directie dat mogelijk achtte. Uitslui-
tend in 1973 wordt de geldelijke omvang van de opwaardering
van terreinen vermeld. Onnaspeurbaar is of en zo ja, in welke

mate, Nederhorst rekening hield met de gevolgen van inflatie.
Artikel 316 WJO lijkt correct toegepast.

Immateriële acliva

Deze post verschijnt eerst in 1971 op de balans en wordt
gespecificeerd als licentierechten en aanloopkosten voor

nieuwe projecten en procédés, en is als zodanig in overeen-

stemming met artikel 317 WJO.

Deelnemingen op de balans en niet-geconsolideerde deelne-
mingen op de geconsolideerde balans

Met ingang van 1968 wordende meer-dan-50%deelnemin-
gen geconsolideerd (voor 1968 werden ook de 509
1
0-deelne-
mingen geconsolideerd); de minder dan 50% deelnemingen

verschijnen op de balans onder de post ,,Deelnemingen”.

Belangen van derden worden apart vermeld op de passiefzijde
van de geconsolideerde balans.
Tot 1968 worden kapitaalmutaties gegeven, waarderings-

maatstaven daarentegen niet. Met ingang van 1968 worden

naast kapitaalmutaties ook waarderingsgrondslagen gemeld:

kostprijs of lagere intrinsieke waarde. Van 1966 t/m 1968

worden van overgenomen, verliesgevende ondernemingen

wel de activa en passiva, maar niet de resultaten in de

consolidatie betrokken. De argumenten waren resp.: dat men
de ondernemingen pas in de loop van het jaar had overgeno-

men en dat Nederhorst in dat jaar geen invloed meer kon

uitoefenen op de overgenomen ondernemingen (Pletterij,

Spoorijzer, Havenwerken). In 1968 werden de dividenden van

de verworven dochters HBT en Rotewa echter wél verwerkt.
In 1969 worden wel de verliezen en winsten van overgenomen

ondernemingen in de consolidatie betrokken; als bij overne-

mingen de kostprijs hoger is dan de intrinsieke waarde is het

verschil (de goodwill) ten laste van de reserves gebracht. Een
uitzondering vormt het overgenomen ,,Muys en De Winter”:

,,een deel” van het verschil is ten laste van de reserves gegaan,

het resterende deel is als goodwill geactiveerd, waarop jaar-

lijks wordt afgeschreven. Het argument is dat de verkrij-
gingsprjs in belangrijke mate medebepaald is door de renta-
biliteitwaarde. In 1970 luidt de waarderingsregel: zichtbare

intrinsieke waarde voor 50%-of-meer-deelnemingen, kost-

prijs of lagere intrinsieke waarde vermeerderd met over 1970

te ontvangen dividenden voor minder-dan-50%-deelnemin-

gen. Bij de overname van één deelneming is waarderingswinst

ontstaan, die voor een belangrijk deel is aangewend voor de

volledige afschrjving van de goodwill van Muys en De Winter.

Door het sinds 1970 gevolgde systeem is het eigen vermogen

van de vennootschappelijke balans gelijk aan dat van de
geconsolideerde balans. Een post reserves bij dochtermaat-schappijen is daarmee zichtbaar geworden. Met ingang van
1971 worden geconsolideerde en niet-geconsolideerde deelne-

mingen gewaardeerd tegen intrinsieke waarde. Bij de overna-

me echter van De Vries Robbé (100% dochter) wordt een

afwijking gemeld van de gebruikelijke gedragslijn: het verschil

tussen zichtbare intrinsieke waarde en verkrijgingsprijs (de

negatieve goodwill) is niet aan het vermogen toegevoegd
i.v.m. herstructureringsverliezen. Gevolgen van gewijzigde

valutaverhoudingen op duurzame activa van geconsolideerde

deelnemingen en de belangrijkste minderheidsdeelnemingen

worden direct verwerkt en dus niet zichtbaar getoond.

Commentaar.
De berichtgeving over de jaren 1965 t/m

1967 kan zeer summier worden genoemd wegens het ontbre-
ken van waarderingsmaatstaven. Vreemd is dat in 1966, 1967

en 1968 van overgenomen ondernemingen wel de activa en

passiva, maar niet de verliezen en winsten worden meegeno-
men. Het in 1967 gebruikte argument lijkt ons niet sterk: de

twee betreffende overnames gebeurden in het eerste halfjaar
van 1967, zodat redeljkerwijs toch wel de helft van de

resultaten meegenomen had moeten worden. Ook in 1968 zien

we een vreemd verschijnsel: hier worden niet de verliezen van

een overgenomen bedrijf meegenomen, maar wel de ontvan-
gen dividenden van in 1968 verworven dochters. In 1969

3) Sanders, Burgert en Groeneveld,
De Jaarrekening nieuwe stijl,
1975, blz. 136.

806

wordt plotseling (met voor ons moeilijk te volgen argumenta-

tie) een Post goodwill geopenbaard. Verder zien we regelmatig

onduidelijke zinsneden als ,,reserveringen zijn waar nodig

aangebracht”, ,,in het algemeen”, ,,een belangrijk deel” e.d.

Zeer belangrijk is de in 1972 gevormde post Voorziening
herstructureringskosten. Deze wordt gevormd bij de overna-

me van De Vries Robbé. Niet vermeld is hoe groot deze

gevormde voorziening is. Bij de post Voorzieningen zullen we

hier nader op ingaan. De relevante artikelen 318 tot en met

321 van de WJO zijn onzes inziens correct toegepast.
Onderhanden wer/

Deze Post wordt gesplitst getoond in onderhanden werk,

gefactureerde termijnen (voor 1968 sprak men van ontvangen
termijnen), geïnvesteerd in bouwcombinaties en voorraden.

In de jaren 1965 t/m 1968 wordt gemeld dat de onderhanden
werken tegen kostprijs zijn opgenomen, er wordt volledig

rekening gehouden met te verwachten verliezen. Vanaf 1968

worden ook de projecten in studie tegen kostprijs in onder-

handen werken opgenomen. Van 1969 t/m 1974 wordt ge-
meld dai de onderhanden werken ,,in het algemeen” tegen

kostprijs zijn opgenomen, rekening wordt gehouden met te

verwachten verliezen. Met ingang van 1969 wordt van meerja-

rige projecten de kostprijs ,,op voorzichtige wijze” verhoogd
met een winstopslag voor het per 31 december van het

betreffende boekjaar gereedgekomen gedeelte. In 1974 wordt
een meer uitgebreide toelichting gegeven op de onderhanden

werken. Deze worden in het algemeen tegen kostprijs opgeno-

men, verminderd met te verwachten verliezen. Bij de schatting
van deze verliezen is ,,op voorzichtige wijze” rekening gehou-

den met verwachte opbrengsten van meerwerk en claims.

Naast de voorziening voor verwachte verliezen die aarunerke-
lijk wordt genoemd, is onder de post voorzieningen nog een
extra voorziening getroffen van f. 6 mln. Onderhanden werk

wordt dan gesplitst getoond in opdrachten voor derden en
voor eigen rekening.
Commentaar.
Ook hier komen we weer onduidelijke be-

woordingen tegen. Hoe moeten we bijvoorbeeld de kostprijs

en voorzichtige winstopslag interpreteren? In welke mate

wordt rekening gehouden met verwachte verliezen; we weten
wel dat men dat doet, maar niet volledig de orde van grootte

van deze bedragen. Uitsluitend in 1974 wordt een extra

voorziening getoond. Ernstige twijfels hebben we bij de

betrouwbaarheid van de ,,gefactureerde termijnen”. Tegen
welke prijzen zijn deze opgenomen? Een aanwijzing voor de
,,betrouwbaarheid” is af te leiden uit de claims van tientallen
miljoenen guldens die achteraf werden ingediend en waar

Nederhorst tegenvallers van tientallen miljoenen mee had. De
vanaf 1972 genoemde bedragen komen ons dan ook dubieus

voor. Over de jaren 1965 tot en met 1974 worden de in

bouwcombinaties geinvesteerde bedragen vermeld: toelich-tingen ontbreken.

Voorraden

Deze staan te boek voor kostprijs resp. inkoopprijs onder

aftrek van de nodige afschrijvingen wegens risico’s en waarde-

verminderingen. Met ingang van 1968 wordt vermeld wat

onder voorraden wordt begrepen. Met ingang van 1970
worden reserveringen gemeld wegens incourantheid. Ingaan-de 1971 worden voorraden gespecificeerd in grondstoffen en

handelsvoorraden, halffabnkaten en gereed produkt. In 1974

wordt gemeld dat de waardering tegen kostprijs of – indien
lager – de netto-opbrengstwaarde is gebeurd. Ook hier zijn

voorzieningen getroffen wegens incourantheid.

Commentaar.
Men vermeldt de waarderingsgrondslag,

maar zegt verder niets over toegepaste waarderingsstelsels en

mogelijke financiële gevolgen daarvan (bijv. LIFO of FIFO).
Geen inzicht wordt gegeven in de risico’s van incourantheid.
De grootte van de afschrijvingen is onbekend. Aan de debet-

zijde worden voorzieningen getroffen, maar we weten niet hoe

groot die zijn. De bepalingen van art. 322 WJO lijken correct

toegepast.

Met betrekking tot de overige actiefposten: Vorderingen op

lange termijn, Vorderingen en vooruitbetaalde kosten, en

Liquide middelen lijken de artikelen 323 en 325 WJO correct

toegepast.

3.
De
passiefzijde van de geconsolideerde balans
Aandelenkapitaal en reserves

Deze post wordt onderverdeeld in Geplaatst aandelenkapi-

taal, Agioreserve, Dividendreserve, Algemene reserve en

Overige reserves. In 1969 wordt voor het eerst gemeld dat het
agio uitsluitend fiscaal erkend agio is. In 1970 geeft men voor

het eerst toelichting op de dividendreserve; tevens worden

algemene reserves en overige reserves gesplitst getoond. In

1971, 1972 en 1973 wordt betaalde goodwill van de overige
reserves afgeboekt. Verliezen worden afgeboekt van de alge-
mene reserves en overige reserves. Van 1971 tot en met 1974

worden toelichtingen gegeven op alle componenten.

Commentaar. Niet altijd is men duidelijk over de mutaties,

ook koersen van ondershandse plaatsingen en bij overnames

zijn niet scherp geformuleerd. Duister is waar de afboeking

ten laste van de overige reserves t.g.v. goodwill betrekking op heeft, dit wordt ook niet toegelicht. Goodwill van Muysen De

Winter kan het niet zijn, dit werd volgens het directieverslag in
1970 afgeschreven. Onder algemene reserves worden fusie-
agio en ingehouden winsten geboekt, onder overige reserves
oa. herwaarderingsverschillen. Afgezien van genoemde ge-
breken lijkt art. 326 WJO ons correct toegepast.

Voorzieningen

De toelichting voor de jaren 1965, 1966 en 1967 stelt dat

deze ,,onder andere” is gevormd voor latente belastingver-

plichtingen. In 1968 worden als redenen —naast latente
belastingverplichtingen – ook opgegeven: registratierechten,

politieke risico’s, revisies en pensioenen. in 1969 en 1970 geeft

men een specificatie van voorzieningen in latente belasting-

verplichtingen, reorganisatiekosten, en overige voorzieningen

(pensioenen, garanties, politieke risico’s). In tabel 1 geven we

de gespecificeerde getallen.

Tabel 1 Voorzieningen geconsolideerde balans Nederhorst
(duizenden guldens)

1971
1972
1973
1974

Bdastingen naar
1099
11868
9.910
2.940
1384
17.643
11.597
10.235
Pcnsic,envoomenin. …………..
2.643
5.155
5.912 5.742

winstenennogen
……………..
Hcrstructureringkosten
…………

Voorziening afloop
5.318

.

3.768
2.574 8.244
buitcnlandsewerken
……………
Overige voorzieningen
………….
7.918 7.755 5.009
4.988

Voorziening voor
bijzon ere risicos
……………..
545

969

878

6.601

In de geconsolideerde resultatenrekeningen van 1971 t/m
1974 wordt alleen een post ,,Voorzieningen voor bijzondere
risico’s” opgevoerd. Deze bedragen:

In 1972 meldt men t.a.v. de deelpost reorganisatiekosten (c.q. herstructureringskosten) dat het verschil van de zicht-

ESB 24-8-1977

807

bare intrinsieke waarde en de verkrjgingsprijs van De Vries

Robbé naar voorzieningen is geboekt. Reeds bestaande

herstructureringsverliezen werden hiervan ten laste gebracht.

In 1973 is de deelpost herstructureringskosten verhoogd
d.m.v. een herwaardering van terreinen. Op een volstrekt

onduidelijke wijze komt men dan tot een Post van bijna f. 12
mln., waarvan f. 2,8 mln, nog niet bestemd is. Verder wordt

gewag gemaakt van een claim op Billiton (i.v.m. de overname
van De Vries Robbé), de omvang daarvan wordt niet vermeld.

In 1974 is de f. 2,8 mln, gebruikt. Een extra aanvulling is

gepleegd ten bedrage van f. 4,5 mln, wegens herstructure-

ringskosten in de Montinex-Holvrieka staaldivisies. Waaruit

dit laatste bedrag werd gevormd is ons onduidelijk.

Commentaar.
Voor herstructureringskosten werden grote

bedragen uitgetrokken, de bedragen die genoemd worden

varieren van f. 60 mln, tot bijna f. 100 mln. Onzes inziens is
volstrekt duister hoe de post Voorziening herstructurerings-

kosten over de jaren 1972, 1973 en 1974 tot stand is gekomen.

De grootte van de herstructureringsreserve, gevormd bij de

overname van De Vries Robbé is slechts gesaldeerd vermeld.
In 1973 wordt een onzes inziens vreemde herwaardering van

terreinen gepleegd rechtstreeks ten gunste van de Voorziening

herstructureringskosten. Beter ware o.i. geweest om de op-

waardering van terreinen ten gunste van de overige reserves te

boeken, het verlies over 1973 te tonen en vervolgens van de
reserves af te boeken. Door de opwaardering rechtstreeks bij
de voorziening op te tellen, werd het verlies over 1973 onder
de tafel gewerkt: volgens de toelichting werd een bedrag van
f. 20 mln. herstructureringskosten en exploitatieverliezen bij
te herstructureren ondernemingen ten laste gebracht van de

voorziening herstructureringskosten. Ook is ons bekend dat
in 1973 herstructureringskosten onder de post ,,te betalen

kosten” werden opgenomen; de bedragen werden zeer sub-
stantieel genoemd.

De omvang van de negatieve goodwill van De Vries Robbé

is nergens terug te vinden. Ook via de resultatenrekening

kunnen we niet meer duidelijkheid krijgen in de opbouw van

deze voorziening. Wij hebben dan ook de indruk dat in 1972,

1973 en 1974 op zeer vreemde wijze met de Voorziening

herstructureringskosten is omgesprongen. Aan art. 329 WJO
voldoet men weliswaar, maar de manier waarop is volkomen

duister. Iets meer inzicht in deze post konden wij pas verkrij-

gen door een gesprek met de financieel-directeur van Neder-

horst. De negatieve goodwill van De Vries Robbé was

f. 73—f. 37,5 = f36,5 mln. Daarvan is f. IS mln. toégevoegd

aan de Voorziening herstructureringskosten 1972; deze be-

droegen toen f. 17,6 mln. Voorts is f. 15 mln, als binnenlijnse

voorziening opgevoerd bij onderhandse werken, en ruim f. 5
mln. is direct afgetrokken als afvloeiingskosten. De voorzie-

ningen 1972 zijn hiermee aannemelijk verklaard; wél blijkt
dus een groot deel onzichtbaar geboekt te zijn. De vorming

van de post Voorziening herstructureringskosten 1973 blijft

duister. De opwaardering van terreinen (negen miljoen) blijkt
te bestaan uit een opwaardering van de winstgevende dochters

van De Vries Robbé ,,Son-Arkel” en ,,Cape Steel Construc-tion”. Wij houden vraagtekens bij deze opwaardering, mede

gezien de betwiste intrinsieke waarde van De Vries Robbé en

de claim (ontbinding van de koopovereenkomst met Bilidon).

Aan de voorziening herstructureringskosten per ultimo 1973
ad f. 11,6 mln. is toegevoegd f. 1 mln. interestbaten en f. 4,5

mln. ten laste van de resultatenrekemng van de dochter

Montinex-Holvneka. Het totaal hiervan is ca. f. 17 mln.;
daarvan is f. 7 mln, onttrokken zodat daarmee de resterende

voorziening 1974 ad f. 10 mln. verklaard is. Ten slotte blijken

T
acatures
Medewerk(st)er
eerste
bureau (financieel
beleid)
Provincie
Zuid-Holland
IV

Functie:
Bij:
BIz.:
Econoom
t.b.v. het derde bureau
(Economische
Zaken)
Provincie Zuid-Holland
IV
ESB
van 3 augustus

Medewerker (econoom)
Instituut
voor
Onderzoek van
ESB
van
17 augustus

Overheidsuitgaven
II
Medewerkers Directie
Ministerie van
II

Directeur Stafdirectie
Ministerie van
Financiën Economische Zaken

doelmatigheid en
Onderwijs en
Hoofd sector handel,
Ministerie van
II

bouwzaken
Wetenschappen
748
ambacht en diensten
Economische Zaken

Directeur instellingen
Ministerie
van
Staffunctionaris
Ministerie van
II

van wetenschappelijk
Onderwijs
en Economische Zaken

onderwijs
Wetenschappen
748
Medewerkers t.b.v. de
Ministerie van
II

Wetenschappelijk Ministerie begroting
Economische Zaken

medewerker
Landbouw-
van Landbouw
Economisch
Openbaar Lichaam
Economisch Instituut
en Visserij
748 onderzoeker Rijnmond
787

Hoofd bureau
Ministerie van
Volkshuis-
Gewoon hoogleraar
Erasmus Universiteit

financiële planning
vesting en Ruimtelijke
econometrie
Rotterdam
793

Ordening
iii
Beleidsmedewerkers t.b.v.
Ministerie van

Hoofd
afdeling
Ministerie van Volkshuis- Directie Financieel-
Verkeer en Waterstaat
794

financieel-economische
vesting
en
Ruimtelijke Economische Zaken

zaken
Ordening
111
Medewerkers Directoraat- Ministerie van
Generaal van het Verkeer
Verkeer en Waterstaat
794
ESB
van 10 augustus

Plv.
hoofd van de afdeling
Ministerie van
Hoofd bureau bestuur
Rijksuniversiteit
inspectie
Landbouw en Visserij
795

en
beheer
Groningen
II
Econoom bij
de
Vakgroep
Erasmus Universiteit
Academisch gevormd
Sociaal-Economische
Economische
Rotterdam
795

medewerker(ster)
Raad
754
Organisatievormen
Planoloog
OD 205
Delft
760
Hoofd stafbureau
Ministerie
van
Fiscaal jurist
Naarden
International
Landbouw en Visserij
796

Holland BV
768
Algemeen economisch
Ministerie van

Wetenschappelijk
mede-
medewerker
Volksgezondheid en

werk(st)er
macro-
Universiteit
van
Milieuhygiëne 796

economie
Amsterdam
111
Macro-econoom
Nederlandse Unilever

Plv.
administrateur
Gemeente
‘s-Hertogenbosch
III
Bedrijven
B.V.
III

dienst gemeentewerken
Docent statistiek
Gemeenschappelijke-

-,

Academicus t.b.v.
de
opleiding personeelswerk

beleidsanalyse
Provincie Zuid-Holland.
IV
– Voorburg
IV

808

de totale herstructureringskosten bij de drie daarbij betrok-

ken divisies in de periode 1972 t/m 1974 te hebben bedragen
f. 100 mln., waarvan 40 mln, gefinancierd schijnt te zijn door de vijf divisies die wel winstgevend waren.

Schulden op lange termijn

Over de jaren 1965 t/ m 1969 wordt geen toelichting gegeven
op deze Post. Over de jaren 1968 tot en met 1970 wordt in de

directieverslagen melding gemaakt van het aangaan van

leningen bij institutionele beleggers. In 1970wordt bovendien
gemeld dat het hier converteerbare obligatieleningen en

overige langlopende leningen al dan niet onder hypothecair

verband betreft. Over de jaren 1971 t/m 1974 wordt een wat
meer uitgebreide toelichting gegeven. Rentetypen, gemiddel-

de rentevoeten, looptijden, bedragen, zekerheden en de aflos-

singen in komend boekjaar worden vermeld. Onder zekerhe-

den wordt verstaan: hypotheken en fiduciaire
eigendomsoverdracht op roerende zaken.

Commentaar.
Artikel 328 WJO lijkt correct toegepast. Met
Sanders, Burgert en Groeneveld (1975, blz. 224) zouden wij

graag zien dat men ten minste de boekwaarde van de verbon-

den activa zou vermelden.

Bankiers

In de jaren 1965 t/m 1973 wordt geen toelichting gegeven
op deze post. In 1974 wordt vermeld dat voor verleende

kredieten en garanties er zekerheden gesteld zijn door middel
van fiduciaire eigendomsoverdracht c.q. cessie. In het direc-

tieverslag van 1974 wordt de medewerking van de bankiers
om de liquiditeitsproblemen te overwinnen gememoreerd.

Art. 330 WJO lijkt ons correct toegepast.

Ten aanzien van de overige balansposten: Belangen van

derden, Converteerbare obligatieleningen, Schulden op korte

termijn zijn onzes inziens de van toepassing zijnde WJO-artikelen 318, 321, 323, en 330 correct toegepast. Ook de

artikelen 313 (bezoldiging commissarissen) en 331 en 332
(financiële verplichtingen, omvang garantïeverplichtingen)
zijn correct toegepast. Artikel 314 is niet correct toegepast in

de jaren 1972 en 1973: de winstbestemming werd in het
directieverslag geplaatst.

4.
De verlies- en winstrekening

Verplichtingen ex. 334 WJO

Van 1965 t/m 1974 worden de omzetcijfers vermeld, tot en

met 1970 gebeurt dit in het directieverslag. Met ingang van

1971 worden omzetcijfers vermeld in de toelichting op de V-en W-rekening. V66r 1971 worden geen cijfers over lonen en

sociale lasten vermeld. Over 1971 t/m 1974 worden perso-

neelssterkte, lonen en sociale lasten van geconsolideerde

maatschappijen in de toelichting op de geconsolideerde V- en
W-rekening vermeld. Artikel 334 WJO lijkt ons correct toege-

past.

Indeling verlies- en winstrekening

De vermelde posten op de debetzijde zijn: Afschrijvingen
op duurzame produktiemiddelen, Interest, R & D-kosten,

Afschrijving op oprichtings- en emissiekosten, Voorziening
voor bijzondere risico’s, Voorzieningen voor belasting en

winst. Op de creditzijde worden vermeld: Saldi exploitatie-
rekeningen en de Dividenden van de dochters.

Commentaar.
Wanneer we de verlies- en winstrekening

confronteren met art. 333 en 335 WJO dan zijn deze artikelen
onzes inziens correct toegepast. Een uitzondering vormt 1971:

afschrijving op immateriële activa en splitsing in interestbaten

en -lasten ontbreken dan. Opvallend is ook hier het summiere

van de toelichtingen. In de wet genoemde posten zijn dusda-
nig samengesteld dat een duidelijk inzicht in baten en lasten
niet kan worden verkregen. De V- en W-rekening heeft ons

ook niet kunnen helpen bij de speurtocht naar de vorming van

de voorziening herstructureringskosten.

Evaluatie van de jaarverslagen Nederhorst

Wij hebben gepoogd inzicht te krijgen in de financiële gang

van zaken en de verslaggeving daarvan bij Nederhorst. De

jaarverslagen van v66r 1971 vallen op door beknoptheid en
nietszeggendheid. Nadat de WJO is ingevoerd, verbetert de

verslaggeving wel enigermate. In het algemeen voldoet men

aan de eisen van de wet. Wij hebben reeds bij de afzonderlijke
balansposten kritische opmerkingen geplaatst. Ernstige twij-

fels hebben wij bij de posten Onderhanden werk (deze lijkt ons

onbetrouwbaar gezien de claims) en de Voorziening herstruc-
tureringskosten (deze is onbegrijpelijk). Gegevens omtrent de

afschrijvingspolitiek ontbreken; vreemde herwaarderingen

geschieden (terreinen). Alhoewel niet vereist, ontbreken een

staat van middelen en bestedingen en meer specifieke toelich-

ting op de gevolgen van valutawijzigingen. Of en hoe men met

inflatie rekening houdt, is onduidelijk.

Door de jaarverslagen worden wij geenszins overtuigd van

de in artikel 309 genoemde getrouwheid van de jaarrekenin-
gen van 1972, 1973 en 1974. Onzes inziens heeft de directie van

Nederhorst hier op onnavolgbare wijze kunstgrepen ge-

pleegd. Wanneer men wat dieper wil graven, Stuit men op

ontbrekende gegevens en nietszeggende uitspraken. Welis-waar veroorzaakt de WJO enige verbetering, toch kan wor

den geconstateerd dat de WJO veel speelruimte overlaat en

niet kon voorkomen dat de financiële problemen in de
jaarrekeningen van 1973 en 1974 werden verdoezeld. Gezien

deze ervaring vinden wij het een bittere noodzaak dat de WJO

op de helling gaat en aanzienlijk wordt aangescherpt.

Aansluitend hierop hebben wij ons verbaasd dat het

accountantskantoor Moret en Limperg haar goedkeuring

heeft gehecht aan deze jaarrekeningen. Het komt ons voor dat
de accountant Nederhorst wel erg veel speelruimte heeft

gelaten om – binnen de WJO – de problemen te camoufle-
ren; de volstrekt ondoorzichtige gang van zaken rond de

voorziening herstructureringskosten, waar het toch om zeer

grote bedragen gaat, vinden wij onverteerbaar. De hele gang

van zaken zou aanleiding kunnen zijn de rol van de accoun-

tant te herzien. Deze zou meer als intermediair van andere

belanghebbenden dan de directie kunnen gaan functioneren.

De status van de accountant moet dan waarschijnlijk gewij-
zigd worden; een publiekrechtelijke status kan wenselijk zijn:

een ontwikkeling die wij toe zouden juichen.

Analyse van financiële kengetallen

De waarde van de financiële kengetallen (ook wel ratio’s ge-

noemd) die wij uit de jaarrekeningen van Nederhorst hebben
berekend, is twijfelachtig om verscheidene redenen. Ten
eerste omdat we hiervoor aangetoond hebben dat de informa-tieve waarde van balanscijfers en resultaten zélf twijfelachtig

is. Daarom zullen we ook zeer voorzichtig moeten zijn met het
beoordelen van de kengetallen die uit die jaarrekeningcijfers

afgeleid zijn. Ten tweede zijn veel gangbare financiële kenge-

tallen op meer dan één wijze interpreteerbaar; d.w.z., wij
kunnen geen ondubbelzinnige conclusies trekken uit de waar-

de van de kengetallen. Een voorbeeld hiervan is de ,,current-
ratio” (vlottende activa/lopende verplichtingen), die een

beeld zou geven van de liquiditeit, terwijl een hogere waarde

van de current-ratio evengoed kan betekenen dat de omvang

van de voorraden groter is geworden.

ESB 24-8-1977

809

Vermogensverhoudin gen

Als we de ,,gearing ratio” (= totaal vermogen/eigen vermo-

gen) bekijken, zien we dat Nederhorst van 1965tot 1974steeds
sterker met vreemd vermogen ging financieren: de waarde van

de gearing-ratio was in 1965 2,1 en ging trendmatig omhoog

tot 5,3 in 1973, terwijl de waarde in 1974 verder steeg tot 10,3.

Debankschuld steeg in 1968 tot 17% van de totale passiva,
daalde daarna tot ca. 10%, maar in 1974 maakte de bank-

schuld 25% van de totale passiva uit. Langlopende leningen én
bankschuld samen waren toen reeds 45% van de passïva.

Daarbovenop kwam nog eens leverancierskrediet
(23%)
en

diverse crediteuren
(14%).
Nederhorst was bepaald niet uniek

in deze financieringspolitiek. Veel actief overnemende bedrij-

ven trachtten in dejaren zestig vergroting van het aandelenka-pitaal te beperken voor zover dat mogelijk was, om zodoende

van de hefboomwerking te profiteren. Wij gaan daar bij de
rentabiliteit nader op in. De overname van het staalbedrijf De

Vries Robbé (prijs f. 37,5 mln.) werd zelfs geheel met langlo-

pende leningen gefinancierd.
Liquiditeil

In tabel 2 geven we een aantal kengetallen die een beeld

kunnen geven van de liquiditeit. De cijfers zijn in overeen-

stemming met hetgeen we op theoretische gronden kunnen

verwachten. De current-ratio geeft geen goede informatie, de

quick-ratio (die bij de vlottende middelen alleen liquide

middelen + debiteuren opneemt, geen voorraden) laat al iets

duidelijker de teruggang zien, en de cash-ratio (liquide midde-
len/lopende verplichtingen) laat zeer duidelijk een teruggang
zien. De cash-ratio heeft echter als zeer groot nadeel dat het

moment waarop de liquide middelen geteld worden puur
toevallig is, daarom is de cash-ratio ook sterk voor manipula-

tie vatbaar.
Tabel 2 Liquiditeits-ratio’s Nederhorst

972

1

1973

1

1974

1,1
1,1
1,0
Quick.ratio
…………………………..
0.8 0,7
Cash-ratio

…………………………..
0,08 0,05 0,02

Current-ratio
……………………………

0.11
0,10
-0,03

0
..,8

0,05

..

0,05
-0,02
Workingcapitalratio

…………………….
Werkkapitaal/totale activa

……………….
3,9
1,7
-0,5
Cash flow/interest
……… ………………
ash 00w/vreemd vermogen
………………
0,08 0,06
-0,02

De cijfers van Nederhorst bevestigen dus nog eens wat reeds

bekend was 4): de current-ratio geeft geen informatie over de

liquiditeit. Ook de quick-ratio en cash-ratio doen dat onvol-
doende. Als we er vanuit gaan dat in 1973 al een duidelijke

achteruitgang zichtbaar moet zijn (één jaar voor de liquidi-

teitscrisis) dan voldoen ook de working-capital ratio en

werkkapitaal/totale activa slecht. De beste maatstaf uit de tabel lijkt de cash-flow/interest te zijn. Ook de cash-flow-

/vreemd vermogen geeft een Vrij goed beeld, en is niet vatbaar

voor de bezwaren tegen de cash-ratio. Vermelding in het

jaarverslag van de cash-flow/ interest had iets meer duidelijk-

heid over de liquiditeitspositie gegeven, zonder de lezer tot
reken- en speurwerk te noodzaken. Bovendien waren de

financiele problemen duidelijker geworden door toevoeging

van een staat van herkomst en besteding der middelen (waarin
alléén de werkelijke ontvangsten en uitgaven over een jaar

opgenomen zijn).

Rentabiliteit

Bij de analyse van de vermogensverhoudingen hebben we al

gezien dat Nederhorst typisch een van die snelle groeiers was,

die de groei van het eigen aandelenkapitaal trachtte te beper

ken. Een groot deel van de groei van het aandelenkapitaal
werd veroorzaakt door de overnames die (met uitzondering

van De Vries Robbé) gefinancierd werden door aandelenruil.

Zo’n financieringspolitiek kan de rentabiliteitscijfers een

gunstig aanzien geven. Als de kosten van vreemd vermogen

lager zijn dan de rentabiliteit van het totale geinvesteerde
vermogen, kan men profiteren van de ,,hefboomwerking”:

door extra vreemd vermogen aan te trekken stijgt de rentabili-

teit op het eigen vermogen
5).
Een tweede mogelijk gevolg van

zo’n financieringspolitiek is een stijging van de winst per

aandeel 6). Als Nederhorst een ander bedrijf overneemt tegen

een lage prijs (mede als Nederhorst een hoge koers/winst-
verhouding heeft), dan hoeft Nederhorst slechts weinig extra

aandelen uit te geven om deze overname te realiseren. Als

door zo’n overname de winst sterker stijgt dan het aantal

geplaatste aandelen, dan stijgt de winst per aandeel, zénder

dat de bedrijfsresultaten van overnemende en overgenomen

onderneming verbeterd behoeven te zijn. Zo’n stijgende trend

in de winst per aandeel, ook al is het slechts schijn, wordt

meestal breed uitgemeten in de vergelijkende cijferreeksen

voorin jaarverslagen. Deze schijn van groei kan op haar beurt

de koers/winst-verhouding weer doen stijgen, of ten minste op een hoog niveau doen handhaven.

Wanneer we kijken naar de hefboomfactor van Nederhorst

en naar de rentabiliteitscijfers blijkt dat Nederhorst de hef-
boomwerking zéér sterk heeft benut. Tot 1972 is inderdaad de

rentabiliteit van het eigen vermogen groter geweest dan de

rentabiliteit van het totale vermogen. Daarna zijnde nadelen

van de enorme schuldenlast gaan overheersen: een steeds

groter deel van de cash-flow moest aan interest en aflossingen
besteed worden, zodat weinig overbleef. Nederhorst heeft

geen succes gehad in het bereiken van een groeiende winst per
aandeel. Wél nam Nederhorst veel bedrijven over met een lage

koers/winst-verhouding, maar de hiervôér geschetste ,,winst-
per-aandeel-truc” werkte niet omdat veel van deze bedrijven

verlies maakten in het jaar van overname (ook al werd dat

verlies eerst nog buiten de boeken gehouden). Waarschijnlijk

heeft men getracht dit effect in latere jaren te doen werken,

maar dit is duidelijk niet gelukt. De winst per aandeel bereikte

haar top al in 1967, de beurskoers had een grillig verloop

waarbij dalingen overheersten, en de koers / winst-verhouding
zakte na een hoogtepunt in 1969 (maar bleef tot 1972 toch ca.

9).

A.
Stemerding
H. Verbeek

Zie bijv. B. Lev,
Financial slalement analvsis: a new approach,
1974.
Zie Beckman en Buningh, 1975. Zie May, 1968 en Blair, 1972; hoofdstuk 12.

Geraadpieegde literatuur

H. Beckman en C.A. Buningh,
De jaarrekening,
1975.
J.M. Blair,
Economic concentration,
1972.
J.L. Bouma,
Leerboek der bedrijfseconomie II,
1971.
G.L. Groeneveld, De valutaproblematiek in de geconsolideerde
jaarrekening,
MAB,
1961.
J.C. Hoogheid, De geconsolideerde jaarrekening, deel 1 t/m V,
Maandblad voor handeiswetenschappen,
oktober 1959, februari
1960, december 1960, mei 1961.
J. Kevelam,
Hoofdlijnen van het voortgezet boekhouden II,
1973.
Lev,
Financial statement analysis: a new approach,
1974.
R. Loving, The Penn Centra! Bankruptcy Express,
Fortune,
augustus
1970.
M.M. May, The earnings per share trap,
FinancialAnalystsJournal,
mei/juni 1968.
J.P.M. Nabbe, De informatiebehoefte van werknemers en hun
representanten,
MA B,
juli/augustus 1974.
NIVRA,
Onderzoek jaarverslagen 1973,
1975.
H. Nurnberg en C. Grube, Alternative methods of Accounting for
business combinations,
The Accouniing Review,
oktober 1970.
P. Sanders, G.L. Groeneveld en R. Burgert,
De jaarrekening nieuwe
stijl,
1975.
W. Schattinga, De verwerking van goodwill in de jaarrekening,
MAB,
november/december 1970.
R. Slot, R.M. Vijn e.a.,
Vijftig jaarverslagen,
1975.
Zwagerman, Consolidatie,
MAB,
1961.

810

Enkele alternatieve mogelijkheden

met betrekking tot de Organisatie

der overheidsaanschaffingen

DR. B. A. DE WILDE*

Tot de eerste wereldoorlog bestond er ten aanzien

van de aanschaffing van roerende goederen door de

overheid in Nederland een algehele decentralisatie. De

tijdens de Eerste Wereldoorlog met het Munitiebureau

opgedane gunstige ervaringen van gecentraliseerde

inkoop leidden er echter toe dat de regering in 1921 bij

de Tweede Kamer bij de begroting van het Ministerie

van Financiën een voorstel indiende tot oprichting van

een Rijksinkoopbureau.

Voordelen van een gecentraliseerde inkoop

Als belangrijkste voordelen voor een centralisatie der

aankopen werden gezien:

• De mogelijkheid door middel van orderconcentratie gun-
stiger prijzen en leveringscondities te bedingen.
• Beter marktoverzicht waardoor de mogelijkheid ontstaat

de aan de aanbodzijde bestaande concurrentievormen
(monopolistische concurrentie, oligopolie, monopolie
enz.) te onderkennen en de inkoopstrategie hierop af te

stemmen.
• Grotere deskundigheid bij een centraal inkooporgaan. In

het bijzonder met betrekking tot de commercieel-juridi-
sche kennis welke nodig is bij de aankoopprocedure.
• De mogelijkheid om het centraal inkooporgaan tevens te

doen fungeren als een instrument ter bevordering van de
normalisatie en simplificatie der aan te schaffen goederen,

ten einde op deze wijze besparingen te verkrijgen.
• Scheiding van functies ter vergroting van de controle en
als waarborg tegen eventuele onzuivere praktijken. De instelling van een centraal inkooporgaan leidt automa-

tisch tot een scheiding tussen de verschillende fasen van de
bestelprocedure. De dienst waar de behoefte ontstaat
moet de bestelling doorgeven aan het centraal inkoopor-
gaan. Laatstgenoemd orgaan plaatst de opdracht. De

keuring en de betaling geschieden echter weer door de

afnemende dienst. Deze scheiding van functies geeft auto-
matisch een waarborg tegen eventuele onzuivere praktij-

ken.
• Besparingen van kosten in het administratieve vlak. De

werkzaamheid van één centrale inkooporganisatie brengt

mede dat bij de verschillende diensten van de overheid

besparingen kunnen worden bereikt niet alleen op func-

tionarissen die als inkoper of keurmeester optreden, doch

vooral bij de zogenaamde hulpafdelingen als type-werk,
statistiek, boekhouding, verificatie enz.

Nadelen van de gecentraliseerde inkoop.

Tegenover deze voordelen staan uiteraard ook nadelen. In

de eerste plaats moet worden genoemd de langere weg welke

een bestelling moet afleggen, alvorens deze wordt uitgevoerd

en de daarmede samenhangende administratieve handelin-
gen, welke tijd en geld kosten. Voorts valt het direct contact

tussen afnemer en leverancier weg. Ook de technische deskun-
digheid zal bij het centraal inkooporgaan niet altijd even

groot zijn als bij de dienst, welke het artikel zelf moet

gebruiken. Te denken valt bijvoorbeeld aan de inkoop van
medische apparatuur voor een universiteitsziekenhuis. Om

tot een optimale inkoop te komen zal op dit punt ten minste
een nauwe samenwerking tussen het centraal inkoopbureau
en de afnemende dienst vereist zijn. Het centraal inkoopbu-

reau kan hierbij de commercieel-juridische inbreng hebben en

de afnemende dienst de technische inbreng.
Wat de rol van de overheid als hoedster van het algemeen
belang betreft, dreigt bij een centralisatie der aanschaffingen

de middenstand in gevaar te komen, daar een centraal inkoop-

orgaan zoveel mogelijk direct bij de bron zal trachten te
kopen, d.w.z. de fabrikanten of via de groothandel.

De praktijk in Nederland

Op welke wijze heeft in Nederland de centrale overheid deze
bezwaren nu trachten te ondervangen? Hoewel in 1920 de

regering een stap heeft gezet op de weg naar een centralisatie der aanschaffingen door de oprichting van een Rij ksinkoop-

bureau (RIB), is deze centralisatie geleidelijk aan in praktijk
gebracht en heeft men de nodige matiging betracht in die zin

dat waar specifieke deskundigheid een rol speelt, eigen in-

koopinstituten zijn blijven bestaan. Het Koninklijk Besluit
inzake de werking van het Rij ksinkoopbureau (1967) bepaalt

dan ook weliswaar dat alle aankopen, daaronder ook begre-
pen huur, reparatie e.d. van voor het Rijk bestemde goederen

via het Rijksinkoopbureau, dienen plaats te vinden, doch
uitzonderingen gelden voor instellingen zoals de Koninklijke
Landmacht, Koninklijke Marine, Koninklijke Luchtmacht
en het Staatsbedrijf der PTT, die zelf kunnen aanschaffen,
behalve wanneer het om goederen van algemene aard gaat.

D.w.z. goederen welke regelmatig ook bij andere rijksinstel-
lingen in gebruik zijn en waaraan weinig of geen specifieke of bedrijfstechnische eisen worden gesteld en die derhalve even-
goed via het Rij ksinkoopbureau kunnen worden aangeschaft.

De Rij kskantoormachinecentrale alsmede de Rijks Auto-
mobiel Centrale hebben een eigen bevoegdheid tot het zelf-

standig verrichten van aanschaffingen voor bepaalde artikel-

categorieën. Het betreft hier voor de Rijks Automobiel Centrale: auto’s, rijwielen met en zonder hulpmotor en

onderdelen. Voor de Rij kskantoormachinecentrale: kantoor-

machines met uitzondering van schrijfmachines.

*) De auteur is economisch medewerker van de Algemene Vereniging
van de Iizerhandel te Den Haag.

ESB 24-8-1977

811

Nader ingaande op het Rij ksinkoopbureau, kan het navol-

gende worden opgemerkt. Ten einde ongewenste bureaucrati-

sche procedures te vermijden, streeft het Rijksinkoopbureau
ernaar de centrale inkoop zoveel mogelijk gedecentraliseerd

uit te voeren. Voor een groot aantal artikelen met een hoge
omloopsnelheid, bij voorbeeld kantoorbenodigdheden, huis-

houdelijke artikelen, kleinijzerwaren enz. zijn door het RIB
als centraal inkooporgaan met een groot aantal leveranciers

die hiervoor in verband met prijsstellingenleveringscondities
in aanmerking komen, raamovereenkomsten gesloten. Bij de

overeengekomen prijzen en condities spelen uiteraard de uit

de ervaringscijfers aan het RIB bekende jaarbehoefte een

belangrijke rol. Op grond van deze raamovereenkomsten

kunnen de afnemende diensten rechtstreeks bij de betreffende

leveranciers bestellingen plaatsen.

Daar de leveranciers verplicht zijn kopiefacturen aan het

Rijksinkoopbureau te zenden en de afnemende diensten eerst

tot betaling mogen overgaan, nadat het RIB de factuur op

eenheidsprjs en condities heeft goedgekeurd, is de zekerheid

aanwezig dat overeenkomstig de raamovereenkomst wordt

geleverd. De middenstand tracht het RIB zoveel mogelijk in te
schakelen bij de plaatselijke aankopen, welke vaak een spoed-
eisend karakter dragen.

Ook voor deze plaatselijke bestellingen wordt gebruik

gemaakt van het systeem van rechtstreekse bestellingen door
de afnemende diensten, waarbij de controle op de prijzen en

condities via de facturen bij het Rij ksinkoopbureau berust.

Het systeem van rechtstreeks bestellen leidt tot een snelle
behoeftevoorziening van de afnemende diensten, terwijl het

voor het RIB een grote administratieve arbeidsbesparing met
zich medebrengt.

Een aantal algemeen gangbare artikelen welke veelvuldig in
kleine hoeveelheden plegen te worden afgenomen, houdt het
Rij ksinkoopbureau ten slotte zelf in voorraad. Deze artikelen
worden op aanvraag rechtstreeks door de Magazij ndienst van
het RIB geleverd.

In 1976 bedroegen de aanschaffingen via het Rij ksinkoop-

bureau ruim f. 1,5 mrd. In dit bedrag zijn begrepen de aan-
schaffingen van met de rijksinstellingen gelijk te stellen

instellingen, welke op grond van het Koninklijk Besluit van

1967 van de bemiddeling van het RIB gebruik mogen maken.
Tot deze laatste instellingen behoren o.a. de gemeenten,

provincies, waterschappen e.d., maar ook de gesubsidieerde
instellingen. Al deze instellingen maken in verband met de
daaraan verbonden voordelen in toenemende mate gebruik

van de diensten van het RIB. De aanschaffingen waarvoor het
Rij ksinkoopbureau als centraal inkooporgaan fungeert, vor-

men zoals uit het voorgaande blijkt, niettemin slechts een

beperkt gedeelte van het totaal der aankopen welke door de
overheid worden verricht.

Alternatieve organisatievormen

De voorgaande schets van de praktijk der overheidsaan-
schaffingen in Nederland geeft ons aanleiding tot enkele meer
theoretische opmerkingen.

Het zou naar onze mening gewenst zijn, gezien de thans

bestaande situatie, indien een centraal en onpartijdig, over-
koepelend orgaan zou worden belast met het regelmatig

onderzoeken en evalueren van de doelmatigheid van de Orga-
nisatie van de totaliteit van de overheidsaanschaffingen, onge-

acht of deze tot de civiele dan wel tot de militaire sector

behoren. Hierbij vormt de onderlinge taakverdeling tussen
het Rijksinkoopbureau en de andere met de aanschaffing
belaste instellingen een belangrijke punt.

In het kader van een doelmatige en doelgerichte Organisatie

der overheidsaankopen zou deze overkoepelende autoriteit

voorts dienen vast te stellen wat per artikel of artikelgroep de

juiste organisatievorm is: een volledige centralisatie, een
volledige decentralisatie dan wel een combinatie van beide
vormen van inkoop.

In feite zijn centralisatie en decentralisatie twee uitersten,

waartussen zich een scala van mogelijkheden bevindt. Het

vraagstuk waarmede wij met betrekking tot de Organisatie der

overheidsaankopen worden geconfronteerd, bestaat dan ook
uit het bepalen van het juiste evenwicht. Hetgeen Fayol 1)

inzake private ondernemingen heeft opgemerkt, t.w.: ,,La

question de centralisation ou de décentralisation est une
simple question de mesure. II s’agît de trouver la limite

favorable â l’entreprise” geldt evenzeer voor een doelmatige

en doelgerichte Organisatie der overheidsaanschaffingen.

In aansluiting aan deze uitspraak van Fayol inzake de kunst

van het vinden van een juist evenwicht tussen centralisatie en

decentralisatie geven wij thans enkele praktische tussenvor-

men aan, welke naar onze mening voor de toepassing in
concrete situaties in aanmerking komen.

Tussenvormen van gecentraliseerde en gedecentraliseerde
inkoop

Als eerste tussenvorm zouden wij in dit verband willen
noemen de structuur waarbij de centrale overheid, i.c. het
centraal overkoepelende orgaan voor bepaalde artikelen het

niveau van centralisatie bepaalt. Als voorbeeld moge dienen
het artikel telefoontoestellen, hetwelk uitsluitend door de

PTT wordt aangekocht. De uitersten, t.w. de volledige gede-

centraliseerde inkoop en de volledige gecentraliseerde inkoop

zijn in dit geval: inkoop door de diverse directies van de
telefoondistricten en de inkoop door het centrale inkoopor-

gaan van het Rijk. Een tussenvorm is in het onderhavige geval

de Centrale Directie der PTT. De centrale overheid kan nu de

beslissing aan zich trekken op welk niveau de aankoop zal
plaatsvinden. Indien deze beslissing neerkomt op een
voorschrift dat alle telefoontoestellen door de Centrale Direc-
tie der PTT dienen te worden aangeschaft, dan wordt gekozen
voor een tussenvorm tussen volledige centralisatie en volledi-ge decentralisatie. Men kan dan spreken van partiële centrali-

satie. De vraag rijst welk criterium dient te worden gehanteerd
voor de bepaling van het niveau van centralisatie.

Naar onze mening dient decentralisatie te gaan tot het punt

waarbij het gebruiksniveau van het betreffende artikel geheel

wordt omspannen. Wanneer zulks in het voorbeeld van de
telefoontoestellen het geval is bij de Centrale Directie der
PTT, dan dient de aanschaffing vanuit dit niveau te geschie-
den.

Naar analogie van de hierbovenvermelde vorm van par-
tiele centralisatie, kunnen nog enkele andere tussenvormen

worden vermeld. Wij onderscheiden in dit verband:

algemene voorschriften c.q. richtlijnen door de centrale
overheid welke door de diensten die zelfstandig aanschaf-
fingen mogen verrichten bij hun aankopen, in acht moeten
worden genomen, bijvoorbeeld met betrekking tot de in-
koopprocedure, het afsluiten van de koopovereenkom-

sten, de bepalingen van de koopovereenkomst enz.; beperking door de centrale overheid van de vrijheid van
artikelenkeuze voor de diensten welke zelfstandig mogen
kopen. Het gebrek aan vakkennis en de geringe bevoegd-

heid tot oordelen bij het inkopen door de gedecentraliseer-
de inkoopinstanties worden vaak aangevoerd als argu-

ment dat pleit voor een centralisatie der aankopen. In vele
gevallen kan de centrale overheid echter ook deze moei-

lijkheid overwinnen zonder de inkoop volledig te centrali-
seren. Men kan hiertoe de bevoegdheid van de gedecentra-

liseerde inkoopinstanties beperken door de soorten of
typen goederen welke gekocht mogen worden dwingend

voor te schrijven. De aankoopprocedure wordt op deze

wijze gesplitst in twee delen. De eigenlijke verlening van de
order en de keuze van de leverancier blijven echter aan de

gedecentraliseerde inkoopinstantie voorbehouden;

1) H. Fayol,
Administragion industrielle ei générale,
Parijs, 1950,
blz. 36.

812

afroep- en moederovereenkomsten voor bepaalde artike-

len afgesloten door een centrale instantie waarvan de

individuele overheidsinstanties verplicht zijn gebruik te

maken;
het aanwijzen door de centrale overheid van één over-

heidsdienst welke voor een bepaald artikel als grootver-
bruiker kan worden aangemerkt, om bedoeld artikel ook

voor de overige overheidsinstellingen, die daaraan behoef-

te hebben, aan te schaffen;
het inrichten van een centraal magazijn waar bepaalde

algemene gangbare artikelen in voorraad worden gehou-

den. De individuele overheidsdiensten die aan de betref-

fende artikelen behoefte hebben, zijn verplicht deze uit het
centraal magazijn te betrekken.

Ad
a. De materiele uitgaven voor de aanschaffingen kun-

nen vaak reeds aanzienlijk worden verlaagd door het geven
van algemene voorschriften welke de overheidsdiensten die

zelfstandig aanschaffingen verrichten, in acht moeten nemen
bijvoorbeeld met betrekking tot de inkoopprocedure, het

afsluiten van de koopovereenkomsten, de bepalingen van de
koopovereenkomst enz. De betreffende overheidsdienst

wordt weliswaar op deze wijze een deel van zijn vrijheid om
beslissingen ten aanzien van de inkoop te nemen, ontnomen,
maar aan de andere kant wordt tijd en werk bespaard. Het

met de inkoop belaste personeel behoeft nog maar een
beperkt aantal overeenkomsten precies te kennen. Men weet
welke inkoopprocedure in bepaalde gevallen het doelmatigst

kan worden aangewend en men kan zich de moeite sparen die

anders nodig is om met de individuele leveranciers tot over-eenstemming te geraken met betrekking tot de condities van
de koopovereenkomst.

Uiteraard zijn de hierbedoelde algemeen aan te wenden richtijnen niet overal bruikbaar. Wanneer bijvoorbeeld de

prijzen, de kwaliteiten dan wel de levertijden der goederen op
een markt aan sterke schommelingen onderhevig zijn, houdt

een regeling welke de inkoop in een star organisatorisch
schema dwingt, op om doelmatig en voordelig te zijn.
In de praktijk is echter gebleken dat alleen het bestaan van
algemene voorschriften van groot nut kan zijn. Zo heeft

bijvoorbeeld in de Verenigde Staten de General. Services
Administration 2) in 1952 algemene voorschriften (regula-

tions) uitgevaardigd met het doel de uitgaven bij gedecentrali-seerde inkoop te verlagen, waarbij de aan.de
General Services
Administration ondergeschikte diensten, welke zelfstandige

aanschaffingsbevoegdheden bezaten, aanwijzingen zijn gege-
ven, ten einde de zekerheid te hebben dat door hen de meest

voordelige inkoopmethoden worden aangewend. Deze
voorschriften zijn in een handleiding samengevat, welke

richtlijnen bevat voor alle fasen van de aanschaffingsproce-

dure.

Ad b.
Het gebrek aan vakkennis en de geringe bevoegdheid

tot oordelen bij het inkopen door de gedecentraliseerde
inkoopinstanties worden vaak aangevoerd als argument dat

pleit voor een centralisatie der aankopen. In vele gevallen kan de centrale overheid echter ook deze moeilijkheid overwinnen
zonder de inkoop volledig te centraliseren. Men kan hiertoe
de bevoegdheid van de gedecentraliseerde inkoopinstanties
beperken door de soorten of typen goederen welke gekocht

mogen worden, dwingend voor te schrijven. De aankooppro-
cedure wordt op deze wijze gesplitst in twee delen. De

eigenlijke verlening van de order en de keuze van de leveran-
cier blijven echter aan de gedecentraliseerde inkoopinstanties
voorbehouden.

Bij de overheidsaanschaffingen in de Verenigde Staten is

deze procedure van scheiding van artikelenkeuze en keuze van

de leverancier niet onbekend. Vaak mogen overheidsdiensten

op grond van uitdrukkelijke aanwijzingen niet vrij naar eigen

verkiezing op de markt kopen.
Ad c.
Doel van het streven naar centralisatie is de verho-ging van de doelmatigheid van de Organisatie, alsmede een

verlaging van de kosten van de aanschaffing. De centrale

inkoop verliest in een aantal gevallen echter veel van zijn eco-

nomische voordelen in verband met het feit dat het tijdstip
waarop de behoefte zich voordoet dan wel de hoeveelheid

goederen welke bij de diensten nodig is, tevoren niet voldoen-
de precies kan worden geschat. Het gevolg is dat veelvuldig
kleine orders bij de leveranciers worden geplaatst.

Om in de gevallen dat de behoefte tevoren niet precies vast-
staat niet alle voordelen op te geven die gewoonlijk aan de

inkoop van grotere hoeveelheden zijn verbonden, is een

aantal typen overeenkomsten ontwikkeld, die hiervoor een

oplossing kunnen bieden. Wij doelen hierbij op de zogenaam-

de afroep- en moedercontracten.
Karakteristiek voor beide typen van overeenkomsten is, dat

centrale instanties zich erop toeleggen bepaalde condities in
het contract voor alle onder hen ressorterende diensten in
overleg met de leveranciers vast te leggen.

Met betrekking tot bepaalde wezenlijke onderdelen van de

overeenkomst wordt echter door de centrale instantie met de
leverancier geen preciese afspraak gemaakt. Zo zijn bij het
afsluiten van een afroepcontract de bij de overeenkomst

betrokken partijen het weliswaar eens over de aard der

artikelen, de hoeveelheid, de prijs en de leveringscondities,
maar de leveringstermijn en het afleveringsadres laat men
open. In de plaats hiervan wordt slechts een termijn vastge-

steld gedurende welke de overeenkomst van kracht blijft.

Bij moedercontracten wordt niet alleen géén tijdstip van
levering overeengekomen ook de af te nemen hoeveelheid is
onbepaald. Eerst op het moment dat er behoefte aan bestaat,
roepen de betreffende overheidsdiensten (niet de centrale

instantie, die het moedercontract heeft gesloten) de benodigde

hoeveelheden artikelen bij de leverancier af. Een garantie dat
er überhaupt goederen zullen worden afgenomen, wordt niet

gegeven. Het kan bij een moedercontract dan ook voorko-
men, dat bij de leverancier in het geheel geen bestelling wordt
geplaatst.

Ad d.
Als een vorm van partiele centralisatie kan ook
worden beschouwd de zogenaamde ,,single-procurement”. In
bedoeld geval wordt één overheidsdienst, welke een artikel

reeds in het groot inkoopt en dus als grootverbruiker kan
worden aangemerkt, belast om dit artikel ook voor de overige

overheidsinstellingen aan te schaffen. De ,,single-procure-
ment”-procedure wordt in Nederland o.m. toegepast bij de
aankoop van karabijnen. De Dienst Kwartiermeester-Gene-

raal van de landmacht koopt dit artikel in zowel voor de
landmacht, de luchtmacht, de marine als de rijkspolitie.
Brandweerhelmen daarentegen worden door de Dienst Mate-

rieel Luchtmacht ingekocht voor eigen gebruik, doch ook ten
dienste van landmacht en marine.

2) De General Services Administration werd in 1949 opgericht. Het
Bureau heeft talrijke functies van algemene aard en is direct onderge-
schikt aan de President van de Verenigde Staten. Een van de
belangrijkste diensten welke onder de General Services Administrati-
on ressorteren is de Federal Supply Service.

Met ESB een beter economisch-politiek inzicht

ESB
24-8-1977

813

Ad e.
Tot de vormen van partiële centralisatie kan ook

worden gerekend de aanwezigheid van een centraal magazijn

waar bepaalde artikelen in voorraad worden gehouden. De

individuele diensten die aan de betreffende artikelen behoefte

hebben, wordt de verplichting opgelegd deze uit het centrale

magazijn te betrekken. Bij het inrichten van een centraal

magazijn neemt de overheid met betrekking tot de opgeslagen

artikelen de grossiersfunctie over. Het zelf in magazijn hou-
den heeft echter slechts dan zin, indien de functie van grossier

tegen lagere kosten kan worden vervuld.

Hierdoor wordt deze mogelijkheid van partiële centralisa-
tie beperkt tot massa-artikelen welke regelmatig en veelvuldig

door de overheidsdiensten worden gevraagd. Voorwaarde

hierbij is dan nog dat de totale omvang der behoefte voor een

bepaalde tijdsperiode zodanig is dat de betreffende artikelen

door het centraal magazijn rechtstreeks bij de fabrikant
kunnen worden besteld tegen een prijs welke gunstiger is dan

bij de inschakeling van de grossier het geval zou zijn geweest.

Slotconclusie

Als centraal en onpartijdig orgaan dat zich met de door ons

bedoelde evaluatie zou moeten belasten en ter zake ook

regelend zou moeten kunnen optreden, denken wij aan de
Algemene Rekenkamer, die reeds belast is met de controle op

de doelmatigheid van het financiële beheerder overheidsmid-
delen.

Artikel 77 van de nieuwe Comptabiliteitswet schept hiertoe
de mogelijkheid. Genoemd artikel bepaalt namelijk dat de

Algemene Rekenkamer behalve met de uit de Comptabili-

teitswet voortvloeiende taken, kan worden belast met andere

werkzaamheden die haar dan bij wettelijk voorschrift kunnen

wordén opgediagen. Het lijkt ons gewenst dat van deze

mogelijkheid in het belang van een doelmatige Organisatie der
overheidsaanschaffingen gebruik wordt gemaakt.

B.A. de Wilde

Economische medewerkers

voör de afdeling P

De ABN is met 700 kantoren
in Nederland en ruim 200 vesti-
gingen in het buitenland de

grootste Nederlandse bank.

Met het oog op het versterken van

haar vooraanstaande internatio-

nale positie is het ontwikkelen van
het beleid en van de doelstellingen

op middellange termijn van groot

belang.

De Staf af deling Planning is

hier nauw bij betrokken en houdt

zich daarom onder meer bezig met:

• sterkte-zwakte onderzoek
• onderzoek van relevante

externe ontwikkelingen

• vervaardigen van prognoses

op middellange termijn

• voorbereiden van de plannen

voor toekomstige activiteiten.

Bij deze afdeling kunnen enkele

medewerkers worden geplaatst,

die een universitaire opleiding
hebben voltooid in de volgende

richtingen:

– algemene economie

– economie met econometrie als

doctoraal keuzevak

– bedrijfseconomie.

Van hen wordt verwacht dat

zijn een praktische analytische

instelling, goede contactuele

eigenschappen en doorzettings-

vermogen bezitten en niet ouder

zijn dan 32 jaar.

Schriftelijke sollicitaties,

vergezeld van een curriculum

vitae, kunnen worden gericht
aan de heer Mr. A. H. J. Nord,
Directoraat Personeel ABN,
Vijzelstraat 20, Amsterdam

ABN Bank

814

Esb
In gezonden

Rijken van Olst en Box-Jenkins:

een antwoord

volgens Dostojewski

,,Arme mensen”

Sommige lezers van
ESB
zullen voor

het eerst hebben kennis gemaakt met de
statistische methoden van Box en Jen-

kins door het artikel van Prof. Rijken

van Olst
(ESB, 20 juli
1977).
Het zou
jammer zijn wanneer de eerste indruk de
enige bleef en het reisverslag van Rijken
van Olst (verder: RvO) ertoe zou bij-
dragen dat de achterstand aan kennis en
praktische ervaring die in Nederland
op dit gebied al bestaat, nog groter

zou worden. Daarom mag ik misschien
wat aanvullende literatuurverwijzingen

geven en proberen in te gaan op een paar
van de bezwaren die RvO heeft tegen
Box-Jenkins. De lezer heeft dan meer

materiaal om te beoordelen dan alleen

de bijdrage van iemand die zelf toegeeft
dat de methode hem niet duidelijk is

(RvO, blz.
690).

,,De speler”

Rijken van Olst was naar de cursus
in Brussel gereisd met een reeks van
35
waarnemingen die hij in Groningen had

gegenereerd volgens het model

yt =
O11
+
2Yc-2
+

, met eeen

normaal verdeelde storingsterm.

Twee startwaarden
Y-
en y
o
en de
coefficiënten
a
1
en a
2
waren door RvO
gekozen en hij wilde met dit experiment
nagaan of het computerprogramma van
Prof. Jenkins in staat was om de waar-

den van a
1
en a
2
uit de
35
observaties van

de reeks af te leiden. De computer bere-

kende
0,86
voor
a
(correcte waarde:

0,6)
en –
0,21
voor a
2
(oorspronkelijke

waarde: –
0,3).
RvO noemt dit ,,pover”,

maar heeft hij het spel wel eerlijk ge-

speeld? Bij dit experiment horen de vol-
gende aantekeningen te worden ge-

maakt:

1. RvO maakt een ernstige fout door de

manier waarop hij de reeks ,,start”.
Men behoort ongeveer de eerste
50
waarnemingen van een kunstmatig
gegenereerde reeks weg te laten, omdat
die nog zijn beïnvloed door de wille-
keurig gekozen startwaarden. Pas

na ongeveer zo’n aantal observaties
kan men aannemen dat de voorbij-

DRS. E. J. BOMHOFF*

gaande invloed van de startwaarden is
uitgewerkt (zie bijvoorbeeld Hendry
en Trivedi
(1972)).

Het model dat RvO gebruikt is onge-
lukkig gekozen. Voor, een model met

alleen autoregressieve termen is het
enige verschil tussen een Box-Jenkins-
schatting en een gewone kleinste-

kwadratenberekening, dat het Box-

Jenkins-programma expliciet rekening
houdt met de al vermelde complicatie

aan het begin van de reeks. Via een

zogenaamde ,,back-forecasting”-pro-

cédé worden waarden voor Yo’Yi
enz. berekend die zo goed mogelijk bij
de karakteristiek van de reeks passen.
Het programma minimeert niet

+…. +
, de som van de kwadra-

ten van de storingstermen, maar de

uitgebreider sommatie e+

+ + . . . + e, met -N een groot

negatief getal. Het gevolg is dat Box-

Jenkins een echte maximum-likeli-

hood-schatting van de parameters
geeft, gebaseerd op alle informatie die in de reeks ligt besloten, terwijl de ge-

wone kleinste-kwadraatmethode pas
kan beginnen bijy
3
(en dus twee waar-

nemingen verliest) 6f de willekeurige

veronderstelling Yo = 0, y= 0 moet
maken. Asymptotisch is er voor een

zuiver autoregressief model geen ver-
schil; voor kleine steekproeven is

de Box-Jenkins-methode automatisch

sterker. Ook in
meer
gecompliceerde

situaties blijkt hun aanpak van het

probleem van de startwaarden steeds

gelijkwaardig of beter dan andere op-

lossingen (zie bijvoorbeeld Pesaran

(1973)
en Aigner
(1971)).

De Box-Jenkins-methode is een maxi-
mum-likelihoodmethode en daarom is het onduidelijk hoe RvO zijn mo-
del langs andere weg beter denkt te

kunnen schatten. Hij noemt de resul-
taten van Box-Jenkins ,,pover”, maar

welke standaard gebruikt hij voor dat
oordeel? De geleerde heeft ver-

zuimd om aan te geven welke nul-
hypothese hij aan het onderzoeken

is en daarom kan hij moeilijk over

tuigen.

,,De droom van een bespottelijk mens”

Rijken van Olst gelooft dat een voor-

spelling van het toekomstig verloop van

een tijdreeks, waar Box-Jenkins ,,een dik

pak computeruitvoer met een reeks in-
drukwekkende formules” voor nodig

hebben, door hem zelf ,,met grotere
zekerheid was te bereiken . .. . met be-
hulp van een stonipje potlood”. Alle

lezers van
ESB
zullen met mij hopen

dat RvO met zijn stompje nog lang de

Nederlandse wetenschappelijke wereld

mag sieren en dat hij voor het te laat is
nog de tijd zal vinden om op schrift
te zetten hoe hij het potlood precies
hanteert.
Tot nog toe hebben eenvoudige extra-
polatiemethoden het tegen Box-Jenkins

moeten afleggen. Newbold en Granger
(1974)
onderzochten de methode van

exponential smoothing volgens Holt en
Winters
(1968),
de methode van Brown
(1962)
en die van Harrison
(1965).
Hun

conclusie was dat Box-Jenkins de
meeste tijd en vaardigheid vereist, maar

dat voor een ruime meerderheid van de

onderzochte reeksen het resultaat dan
ook significant beter is. De theoretische

reden hiervoor is dat de Box-Jenkins-
methode een diagnostische fase omvat,

waarin zo goed mogelijk wordt nagegaan
wat de karakteristiek van de betrokken

reeks is, terwijl alle overige methoden
een zuiver mechanisch karakter hebben.

Voor sommige reeksen zullen ze dus

precies goed zijn (en vaak ongeveer ge-
lijk aan het voor de reeks uit de diag-

nose voortgekomen Box-Jenkins-model),
voor andere reeksen kunnen exponential

smoothing enz. totaal niet geschikt zijn.
Het is een illusie om te denken dat een

stompje potlood in een andere hand dan
die van Rijken van Olst tot een af-
wijkende conclusie zou leiden.

,,Memoires

uit

het

souterrain”
of ,,herinneringen uit het dodenhuis”?

En belangrijk punt waar de Box-
Jenkins-methodologie zich onderscheidt

van de traditionele econometrie, is de
veel grotere aandacht voor een moge-

lijk ,,moving average”-patroon in de
storingstermen. Het eenvoudigste voor-
beeld van zo’n patroon is

yt
=
t –

Een onverwachte schok e heeft dus
een positief effect op y gedurende de lo-
pende periode terwijl een deel van dat

effect in de volgende periode weer teniet

wordt gedaan. Daarna is de invloed van
E
t
uitgewerkt. Het contrast met de auto-
regressieve modellen is duidelijk: daar

werkt een schok in principe oneindig

lang door. In het eenvoudigste auto-
regressieve model

yt
= ay- + e

* De auteur is medewerker van de vakgroep
Monetaire Economie van de Erasmus Uni-
versiteit Rotterdam.

ESB
24-8-1977

815

heeft een onvoorziene schok in alle toe-

komstige perioden nog een doorwerking.

Dat kan in toepassingen wel eens tot

onwaarschijnlijke uitkomsten leiden. In
de vergelijking voor de prijsstijging van

de overheidsuitgaven in het jaarmodel

van het Centraal Planbureau bijvoor-

beeld is een autoregressief patroon ge-

specificeerd voor de invloed van on-
voorziene invloeden op die prijsstijging.

De coefficiënt is 0,44, wat betekent dat

een onverwachte stijging van het prijs-
peil van 1%, het volgend jaar nog eens
extra doorwerkt voor 0,44%, twee jaar

later de prijsstijging met 0,2% opstuwt,

drie jaar later met 0,1% en dan nog

steeds niet is uitgewerkt.

Juist om zo’n oneindig lange door-
werking te vermijden kan het aantrekke-

lijk zijn om een ,,movingaverage”-model

voor de invloed van onvoorziene ver-

storingen te specificeren. RvO deelt ons

echter mede dat daarvoor geen eco-

mische motivering bestaat.
Wie kennis

neemt van de literatuur die de afge-

lopen twintig jaar over dit onderwerp

is geschreven, komt tot een andere

conclusie:
er zijn theoretische argu-

menten genoeg om moving-average-
modellen te specificeren en de enige

reden dat men zich in een ver verleden be-
perkte tot het eerste orde autoregres-

sieve model, is dat het schatten van
moving-average-modellen technisch veel
moeilijker is. Dos Santos (1972) laat zien

dat schattingen van de levensduur van

duurzame consumptiegoederen kunnen
worden verbeterd door rekening te hou-

den met het moving-average-karakter
van de storingsterm in het Stone-Rowe-
model. Nelson (1972) gebruikt ook

moving-average-parameters bij zijn on-

derzoek naar de ,,term structure” van de
rentestanden. Ook zullen moving-
average-storingstermen verschijnen,

wanneer men een theoretisch model in

continue termen specificeert, maar het

daarna discreet wil schatten. Deze

voorbeelden ontleen ik aan Nicholls,

Pagan and Terrell (1975); verder kan

men nog geldvraag-geldaanbod-model-

len vermelden (Starleaf (1970)) en de

theoretische bijdragen van Granger en
Morris (1976) en Brewer(1973), die laten

zien dat aggregatie van reeksen die een
autoregressief patroon vertonen, in veel
gevallen tot een gemengd autoregressief

moving-average-model zal leiden. Ten
slotte is van belang dat het enige type
tijdreeks waarbij de veelgebruikte
methode van adaptive expextations tot

optimale voorspellingen leidt, een reeks
met moving-average storingstermen is.
Immers, adaptive expectations worden

gevormd volgens de formule

– Yi =
a
(Yt-i

met y de waarde van y die ten tijde t-1
wordt verwacht.

De enige specificatie voor de y-reeks
waar deze formule precies bij past is:

Yt – Yt-i = e t – (1 – a)

De krasse uitspraak van RvO: ..geen

economische motivering” doet een

ernstige lacune vrezen in zijn kennis van

de ontwikkelingen in de laatste twintig

jaar en had bijna onder het hoofd van

nôg een andere bekende roman van
Dostojewski kunnen worden bespro-
ken.

,,Misdaad en straf’

Het is enige tijd gebruikelijk geweest

om de Box-Jenkins-methode te zien als
een concurrerend alternatief voor een
uitgewerkt econometrisch model. Het

verschil zou dan zijn dat het econo-
metrisch model gebruikt maakt van
economische theorie, terwijl Box-

Jenkins een automatische theorie-loze

statistische techniek is. Vergelijkend
onderzoek naar de voorspelkracht van
econometrische modellen versus Box-
Jenkins-formules (bijvoorbeeld Cooper

en Nelson (1975)) gaf aan langs welke

weg het best kon worden voorspeld,

maar zelfs als dat de Box-Jenkins-
techniek was, bleef het bezwaar bestaan

dat er dan ,,geen theorie” werd ge-

bruikt. Naar mijn mening is het een
misvatting om te denken dat het ver-
gelijkend onderzoek is bedoeld om tot

een keuze voor de éne of de andere

methode te komen en steekt diezelfde

misvatting achter het verwijt van ,,geen

theorie”.
Waar het in de Box-Jenkins-analyse

om gaat is een onderzoek naar de ma-
nier waarop onvoorziene verstoringen in-
werken op een bepaalde variabele. Is een
schok na één of twee perioden uitge-
werkt, of neemt de invloed van een
verstoring eerst geleidelijk af, zodat ook

na verloop van tijd nog een zeker effect is te vinden? Door een statistische ana-

lyse van de waarnemingen kan een

model worden ontwikkeld dat aangeeft hoe in het algemeen zulke onvoorziene storingen inwerken. Nu kan men op dit

punt ophouden ômdat men meent dat
het onbegonnen werk is om systematisch

alle belangrijke externe invloeden op
een bepaalde variabele te onderzoeken.

De analyse eindigt dan met een for

mule die weergeeft hoe de doorwerking

in de tijd van alle mogelijke invloeden
is, zonder dat we de bronnen van die
invloeden nagaan. Met behulp van de
formule kunnen wij bij het maken van
een voorspelling van de toekomst reke-

ning houden met de vertraagde door-
werking van schokken die al in het ver-
leden hebben plaatsgevonden. Hier-

mee is beschreven de Box-Jenkins-

analyse voor één enkele reeks en die

moet worden vergeleken met de be-
slissing van een econometrisch onder-

zoeker om al dan niet een vertragings-

patroon voor de afhankelijke variabele

of de storingstermen in zijn specificatie

op te nemen. In het al genoemde voor-

beeld van de prjsvergelijking voor de

overheid van het planbureau, heeft dus

de term 0,44 (p) precies dezelfde be-
tekenis als een single-series Box-Jenkins-

model voor de p-reeks: erachter

schuilt een bepaalde veronderstelling
over de wijze waarop schokken hun
invloed doen gelden. Nu bevat een

econometrische vergelijking in het alge-

meen nog meer variabelen dan uitslui-

tend de vertraagde y en vertraagde sto-
ringstermen. Wanneer een Box-Jen-

kins-vergeljking dan toch nog beter

voorspelt, betekent dat niet dat we de

econometrische vergelijking maar

moeten weggooien; het betekent alleen

dat de vergelijking zo slecht is gespeci-

ficeerd dat met behulp van slechts een

deel van de gebruikte informatie (het ver

leden van de y-reeks en het gemiddelde

patroon waarmee verstoringen inwer-
ken) al betere resultaten kunnen wor

den behaald. Het succes van de Box-
Jenkins-formule kan nog een tweede

oorzaak hebben: niet alleen een ver-

keerde dynamiek in de econometrische

vergelijking, maar eventueel ook te
veel verklarende variabelen. Het is al
lang bekend dat het toevoegen van al

maar meer verklarende variabelen welis-
waar helpt om het verleden te ,,voor-
spellen”, maar dat vaak met het stijgen van de ,,fit” over de schattingsperiode,

de voorspelkracht voor de
toekomst
af-

neemt (zie bijvoorbeeld Ferber (1953)).

In beide gevallen vormt de Box-Jenkins-

methode dus niet een alternatief voor de
gebruikelijke econometrische specifi-

catie, maar zet zij een standaard waar-
aan de multiple-inputvergelijking in

ieder geval moet kunnen voldoen, ge-

woon omdat Box-Jenkins slechts een

deelverzameling gebruikt van de infor-
matieset die voor de econometrische
vergelijking wordt gehanteerd.

Er is in de Box-Jenkins-methodo-

logie geen enkel bezwaar tegen het
modelleren van de invloed van bepaalde
andere variabelen, wanneer we menen
dat die een systematische invloed heb-
ben op de y-variabele. Integendeel, een

groot deel van hun boek is aan multiple-

series-modellen gewijd. Opnieuw geldt dat die niet een alternatief vormen voor

de traditionele econometrie, maar een
standaard zetten waar ander werk

dat berust op dezelfde tijdreeksen, of

op nog meer informatie, als in het geval
van een compleet econometrisch model,
aan behoort te voldoen. Box-Jenkins

is geen substituut, maar een comple-
ment.

Ook de theorie van de rationele ver-
wachtingen doet een beroep op Box-
Jenkins-modellen voor het genereren

van de verwachte waarden van be-
paalde variabelen (zie Korteweg

(1977) voor een toepassing op de

Nederlandse inflatie en produktiegroei).

De economische theorie leert dat het

verwachte
inkomen de consumptie be-

816

paalt, en de
verwachte
opbrengsten de
investeringen. De verwachtingen worden

uiteraard gevormd door de ervarin-

gen in het verleden en de Box-Jenkins-
methode maakt daar op een
systema-

tische
manier gebruik van. Wie die

methode verwerpt en toch preten-

deert voorspellingen te kunnen doen
over de toekomstige economische ont-

wikkelingen, kan op dezelfde manier
worden gestraft als een automobilist die
de weg opgaat met een beslagen achter-

ruit. De toekomst blijft onzeker,

maar dat is geen excuus om het pa-
troon van het verleden niet systema-
tisch te verwerken.

Eduard J. Bomhoff

Literatuur
D.
J. Aigner, A compendium on estimation
of the autoregressive-moving average model
from time series data,
International Economie
Review,
12, no. 3, oktober 1971, biz. 348-
371.
K.R.W. Brewer, Some consequences of tem-
poral aggregation and systematic sampling
for ARMA and ARMAX models,
Journal
of
Econometrics,
1973, t, blz. 133-154.
R. G. Brown,
Smoothing, Forecasting and
Prediction,
Prentice Hall, New York, 1962.
J. P. Cooper en C. R. Nelson, The ex-ante
prediction performance of the St. Louis and
FRB-MIT-Penn econometric models and
some results on composite predictors,
Journal
of
Moner, Credit and Banking,
1975, 7,
bis. 1-32. R. Ferber, A
study of the aggregote consump-
tion funetion.
NBER, Technical Paper, 8,
1953.
W. J. Granger en M. J. Morris, Time
series modelling and interpretation,
Journal
of
the Royal Statistical Society,
1976, Series
A, 139, deel 2, blz. 246-257.
P. J. Harrison, Short-term sales forecasting,
,4pplied S,atistics,
1965, 14, blz. 102-139.
F. Hendry en P. K. Trivedi, Maximum
likelihood estimation of difference equations
with moving average errors: a simulation
study,
Review of Economie Studies,
1972,
39,blz. 117-145.
P. Korteweg, The economics of infiation and
output fluctuations in the Netherlands,
1954-1975, te publiceren in:
JournalofMone-
FarEconomics,
Supplement Series, in 1978
als paper te verkrijgen bij de Vakgroep
Monetaire Economie van de EUR.
R. Nelson,
The term structure of interest
rates,
Basic Books, New York, 1972.
P. Newbold en C. W. J. Granger, Experience
with forecasting univariate time series and the
combination of forecasts,
Journal
of
the
Royal Statistical Society,
Series A, 1974,
137, deel 2, blz. 131-164.
F. Nicholls, A. R. Pagan en R. D.
Terrell,
The estimation and use of models with mo-
ving average disturbance terms: a survey,
In-
ternational Economie Review,
16, no. 1, fe-
bruari 1975, biz. 135-151.
M. H. Pesaran, The small sample properties
of truncation remainders in the estimation
of distributed lag models with autocorrelated errors,
International Economic Review.
14,
februari 1973, bis. 120-131.
J. G. dos Santos, Estimating the durability
of consumers durable goods,
Review of Eco-
nomics and Statistics,
54, november 1972,
blz. 475-477.
D.
F. Starleaf, The specification of money
demand-supply modeis which involve the use
of distributed lags,
Journal
of
Finance,
25,
september 1970, blz. 743-760.
P. F. Winters, Forecasting sales bij exponen-
tially weighted moving averages,
ti’fanage-
ment Science,
6, 1960, bIs. 324-342.

Naschrift

De apologie van

B. J. door E. J. B.:

,,L’apprenti sorcier”

Gaarne voldoe ik aan het verzoek

van de redactie van
ESB
om bovenstaan-
de bijdrage van E. J. Bomhoff van een
naschrift te voorzien. Ik zal mijn com-

mentaar beperken tot de punten waarop
inzender het blijkbaar niet met mij eens
is of denkt te zijn. Zijn overige uiteen-
zettingen en beweringen bevatten veel

waars en veel onwaars; ik mis de tijd en

de gemotiveerdheid om erop in te gaan.
Helaas betreffen inzenders beschouwin-

gen niet de hoofdzaken van mijn artikel
—deze blijven volkomen onaangetast—,

maar een aantal tamelijk los van elkaar

staande bijzaken.
Mijn voornaamste commentaar is dat

inzender mij geregeld fout citeert of uit-

spraken in de mond legt die ik juist niet
heb gedaan. Hierondër volgen enkele

van zijn uitspraken met mijn antwoor-

den.

,,Rijken van Olst geeft zelf toe dat

de methode (van Box-Jenkïns)
hem

niet duidelijk is” (curs. van mij). Dit is

een verdraaiing van mijn woorden; ik
heb gezegd dat de methode
uit het boek
niet duidelijk wordt. Het is mij na het

seminar te Brussel wel degelijk duidelijk
wat er is gebeurd!
,,RvO maakt een ernstigefoutdoor
de manier waarop hij de reeks start.

Men behoort ongeveer de eerste 50

waarnemingen van een kunstmatig ge-
genereerde reeks weg te laten. . . “. B. be-
weert dat ik de startwaarden y
en
Yo
heb gekozen: alweer een onjuiste

weergave van mijn woorden; de bewering

moet op rekening van inzenders fantasie

worden geschreven. Hoe weet inzender

hoe ik de reeks heb gestart en hoeveel
beginwaarden ik heb weggelaten, m.a.w. hoe de beginwaarden van de ingezonden

reeks door mij zijn ekozen? Ik ben
op een dergelijk detail in mijn artikel

niet ingegaan. Door zonder nadere infor-

matie te veronderstellen dat anderen

foute methoden volgen, toont B. zich een

waardig volgeling van Jenkins tijdens het

Brusselse seminar.

,,Het model dat RvO gebruikt is
ongelukkig gekozen”. Het is echter het
model dat Jenkins zelf precies zo te
Brussel heeft geïntroduceerd!

Ik zou hebben verzuimd aan te

geven welke nulhypothese ik onderzoek.

Hierop kan ik alleen antwoorden: lees

mijn artikel.
Hoe hanteert RvO zijn stompje

potlood? Ik adviseer inzender een boek te lezen over grafische extrapolatie van

tijdreeksen. Op mijn opmerking over

deze extrapolatie, die ook met een pot-
loodje te verrichten zou zijn, is overigens

door de organisatoren van het seminar

wat intelligenter gereageerd. Men er-
kende zonder meer de onzekerheden van

sommige BJ-extrapolaties.

,,RvO deelt ons mede dat er in een moving-average-model voor de invloed

van verstonngen geen economische
motivering bestaat”. Dit is door mij

gezegd in de context van een bespreking

van
de motieven
die Jenkins naar voren
brengt:
men leze de voorafgaande zinnen

in mijn artikel. Er is duidelijk bedoeld
dat er
bij Box-Jenkins
geen economische

motieven bestaan. Inzender verlangt blijkbaar dat in elke zin van een vier
bladzijden lang artikel over BJ wordt
herhaald: ,,volgens BJ”. Wenst hij
elke

zin in mijn artikel op zich zelf te be-
schouwen en de schrijver daarop aan te

vallen, dan heb ik een gratis succesje

voor hem. Ik heb nI. ook gezegd (blz.
690, 2e kolom): ,,De econometristen

kunnen wel inpakken”. Denkt inzender
nu heus dat dit mijn opinie is?
Er is dus weer sprake van een weinig

elegante verdraaiing, of op zijn minst

van een kwaadwillige interpretatie, van
mijn woorden. Leest inzender werkelijk

uit mijn beschouwingen dat een verge-

lijking als op blz. 692, le kolom, regel

19/20, door mij wordt afgewezen? Ik heb
nergens beweerd alleen in het eerste-
orde regressieve model te geloven. Als
klap op de vuurpijl concludeert inzender

uit zijn eigen redenering (geïnspireerd

door Dostojewski?) op wel zeer goed-
kope wijze dat ik van de literatuur van

de laatste 20 jaar geen kennis zou hebben genomen.

Volgens inzender is het een mis-

vatting te denken dat vergelijkend onder-
zoek (tussen de BJ-methode en de eco-

nometrische methoden) bedoeld is om
tot een keuze voor de ene of de andere
methode te komen. Aan die misvatting

lijdt dan ook Jenkïns, die op het semi-

nar te Brussel uitdrukkelijk de twee

methoden tegenover elkaar stelde (en
uiteraard zijn eigen methode prefe-

reerde).
Ik krijg de stellige indruk dat de

inzender Jenkins op dezelfde vrij-

moedige wijze interpreteert als mij. In

ieder geval dicht hij hem opvattingen

toe, die noch in zijn boek noch in zijn
mondelinge uiteenzettingen zijn terug te
vinden. Mijn artikel betrof de opvattin-
gen van Jenkins, niet B’s opvattingen
over de BJ-methode.

Conclusie over de bijdrage van Bom-
hojf
een qua opzet en indeling zeer
originele beschouwing waaruit bij mij

groot respect overblijft voor inzenders belezenheid. Minder groot is mijn be-

wondering voor de betoonde kennis van
de econometrie en voor de vrijmoedige
wijze waarop inzender mijn uitspraken
interpreteert, om mij aldus diverse be-

weringen in de schoenen te schuiven,
waartegen hij vervolgens onvervaard

ten strijde trekt.

H. Rijken van Olst

ESB 24-8-1977

817

Maqtschappijspiegel

De arbeidspiaatsenovereenkomst

in spiegel en in beeld

DR. W. VAN VOORDEN

In de brochure
Vijf jaar voor kwaliteit
heeft de Industriebond NVV de

idee van de arbeidsplaatsenovereenkomst gelanceerd. Deze nieuwe sier aan

het contractenfirmameni richt zich op de factoren die van belang zijn voor

een kwantitatief en kwalitatief goede werkgelegenheidssituatie per be-

drijf(siak). Het is vooralsnog niet gemakkelijk de inhoud en betekenis van

de arbeidspiaatsenovereenkomst ie doorgronden. De Industriebond denkt

als , ,bescheiden” start om. aan hei aanstellings- en onislagbeleid, het

promotiebeleid en mogelijkheden voor beroepsopleiding. Voorts zou het

tempo van herstructurering moeten worden afgestemd op de kans op her-

plaatsing van werknemers. De eventuele arbeidstijdverkorting zou erin ge-

regeld moeten worden, alsook aspecten van arbeidsplaats verbetering als

beperking van overlast, verscherping van veiligheids- en gezondheidsvoor-

schriften, betere voorlichting enz. 1). Waarmee de betrekkelijkheid van de

kwalificatie ,,bescheiden”
treffend
lijkt geillustreerd.

Opzet

Het volgende betoog beoogt enig licht
te werpen op de effecten van de invoering

van de arbeidsplaatsenovereenkomst op

de werkgelegenheid en de arbeidsver

houdingen. Daartoe is een tweeledige be-
nadering gekozen. In de Engelse arbeids-

verhoudingen is in de jaren zestig het
z.g. ,,productivity bargaining” in zwang
gekomen, dat enige gelijkenis vertoont
met de arbeidsplaatsenovereenkomst.
Het is interessant om de betekenis

en inhoud van deze produktiviteits-

onderhandelingen te schetsen tegen de

achtergrond van de arbeidsplaatsenover-
eenkomst, die daardoor in
spiegel

wordt getoond. Vervolgens komt de

vraag aan de orde naar de gevolgen van

de arbeidsplaatsenovereenkomst op de
Nederlandse arbeidsverhoudingen; de
arbeidspiaatsenovereenkomst in
beeld.
Welke toetsen in de arbeidsverhoudin-

gen worden (verder) ingedrukt bij in-
voering van de arbeidsplaatsenovereen-

komst en harmonieert dat met de huidige

melodie?

Productivity bargaining

Towers omschrijft de produktiviteits-
onderhandelingen als een proces dat

plaatsvindt in een bedrijfsvestiging, een

bedrijf of een bedrijfstak waarin werk-
nemers instemmen met de aanvaarding

van veranderingen in de Organisatie en
ontplooiing van het werknemersbestand

en, in ruil, worden beloond met gelde-

lijke of niet-geldelijke voordelen 2).
Tussen 1960 en 1970 zijn deze onder-

handelingsprocessen veelvuldig gevoerd

in Engeland. Anders dan bij het traditio-

nele collectieve onderhandelingsproces
wordt de beloning voor arbeid niet ge-

relateerd aan bedrijfsexterne ontwikke-

lingen als de nationale economische
ruimte, de kosten van levensonderhoud
of de beloning elders, doch meer aan het

meer efficiente gebruik van arbeid in het
bedrijf. ,,ln a productivity bargain”,

aidus Nora Stettner, ,,management
identifies impediments to the efficient

use of labour and negotiates with trade-

unions for their co-operation in

removing these impediments” 3).

Aan de andere kant omvat de produk-

tiviteitsovereenkomst meer dan een stuk-
loonstelsel, omdat het laatste zich be-

perkt tot afzonderlijke functies en geen
effect heeft op de gehele Organisatie.
Stukloon poogt werknemers harder te

laten werken, de produktiviteitsovereen-
komst poogt een efficiënter gebruik van
arbeid te maken door de introductie van
verbeterde werkmethoden, werkallo-
catie, arbeidspraktijken en een hogere

flexibiliteit van arbeid 4).

De produktiviteitsonderhandelingen

hebben in het vorige decennium in Enge-
land een opmerkelijk succes gehad. Dit

is het resultaat van verschillende, samen-vallende overwegingen
5).
Als eerste moet de wens van werk-

geverszijde worden genoemd om de ver

borgen werkloosheid en onderbenutting

van arbeid te lijf te gaan, vooral de be-

strijding van excessief overwerk. Over-

werk had een grote vlucht genomen,
omdat het door werknemers werd be-

schouwd als weg om een redelijk in-

komen te verkrijgen en van onderne-

merszijde in het verleden onvoldoende
was tegengegaan en soms zelfs aange-

moedigd om goed personeel aan te trek-

ken.

In de tweede plaats voelde de onder-

nemingsleiding zich door de situatie van

langdurige volledige werkgelegenheid en

uitvoerige inspraakprocedures beperkt

in de vrijheid om wijzigingen in het be-
drijf te bewerkstelligen. Juist door het

afsluiten van een formeel contract – zo
was de verwachting – kon de werkgever
enige vrijheid terugwinnen om het werk

in zijn bedrijf (met instemming van de
werknemers) te (re)organiseren.
De vakbeweging verwelkomde de

produktiviteitsovereenkomst vooral
tussen 1965 en 1970 als een middel om

onder de stringente Engelse prijs- en in-

komenspolitiek uit te komen. Gestelde grenzen mochten slechts worden over-
schreden op basis van ,,echte” produk-

tiviteitsstijgingen. De produ ktiviteits-

overeenkomsten boden daartoe de gele-

genheid.
Van overheidswege werd dit novum al evenmin iets in de weg gelegd als middel

tot produktieverhoging zonder infiatoire

tendens; een verbetering van de lonen werd zo immers mogelijk zonder noe-

menswaardige prijsstijgingen.

Vijf voor kwaliteit,
Een aanzet tot dis-
cussie over een beleid op middellange termijn,
Industriebond NVV, Amsterdam, december
1976, blz. 27.
B. Towers, The nature and development of
productivity bargaining, blz. 26 in: B. Towers,
T. G. Whittingham en A. W. Gottschalk
(eds.),
Bargaining for change,
Londen, 1972.
Nora Stettner,
Productivitv bargaining
and industrial change,
Oxford, 1969, blz. 5.
Vgl. Towers, op. cit., blz.
25;
Stettner, op. cit., blz. 5.
O.a. bij Towers, op. cit., blz. 32 cv. en bij M. J. Huiskamp,
Shop siewards en arbeiders-
zeggenschap,
Een onderzoek naar arbeids-
verhoudingen in de Britse metaalverwerkende industrie 1830-1975, blz. 175-179.

818

Sinds 1970 hebben de produktiviteits-

overeenkomsten veel aan betekenis ver-
loren. Towers merkt op dat zijde kiemen

voor eigen vernietiging in zich dragen.
De aanwinst in produktiviteit door

verbetering van werkstructurering is ein-
dig. Van groter belang lijken mij de ver-

zachting na 1969 van de Engelse prijs-en
inkomenspolitiek en de groeiende werk-

loosheid, die de bereidheid tot medewer-

king van vakbondszijde tot het nulpunt

hebben teruggebracht. De veranderde
werkgelegenheidssituatie heeft boven-
dien bij werkgevers het besef gebracht

dat onder deze omstandigheden wellicht
ook inefficiency kan worden wegge-

nomen zonder dat daarvoor in de vorm

van loonsverhogingen moet worden

betaald 6).

Geljkenissen

Zowel bij de produktiviteits- als bij de
arbeidsplaatsenovereenkomst gaat het in
de kern om afspraken die de Organisatie
en mobiliteit van arbeid betreffen. Het
gaat in wezen om werkgelegenheids-
afspraken; beide geven regels voor de

interne arbeidsmarkt.
In beide gevallen worden de onder-handelingen gevoerd op grond van in-
terne gegevens en gezichtspunten van het

bedrijf of de bedrijfstak. Externe facto-
ren als de nationaal-economische ruim-

te, de effecten van het sociaal-econo-

misch beleid van de overheid e.d. spelen

op de achtergrond of in het geheel niet
mee. Beide overeenkomsten houden een

grotere penetratie in van de vakorgani-
satie in tot dan vrijwel uitsluitend door

de besluitvorming van de ondernemings-

leiding bestreken domeinen. De onderhandelingen vinden in beide
gevallen vooral gedecentraliseerd, op het
niveau van het bedrijf, plaats, hoewel

soms per bedrijfstak (scheepsbouw, con-

fectie) of per bedrijfsonderdeel wordt

onderhandeld. Voorts gaat het bij zowel
de produktiviteits- als de arbeidsplaat-
senovereenkomsten om gedetailleerde

onderhandelingen, die hoge eisen stellen
aan de specifieke bedrjfskennis van de

onderhandelaars, die in hoge mate zal

moeten steunen op informatie van de
betrokken werknemers, ondernemings-
raad of bedrijfscontactcommissie. Dufty
die hierop wijst, onderkent bovendien

een verschuiving in de aard van het
onderhandelingsproces: ,,from power

bargaining over relative shares to pro-
blemsolving” 7).

Beide overeenkomsten zijn uiteraard
niet identiek. Het voornaamste verschil

ligt in het uitgangspunt. De produktivi-
teitsovereenkomst is erop gericht werk-
zaamheden te verrichten met minder
werknemers; het gaat om een besparing

op arbeid, terwijl de arbeidsplaatsen-
overeenkomst primair is ingegeven door het uitgangspunt werkzaamheden met in

elk geval een gelijk aantal en zo mogelijk
meer werknemers te laten verrichten. Dit

verschil in uitgangspunt verklaart waar-

om de produktiviteitsovereenkomst is

geïnitieerd van werkgeverszijde (en

door management consultants) en de
arbeidsplaatsenovereenkomst wordt ge-

propageerd door de vakbeweging.

Vanuit een bepaald gezichtspunt kan

de arbeidsplaatsenovereenkomst overi-

gens worden beschouwd als een voor-
loper van de produktiviteitsovereen-

komst. Delamotte heeft opgemerkt

dat produktiviteitsonderhandelingen op

het vasteland van Europa ontbreken,
omdat zij niet nodig zijn 8). In het Euro-
pese bedrijfsleven zijn er weinig formele
demarcatieljnen en informele arbeids-
normen die een efficient gebruik van ar-

beidskrachten belemmeren. Dit is voor-

al te danken aan de ondergeschikte rol

die echte ,,vak”bonden in het sociaal-
economisch beleid op het vasteland heb-

ben gespeeld. De collectieve overeen-
komsten maken technologische verande-

ring mogelijk en verlichten de gevolgen

daarvan voor de werknemers, doch er

vindt geen afruil plaats van invoering van

technische vernieuwingen tegen hogere

beloning.

Deze rubriek wordt verzorgd door de
afdeling Sociaal-Economisch Beleid

van de Erasmus Universiteit Rotterdam

Het lijkt evenwel nauwelijks denkbaar
dat arbeidspiaatsenovereenkomsten in

concreto kunnen worden afgesloten zon-
der de vaststelling van ,,job demar-

cations” en arbeidsnormen. Daarmee
is de kiem gelegd voor de produktivi-
teitsovereenkomst in betere werkgele-

genheidssituaties.

Gevolgtrekkingen uit de vergelijking

De kwantitatieve bijdrage van de

arbeidsplaatsenovereenkomst aan de

werkgelegenheid is begrensd. Het op-

nemingsvermogen van arbeid in het be-. drijfsieven is eindig, evenals – in omge-
keerde richting – efficiency-verbetering
door besparing op arbeid in de Engelse

situatie eindig is gebleken.
,
Uit dit ge-

zichtspunt lijkt het arbeidsplaatsencon-

tract geen lang en gelukkig leven bescho-
ren. Tenzij het in breder verband een

functie vervult. Zo valt te verwachten
dat de betekenis toeneemt wanneer het
tot stand komt in samenhang met de
– eerder bepleite maar nog lang geen
werkelijkheid geworden – investerings-

overeenkomsten, af te sluiten tussen

overheid en één of meer bedrijven 9).
Ook is een koppeling denkbaar met de
vermogensaanwasdeling door het col-

lectieve deel van de afdracht voor be-
houd of creatie van arbeidsplaatsen te
bestemmen. Het recente compromis over

de VAD sluit deze mogelijkheid uit door

dit deel te richten op verbetering van
pensioenvoorzieningen.

Het is jammer dat men de VAD geen
grotere actuele betekenis heeft gegeven

door een koppeling met de werkloos-
heidsproblematiek.

Ten slotte kan de rol van het arbeids-
plaatsencontract aan waarde winnen,

wanneer het onderdeel uitmaakt van

meer permanent overleg over de werk-

gelegenheid tussen vakorganisatie en

bedrijf. De voorgestelde lange looptijd
van de overeenkomsten (langer dan de

cao 10)) maakt dit echter minder aan-

nemelijk. In het streven naar arbeids-
plaatsenverbetering (humanisering van

arbeid) kan de overeenkomst goede
diensten bewijzen, hoewel ook hier een

frequenter contact nodig zal zijn. Een
goede eerste stap lijkt mij overigens de

inventarisatie van aspecten die onder de

modieuze doch nog immer vage term,
humanisering moeten worden begrepen.

De arbeidsplaatsenovereenkomst in de
arbeidsverhoudingen

Meer dan veranderingen in de werk-

gelegenheid zal de arbeidsplaatsenover

eenkomst echter de arbeidsverhoudin-
gen (met name de relaties tussen werk-

gevers en vakbeweging) beïnvloeden.
Een wijziging van betekenis vormt de

participatie van de vakorganisatie op de
interne markt van het bedrijf, niet alleen

ad hoc en beperkt zoals bijv. bij het vast-

stellen van afvloeiingsregelingen, maar
permanent en algemeen. Daarmee krijgt
het werkgelegenheidsvraagstuk een vol-

waardige plaats in het stelsel van arbeids-
verhoudingen op het niveau van de

onderneming en bedrijfstak. Daarmee
krijgt de vakbeweging ook onvermijde-

lijk een grotere (mede)verantwoordelijk-
heid te dragen voor de arbeidsplaatsen-
ontwikkeling op deze niveaus. En dat is
ook een verandering van betekenis. De

vraag is of deze consequentie van het
arbeidspiaatsencontract door de In-
dustriebond is voorzien. Maar er zijn nog

meer vraagtekens. Heeft men zich ge-
realiseerd dat bij een omslag van werk-

loosheid in volledige werkgelegenheid

(zelfs indien beperkt tot één of enkele

deelmarkten) het arbeidsplaatsen-

contract gemakkelijk het karakter kan

krijgen van een produktiviteitsovereen-
komst? 11).

Ook is vooralsnog onduidelijk in
welke mate is voldaan aan het kenmerk
van tweezijdigheid van de overeen-

N. F. Dufty,
Changes in labour-manage-
ment relations in the enterprise,
OECD, Parijs, 1975, blz. 27. Id., blz. 35. Y. Delamotte,
The social partners face the
problems of productivity and employmeni,
OECD, Parijs, 1971, hoofdstuk 3.
Werkgelegenheidsnota
NVV-NKV-CNV,
september 1975, blz. 50.
Vijf
jaar voor kwaliteit, op,
cit., blz. 27. Zie voor de nadelige invloed van produk-
tiviteitsonderhandelingen op de inkomens-
verdeling: Stettner, op. cit., blz. 104 e.v.

ESB 24-8-1977

819

komst; welke baten brengt de overeen-

komst met zich mee voor de weder-
partij? De aanduiding overeenkomst

wijst immers op tweezijdigheid: een af-

spraak tussen partijen, waar voor beide

voordelen uit voortvloeien. Voor de

werknemers liggen de voordelen voor de
hand: inzicht in en zeggenschap over de
mogelijkheden van behoud of schep-

ping van arbeidsplaatsen en verbetering

van hun kwaliteit. Hoewel algemeen
maatschappelijk een verbeterde werk-

gelegenheidssituatie eveneens voordelig

is voor werkgevers, mag worden ver-

wacht dat zij pas sprake achten van

tweezijdigheid als in de onderhandelin-

gen hun welgevallige onderwerpen als de

garantie van arbeidsrust, de meewerking

aan eventuele herstructurering, wellicht

zelfs loonmatiging en beperking van

medezeggenschap op ander gebied (in-

vesteringen!) kunnen worden inge-

bracht.

Voorts is het gevaar van een te ge-

isoleerde behandeling van de arbeids-

plaatsenontwikkeling niet denkbeeldig.
Overleg over de werkgelegenheids-

situatie per bedrijf of bedrijfstak kan niet

losstaan van de onderhandelingen over
arbeidsvoorwaarden. Nog kort geleden
is deze samenhang ook in het bondsblad

van de Industriebond benadrukt 12).

In dit licht lijkt de constructie van een
afzonderlijk arbeidspiaatsencontract in-

consequent. Het inruimen van een
plaats in de cao voor afspraken over ar-

beidspiaatsen – zoals de FNV kennelijk

voorstaat 13) – doet meer recht aan

deze samenhang.

De bovengenoemde effecten van de

arbeidsplaatsenovereenkomst op de

arbeidsverhoudingen passen overigens in
de algemene ontwikkeling die zij door-
maken. Ons stelsel wordt – kort aan-
gegeven – vooral gekenmerkt door een

nadruk op decentrale onderhandelingen

(naast centraal overleg), een toenemende

aandacht voor werkgelegenheidsvraag-

stukken op bedrjfsniveau en een

groeiende bereidheid bij de vakbeweging
om op basis van participatie medever-

antwoordelijkheid te aanvaarden. In het

arbeidsplaatsenoverleg met name op

bedrijfsniveau komen deze karakteris-tieken van het Nederlandse stelsel van

arbeidsverhoudingen sterk tot uitdruk-
king. De arbeidsverhoudingen komen

ook steeds meer in de aandacht en greep
van de overheid (als het geen taboe was,

zou men sinds 1973 van geleide loon-
politiek kunnen spreken). Vooralsnog is

de arbeidsplaatsenovereenkomst niet
verbonden met dit aspect van de arbeids-

verhoudingen.

Wanneer evenwel de Wet op de Inves-

teringsrekening functioneert en wanneer
in de toekomst de overheid wellicht met

een bedrijf of bedrijfstak investerings-
overeenkomsten aangaat, zal het ar-
beidsplaatsencontract (als afzonderlijk

contract of als onderdeel van de cao)

daarop onvermijdelijk moeten inhaken.

Dan past ook op dit punt de arbeids-

plaatsenovereenkomst in het stelsel van

arbeidsverhoudingen.

Slot

Het voorgaande betoog voert tot de

conclusie dat van de arbeidsplaatsen-

overeenkomst geen substantiële, lang-durige invloed op de werkgelegenheid

uitgaat. De constructie zelf is bovendien

nog vaag, op enkele punten inconsequent
en onvoldoende doordacht in haar on-

bedoelde effecten. Het effect op de ver-

houdingen tussen werkgevers en werk-

nemers zal groter zijn. De arbeidsplaat-
senovereenkomst vertoont in sterke mate

de kenmerken die de arbeidsverhoudin-

gen als geheel karakteriseren. De aan-

wezige tendensen in het stelsel van ar-

beidsverhoudingen worden daardoor op

hun beurt versterkt. In het orkest van de
Nederlandse arbeidsverhoudingen ver-
sterkt de arbeidsplaatsenovereenkomst

de te beluisteren melodie. Sommigen

klinkt dat als muziçk in de oren; ande-
ren zouden een paar instrumenten willen
verwijderen.

W. van Voorden

WIK,
29juni1977, blz. 12.
Vier jaar vooruit,
Kernthema’s voor een
sociaal en economisch beleid in de jaren
1977-1981, FNV, mei 1977.

ESb
Mededelingen

Normalisatiedag 1977

Op dinsdag 11 oktober organiseert

het Nederlands Normalisatie-Instituut
(NNI) de jaarlijkse Normalisatiedag in
de Jaarbeurs Congreszaal te Utrecht.
Het thema van de dag luidt: ,,Het maat-
schappelijk en bedrijfseconomisch effect

van normalisatie”, met als ondertitel

,,Normalisatie: gemeenschappelijk be-

lang van consument en ondernemer”.

Het programma bevat twee voor-

drachten:
• het maatschappelijk effect van nor-
malisatie, door Prof. Dr. J. M. Dir-
ken;
• het bedrijfseconomisch effect van nor-malisatie, door Ir. H. M. van Dantzig.

Deze twee voordrachten zullen wor-
den omlijst door de presentatie van

praktijkvoorbeelden waarmee verschil-

lende sprekers het nuttig effect van de
toepassing van normalisatie zullen aan-

geven.

De dag wordt georganiseerd door de
NNI-bestuursadviescommissie Bedrijfs-

normalisatie (Cobeno). Kosten: f. 75 op
postrekening 2 53 01 van het Nederlands

Normalisatie-Instituut (NNI) te Rijs-
wijk (ZH). Inlichtingen: Afdeling Public

Relations van het NNI, tel.: (070)
90 68 00, toestel 224.

Nationale onderzoekdag economie 1977

Op 1 september 1977 organiseert de

Economische Faculteit van de Erasmus

Universiteit Rotterdam voor de tweede
keer een nationale onderzoekdag voor
economen. In vier parallelprogramma’s

worden in totaal 35 projecten toegelicht
voor collega-onderzoekers, maar ook

voor andere geïnteresseerden. Een pro-
grammaboekje met samenvattingen van

alle inleidingen kan bij de
organisatoren

worden aangevraagd; de
inleiders
zenden

op verzoek een rapport toe aan belang-

stellenden.
De nationale onderzoekdag wordt ge-
organiseerd door de Vaste Commissie

voor de Wetenschapsbeoefening van de Economische Faculteit van de Erasmus

Universiteit Rotterdam. Datum: 1 sep-
tember 1977. Plaats: Complex Woude-

stem, Burgemeester Oudlaan 50, Rotter-

dam, zalen D 1 – D 4. Aanvang: 9.50 uur.

Inlichtingen: G. A. van der Knaap, Eco-

nomisch-Geografisch Instituut, Erasmus
Universiteit Rotterdam, Postbus 1738,
Rotterdam-3016, tel.: (010) 14
55
II,

tst. 3530.

Dr. Mauk Mulder: Fusies.
Serie bedrijfs-

kundige signalementen, Stenfert Kroese
BV, Leiden, 1976, 62 blz., f. 13,50.
Prof. Mulder, rector van de Stichting
Bedrijfskunde te Delft, analyseert de

fusieprocessen v66r en nâ fusie, met
gebruikmaking van zijn praktijkervarin-

gen en van sociaal-organisatorische theo-
rieën.

H. A. Becker: Sociologische advisering
Samsom, Alphen aan den Rijn, 1976,
80 blz., f. 22,50.
Dit boekje is bedoeld voor het struc-
tureren van advieswerk door sociologen.
Diverse fasen van het advies worden
behandeld: – verkenning, structurering,
informatie, analyse, alternatieven, stra-
tegie, implicaties en presentatie. Daar

naast worden enkele aspecten en ont-

wikkelingen rond het advies, de advi-
seurs en de geadviseerde behandeld.

820

Dr. R. van Rooij: De positie van publiek-

rechtelijke regels op het terrein van het

internationaal privaatrecht.
Tjeenk Wil-

link/Sijthoff, Groningen 1976, 505 blz.,

f.
65.
Het Nederlands internationaal pri-

vaatrecht bestaat voor het grootste deel uit conflictregels, die voor privaatrech-

telijke rechtsbetrekkingen met ,,Aus-
landsberührung” een bepaald landsrecht

als toepasselijk aanwijzen. Achtereen-

volgens worden besproken in hoofdstuk
1 de systematiek en voornaamste rechts-

kwesties, in hoofdstuk 2 de positie van
de publiekrechtelijke regels, in hoofd-
stuk 3 de positie van vreemde publiek-

rechtelijke regels en in hoofdstuk 4

de coördinatie tussen beide.

Mr. H. G. de Maar: De uitbreiding

van Schiphol.
Kluwer BV, Deventer,

1976, 288 blz., f. 50.
Behandeld worden de geschiedenis en

de uitbreiding van Schiphol en speciaal

de vraag hoe de komst van het straal-

vliegtuig invloed hèeft gehad op het

bestuur. Het onderzoek is vanuit twee in-

valshoeken aangepakt: 1. vanuit het

besluitvormingsproces, waarbij in het
bijzonder de aandacht is gericht op de

elementen informatie en coördinatie en
2. vanuit het wettelijke en institutionele

kader, waarbij de vraag aan de orde
wordt gesteld hoe competentieregels
kunnen worden ingericht opdat zij ook

voor gewijzigde omstandigheden waarde

kunnen behouden.

Drs. H. B. de Mare: Oordeelvorming

over informatiesystemen.
Samsom

Uitgeverij, Alphen aan den Rijn, 1976,
22 blz., f. 9.
Rede uitgesproken bij de aanvaarding
van het ambt van buitengewoon hoog-
leraar in de bestuurlijke informatie-
verzorging en informatietechnologie aan

de Universiteit van Amsterdam.

CBS: Inkomensverdeling 1969, regionale gegevens.
Staatsuitgeverj, Den Haag,
134 blz., f. 16.
Bevat statistische gegevens over de
regionale inkomensverdeling met een
korte technische toelichting.

De vakgroep Economie

van de Faculteit der Sociale Wetenschappen A vraagt een

wetenschappelijk

(hoofd) medewerk(st)er

voor 7/10 van de werktijd.

De vakgroep verzorgt het onderwijs in de economie aan de Faculteit

der Sociale Wetenschappen:

i) als onderdeel van een van de afstudeerrichtingen in de

politicologie;

z) als bijvak voor de gehele Faculteit.

De werkzaamheden omvatten

• het geven van doctoraal colleges in de macro-economie en het
deelnemen aan het propaedeuse-programma van de vakgroep
• het doen van onderzoek (waarbij de gelegenheid wordt geboden

tot het schrijven van een dissertatie)

• het deelnemen aan de beheerswerkzaamheden van de vakgroep.
Gedacht wordt aan een econoom of andere afgestudeerde, met een

gelijkwaardige kennis op het gebied van de moderne macro-

economie.

Aanstelling zal geschieden conform de richtlijnen rangenstelsel
wetenschappelijk medewerkers.

Inlichtingen kunt u inwinnen bij de heer

J.
E. Parker, telefoon ozo – z6 50 65, toestel 32
1.

Uw sollicitatie kunt u, binnen
3
weken, richten

aan het Bestuur vakgroep Economie FSW-A,

Keizersgracht 442., Amsterdam,

onder nummer 1378

4

Uidversiteit van Amsterdam

ESB 24-8-1977

821

CBS: Statistiek der gemeentefinanciën.
Onderwerp van overheidszorg in eco-

nomische categorieën, rekeningen 1971.
Staatsuitgeverij, Den Haag, 1976, 93

blz., f. 17,50.
Vervolg op de gelijknamige statistiek
voor 1969, welke in 1973 verscheen.

Naast de gebruikelijke presentatie der

uitkomsten per groottegroep van ge-
meenten zijn deze nu ook regionaal in-
gedeeld naar dè elf provincies. Het jaar

1970 is slechts bewerkt voor zover het de
gemeenten bétreft met 50.000 inwoners

en meer.

CBS:

Faillissementsstatistiek

1974.

Staatsuitgeverij, Den Haag, 1976, 16 blz.,

f. 5,50.

OECD: Measurement of environ-

mental damage.
Parijs, 1976, 151 blz.,

S 7.

Technisch handboek vor het schatten
van de kwantitatieve effecten van

schade aan de kwaliteit van het milieu

in geldtermen. Deze schattingen kunnen
een instrument zijn bij het opstellen van
een milieubeleid.

John Ratcliffe: Land policy. An
exploration of the nature of land in

society.
Hutchinson and Co. Ltd., Lon-
den, 1976, 128 blz., £ 3.75.

Het boek onderzoekt de aard van het

bezit van land in de maatschappij en de

problemen van de door de gemeenschap

bepaalde waarde van land. De auteur

kritiseert de grondpolitiek van ver-
schillende regeringen die de praktische

consequenties van hun beleid voor

planning en ontwikkeling over het

hoofd zien.

Dr. M. C.
P. M. van Schendelen en Prof.

Mr. H. T. J. F. van Maarseveen: Proces

van wetgeving.
H. D. Tjeenk Willink,

Groningen, 1976, 108 blz., f. 18.
Verslag van een onderzoek naar de
snelheid van wetgeving in Nederland

tussen 1961 en 1970, d.w.z. hoe lang het

parlement gemiddeld doet over het tot

stand brengen van een wet.

AGRARISCHE SOCIALE FONDSEN

‘s-Gravenhage

De Stichting A.S.F. zoekt voor haar regionaal kantoor te Leeuwarden een

directeur

Het A.S.F. verzorgt ondermeer de administratie van de Bedrijfsvereniging voor het

Agrarisch Bedrijf en van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw.

Het A.S.F. heeft ruim 500 medewerkers.

Het hoofdkantoor bevindt zich in ‘s-Gravenhage, terwijl regionale kantoren geves-
tigd zijn in Alkmaar, Arnhem, Gouda, Groningen, Leeuwarden en Tilburg. Het kan-
toor te Leeuwarden telt 40 personen, werkzaam in binnen- en buitendienst.

Het A.S.F. zoekt voor de funktie van regionaal directeur iemand:

– die in het grotere verband van het A.S.F. als geheel goed leiding weet te geven
aan een regionaal kantoor;
– die gedegen inzicht heeft in en kennis heeft van desociale verzekeringen en de

uitvoering daarvan;

– die zowel naar binnen als naar buiten goede contacten tot stand kan brengen

en kan onderhouden.

Schriftelijke sollicitaties met uitvoerige inlichtingen dienen te worden gericht aan

de directie van het

A.S.F., Buitenrustweg 3, ‘s-Gravenhage

terwijl de directie-secretaris, drs. A. Schouten graag bereid is aan geïnteresseer-

den telefonisch verdere informatie te verstrekken (070-60.99.30).

822

Auteur