Ga direct naar de content

Economische baten zijn een sterk argument voor verdieping interne markt

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 20 2026

Adriaan Schout en Arthur van Riel stellen in ESB dat de economische baten van de Europese interne markt worden overschat. De onderliggende analyse schiet echter tekort.

In het kort

  • Theoretische modellen analyseren doorgaans een verdergaande mate van integratie dan in de praktijk wordt gerealiseerd.
  • Recente empirische studies met moderne methoden laten eenduidige positieve effecten zien.
  • De statische analyse van Schout en Van Riel zegt niets over het causale effect van de interne markt op economische groei.

In het kort

Dit artikel reageert op Schout en Van Riel (2026).

Een naschrift door Schout en Van Riel is te vinden onderaan dit artikel.

In ons vak Europese Economische Integratie leren wij onze bachelorstudenten aan de Universiteit Leiden dat de baten van de interne markt groot zijn. Schout en Van Riel (2026) werpen een kritische blik op deze les. Nu de recente geopolitieke ontwikkelingen en de invloedrijke rapporten van Letta (2024) en Draghi (2024) de verdieping van de Europese interne markt weer hoog op de politieke agenda zetten, is het terecht en erg nuttig dat zij dat doen. De economische baten van de interne markt vormen namelijk een belangrijk argument voor verdere integratie.

In hun analyse plaatsen Schout en van Riel vraagtekens bij de economische baten van de interne markt op basis van een bespreking van theoretische en empirische literatuur en een statistische analyse die de Europese Unie vergelijkt met de Verenigde Staten en de andere OESO-landen. Ze concluderen dat theoretische modellen de effecten van de interne markt steeds overschatten en dat het empirische bewijs geen eenduidig positief beeld laat zien. Hun eigen analyse sluit aan bij dit narratief en suggereert dat de gerealiseerde economische baten beperkt of zelfs nul zijn.

Deze conclusie overtuigt echter niet. Ten eerste bestaat er een discrepantie tussen de ex ante voorspellingen en de ex post evaluaties die Schout en Van Riel met elkaar vergelijken; ten tweede geeft hun bespreking van de empirische literatuur te veel gewicht aan studies op basis van achterhaalde methodes en mist zij belangrijk nieuw bewijs; en ten derde maakt hun eigen analyse het niet mogelijk het causale effect van de interne markt op economische groei vast te stellen – terwijl dat juist de kern van hun betoog vormt.

Integratie neemt handelsbelemmeringen weg

De economische theorie over integratie beschrijft drie mechanismen waardoor economische integratie goed is voor de economie (Baldwin en Wyplosz, 2022). Ten eerste bevordert liberalisering een efficiëntere allocatie van middelen door comparatieve voordelen beter te benutten. Het wegnemen van handelsbarrières zorgt ervoor dat de meest productieve bedrijven het meest produceren, ongeacht in welk land ze gevestigd zijn.

Ten tweede maakt integratie een betere benutting van schaalvoordelen mogelijk. Toegang tot een grotere markt stelt bedrijven in staat hun productie efficiënter te organiseren. Consumenten profiteren intussen van lagere prijzen en meer keuze.

Ten derde stimuleert integratie efficiëntere investeringen in kapitaal en innovatie, wat zorgt voor groei op de langere termijn. Dit mechanisme werkt bijvoorbeeld door verbeterde toegang tot leningen op de interne kapitaalmarkt. Naast strategische overwegingen vormen deze drie mechanismen ook de basis voor Draghi’s oproep om de Europese integratie ’af te maken’.

Het beleid dat vooral sinds de jaren negentig – maar ook ervoor – is gevoerd, heeft barrières binnen de interne markt verminderd. Toch is de markt nog altijd aanzienlijk gefragmenteerd (Draghi, 2024; Letta, 2024). Uitgedrukt in het equivalent van een handelstarief komen de huidige handelsbelemmeringen overeen met een tarief van 44 procent voor goederen en zelfs 110 procent op diensten (IMF, 2025; Wesseling, 2025). Dit zijn substantiële handels­belemmeringen.

Concrete voorbeelden van resterende handelsbelemmeringen zijn talrijk. Bedrijven die hun producten in andere EU-lidstaten willen verkopen, moeten die nog steeds aanpassen aan nationale voorschriften. Etiketten moeten in de nationale taal worden opgesteld en ook de product­presentatie verschilt vaak per land. Zo is een zak paprika-chips in Nederland en België blauw, maar in Duitsland rood. En, ondanks de ‘eengemaakte markt’ kunnen supermarkt­ketens als Albert Heijn en Picnic bepaalde producten vaak niet vrij inkopen in lidstaten waar zij goedkoper zijn, waardoor prijsverschillen tussen landen blijven bestaan.

Ook op het terrein van intellectueel eigendom waren de kosten tot voor kort aanzienlijk. Zo moest een Nederlandse start-up die een nieuwe technologie wilde patenteren in elke lidstaat afzonderlijk een aanvraag indienen, met bijbehorende administratieve procedures en vertaalkosten. Bescherming in meerdere EU-landen kostte daardoor een veelvoud van een vergelijkbare aanvraag voor de gehele Verenigde Staten.

Integratie in praktijk minder diep

Het eerste punt van Schout en Van Riel is dat de voorspellingen van de economische baten van integratie met behulp van theoretische modellen groter waren dan wat uiteindelijk gerealiseerd is. Deze observatie is correct, maar de conclusie die zij daaruit trekken – dat de modellen overschatten – klopt niet.

De theoretische modellen die de effecten van het wegnemen van handelsbarrières voorspellen, nemen deze handelsbarrières vaak volledig of bijna volledig weg (Cecchini et al., 1988; Baldwin et al., 1992). Zij verlagen de kosten van handel met het buitenland drastisch en veronderstellen daarbij diepere integratie dan wat de Europese landen tot nu toe gezamenlijk hebben kunnen realiseren. De effecten van deze drastische verlaging zijn vervolgens aanzienlijk.

De omvang van de voorspelde baten hangt echter zeer nauw samen met de mate waarin handelsbarrières afnemen. Bij een kleinere afname van de handelsbarrières zijn de verwachte effecten van vervolmaking van de interne markt ook kleiner. In de praktijk zijn de barrières in mindere mate weggenomen dan de modellen vaak veronderstellen en daarom zijn de baten kleiner.

Modernere studies ontbreken

Het schatten van het causale effect van economische integratie is ingewikkeld omdat de counterfactual – een EU die niet verder is geïntegreerd – niet in de data zit. De gebruikte methode luistert daarom nauw en hierom reflecteren wij op de door Schout en Van Riel aangehaalde studies die deze uitdaging aangaan.

Van de studies die Schout en Van Riel bespreken, vinden alleen Landau (1995), Vanhoudt (1999) en Andersen et al. (2019) geen positieve effecten van integratie. Alle overige empirische studies die Schout en Van Riel noemen, vinden een positief effect van Europese integratie op het bruto binnenlands product (bbp).

De drie studies die geen positieve effecten vinden, gebruiken geen van alle een overtuigende controlegroep. Landau gebruikt een ‘ouderwetse’ groeiregressie (gepoelde crosssectie) met een EU-dummy. Vanhoudt baseert zijn conclusie op een vergelijking van bbp-groei in de EU in 1973–1990 ten opzichte van de periode 1950–1973. Andersen et al. gebruiken een dummyvariabele voor EU-lidmaatschap in een paneldatastudie, waardoor de impliciete controlegroep bestaat uit de zeven originele OESO-landen die geen EU-lid zijn (VS, Canada, IJsland, Japan, Noorwegen, Zwitserland en Turkije) en de latere lidstaten in de jaren dat ze nog niet toegetreden waren. De aanname dat die landen vergelijkbare trends volgden vóór de toetreding wordt niet met data onderbouwd en daarom zijn dergelijke vergelijkingen weinig informatief over hoe de EU zich zou hebben ontwikkeld zonder de interne markt.

Daarbij zien Schout en Van Riel in hun literatuur­bespreking een aantal relevante studies over het hoofd. Zo verwijzen zij niet naar twee ESB-artikelen die het positieve effect van de interne markt duiden. Zowel Lejour en ­Pelkmans (2014) als Barendregt en Wijffelaars (2017) gaven reeds een overzicht van studies naar de economische effecten van de interne markt en concludeerden dat de voordelige effecten empirisch zijn aangetoond en aanzienlijk zijn, zowel voor de EU als voor Nederland in het bijzonder.

Bovendien gaan ze voorbij aan moderne econometrische studies die op basis van synthetic control de effecten van EU-lidmaatschap op de economie schatten door toetreders of de uittreder (het VK) te vergelijken met een zorgvuldig samengestelde controlegroep die in de jaren voor toe- of uittreding hetzelfde pad volgde. Abadie (2021) leggen deze methode uit en schetsen de voordelen ervan.

Zo vinden Campos et al. (2019; 2022) grote positieve effecten voor EU-toetreders over de periode 1973–2004 en een negatief resultaat voor Noorwegen (dat niet toetrad) ten opzichte van EU-landen. Verder schat Grassi (2024) dat de tien landen die in 2004 tot de EU toetraden, in 2019 gemiddeld 32 procent rijker waren dan zij zouden zijn geweest zonder EU-lidmaatschap. De onderliggende mechanismes waarvoor hij bewijs vindt – een toename in investeringen en productiviteit en een afname in misallocatie – bieden ondersteuning voor de theoretische literatuur over liberalisering.

Bijzonder relevant voor Nederland is dat Grassi’s analyse laat zien dat de uitbreiding van 2004 niet – bijvoorbeeld via toegenomen herverdeling – leidde tot een negatief effect voor de vijftien landen die op dat moment al EU-lid waren.

In nog een andere studie focussen Lehtimäki en ­Sondermann (2020) niet op toetreding van de EU, maar op het effect van de eengemaakte markt op de oude EU-12-lidstaten. Ook zij schatten dat de eengemaakte markt het bbp per capita gemiddeld heeft doen toenemen met 12 tot 22 procent.

Schout en Van Riel besteden wel aandacht aan de Brexit, een soort ‘natuurlijk experiment’ dat ons iets leert over de baten van de interne markt. Maar ook hier ontbreken relevante studies. Alabrese et al. (2024) vinden een gerealiseerd negatief bbp-effect van 6,5 tot 8,7 procent. Bloom et al. (2025) vinden een vergelijkbaar effect, evenals een afname in investeringen van twaalf à achttien procent en in productiviteit van drie à vier procent, die worden veroorzaakt door onzekerheid, afname in de vraag en misallocatie van middelen.

Statistische analyse overtuigt niet

Schout en Van Riel ondersteunen hun literatuuroverzicht met een statistische analyse die de EU vergelijkt met de VS en de OESO in termen van economische groei. De vergelijking met de OESO-landen die zij maken loopt echter spaak omdat de counterfactual niet representatief is voor de 15 EU-lidstaten die wel interne marktbeleid hebben gevoerd. Deze couterfactual bestaat uit een zeer diverse groep landen (van Colombia en Zuid-Korea tot Canada) en wij achten het onwaarschijnlijk dat de EU in de afwezigheid van verdere integratie wel de trend van die groep landen had gevolgd.

De vergelijking met de VS is nog problematischer. Draghi (2024) wijst incomplete integratie overtuigend aan als een van de oorzaken dat de EU achterloopt op de VS. Door de grootte van zijn markt heeft de VS beter gebruikgemaakt van de globalisering en technologische vooruitgang die in de afgelopen decennia voor (productiviteits)groei hebben gezorgd. Schout en Van Riel draaien dit argument om en interpreteren het verschil tussen de EU en de VS als bewijs dat de integratie die in de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden niet tot economische baten heeft geleid. Net als Draghi zien wij het verschil met de VS als een argument vóór, niet tegen, diepere integratie.

Tot slot bestuderen Schout en Van Riel de jaarlijkse groei in export. Zij interpreteren het feit dat de jaarlijkse groei afneemt als een tekortkoming van EU-integratie. Dat de jaarlijkse exportgroei afneemt is echter niet meer dan normaal. Ook in de periode 2008–2024 lag deze voor de meeste EU-landen nog steeds boven de bbp-groei, hetgeen betekent dat handelsintegratie is verdiept als aandeel van de totale economie. Wij zien dat eerder als een succes van de interne markt dan als een tekortkoming.

Conclusie

Europese economische integratie is een belangrijk onderwerp en verdere verdieping ligt politiek vaak gevoelig. Er zijn goede argumenten tegen verdere verdieping die door de samenleving en de politiek moeten worden afgewogen tegen de verwachte baten.

Schout en Van Riel geven, naar onze mening, te veel gewicht aan enkele methodologisch verouderde studies en zien moderne econometrische analyses die substantiële positieve effecten aantonen over het hoofd. Het politieke debat over Europese integratie verdient een evenwichtige weging van alle voor- en nadelen, gebaseerd op de beste beschikbare economische wetenschap. De economische zaak voor verdieping van de interne markt, zoals beargumenteerd door Letta en Draghi, staat sterk.

Getty Images

Literatuur

Abadie, A. (2021) Using synthetic controls: Feasibility, data requirements, and methodological aspects. Journal of Economic Literature, 59(2), 391–425.

Alabrese, E., J. Edenhofer, T. Fetzer en S. Wang (2024) Levelling up by levelling down: The economic and political cost of Brexit. Working Paper, 2 juli. Te vinden op www.brexitcost.org.

Andersen, T.B., M. Barslund en P. Vanhuysse (2019) Join to prosper? An empirical analysis of EU membership and economic growth. Kyklos, 72(2), 211–238.

Baldwin, R., P.-A. Chiappori en A. Venables (1992) The growth effects of 1992. Economic Policy, 4(9), 247–281.

Baldwin, R.E. en C. Wyplosz (2022) The economics of European integration, 7e editie. Columbus, OH: McGraw-Hill Education.

Barendregt, E. en M. Wijffelaars (2017) De interne markt is een onvoltooid succes. ESB, 102(4754S), 73–76.

Bloom, N., P. Bunn, P. Mizen et al. (2025) The economic impact of Brexit. NBER Working Paper, 34459.

Campos, N.F., F. Coricelli en E. Franceschi (2022) Institutional integration and productivity growth: Evidence from the 1995 enlargement of the European Union. European Economic Review, 142, 104014.

Campos, N.F., F. Coricelli en L. Moretti (2019) Institutional integration and economic growth in Europe. Journal of Monetary Economics, 103, 88–104.

Cecchini, P., M. Catinat en A. Jacquemin (1988) The European challenge, 1992: The benefits of a single market. Aldershot: Wildwood House.

Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness: A competitiveness strategy for Europe. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

Grassi, B. (2024) The EU miracle: When 75 million reach high income. Bocconi University, Working Paper, november. Te vinden op www.bancaditalia.it.

IMF (2025) Europe’s productivity weakness: Firm-level roots and remedies. IMF Working Paper, WP/25/40.

Landau, D. (1995) The contribution of the European common market to the growth of its member countries. Weltwirtschaftliches Archiv, 131(4), 774–782.

Lehtimäki, J. en D. Sondermann (2020) Baldwin vs. Cecchini revisited: The growth impact of the European single market. ECB Working Paper, 2392.

Lejour, A. en J. Pelkmans (2014) De economische effecten van EU lidmaatschap. ESB, 99(4685), 308–311.

Letta, E. (2024) Much more than a market: Speed, security, solidarity. Empowering the single market to deliver a sustainable future and prosperity for all EU citizens. Europese Raad, Rapport, april. Te vinden op www.consilium.europa.eu.

Schout, A. en A. van Riel (2026) De baten van de interne markt worden overschat. ESB, te verschijnen.

Vanhoudt, P. (1999) Did the European unification induce economic growth? Weltwirtschaftliches Archiv, 135(2), 193–220.

Wesseling, J. (2025) Europa’s uitdaging ligt binnen de eigen grenzen. ESB, 110(4845), 234–237.

Auteurs

Naschrift Schout en van Riel: Terugdringen van opwaartse harmonisatie

Wij twijfelen over de baten van de interne markt want empirisch onderzoek laat grote verschillen in schattingsresultaten zien. Rozendaal en Van Gruisen twijfelen niet, zij citeren louter positieve uitkomsten.

Een belangrijke verklaring voor dit verschil komt omdat Rozendaal en Van Gruisen zich richten op de efficiëntie-voordelen van het verwijderen van nationale barrières. Ons onderzoek is breder en citeert ook literatuur die ingaat op een verlies aan dynamiek als gevolg van het wegnemen van verschillen, en van het opleggen van beperkingen aan toetreding, innovatie en competitie (Breton, 1996). Effecten van de interne markt zijn ook opwaartse harmonisatie – dezelfde strengere regels voor alle lidstaten – en minder beleidsconcurrentie, en de gevolgen daarvan werken verschillend uit in verschillende sectoren (Draghi, 2024).

Deze gevarieerde uitkomsten van het empirische onderzoek leggen wij naast macrotrends. Volgens Rozendaal en Van Gruisen is dat niet informatief. Zij vinden de OESO-landen waarmee wij de bbp- en productiviteitsontwikkeling van de EU-lidstaten vergelijken een te diverse club. Het gaat echter veelal om selecties van OESO-landen met vergelijkbare of zelfs hogere welvaartsniveaus. Daarnaast gaan zij met deze afwijzing in tegen de hele bibliotheek aan analyses van groeiverschillen van Maddison tot Acemoglu. Kernpunt is dat de groei in de EU-15 achterblijft (absoluut en comparatief). Ook kunnen wij integratiestappen, zoals ‘1992’, of de introductie van de euro, niet terugzien in de cijferreeksen.

Inmiddels gaat de politieke discussie in de EU, aangejaagd door achterstanden in groei en innovatie, over deregulering. Dat betekent het terugdringen van (opwaartse) harmonisatie. De kern van wetenschap is twijfel, ook over de interne markt. En die twijfel mag ook doorklinken in het onderwijs.

Literatuur

Breton, A. (1996) Competitive governments: An economic theory of politics and public finance. Cambridge: Cambridge University Press.

Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness: A competitiveness strategy for Europe. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

Categorieën

Plaats een reactie