Het was deze zomer onontkoombaar: onze natuurlijke leefomgeving staat onder druk, en dat heeft gevolgen voor onze economie. Hittegolven, steeds meer en grotere bosbranden, watertekorten en laagstaande rivieren kosten levens (RIVM, 2026), schaden de productiviteit (Park et al., 2020; Dasgupta, 2024) en brengen onder meer de landbouw en scheepvaart in het nauw (Selderman et al., 2026; Stegeman et al., 2026).
De druk op onze natuurlijke leefomgeving gaat echter verder dan de verandering van het klimaat: ook de biodiversiteit en waterkwaliteit neemt af, de natuurlijke ecosystemen en nutriëntenbalans raken verstoord, nieuwe chemicaliën als PFAS vervuilen het milieu en de oceanen verzuren (Planetary Boundaries Science, 2025). Natascha Spanbroek, Paul Lucas, Patrick Bogaart, Kiki Kersten, Miranda Mesman, Tijs Sikma en Jodine Smits roepen de overheid daarom op om haar beleid integraal te richten op een terugkeer van economie en maatschappij binnen de planetaire grenzen.
Impasse
De oproep van deze auteurs, die werken voor diverse Nederlandse beleidsinstellingen, heeft veel weg van een wanhoopskreet. Dat het milieu steeds meer onder druk komt te staan, horen we immers al sinds het rapport van Rome (Meadows, 1972). Hoewel er positieve uitzonderingen zijn, zoals de aanpak van het ozongat, blijven effectieve maatregelen veelal uit.
Voor zover er in Nederland succesvol milieubeleid gevoerd wordt, komt dat vaak vanuit Europa. Zo betalen steeds meer vervuilers inmiddels een serieuze prijs voor hun CO2-uitstoot, met dank aan de emissiehandel.
Maar resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Zo dreigt de door de Europese Commissie voorgenomen afzwakking de effectiviteit ervan aan te tasten (Gavriilidis et al., 2026). En die afzwakking staat niet op zichzelf: voormalig Europarlementariër Bas Eickhout waarschuwt in dit dossier voor de trend van de afgelopen jaren om het Europese milieubeleid af te zwakken.
Voor het Nederlandse milieu is die afschaling van de Europese milieuambities geen goed nieuws, want het nationale beleid heeft een slechte staat van dienst als het gaat om het verwezenlijken van de gestelde doelen. Zo bespreekt Jan Willem Erisman hoe de politiek maar niet tot een structurele oplossing van het stikstofprobleem komt en tonen Stijn Reinhard, Rob van der Veeren en Vincent Linderhof hoe ook van de voorgenomen verbetering van de waterkwaliteit weinig terecht is gekomen. Ben Vollaard laat in zijn dubbele bijdrage aan dit dossier bovendien zien dat ook overbevissing – een van de klassieke milieuproblemen in de economische literatuur – nog niet is opgelost in de Noordzee, ondanks de subsidies die de visserij ontvangt om deze tegen te gaan.
Verlaagt welvaart
Als effectieve bescherming uitblijft, is niet alleen het milieu het kind van de rekening: het werkt indirect vaak ook door in de rest van het economische systeem. Zo toont Hans de Groene hoe de uitblijvende verbetering van de waterkwaliteit de kosten van drinkwater verhoogt, vrezen Lisa Miners, Marije Schaafsma en Roy Brouwer voor de gezondheidseffecten van de inmiddels wijdverspreide chemische PFAS-stoffen en laat Mariët Bogaard zien dat slechte luchtkwaliteit de leerprestaties schaadt. Wat dat laatste betreft is het slecht nieuws dat de luchtkwaliteit ondanks de genomen maatregelen op veel plekken in Nederland nog altijd slechter is dan de normen voorschrijven, zoals Samantha Bomtempo Leeuwestein en Rik Rozendaal opmerken.
Mede vanwege de indirecte kosten van milieuschade, levert het aanpakken van klimaatverandering, stikstofuitstoot, luchtverontreiniging en chemische stoffen als PFAS netto een welvaartsverhoging op, zo rekent Sander de Bruyn voor. Roy Brouwer betoogt bovendien dat ook de benodigde investeringen voor een betere waterkwaliteit zich uitbetalen.
Omdat strengere milieuwetgeving veelal de welvaart verhoogt, is Marko Hekkert kritisch op de dereguleringsagenda waar Wennink (2026) met het oog op het concurrentievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven – voor zover die afzwakking milieuregels betreft, kan dat immers juist ten koste gaan van de welvaartsverhoging die Wennink voor ogen heeft (Jansen et al., 2025).
Integrale afweging nodig
Hoewel deregulering dus niet per se een oplossing is, kan het geen kwaad bestaande wetgeving kritisch tegen het licht te houden. Zo laten Yannis Kerkemezos en Floris de Haan zien dat het huidige Schipholbeleid – dat stuurt op minder vluchten maar tegelijkertijd transfervluchten blijft stimuleren – doelmatiger kan door directer te sturen op de beoogde milieu- en bereikbaarheidsdoelen. Er kan dan meer milieuwinst geboekt worden, of er kunnen meer vluchten worden gerealiseerd op bestemmingen waar Nederlandse passagiers behoefte aan hebben.
En ook binnen het milieubeleid kan een integrale beleidsvisie meer winst opleveren dan losse wetgeving per domein, betogen Sjors van Wickeren en Sophie Wellen. Ze illustreren dat aan de hand van de voedselvoorziening, waarin klimaatbeleid bijvoorbeeld ten koste kan gaan van de stikstofuitstoot, en vice versa (Van der Wijst en Van der Vooren, 2021).
Doelmatig beleid begint dus bij een brede welvaartsafweging – noch het milieu noch het bedrijfsleven is gebaat bij wetgeving die vertrekt vanuit deelbelangen.
De laatste jaren worden er stappen gezet om het beleidsinstrumentarium beter in te richten op het maken van die brede welvaartsafwegingen (CPB/PBL/SCP, 2022). Zo brengt het Centraal Bureau voor de Statistiek jaarlijks de Monitor Brede Welvaart uit, en wordt er sinds 2023 een breder set aan welvaartsindicatoren in de Rijksbegroting gepresenteerd. Ook reflecteerden de planbureaus in 2024 vanuit een breed welvaartsperspectief op de Miljoenennota (CPB/PBL/SCP, 2024) – een reflectie die ze afgelopen jaar helaas achterwege lieten, maar die ze onder het nieuwe kabinet weer zullen oppakken (CPB/PBL/SCP, 2025).
Dat beleidsinstrumentarium is echter nog in ontwikkeling. Zo betoogt Johanna Schild dat de waarde van natuur beter zichtbaar gemaakt moet en kan worden.
Effectiever beleid
Maar het is uiteindelijk vooral wachten tot de politiek inziet dat het ecologische fundament onder onze economie op barsten staat – en dat dat ons welvaart kost. Alleen overheidsregulering kan immers werkelijk het verschil kan maken voor het milieu, zo onderstreept Steven Poelhekke in dit dossier. Hans Stegeman vult aan dat duurzame bedrijven pas echt kunnen concurreren op het moment dat er een gelijk speelveld is waarbij vervuilers niet meer een deel van hun kosten kunnen afwentelen op anderen in de maatschappij.
Vooralsnog lijkt de politiek echter nog niet zo ver. In plaats van milieuschade te bestraffen, worden vervuilende sectoren als de landbouw, industrie en het vervoer nu juist vaak aanzienlijk gesteund van overheidswege, zo laten Camille Mehlbaum, Vinzenz Ziesemer en Julia van Rijn zien. Een deel van de overheidssubsidies is zelfs direct schadelijk voor de biodiversiteit, voegen Herman Vollebergh en Frits Bos toe.
Politici zullen de moed moeten hebben om in te gaan tegen de gevestigde economische belangen. Zolang vervuilen loont, en zelfs wordt gesubsidieerd, is effectief milieubeleid onbegonnen werk. Dat zien we bijvoorbeeld bij de stikstofimpasse: Christian Mulder laat zien dat het huidige beleid om vervuilers uit te kopen excessief duur is, en weinig oplevert. De prikkel om te blijven uitstoten is simpelweg te sterk.
Een manier om ondanks de gevestigde belangen effectief milieubeleid te voeren, is door de markt voor je te laten werken. Afke van Rijn, Erik Schmieman en Tim Hendriks betogen dat voorspelbaarheid hiervoor cruciaal is: als marktpartijen weten waar het beleid heen gaat en durven te investeren in duurzame technieken en processen, ontstaat er een groep duurzame koplopers met andere belangen dan de vervuilers. Om die groep te laten groeien, is het van belang dat beleid een lange horizon kent en weerstand biedt aan lobby’s voor afzwakking. Dat zal verhitte gesprekken opleveren met gevestigde vervuilers wier verdienmodel in de knel komt, maar het alternatief – een lagere welvaartsgroei (en steeds hetere zomers) – is nog minder aantrekkelijk.
Literatuur
CPB/PBL/SCP (2022) Verankering van brede welvaart in de begrotingssystematiek: Voortgangsrapportage van de drie gezamenlijke planbureaus. PBL Rapport, 4861.
CPB/PBL/SCP (2024) Reflectie brede welvaart: Prinsjesdag 2024. CPB/PBL/SCP, 17 september.
CPB/PBL/SCP (2025) Inzet brede welvaart voor 2025–2027. CPB/PBL/SCP Nieuwsbericht, 25 juni. Te vinden op www.pbl.nl.
Dasgupta, S., E.J.Z. Robinson, S. Shayegh et al. (2024) Heat stress and the labour force. Nature Reviews Earth & Environment, 5, 859–872.
Gavriilidis, K., D.R. Känzig, R. Raghavan en J.H. Stock (2026) The macroeconomic effects of climate policy uncertainty. NBER Working Paper, 34762.
Jansen, A., P. Bothe en R. Hoekstra (2025) Europa scoort op veel domeinen van welvaart beter dan Amerika. ESB, 110(4841), 24–27.
Meadows, D. (1972) Rapport van de club van Rome: De grenzen aan de groei. Utrecht: Het Spectrum.
Park, R.J., J. Goodman, M. Hurwitz en J. Smith (2020) Heat and learning. American Economic Journal: Economic Policy, 12(2), 306–339.
Planetary Boundaries Science (2025) Planetary Health Check 2025: A scientific assessment of the state of the planet. Potsdam Institute for Climate Impact Research. Te vinden op publications.pik-potsdam.de.
RIVM (2026) Voorlopige eerste schatting laat verhoogde sterfte zien tijdens hittegolf in juni. RIVM Nieuws, 2 juli.
Selderbeek, E., H. de Jonghe, P. Sie en M. Blankestijn (2026) Iedereen verliest door langdurige droogte – en het einde is nog niet in zicht. Het Financieele Dagblad, 8 augustus.
Stegeman, H., J. de Wilde en E. Hobma (2026) Hot summer economics: Economic effects of the hot European summer of 2026. Rapport Triodos Bank, 8 augustus.
Wennink, P. (2025) De route naar toekomstige welvaart: Een sterk Nederland in een relevant Europa. Rapport Wennink, december.
Wijst, T. van der, en A. van der Vooren (2021) Integrale benadering belangrijke voorwaarde voor succesvolle energietransitie. ESB, 106(4804), 582–585.
Auteur
Categorieën