Meer investeringen zijn nodig om de innovatiekloof met China en de VS te dichten en de productiviteitsgroei te stimuleren. Wat is er nodig om de drie procent R&D doelstelling te realiseren?
In het kort
- Het Nederlandse bedrijfsleven moet jaarlijks vijf miljard euro extra investeren om de drieprocentsdoelstelling te halen.
- Private R&D kan groeien door meer investeringen van bedrijven, nieuwe start-ups en een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
- Een samenhangende aanpak versnelt innovatie en versterkt de economische weerbaarheid.
Innovatie staat aan de basis van een weerbare en toekomstbestendige economie. In zijn invloedrijke rapport luidt Mario Draghi (2024) de noodklok over de toekomst van de Europese economie. Terwijl de productiviteit van de Verenigde Staten en China is gegroeid, lijkt de Europese productiviteitsgroei te stagneren. Op de lange termijn is onderzoek en de toepassing daarvan in het innovatieproces de belangrijkste bron van productiviteitsgroei, omdat het ons in staat stelt om meer te doen met minder (Bree et al., 2025). Daarnaast is het geopolitieke belang van onderzoek en innovatie toegenomen. Innovatieve bedrijven als ASML illustreren dit het beste: dankzij hoogwaardige technologische ontwikkeling hebben ze kritieke posities in internationale waardeketens vergaard (Pisa et al., 2024). Dat versterkt ook de geopolitieke relevantie van Nederland. Ten slotte worden innovaties breed gezien als een oplossing van tal van maatschappelijke problemen (Mazzucato, 2013; 2018).
De Nederlandse overheid richt zich bij de financiering van bedrijfsonderzoek en -innovatie in toenemende mate op transities en het versterken van strategische autonomie (Eveleens et al., 2024). Om innovatie-inspanningen op internationaal competitief niveau te brengen, hanteert Nederland de R&D-doelstelling van drie procent. Met deze ambitie, in 2002 vastgelegd in de Lissabon-strategie (Europese Commissie, 2002), streeft Nederland ernaar jaarlijks drie procent van het bbp te besteden aan onderzoek en ontwikkeling (R&D).
In dit artikel onderscheiden we drie paden om de noodzakelijke R&D-investeringen te stimuleren:doorhet verhogen van R&D-investeringen bij bestaande bedrijven, het bevorderen van de oprichting en doorgroei van (nieuwe) R&D-intensieve bedrijven, en het versterken van het vestigingsklimaat voor R&D-intensieve bedrijven. We illustreren de verschillende paden en geven aan de hand van drie illustratieve statistieken inzicht in de Nederlandse uitgangspositie.
Meer investeringen door bestaande bedrijven
Het eerste pad richt zich op het verhogen van de R&D-investeringen bij bestaande bedrijven. Ze zijn essentieel om de totale R&D structureel te laten groeien, zeker op korte termijn. Net als in andere landen is ook in Nederland een groot deel van de private R&D geconcentreerd bij een beperkt aantal gevestigde spelers (Kempen et al., 2025a). Juist bij deze groep kan een relatief kleine procentuele toename van hun R&D-uitgaven leiden tot een forse toename van de totale R&D-investeringen in Nederland. Bovendien vervullen ze een centrale positie binnen innovatie-ecosystemen. Dankzij hun bestaande kennis, infrastructuur en marktpositie kunnen ze relatief snel en effectief extra R&D-activiteiten opschalen en zo bijdragen aan het behalen van de drieprocentsdoelstelling.
R&D-investeringen komen zowel uit de publieke als de private sector. Nederlandse bedrijven investeren echter relatief weinig in R&D vergeleken met veel andere Europese landen. In 2021 (het meest recente jaar waarvoor gedetailleerde informatie op sectorniveau internationaal beschikbaar is) bedroeg de R&D-intensiteit van het Nederlandse bedrijfsleven 1,46 procent van het bbp. Hoewel dit boven het Europese gemiddelde ligt, blijft het aanzienlijk achter bij landen die voldoen aan de drieprocentsdoelstelling. De bijdrage van het bedrijfsleven in deze landen is gemiddeld maar liefst 2,53 procent. Ook sectoren met relatief veel R&D, zoals de Industrie, ICT en Zakelijke dienstverlening, hebben in Nederland relatief lage investeringen in R&D.
Om de Nederlandse doelstelling van drie procent te behalen, moet het bedrijfsleven ongeveer een derde meer investeren dan nu het geval is. In 2021 bedroegen de private R&D-investeringen 13 miljard euro. Op basis van de Lissabondoelstelling, die voorschrijft dat twee derde van de R&D-investeringen afkomstig zou moeten zijn van bedrijven (Europese Commissie, 2002), zouden bedrijven gezamenlijk echter minstens 17,8 miljard euro (twee procent van het bbp) moeten investeren. Dit betekent dat de R&D-investeringen van het bedrijfsleven met ongeveer 4,8 miljard euro moeten stijgen.
Ter illustratie, als we het verschil van 4,8 miljard euro naar rato van het huidige aandeel in de private R&D-uitgaven verdelen over de verschillende sectoren, dan blijkt dat de R&D-intensiteit in elke sector aanzienlijk omhoog moet (figuur 1). In 2021 investeerde de industrie 6,5 miljard euro in R&D. Om de drieprocentsdoelstelling te halen zou dit moeten stijgen naar ruim 8,8 miljard euro. Dit komt neer op een R&D-intensiteit van 9,27 procent, een toename van 2,49 procentpunt. Ook de sectoren Informatie en communicatie, en Zakelijke dienstverlening zouden substantieel moeten opschalen, met respectievelijk 650 miljoen en 850 miljoen euro aan extra R&D-uitgaven. Dit is een stijging van hun huidige R&D-intensiteit met respectievelijk 1,68 en 1,15 procentpunt. Zonder de komst van nieuwe R&D-bedrijven zullen bestaande bedrijven dus nog een flinke inspanning moeten leveren om dit investeringsgat te dichten. De berekende R&D-intensiteit van deze drie sectoren sluit daarmee aan bij het huidige gemiddelde van landen die de drieprocentsdoelstelling al hebben bereikt.

Ontstaan en doorgroei van nieuwe bedrijven
Het opzetten van nieuwe R&D-bedrijven vormt een tweede pad om de R&D-intensiteit te verhogen. Deze bedrijven dragen direct bij aan deze doelstelling door bovengemiddeld te investeren in R&D. Daar komt bovenop dat innovatieve start-ups en scale-ups een continue dreiging vormen voor de gevestigde orde. Dit concurrentie-effect kan andere bedrijven stimuleren om meer in R&D te investeren – al is er ook onderzoek dat aantoont dat de relatief minder innovatieve bedrijven afhaken en juist stoppen met R&D-investeringen (Aghion et al., 2023). Op deze manier kunnen nieuwe R&D-intensieve bedrijven ook indirect bijdragen aan een hogere R&D-intensiteit.
Om een indicatie te geven van de Nederlandse uitgangspositie op dit pad, gebruiken we het aantal spin-offs (oftewel bedrijven die zijn voortgekomen uit kennisinstellingen met als doel om wetenschappelijke inzichten te commercialiseren) als illustratieve maatstaf. We richten ons op spin-offs omdat het daarvan, gezien hun oorsprong binnen kennisinstellingen, aannemelijk is dat ze uitgroeien tot R&D-intensieve bedrijven. Voor deze analyse gebruiken we data van Dealroom (2025) over het aantal spin-offs, opgericht in 2019.
Figuur 2 toont het aantal spin-offs in Europese landen per miljoen inwoners in dat jaar. Landen zonder spin-offs in dat jaar zijn buiten beschouwing gelaten. Opvallend is dat Zwitserland, met bijna veertien spin-offs per miljoen inwoners, bovenaan staat. Deze hoge aantallen zijn onder meer toe te schrijven aan de hoog aangeschreven technische universiteit ETH Zürich. Daarnaast laat de figuur zien dat Nederland zeven Europese landen voor zich moet laten in termen van het relatieve aantal spin-offs. Hoewel deze illustratieve analyse niets zegt over de kwaliteit van de spin-offs, is de positie van Nederland op zijn minst opvallend. Uit data van de OESO (2025) blijkt namelijk dat Nederland in 2019 tot de wereldtop behoorde wat betreft het aandeel in de top tien-procent geciteerde wetenschappelijke publicaties. Deze wetenschappelijke excellentie lijkt zich niet direct te vertalen in een hoog aantal start-ups die de wetenschappelijke inzichten commercialiseren. Onderzoekers wijzen daarbij niet op een gebrek aan kwaliteit, maar op de manier waarop kennisoverdracht is geregeld: de financiering en de prikkels binnen universiteiten en onderzoeksinstellingen stimuleren de commerciële toepassing nog onvoldoende (Roland Berger, 2021).

Verbeteren van het vestigingsklimaat
De private uitgaven aan onderzoek kunnen ook verder worden aangejaagd door het verbeteren van het vestigingsklimaat, zodat buitenlandse R&D-intensieve ondernemingen zich hier willen vestigen. Merk hierbij op dat een goed vestigingsklimaat ook bijdraagt aan het behouden van belangrijke bestaande economische activiteiten en bijbehorende R&D die hier al plaatsvinden. Eerder onderzoek suggereert bijvoorbeeld dat door verhuizing van het hoofdkantoor de Nederlandse R&D-investeringen van een mkb-onderneming gemiddeld met 26 à 46 procent dalen (Sleijpen-Snoek et al., 2024).
Het gaat in deze context niet alleen om het binnenhalen van kennisontwikkeling die hier nog niet eerder plaatsvond, maar juist ook om de toepassing van die kennis, zodat additionele toegevoegde waarde wordt gecreëerd. De literatuur bevestigt ook dat de locatie van onderzoek door bedrijven en de daaruit voorkomende productie aan elkaar gerelateerd zijn (Europese Commissie, 2014).
In de praktijk zijn er in de context van dit derde pad dan drie strategieën om additionele structurele R&D binnen te halen uit het buitenland. Buitenlandse ondernemingen kunnen aangemoedigd worden om hun bestaande activiteiten over te hevelen naar Nederland – inclusief hoofdkantoren; om hun nieuwe activiteiten juist hier uit te voeren; en om bestaande economische activiteiten in Nederland over te nemen en uit te bereiden. Deze laatste strategie leidt terug naar het eerste pad.
Om te illustreren hoe Nederland presteert bij het aantrekken van R&D uit het buitenland nemen we als proxy de uitgaven aan R&D van bedrijven in Nederland die in buitenlandse handen zijn, als percentage van het bbp, en vergelijken deze met gelijksoortige investeringen in andere landen. De onderliggende dataset van Eurostat (2024) waarop figuur 3 na bewerking is gebaseerd, kent helaas maar een beperkte set van landen en omvat slechts een beperkt deel van de gehele economie van de selectie van landen, met 2021 als meest recente jaar.

Wat opvalt is dat de R&D-intensiteit van bedrijven in buitenlandse handen in de gerapporteerde landen relatief laag is in vergelijking met de totale en private uitgaven aan R&D – in Nederland bedragen deze respectievelijk 2,22 en 1,46 procent van het bbp in 2021. De rangschikking van de landen op basis van deze intensiteit komt wel ongeveer overeen met die op basis van hun totale en private R&D-intensiteit. Het is echter onduidelijk wat het verschil in hoogte van de intensiteit van dit soort bedrijven in de verschillende landen verklaart – en dat nemen we dan ook als een gegeven.
Figuur 3 toont dat er geen ontwikkeling zit in de R&D-intensiteit van bedrijven in Nederland die in buitenlandse handen zijn: hun uitgaven zijn meegegroeid met het bbp. Landen die we beschouwen als achterblijvers als het gaat over innovatiecapaciteit, zoals Spanje, Italië en Frankrijk, komen dichterbij; en koplopers als Oostenrijk en Finland lopen langzaam verder uit. Dit suggereert dat er voor Nederland ruimte is voor verbetering – en dat is lastig nu de aantrekkelijkheid van het Nederlandse ondernemingsklimaat lijkt af te nemen. Bedrijven beoordelen dit steeds lager: van 6,7 in 2022 en 6,4 in 2023 naar een 6,0 in 2024 op een schaal van 1 tot 10 in de Monitor Ondernemingsklimaat (SEO, 2024).
Tot besluit
Uit onze analyse blijkt dat er binnen elk pad nog aanzienlijke ruimte voor verbetering is. Dit benadrukt de cruciale rol van de overheid in het stimuleren van R&D-investeringen. Een evenwichtige inzet op de drie paden is daarbij essentieel, omdat de paden elkaar aanvullen en niet onderling inwisselbaar zijn: terwijl de R&D van bestaande bedrijven vooral bijdraagt aan incrementele innovatie, zijn nieuwe R&D-intensieve bedrijven belangrijk voor radicale vernieuwing (Akcigit en Kerr, 2018). De aanwas van nieuwe R&D-intensieve bedrijven is bovendien wenselijk vanuit een economisch weerbaarheidsperspectief. De huidige afhankelijkheid van een beperkt aantal grote R&D-bedrijven – zoals ASML dat goed is voor zeventien procent van de private R&D (Kempen et al., 2025a) – brengt risico’s met zich mee, zoals het voorbeeld van Nokia in Finland illustreert. Bovendien onderstreept dit het belang van het behoud van bestaande R&D-intensieve bedrijven. Het vertrek van grote R&D-bedrijven uit Nederland kan een grote impact hebben op onze R&D-intensiteit en het is onwaarschijnlijk dat dit verlies snel kan worden gecompenseerd. Het eerdere vertrek van de hoofdzetels van multinationals als DSM, Shell en Unilever illustreert dat dit risico reëel is (Sleijpen-Snoek et al., 2024).
De recente Kamerbrief over het drieprocents-R&D-actieplan (Tweede Kamer, 2025) besteedt aandacht aan de verschillende paden en vormt daarmee een belangrijke stap richting een effectiever en toekomstbestendig onderzoeks- en innovatiebeleid. Concrete voorstellen, zoals de verkenning van een agentschap voor disruptieve innovatie, het beter benutten van wetenschappelijke kennis en een taskforce die barrières voor opschaling van R&D-activiteiten wegneemt, kunnen de Nederlandse prestaties op alle drie de paden versterken. Tegelijkertijd blijft consistent beleid essentieel voor het realiseren van de drieprocentsdoelstelling. Structurele publieke financiering van onderzoek en innovatie, gecombineerd met heldere spelregels, biedt bedrijven de benodigde zekerheid en stimuleert daarmee private R&D-investeringen (Kempen et al., 2025b). Dat vraagt om een overheid die het innovatiebeleid niet na iedere kabinetswisseling over een andere boeg gooit, maar voortbouwt op bestaand beleid en dit gericht versterkt.

Literatuur
Aghion, P., C. Antonin en S. Bunel (2021) The power of creative destruction: Economic upheaval and the wealth of nations. Cambridge, MA: Harvard University Press.
Akcigit, U. en W.R. Kerr (2018) Growth through heterogeneous innovations. Journal of Political Economy, 126(4), 1374–1443.
Bree, T. van, J. Vierhout en G. Geuskens (2025) Arbeidsproductiviteit vitaal voor verdienvermogen: Oplossingen voor achterblijvende groei. TNO Whitepaper in het kader van ‘De Staat van Nederland innovatieland 2024’.
Dealroom (2025) Spinout company rounds with founding or HQ locations in Europe.
Draghi, M. (2024) The future of European competitiveness. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.
Dunning, J.H. en S.M. Lundan (2008) Multinational enterprises and the global economy. Cheltenham: Edward Elgar Publishing.
Europese Commissie (2002) More research for Europe: Towards 3% of GDP. COM/2002/0499 final.
Europese Commissie (2014) Study on the relationship between the localisation of production, R&D and innovation activities. EC DG Enterprise and Industry, ENTR/90/PP/2011/FC. Te vinden op op.europa.eu.
Eurostat (2024) Intra-mural business enterprise R&D expenditures in foreign controlled enterprises, 2 december. Te vinden op ec.europa.eu.
Eveleens, C., J.J. Vogelaar, en V. Baarslag (2024). Actievere overheidsrol in financiering private innovatie creëert nieuwe uitdagingen. ESB, 109(4837S), 91–95.
Kempen, J. van, M. de Heide en C. Jorna (2025a) Nederlandse R&D steeds sterker geconcentreerd bij enkele bedrijven. Kort/Statistiek op esb.nu, 12 februari.
Kempen, J. van, C. van Oosteren en T. van Bree (2025b) Consistent innovatiebeleid leidt tot meer private R&D. ESB, 110(4843), 118–121.
Mazzucato, M. (2013) The entrepreneurial state: Debunking public vs. private sector myths. Londen: Anthem Press.
Mazzucato, M. (2018) Mission-oriented innovation policies: challenges and opportunities. Industrial and Corporate Change, 27(5), 803–815.
OESO (2025) StatPlanet: Percentage of scientific publications among the world’s 10% top-cited publications. Te vinden op stip.oecd.org.
Pisa, D., J. Vierhout, A. Geurts en T. van Bree (2024) Grip op control points. TNO 2024 R11817.
Ridder, M. de (2024) R&D-investeringen jagen groei productiviteit niet altijd aan. ESB, 109(4837S), 100–103.
Roland Berger (2021) Valorisatie ontketend: Van technologietransfer naar samen innoveren. Roland Berger Rapport, 16 november.
SEO (2024) Monitor ondernemingsklimaat 2024: Tweede meting en doorontwikkeling. SEO Rapport, 2024-150.
Sleijpen-Snoek, S., G. de Jong en O. Lemmers (2024) Multinationals, internationaal zeggenschap en research & development: De impact van het vertrek en de komst van hoofdzetels uit en naar Nederland. Ministerie van Economische Zaken Rapport, 15 oktober. Te vinden op www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl.
Tweede Kamer (2025) Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het 3%-R&D-actieplan. Kamerbrief Ministerie van Economische Zaken, DGBI-I&K / 99497318.
Auteurs
Categorieën