Het eigen risico is al jaren een politiek en economisch twistpunt. Het vorige kabinet wilde het halveren, terwijl het huidige kabinet het juist wil verhogen. In de politieke discussie wordt het eigen risico vaak gezien als een instrument voor herverdeling en financiering. Het kabinet beschouwt het eigen risico vooral als een manier om de zorguitgaven te financieren en stelt dat het bijdraagt aan lagere zorgpremies (Coalitieakkoord, 2026; Rijksoverheid, 2026). En de politiek discussieert vooral over de verdeling van de lasten en de gevolgen voor solidariteit tussen gezonde en zieke verzekerden. Hierdoor raakt steeds verder uit beeld dat vanuit welvaartseconomisch perspectief het eigen risico vooral dient om ondoelmatig zorggebruik te beperken.
Voorstanders zien het eigen risico als een noodzakelijke prijsprikkel om zorggebruik te beteugelen en burgers bewust te maken van de kosten. De klassieke micro-economische logica stelt dat een hogere prijs niet alleen leidt tot minder zorggebruik, maar ook tot meer doelmatigheid omdat mensen niet-passende zorg gaan mijden op basis van de prijs.
Die doelmatigheid is met de huidige vormgeving echter ver te zoeken. Het eigen risico werkt immers alleen wanneer mensen kunnen bepalen welke zorg voor hen waardevol is en of ze deze kunnen betalen. Beide zijn niet altijd het geval. De maatschappelijke discussie over het eigen risico zou daarom vooral moeten gaan over de vraag onder welke voorwaarden het eigen risico een nuttig instrument is, en onder welke niet.
Zorgmijding kan kosten opjagen
Zelfs het internationaal gezien relatief lage huidige Nederlandse eigen risico (385 euro) blijkt voor sommige groepen een onoverkomelijke drempel. Het CPB (2026) constateert dat financieel kwetsbare huishoudens bij een vergelijkbare gezondheid minder zorg gebruiken dan huishoudens met hogere inkomens. Zeven tot negen procent van de verzekerden geeft aan noodzakelijke zorg uit te stellen of te mijden vanwege het eigen risico, vooral mensen met lage inkomens en chronische aandoeningen (Nivel, 2026).
Uit de gedragseconomie weten we dat mensen gevoelig kunnen zijn voor relatief kleine financiële prikkels en toekomstige gezondheid onvoldoende meewegen. Amerikaanse studies laten bijvoorbeeld zien dat beperkte eigen betalingen ertoe kunnen leiden dat patiënten afzien van noodzakelijke medicatie (Karter et al., 2018; Chandra et al., 2024).
Voor mensen die al financiële problemen hebben, is een extra rekening bovendien niet zomaar een prijsprikkel. Schulden en financiële stress kunnen de ruimte om rationele keuzes te maken juist verder beperken. Een fictief voorbeeld illustreert dit: stel dat een zzp’er met een laag inkomen en diabetes type 2 vanwege een verhoging van het eigen risico de kosten voor specialistische zorg en medicatie niet direct kan betalen. Hij besluit daarom een aantal van de periodieke controles bij de arts over te slaan en minder insuline te gebruiken. Dat zorgt voor een financiële besparing op de korte termijn, maar op de langere termijn, die de zzp-er niet goed kan overzien, mogelijk tot complicaties en inkomensverlies, met maatschappelijke kosten zoals duurdere spoedzorg, arbeidsongeschiktheid en dure dialyse als gevolg.
Wanneer de geplande verhoging van het eigen risico leidt tot het mijden van waardevolle zorg is het dus niet vanzelfsprekend dat het tot kostenbesparing leidt. Dit zet het argument van de maatregel als bezuiniging onder druk. Het CPB becijfert voor 2027 613 miljoen euro aan minder zorggebruik en 437 miljoen aan verschuiving van zorgkosten van de overheid naar patiënten (Wetgevingskalender Overheid, 2026). Wat zo’n jaarlijkse overheidsbesparing van ruim een miljard euro op langere termijn betekent voor gezondheid en zorgkosten is veel minder duidelijk. Uitgestelde noodzakelijke zorg verdwijnt immers niet altijd, maar kan later terugkeren in een ernstigere vorm. Wie bijvoorbeeld afziet van bloeddrukmedicatie, kan uiteindelijk intensievere en duurdere zorg nodig hebben.
Onderzoek laat bovendien zien dat het eigen risico voor specifieke groepen nadelige gevolgen kan hebben. Zo leidde een eigen betaling van maximaal 200 euro in de tweedelijns-ggz, ingevoerd onder het kabinet-Rutte I, weliswaar tot minder ggz-gebruik, maar ook tot meer gebruik en hogere kosten van zwaardere zorg bij bepaalde patiëntgroepen (Ravesteijn et al., 2017). Dat kan op langere termijn ook maatschappelijke kosten opleveren, bijvoorbeeld door ziekteverzuim en een hogere instroom in de WIA.
Zet de prijsprikkel op de juiste plek
Het eigen risico is dus lang niet altijd gewenst, en ook niet altijd nodig: het Nederlandse zorgstelsel beschikt al over een krachtige niet-financiële prikkel voor noodzakelijke zorg: de huisarts als poortwachter. Voor veel specialistische zorg is immers een verwijzing nodig van de huisarts. Dat mechanisme sluit beter aan bij de informatie-asymmetrie in de zorg: de arts kan doorgaans beter beoordelen welke behandeling nodig is dan de patiënt.
Het eigen risico legt de financiële prikkel daarentegen bij de patiënt, terwijl die vaak weinig invloed heeft op het zorggebruik – zeker als het gaat om noodzakelijke zorg. Een zorgverzekering met een gedifferentieerd eigen risico sluit daarom beter aan bij de manier waarop zorggebruik in de praktijk tot stand komt (Baicker, 2021). Medisch noodzakelijke en moeilijk beïnvloedbare zorg, zoals chronische zorg en noodzakelijke geneesmiddelen, zou zo veel mogelijk buiten het eigen risico kunnen vallen.
Voor electieve en planbare zorg, waarbij patiënten meer keuzeruimte hebben en zich beter kunnen informeren, kan een eigen risico juist wel passend zijn. Denk bijvoorbeeld aan een knie- of heupprothese waarbij patiënten ziekenhuizen kunnen vergelijken op basis van wachttijden, herstelprotocollen en ervaring van de chirurg.
Differentiatie naar zorgtype is ingewikkelder dan het huidige systeem, maar dat is geen doorslaggevend argument om een economisch bot instrument te handhaven.
Naast een gedifferentieerd eigen risico vraagt ondoelmatig zorggebruik echter ook om een andere bekostigingsstructuur. Juist de zorgaanbieders hebben prikkels om ondoelmatige zorg te verlenen omdat ze veelal worden beloond op basis van productie. Zo kan er aanbodgestuurde vraag ontstaan. Wanneer de vraag grotendeels door zorgaanbieders wordt bepaald, moeten financiële prikkels daar worden aangepast. In de afgelopen jaren zijn verschillende bekostigingsvormen de revue gepasseerd waarin de prikkels anders worden gelegd dan in de huidige volumegestuurde zorg. Zo ontvangen zorgaanbieders bij populatiebekostiging een vast bedrag per inwoner of verzekerde in een bepaalde regio, in plaats van een vergoeding per verrichting. Bij waardegestuurde zorg is de betaling gekoppeld aan kwaliteit van zorg en gezondheidsuitkomsten, in plaats van aan het aantal behandelingen of verrichtingen. Bij ‘shared savings’ spreken zorgverleners en verzekeraars vooraf een doelbudget af en delen eventuele besparingen die ontstaan door doelmatiger werken en preventie. Deze instrumenten stimuleren idealiter passende zorg zonder de toegang voor patiënten te belemmeren.
Tot besluit
Het eigen risico is gebaseerd op een economische logica die alleen overtuigt wanneer mensen zelf kunnen bepalen welke zorg zij nodig hebben en welke zorg weinig waarde toevoegt. Voor een belangrijk deel ontbreekt die voorwaarde in de huidige praktijk. De patiënt is geen soevereine consument die vrijelijk tussen zorgproducten kiest, maar vaak afhankelijk van professionele beoordeling en medische noodzaak. Een financiële prikkel kan daarom bij noodzakelijke zorg leiden tot zorgmijding, gezondheidsverlies en hogere maatschappelijke kosten, met name voor mensen met lage inkomens.
De vraag is niet óf financiële prikkels een plaats hebben in de zorg, maar waar ze het meest effectief kunnen worden ingezet. Een toekomstbestendig zorgstelsel vraagt om differentiatie van het eigen risico naar het type zorg, sterkere doelmatigheidsprikkels aan de aanbodzijde en maximale toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg. Het eigen risico is dus geen doel op zich: het is alleen zinvol waar de patiënt daadwerkelijk als een soevereine consument kan handelen.
Literatuur
Baicker, K. (2021) Rethinking health insurance design. JAMA Health Forum, 2(5), e211440.
Chandra, A., E. Flack en Z. Obermeyer (2024) The health costs of cost sharing. The Quarterly Journal of Economics, 139(4), 2037–2082.
Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitieakkoord 2026–2030, D66, VVD en CDA, 30 januari.
CPB (2026) Weinig te besteden, minder zorg? CPB Publicatie, mei.
Karter, A.J., M.M. Parker, M.D. Solomon et al. (2018) Effect of out-of-pocket cost on medication initiation, adherence, and persistence among patients with type 2 diabetes: The Diabetes Study of Northern California (DISTANCE). Health Services Research, 53(2), 1227–1247.
Nivel (2026) Hoe kijken verzekerden naar een mogelijk verhoogd eigen risico? Nivel Publicatie, 11 mei.
Ravesteijn, B., E.B. Schachar, A.T.F. Beekman et al. (2017) Association of cost sharing with mental health care use, involuntary commitment, and acute care. JAMA Psychiatry, 74(9), 932–939.
Rijksoverheid (2026) Letterlijke tekst persconferentie na ministerraad 17 april 2026. Tekst te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Wetgevingskalender Overheid (2026) Wetsvoorstel tot verhoging van het verplicht eigen risico Zvw per 2027 te verhogen. Wetgevingskalender Overheid, 28 april
Auteurs
Categorieën