Ga direct naar de content

Dierenwelzijn verdient een plek in de economische wetenschap

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 19 2026

Dieren spelen een zeer beperkte rol in de economische wetenschap. Zo levert een zoekopdracht op ‘dierenwelzijn’ bij ESB in de afgelopen 5 jaar maar 6 resultaten op, waarin dierenwelzijn (op 1 artikel na) ook nog enkel zijdelings wordt behandeld. Dit terwijl de keuzes van mensen grote invloed hebben op dieren: alleen al in Nederland worden er jaarlijks meer dan 500 miljoen landdieren geslacht voor menselijke consumptie (CBS, 2026). Het aantal gedode vissen ligt naar schatting nog vele malen hoger (Fishcount, 2025). Wereldwijd gaat het zelfs om honderden miljarden dieren per jaar (Roser, 2023). Veel van deze dieren leven in kleine ruimtes of kooien en ervaren problemen als botbreuken, pootproblemen, ontstekingen en wonden. Deze omstandigheden leiden bovendien tot gedragsproblemen als verenpikken bij kippen en staartbijten bij varkens (Dierenbescherming, 2026; EFSA AHAW Panel, 2022; 2023a; 2023b).

De belangstelling van economen in dierenwelzijn wil Nicolas Treich (2025) met zijn boek Animal Economics vergroten. Dit economische tekstboek dient als introductie voor het vakgebied animal welfare economics. Het hoofddoel van het boek is om handvatten te bieden aan economen om rekening te houden met dierenwelzijn. Daarbij maakt Treich gebruik van de standaard kaders vanuit de economische wetenschap en in het bijzonder vanuit de welvaartseconomie. In het vervolg van deze boekbespreking gebruik ik dan ook ‘dierenwelvaart’ als vertaling van ‘animal welfare’.

Dierenwelvaart ‘voor de mensen’

Eén manier om dierenwelvaart mee te nemen is vanuit de gedachte dat (sommige) mensen om dieren geven. Treich noemt dit de indirecte methode. Hij formuleert hiervoor een model waarbij de nutsfunctie van een individu ook afhangt van de nutsfuncties van alle dieren. Omdat een consument alleen invloed heeft op de dieren die hij zelf consumeert, kan dierenwelvaart worden opgevat als een publiek goed: een verhoging van dierenwelvaart is positief voor iedereen die om dieren geeft. Bij hun consumptiekeuzes houden consumenten echter geen rekening met dit bredere maatschappelijke voordeel. Door dit positieve externe effect valt het niveau van dierenwelvaart lager uit dan maatschappelijk optimaal is.

Dit nutsmodel gebruikt Treich ook om de “vote-buy gap” te onderzoeken: mensen maken in hun stemgedrag diervriendelijkere keuzes dan ze als consument doen. Zo stemde in Californië een meerderheid van de kiezers voor een verbod op kleine kooien voor leghennen, terwijl 90 tot 95 procent van de aangekochte eieren op dat moment kwam van kippen levend in deze omstandigheden. Treichs model verklaart deze discrepantie uit het gegeven dat mensen als consument enkel invloed hebben op de dieren die ze zelf consumeren, terwijl ze als kiezer op alle dieren invloed hebben. Hierdoor maken ze als kiezer diervriendelijkere keuzes dan als consument.

Daarnaast laat Treich op basis van literatuur zien dat mensen de levenskwaliteit van dieren in de veehouderij systematisch overschatten. Dit maakt dierenwelvaart een meritgoed: mensen waarderen dierenwelvaart maar consumeren er desondanks te weinig van, in dit geval vanwege hun eigen misvattingen.

Essentieel is dat uit deze inzichten blijkt dat marktuitkomsten de voorkeuren van mensen niet volledig reflecteren, wat overheidsingrijpen rechtvaardigt. Daardoor is het ook niet juist om de betalingsbereidheid voor dierenwelvaart op basis van marktuitkomsten te bepalen.

Dierenwelvaart ‘voor de dieren’

Treich stelt dat we ook direct met dierenwelzijn rekening kunnen houden. Er is immers overweldigend bewijs dat dieren emoties als plezier, pijn en angst kunnen ervaren. Dat betekent ook dat dieren verschillende staten van welvaart kunnen hebben, die worden beïnvloed door de keuzes van mensen. Zou die welvaart niet direct moeten worden meegenomen in de sociale welvaartsfunctie, nog los van hoe mensen deze waarderen? Dat zou een fundamentele verandering in de economische wetenschap inhouden, die tot dusver altijd een antropocentrische focus had.

Theoretisch is de keuze voor het direct rekening houden met dierenwelzijn goed te onderbouwen, maar de praktische toepassing ervan brengt verschillende complicaties met zich mee. Hoe bepalen we bijvoorbeeld het nut dat een dier(soort) ervaart? En als we dat hebben bepaald, hoe kwantificeren we dit dan zo dat het te vergelijken is met het nut van andere diersoorten (waaronder mensen)?

De gebruikelijke methodes om welvaartseffecten bij mensen te meten, zijn moeilijk op dieren toe te passen. Dieren kunnen niet worden gevraagd naar hun voorkeuren. En dieren gebruiken geen geld om goederen en diensten te ruilen. In theorie is het wel mogelijk om de daadwerkelijke keuzes van dieren te observeren en hieruit de voorkeuren te deduceren. Dit idee stelde ook Van Damme (2015) meer dan tien jaar geleden in ESB voor. Deze methode heeft echter informatie nodig over de keuzes van dieren, die op dit moment niet beschikbaar is. Bovendien is het de vraag in hoeverre dieren de volledige consequenties van hun keuzes kunnen overzien.

In plaats daarvan stelt Treich voor om het nut van een dier te kwantificeren met het “five freedoms framework”. Hierbij wordt gekeken naar de vrijheid van honger, angst, ziekte, ongemak en de vrijheid om normaal gedrag te vertonen. Op deze gebieden is 1 de waarde van optimale welvaart en 0 de ‘neutrale’ waarde, waar het leven het nét waard is om te leven. Dit betekent dat een extra dierenleven positief is voor de maatschappij wanneer dat leven het waard is om te leven. Een mogelijke kanttekening bij deze benadering is dat deze vreemde ethische implicaties kan hebben. Is het fokken van kuikens die nog dezelfde dag worden gedood bijvoorbeeld echt welvaartsverhogend zolang die kuikens maar goed genoeg worden behandeld?

Tot slot doet Treich voorstellen om de sociale welvaart van dieren te berekenen. Zo gebruikt hij het aantal neuronen in de voorhersenen als indicator voor hoe goed of slecht de ervaringen van een diersoort kunnen zijn (het nutspotentieel). Daardoor heeft een dierenleven in volle welvaart een grotere impact op de sociale welvaart als dat dier een hoger nutspotentieel heeft. Dierenwelvaart kan vervolgens worden gemonetariseerd door de betalingsbereidheid voor een Quality-Adjusted Life Year van mensen te gebruiken en te converteren met dit nutspotentieel. Ten slotte kan in de sociale welvaartsfunctie nog een gewicht worden toegekend aan elke diersoort, zoals er ook welvaartsgewichten kunnen worden gebruikt voor verschillende (groepen) mensen.

Conclusie

In het boek behandelt Treich nog veel meer onderwerpen, die hier niet allemaal kunnen worden besproken. Zo maakt hij zijstappen naar onder andere de welvaart van wilde dieren en huisdieren, de moraliteit van markten, en psychologische inzichten over de relaties tussen mensen en dieren. Daarmee biedt Animal Economics een uitstekend overzicht van waar het vakgebied animal welfare economics staat. Het vormt dan ook een zeer nuttig startpunt voor iedereen die geïnteresseerd is in dierenwelzijn en de vraag hoe we als economen met dierenwelzijn rekening kunnen houden.

Auteur

Categorieën

Plaats een reactie