Sinds de decentralisatie van het sociaal domein in 2015 hebben gemeenten er veel nieuwe taken bij gekregen, waaronder de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Gemeenten zijn hierbij verantwoordelijk geworden voor ondersteuning die inwoners in staat stelt zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen en deel te nemen aan de samenleving, bijvoorbeeld met hulp in huis, begeleiding of woningaanpassingen. Voor veel gemeenten leiden Wmo-taken tot financiële kopzorgen en ze zijn daarom voortdurend op zoek naar manieren om uitgaven te beheersen. Steeds vaker zoeken gemeenten daarbij de randen op van wat juridisch toelaatbaar is, of gaan daar zelfs overheen. Dat bespaart misschien geld op de korte termijn, maar holt ook de rechtsbescherming uit.

De verwachtingen van de decentralisatie waren hooggespannen. Nabijheid, integraliteit en dejuridisering zouden ruimte geven aan ‘maatwerk’. De keukentafel werd hierbij de beleidsmetafoor voor gelijkwaardig en persoonlijk contact tussen burger en overheid waarbij er alleen maar winnaars zouden zijn. Gemeenten kregen beleidsruimte om lokaal maatwerk te bieden, afgestemd op de couleur locale en ze zouden vernieuwend kunnen werken zonder al te veel bemoeienis vanuit Den Haag. Professionals zouden meer discretionaire ruimte krijgen om daadwerkelijk te doen wat nodig is. De burger zou op de persoonlijke noden en behoeften afgestemde ondersteuning krijgen. En dat alles voor aanzienlijk minder geld, omdat we meer voor elkaar zorgen en meer de eigen kracht activeren.
Maar in de praktijk leveren de keukentafelgesprekken weinig van de beloofde voordelen. Gemeentelijk beleid laat vaak nauwelijks ruimte voor een open gesprek aan de keukentafel tussen professional en burger, maar stuurt op het maximaal benutten van eigen kracht van de burger. Opvallend is dat dat vaak leidt tot nieuwe regeldruk die haaks staat op het idee van de open norm van maatwerk (Dorbeck-Jung en Oude Vrielink-van Heffen, 2006; Westerman, 2006; Timmer, 2011). Die regeldruk uit zich bijvoorbeeld in de vorm van vragenlijsten die systematisch alle leefdomeinen langslopen.
Bovendien ervaren burgers het gesprek als een ‘black box’: omdat de wet niet langer uitgaat van vastomlijnde voorzieningen, maar van maatwerk dat in samenspraak bepaald wordt, weten zij op voorhand niet op welke ondersteuning zij kunnen rekenen. De rechtsbescherming na het keukentafelgesprek is evenmin gegarandeerd. Na het gesprek volgt namelijk niet automatisch een formeel besluit over de toegekende hulp. Gemeenten noemen dit ‘beschikkingsvrij werken’ als vorm van dejuridisering (Divosa, 2024; Enneking et al., 2025). Als de burger niet expliciet om een besluit vraagt, kan hij juridisch niets beginnen wanneer hij het niet eens is met de geboden ondersteuning.
Wanneer burgers tóch de stap naar de rechter zetten, krijgen zij vaak gelijk – niet omdat de rechter oordeelt dat zij recht hebben op een bepaalde voorziening, maar omdat gemeenten het onderzoek niet zorgvuldig deden (Linthorst, 2022). Maatwerk vereist immers een grondige beoordeling van de persoonlijke situatie. De rechter moest geregeld gemeenten corrigeren, tot zichtbaar chagrijn van gemeenten die dat als een hinderlijke sta-in-de-weg ervaren (Linthorst en Oldenhof, 2021) en soms zelfs de uitspraken van de rechter menen te kunnen negeren. Zo belegt de gemeente Hollands Kroon de besluitvorming over en uitvoering van ondersteuning bij dezelfde organisatie, ook nadat de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter, expliciet oordeelde dat bij zo’n vermenging van bevoegdheden onvoldoende waarborgen bestaan voor een zorgvuldige besluitvorming (uitspraak ECLI:NL:CRVB:2024:1096).
Gemeenten lijken een kosten-batenanalyse te maken om te bepalen of vasthouden aan beleid loont, ondanks dat de rechter dit beleid in strijd met de wet acht. Dat zagen we ook bij het resultaatgericht beschikken: in plaats van een beschikking af te geven in uren huishoudelijke hulp, werd er een resultaat geformuleerd zoals ‘een schoon en leefbaar huis’. Dit is volgens de rechter een te vage juridische omschrijving die de burger in het ongewisse laat over de feitelijke hulp en daarmee in strijd is met de rechtszekerheid. Sommige gemeenten gingen desondanks door met deze wijze van beschikken vanwege de kosten en organisatorische lasten van een terugkeer naar het indiceren in uren. Alleen bij bezwaar wordt dan alsnog in uren beschikt, wat vaak tot meer ondersteuning leidt. Dit werkt ongelijkheid in de hand: de (grote) groep die niet in bezwaar gaat, wordt behandeld conform beleid waarvan men weet dat het de rechterlijke toets niet doorstaat.
Rechtsbescherming is zo geen waarde op zichzelf meer, maar slechts één van de factoren in een bestuurlijke kosten-batenafweging. Die marginalisering van rechtsstatelijke waarden schaadt het vertrouwen in de overheid.
Literatuur
Divosa (2024) VWS: beschikkingsvrij werken jeugdhulp in strijd met Algemene wet bestuursrecht. Divosa Nieuwsbericht, 22 februari.
Dorbeck-Jung, B. en M. Oude Vrielink-van Heffen (2006) Conclusies: Lessen over bruikbare overheidsregulering. Recht der Werkelijkheid (themanummer: Op weg naar bruikbare regulering?), 2006, 177–182. Te vinden op bib.kuleuven.be.
Enneking, K. (2025) Kritiek op Hollands Kroon: ‘ondermijnt gezag rechtsstaat’. Binnenlands Bestuur, 18 december.
Linthorst, E. (2022) Over het toetsen van maatwerk: een systematische jurisprudentieanalyse van de Wmo 2015. De Gemeentestem, 2022(7543), 348–356.
Linthorst, E.M. en L. Oldenhof (2021) Als wetgeving niet zwart of wit is, maar grijs: Strategieën van professionals en burgers om met ambiguïteit in de Wmo 2015 om te gaan. Recht der Werkelijkheid, 42(2), 100–123.
Timmer, W.W. (2011) Het doel wel gesteld: Een praktijkonderzoek naar de toepassing van doelregelgeving. Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
Westerman, P. (2006) De onmogelijkheid van deregulering. Nederlands Juristenblad, 2006-81(3), 132–137.
Auteur
Categorieën