Op papier was de Nederlandse zorg goed voorbereid op een pandemie, en toch liep alles net anders tijdens de coronacrisis. Welke lessen kunnen we daaruit trekken over weerbaarheid?
In het kort
- Samenwerking in de zorg is cruciaal maar nog onvoldoende geborgd.
- Weerbaarheid moet gericht zijn op meervoudige crises en vereist flexibiliteit.
- In plaats van te focussen op centrale besluitvorming moet de relatie met de werkvloer centraal staan.
Wie werkt aan de toekomst van de zorg, komt weerbaarheid steeds weer tegen. Geopolitieke spanningen, een dreigende oorlog, cyberattacks – de gevaren waartegen de zorg weerbaar moet worden gemaakt stapelen zich op (NVZ, 2026). Vertegenwoordigers van het Ministerie van Defensie maken overuren met waarschuwende presentaties voor zorgactoren: de zorg moet zich voorbereiden op een grote instroom van gewonden, moet weerbaar worden tegen langdurige stroomuitval en een wegvallend internet (Tweede Kamer, 2025).
Die waarschuwingen komen boven op een al overspannen zorgveld. Een alsmaar stijgende zorgvraag wordt steeds lastiger op te vangen en zal, als we de voorspellingen mogen geloven, alleen maar toenemen (WRR, 2021). En dan hebben we het nog niet over milieu-gerelateerde risico’s zoals hittestress, overstromingen en pandemieën (Jakobsdóttir en Haines, 2026). Voor wie de verhalen bij elkaar optelt, lijken de uitdagingen schier onmogelijk het hoofd te bieden.
Deze zorgen moeten hun plek krijgen in de risicoanalyses en -plannen die zorginstellingen, regionale verbanden zoals de regio’s Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ), Veiligheidsregio’s en hun landelijke counterparts maken om de zorg weerbaar te maken. Maar hoe doe je dat precies?
In dit artikel kijk ik terug op de lessen die we hebben geleerd tijdens de coronapandemie. Hoe veerkrachtig bleek de Nederlandse gezondheidszorg toen? En welke mechanismen speelden een rol in die veerkracht? Ik baseer me daarbij vooral op ons etnografisch onderzoek tijdens de pandemie, waarbij we over een periode van ruim twee jaar de (regionale) organisatie van zorg van binnenuit hebben gevolgd (De Graaff et al., 2022; 2025).
Hoewel deze reflecties beperkt zijn tot de curatieve en langdurige gezondheidszorg, moge het evident zijn dat deze reflecties ook relevant zijn voor andere sectoren. Dat betreft in de eerste plaats de publieke gezondheidszorg, maar zeker ook het bedrijfsleven, de energie- en logistieke sector.
Conceptuele verwarring
Er heerst nogal eens conceptuele verwarring over begrippen als weerbaarheid, veerkracht, paraatheid, aanpassingsvermogen, die bovendien vaak door elkaar worden gebruikt. Grofweg gaat het steeds om drie processen. Het eerste gaat over de mate waarin een systeem (de zorg, een land, de economie) is voorbereid op risico’s: zijn er voldoende werknemers, is de productiecapaciteit op orde, en geldt dat ook voor de informatie-infrastructuur en de besluitvormingsstructuur? Het gaat dan om de mate waarin structuren van monitoring, besluitvorming en reactie-capaciteit zodanig zijn ingericht dat een onverwachte gebeurtenis kan worden opgevangen.
Het tweede gaat over de vraag in welke mate het systeem in staat is flexibel te reageren op onverwachte gebeurtenissen. We kunnen ons immers niet op alles voorbereiden en de volgende ramp zal er zeker anders uitzien dan de vorige. In discussies over ‘paraatheid’ en ‘veerkracht’ lopen deze begrippen nogal eens door elkaar. En natuurlijk hebben ze met elkaar te maken; volledig vertrouwen op veerkracht is onverstandig omdat het afhankelijk is van beschikbare middelen en zelf ook voorbereiding vraagt; volledig vertrouwen op paraatheid is schier onmogelijk in het licht van de vele en onvoorspelbare dreigingen.
Het derde proces gaat over de begripsverwarring die nog wordt vergroot doordat er zo veel verschillende disciplinaire perspectieven op veerkracht zijn. In een review (Copeland et al., 2023) hebben wij laten zie dat de literatuur gedomineerd wordt door een ingenieursperspectief waarin veerkracht wordt gezien als het vermogen van een systeem om ‘terug te veren’ na een schok en waarin een aspect als robuustheid wordt benadrukt, terwijl aanpassing, leren en transformatie over het hoofd worden gezien. Deze termen komen wel veel terug in de literatuur vanuit een sociaal-ecologisch, gemeenschaps- of organisatie-perspectief. Hierin wordt de zorg gezien als een complex adaptief systeem waarin invloeden van buiten onvoorspelbare effecten hebben en veerkracht als het vermogen daarop te anticiperen, reageren en transformeren op een zodanige manier dat de functionaliteit van het systeem behouden blijft. Het gaat dan om zaken als vertrouwen, reflexiviteit, flexibiliteit, leervermogen en leiderschap.
Weerbaarheid (of veerkracht, zo u wilt) bestaat dan niet alleen uit voorbereid zijn en kunnen reageren op een crisis, maar ook uit het leer- en transformatievermogen dat nodig is om dit mogelijk te maken.
Voorbereid op de verkeerde pandemie
Een bekend gezegde is dat we ons vaak voorbereiden op de vorige oorlog. Dat gaat ook op voor corona. Virologen waarschuwden al lang dat een pandemie immanent is en veel landen hadden zich hier ook op voorbereid. Sinds de Ebola-epidemieën in de jaren 2024–2026 is er internationaal veel aandacht geweest voor veerkrachtige gezondheidssystemen en voor het in kaart brengen van de weerbaarheid van verschillende gezondheidssystemen. De voorspellende waarde van dit soort metingen bleek echter gering. Zo scoorden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk respectievelijk 1e en 7e op de Global Health Security Index (Nederland stond 11e) maar reageerden zij onder het wereldgemiddelde op de coronapandemie, afgemeten aan het relatieve aantal sterfgevallen (Paschoalotto et al., 2023). In een vermakelijk boek laat de Amerikaanse historicus Andrew Lakoff zien dat de VS wel degelijk goed voorbereid was op een pandemie – alleen niet van het soort van Covid-19 (Lakoff, 2024). De VS was voorbereid op ‘flitspandemieën’ zoals Ebola – een pandemie die snel opkomt, een hoge mortaliteit kent en ook weer snel verdwijnt, maar had geen antwoord op het soort sociale, economische, materiële en politieke disruptie waar een chronische pandemie voor zorgt. Veerkracht en weerbaarheid bleken toch anders van karakter dan gedacht.
Lessen uit de pandemie
De coronapandemie heeft ons belangrijke lessen geleerd waar het gaat om weerbaarheid en veerkracht. In de eerste plaats omdat we ons bewust zijn geworden van de long durée van een crisis. De zorg is uitermate goed in het opvangen van flitsrampen zoals branden en grotere ongelukken; ook infectieziekten, zoals het recente Hanta-virus, kunnen goed worden opgevangen. Weliswaar vragen dit soort gebeurtenissen veel inzet, maar iedereen is zich bewust van het belang daarvan en er is dan ook altijd (reserve)capaciteit te vinden in mensen en materialen. Dat bleek ook tijdens de eerste golf van de coronapandemie. Weliswaar vereiste die een enorme krachtinspanning van alle partijen in de zorg en ging zeker niet alles goed (Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2022) maar het lukte binnen ziekenhuizen bijvoorbeeld snel om corona-afdelingen op te zetten en om kennis over de symptomen en behandeling te verzamelen en delen.
Als crises zich over maanden en zelfs jaren uitspannen, ontstaat echter een geheel andere situatie. Niet alleen omdat zo’n langdurige inzet vrijwel niet vol te houden is maar ook omdat het beroep op de veerkracht van het systeem dan wel erg groot wordt. Uitval van zorgpersoneel wordt dan bijvoorbeeld een belangrijke factor. Hierin speelt ook mee dat de maatschappelijke waardering voor de zorg in het begin hoog is maar later afneemt.
In de tweede plaats hebben we van corona geleerd dat een langdurige crisis niet één verschijningsvorm kent maar steeds van karakter verandert. Zo speelde tijdens de eerste coronagolf vooral de schaarste aan beschermingsmaterialen en beddencapaciteit (vooral op de IC) voor de opvang van de patiënten een rol, terwijl daar later de zorg voor ‘niet-Covid’ bij kwam en weer later de schaarste aan personeel, mede omdat door de lange duur van de pandemie steeds meer mensen uitvielen. Hierdoor werd samenwerking met andere zorgsectoren ook steeds belangrijker; zo werden veel patiënten opgevangen in de eerste lijn (wat mogelijk werd door betere kennis van het ziekteverloop) en in de langdurige zorg. Dat beter inrichten van de zorgketen maakte ook dat andere partijen – huisartsen, verpleeghuizen – een grotere stem kregen in het regionale beleid. Zo maakten de veranderde problemen ook dat steeds andere actoren in beeld kwamen.
Ten derde hebben we van de coronapandemie geleerd vanwege de grootschalige omvang ervan die het onmogelijk maakte om regionale opvang te organiseren. Dit leidde tijdens corona dan ook al snel tot allerlei landelijke centra, zowel gericht op geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, zorgwerkers als de spreiding van patiënten over de verschillende regio’s. Het was vooral de coördinatie die hier een belangrijke rol ging spelen. Extra capaciteit maken bleek bijvoorbeeld nauwelijks te werken. Zo werden in het MECC in Maastricht en Ahoy in Rotterdam volledige ziekenhuizen ingericht maar is daar vanwege gebrek aan zorgpersoneel nooit een patiënt geweest, iets dat de zorgpartijen zelf overigens al hadden voorspeld. Coördinatie van zorg bleek daarentegen een goed middel, met name door het met hulp van Defensie ingerichte Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) en het getrapte systeem dat hiervoor werd ingericht via de ROAZ-regio’s.
Ten vierde maakte corona duidelijk dat professionalisme weer centraal moet komen te staan in de zorg. Zeggenschap van verpleegkundigen en artsen bleek cruciaal in het organiseren van coronazorg en in het beoordelen van de kwaliteit daarvan. Zo stuurde de inspecteur-generaal van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) een brief aan zorgprofessionals waarin werd aangegeven dat kwaliteitseisen van bovenaf even tussen haakjes werden gezet en dat zolang professionals vanuit hun professionele houding en ervaring werkten, ze voor eventuele verantwoording achteraf behoed zouden blijven. Wekelijkse belrondes met de ziekenhuizen vanuit de IGJ waren, zeker in eerste instantie, vooral gericht op vragen naar wat de zorg nodig had, in plaats van gericht op controle. Kennis over de gang van zaken op de werkvloer werd op die manier ook steeds verspreid en vertaald naar beleid – waar de wetenschappelijke verenigingen en de eindeloze appgroepjes en zoomcalls natuurlijk ook een rol in speelden.
De weg vooruit
In de publieke discussie is er, waar het om weerbaarheid en veerkracht gaat, vooral veel aandacht voor de structurele dimensie: hebben we voldoende personeel, bedden, voorraden van geneesmiddelen en beschermingsmaterialen? Is de informatie-infrastructuur op orde, zijn er protocollen voor crisismanagement en -besluitvorming? Het is evident dat deze belangrijk zijn. Gegeven de onvoorspelbaarheid en dynamiek van een langdurige crisis zijn ze echter niet genoeg. Weerbaarheid en veerkracht veronderstellen flexibiliteit, improvisatie- en leervermogen, naast leiderschap. De lessen uit de pandemie laten zich dan vertalen naar het belang van samenwerking, creativiteit, gelaagdheid en professionalisme. Terwijl het huidige beleid zich vooral richt op structuren en verantwoordelijkheidsverdeling lijkt deze factor wat uit beeld.
Verder blijft de positie van de ROAZ-regio’s een aandachtspunt. Hoewel het al eerder was begonnen, heeft corona een belangrijke stimulans gehad in deze (regionale) samenwerking tussen zorgorganisaties en met de publieke gezondheidszorg. De positie van de ROAZ-regio’s is aanzienlijk versterkt. Toch blijft ook dit fragiel. Het Nederlandse zorgstelsel is in eerste instantie gericht op concurrentie tussen instellingen, en samenwerking blijft daarmee altijd secundair.
Ook blijft de samenwerking tussen de curatieve sector en de langdurige zorg wankel; terwijl tijdens corona de langdurige zorg in belang toenam (vooral vanaf de tweede golf) is dit na het einde van de pandemie weer grotendeels verdwenen. Ook vanuit het Ministerie van Defensie is weinig oog voor de langdurige zorg. Samenwerking binnen en tussen de sectoren blijft echter essentieel om een langdurige crisis op te vangen.
Tot slot
Institutioneel blijft het lastig om ons voor te bereiden op het onbekende. Dat blijkt wel uit de zorgrisicoprofielen die momenteel door de verschillende regio’s worden gemaakt, waarin het lastig blijft om het concept van meervoudige en langdurende crises echt inhoud te geven; de focus blijft liggen op enkelvoudige crises. En die zijn dan vooral gericht op de bekende risico’s – stroomuitval, overstromingen, instroom van gewonden – en niet op de ‘unknown unknowns’ en de long durée.
Nu weten we uit de literatuur dat het maken van dit soort plannen belangrijker is dan het hebben ervan. Protocollen blijven tijdens een crisis veelal in de la liggen, maar de relaties die zijn opgedaan tijdens het maakproces zijn in de praktijk wel degelijk van belang, evenals het besef dat het systeem kwetsbaar is en dus onderhoud nodig heeft. Oefeningen en simulaties zijn daarbij eveneens van belang, opnieuw niet omdat de lessen uit oefeningen tot nieuw beleid leiden (dat doen ze niet of nauwelijks) maar omdat ze informele contacten en improvisatievermogen bevorderen.
Vaak wordt verondersteld dat om een crisis het hoofd te bieden centralisatie van gezag nodig is; vanuit het centrum zou de crisis beter beheerst kunnen worden; ook de Coalitie Weerbare Zorg stuurt daar weer op aan (NVZ, 2026). De coronapandemie, net als overigens veel crisisliteratuur, laat zien dat dit een verkeerd beeld is. Zeker, centrale coördinatie is nodig maar het zijn de professionals op de werkvloer die het echte werk doen. Een goed begrip van de gelaagdheid van sturing en verantwoording is dan cruciaal omdat dit het leer- en aanpassingsvermogen van het systeem borgt. In die zin zou er nog meer aandacht uit kunnen gaan naar het inrichten van platforms waarop kennis en ervaringen kunnen worden gedeeld en waarin op de dynamiek van een crisis kan worden gereflecteerd.

Literatuur
Copeland, S., R. Bal, S. Hinrichs-Krapels et al. (2023) A resilience view on health system resilience: A scoping review of empirical studies and reviews. BMC Health Services Research, 23(1), 1297.
Graaff, B. de, R. Bal, J. Bal et al. (2022) Leren dansen met een virus: Sturen van een meervoudige crisis in de zorg. Erasmus School of Health Policy & Management, Rapport. Te vinden op www.eur.nl.
Graaff, B. de, S. Huizenga en R. Bal (2025) It’s about the connections we’ve made with each other: Resilience and risk translation in governing healthcare during the COVID-19 pandemic. Social Science & Medicine, 380, 118246.
Jakobsdóttir, K. en A. Haines (2026) Pan-European Commission on Climate and Health: Recommendations for accelerating climate action for health. The Lancet, 16 mei. Publicatie online.
Lakoff, A. (2024) Planning for the wrong pandemic: Covid-19 and the limits of expert knowledge. Cambridge, VK: Polity Press.
NVZ (2026) Weerbare zorg vraagt om meer dan plannen: ‘Je kunt in je eentje niet weerbaar zijn’. NVZ Nieuwsbericht, 30 april.
Onderzoeksraad voor Veiligheid (2022) Aanpak coronacrisis – Deel 1: tot september 2020. OvV Rapport, februari.
Paschoalotto, M.A.C., E. Alves Lazzari, R. Rocha et al. (2023) Health systems resilience: is it time to revisit resilience after COVID-19? Social Science & Medicine, 320, 115716.
Tweede Kamer (2025) Brief van de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Defensie en van de Staatssecretaris van Defensie, 30821, nr. 326.
WRR (2021) Kiezen voor houdbare zorg: Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak. WRR Rapport, 104.
Auteur
Categorieën