Ga direct naar de content

De (on)mogelijke redenering achter Trumps handelsbeleid

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: december 11 2025

President Trump meent dat zijn handelsbeleid dient om de Amerikaanse economie te versterken. Kan zijn beleid inderdaad begrepen worden aan de hand van overwogen economische argumenten en gelden deze argumenten ook voor Europa?

In het kort

  • Trumps zorgen over de economie zijn deels terecht, maar zijn analyse is te simplistisch en tarieven niet de oplossing.
  • Banenverlies in de maakindustrie komt vooral door technologie, niet door handelsbeleid of -tekorten.
  • De EU kent vergelijkbare problemen, maar ook hier zijn invoerheffingen weinig effectief.

Op 2 april kondigde Trump flinke verhogingen van invoertarieven aan. Deze zijn daarna nog een aantal keer flink veranderd, maar blijven hoog vergeleken met het recente verleden. Commentatoren en economen gaan er bij het bespreken van het handelsbeleid regelmatig van uit dat Trump óf irrationeel handelt, óf uitsluitend vanuit politieke overwegingen. Zo betitelde Martin Wolf (2025) het handelsbeleid als “irrational mercantilism”, Alan Beattie (2025) noemde het “Trump’s tariff shambles” en de Financial Times kopte bij een redactioneel commentaar met “Trump’s highly political tariffs” (Financial Times, 2025).

Het is makkelijk om het handelsbeleid als irrationeel af te doen, maar Trump en ook zijn adviseurs geven argumenten voor het heffen van deze tarieven. Daarom onderzoeken we in dit artikel in hoeverre er overtuigende economische argumenten zijn voor het heffen van (hoge) invoertarieven. Politieke drijfveren, zoals druk uitoefenen op handelspartners om andere doelen te bereiken, en ander binnenlands beleid in de VS, laten we buiten beschouwing.

Terughalen van de maakindustrie

Een belangrijk speerpunt van Trumps beleid is de bescherming van banen in de Amerikaanse maakindustrie. Het Witte Huis stelt dat aanhoudende Amerikaanse handelstekorten de industriële basis hebben uitgehold en vrije handel de prikkel om binnenlandse productiecapaciteit uit te breiden heeft verminderd. Heffingen zouden deze industrie beschermen door buitenlandse producten duurder te maken, waardoor binnenlandse producten relatief aantrekkelijker worden. Hierdoor zou de vraag naar lokaal geproduceerde goederen toenemen, wat bedrijven zou kunnen stimuleren om productie, en dus ook banen, ‘terug te halen’ naar eigen land (The White House, 2025b).

Het lijkt er inderdaad op dat de zogenoemde ‘China shock’, de snelle toename van goedkope Chinese importen sinds de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001, heeft geleid tot een daling van de werkgelegenheid in de Amerikaanse industrie. Autor et al. (2016) laten zien dat ongeveer tien procent van de daling van het aantal banen in de Amerikaanse maakindustrie kan worden toegeschreven aan concurrentie uit China. Deze ontwikkeling heeft geleid tot economische pijn in bepaalde regio’s, wat mede heeft bijgedragen aan politieke onvrede en steun voor protectionistisch beleid (Autor et al., 2020; 2024).

Het is de vraag of het mogelijk is om deze banen (met behulp van heffingen) terug te halen. Hoewel de industriële productie in de VS en de EU blijft groeien, is de werkgelegenheid in de sector al geruime tijd stabiel of zelfs dalend. Dat komt grotendeels door productiviteitsgroei: fabrieken produceren meer met minder mensen, wat 88 procent van het baanverlies in de VS verklaart (Hicks en Devaraj, 2015). Ook betekenen heffingen niet per se dat sectoren die nu in het buitenland produceren, hun productie terug naar de VS zouden verplaatsen. De invoertarieven uit Trumps eerste termijn (2017–2021) hebben bijvoorbeeld niet tot een stijging van de werkgelegenheid in de beschermde sectoren geleid (Autor et al., 2024).

Verder is het wel de vraag of het economisch wenselijk is om banen ‘terug te halen’ waarin elders het werk efficiënter en goedkoper kan worden uitgevoerd en of deze banen überhaupt nog aantrekkelijk zijn en als ‘goede banen’ beschouwd moeten worden. Nieuwe banen in de (maak)industrie hebben tegenwoordig lang niet meer dezelfde werkgelegenheidsimpact als vroeger.

Minder afhankelijkheid van China

Ook geopolitieke onafhankelijkheid, met name van China, wordt opgevoerd als argument voor importheffingen (The White House, 2025b). De afhankelijkheid van China in belangrijke waardeketens is de laatste jaren fors toegenomen, zowel voor de VS als voor de EU. Zo was de VS in 2022 voor 532 productcategorieën afhankelijk van Chinese import, vier keer zo veel als in 2000. De EU telt een vergelijkbare toename van producten die ze niet snel zelf kan maken (Chimitis, 2024).

Trump is zeker niet de eerste die deze afhankelijkheid noemt. Leveringszekerheid en strategische autonomie zijn belangrijke begrippen geworden na de coronapandemie en de inval van Rusland in Oekraïne. De structurele afhankelijkheid van één land voor strategische goederen zoals halfgeleiders, medicijnen en zeldzame aardmetalen, brengt geopolitieke en economische risico’s met zich mee, ook in Nederland (Freeman et al., 2022). In de EU en Nederland staan deze onderwerpen daarom ook hoog op de agenda, bijvoorbeeld in het concept van een Open Strategic Autonomy, dat Nederland binnen de EU steunt.

De vraag is dan of invoerheffingen kunnen helpen strategisch belangrijke sectoren te beschermen en te laten groeien. Importheffingen werden in het verleden vaker gebruikt om binnenlandse industrieën te beschermen, met name ten gunste van prille, opkomende industrieën. De gedachte is dat zo’n industrie zich eerst beschermd moet kunnen ontwikkelen voordat ze de internationale concurrentie aan kan gaan. Ook gevestigde industrieën met een efficiëntienadeel zouden in theorie via tijdelijke bescherming extra ruimte kunnen krijgen om marktaandeel terug te winnen. Heffingen zijn in specifieke gevallen dan ook effectief om binnenlandse industrie te ontwikkelen (Melitz, 2005).

Tegelijkertijd brengt die bescherming nadelen met zich mee: bedrijven in sectoren die langdurig achter handelsmuren schuilen, hebben minder prikkels om efficiënt te werken en te vernieuwen. Daardoor worden ze vaak duurder en minder productief, wat de concurrentiekracht op termijn juist ondermijnt. Bovendien zijn generieke, hoge tarieven, zoals Trump die vooral doorvoert, een ongeschikt instrument. Ze verhogen immers de kosten voor zowel strategische als niet-strategische, en zowel ontwikkelde als minder ontwikkelde sectoren, en ook voor de inputs die daarvoor nodig zijn.

Verkleinen handelstekort

Nog een ander argument voor heffingen is dat deze dienen om het handelstekort te verkleinen (The White House, 2025b). Het idee is hier dat hogere invoerprijzen de consumptie van buitenlandse goederen ontmoedigen en binnenlandse productie en consumptie stimuleren, waardoor de import afneemt en de handelsbalans minder negatief wordt. De VS heeft een structureel tekort op de lopende rekening van ruim drie procent van het bbp waardoor het ook een hoge negatieve internationale investeringspositie heeft (figuur 1). De netto internationale investeringspositie bedroeg 24,61 biljoen dollar aan het einde van het eerste kwartaal van 2025, wat overeenkomt met ongeveer zestig procent van het bbp (Bureau of Economic Analysis, 2025). Toch verdienden de VS lange tijd meer aan hun buitenlandse investeringen dan zij uitkeerden aan buitenlandse investeerders, wat duidt op relatief hoge rendementen op Amerikaanse bezittingen in het buitenland.

Het is de vraag of het totale Amerikaanse handelstekort daadwerkelijk problematisch is. Enerzijds wordt het grotendeels veroorzaakt doordat het consumptie- en investeringsniveau van Amerikaanse huishoudens en bedrijven het beschikbare inkomen en de binnenlandse besparingen overstijgt, waardoor de vraag naar geïmporteerde goederen en diensten toeneemt. Anderzijds zijn er structurele factoren die het tekort versterken of juist verklaren: de VS trekt veel kapitaal uit het buitenland aan vanwege hoge investeringen, stabiele marktomstandigheden en een sterke economie. Dit betekent dat het land meer kan importeren dan het exporteert zonder dat de economie per se in gevaar komt, omdat de kapitaalinstroom het tekort financiert (Obstfeld, 2025).

Het idee dat invoerbeperkingen het handelsbalansprobleem vanzelf oplossen, is misleidend. Volgens Krugman (2025) wordt de handelsbalans vooral bepaald door investeringen en kapitaalstromen, niet andersom. Zo kent de EU, met hogere spaarquoten en lagere investeringen, juist structureel overschotten (figuur 1). Importheffingen kunnen hooguit de consumptie beïnvloeden, maar lossen de onderliggende structurele oorzaken van tekorten niet op.

Empirisch blijkt dat tarieven nauwelijks effect op de handelsbalans hebben (Furceri et al., 2019). In recente theoretische literatuur wordt wel aangetoond dat onder sommige condities tarieven een handelstekort kunnen verlagen, maar ook dat ze negatieve effecten op de reële economie hebben (vooral als de rest van de wereld als reactie ook heffingen invoert) (Caliendo et al., 2025; Costinot en Werning, 2025).

Daarnaast richt de regering-Trump zich op bilaterale handelstekorten, wat geen zinvolle maatstaf is. Dergelijke tekorten kunnen ook het gevolg zijn van driehoekshandel: landen kunnen een tekort hebben met sommige landen en een overschot met andere. Verder negeert de regering-Trump de handel in diensten, waar de VS juist een handelsoverschot heeft.

Waardering dollar

Naast het heffen van tarieven wil de regering-Trump het handelstekort terugdringen door iets te doen aan de in haar ogen overgewaardeerde dollar. Economische en politieke adviseurs van Trump stellen dat de bijzondere rol van de VS als reservevalutaland, met een constante wereldwijde vraag naar dollars als veilige haven en voor reserves, de wisselkoers kunstmatig hoog houdt (The White House, 2025a). Dit zou volgens hen de Amerikaanse export bemoeilijken.

Dit effect is moeilijk te kwantificeren. De dollar wordt nog steeds op grote schaal aangehouden als reservevaluta, maar de totale buitenlandse reserves in dollars zijn de laatste jaren vrij stabiel gebleven. Obstfeld (2025) vat drie studies over dit onderwerp samen, die allemaal tot vergelijkbare resultaten komen: de speciale rol van de dollar kan een handelstekort van ongeveer twee procent van het Amerikaanse bbp verklaren, een niet onaanzienlijk deel van het Amerikaanse handelstekort.

Toch levert de dollar als dominante wereldreservemunt ook een voordeel op, de zogenoemde ‘exorbitant privilege’ van de dollar: hierdoor kunnen de Verenigde Staten goedkoop lenen op internationale markten. Tegelijkertijd investeren Amerikanen relatief hoogrenderende activa in het buitenland, terwijl buitenlandse beleggers vaak genoegen nemen met laagrenderende maar veilige Amerikaanse staatsobligaties. Hierdoor ontvangt de VS netto-kapitaalinkomsten uit de rest van de wereld, oplopend tot wel één procent van het bbp (Nievas en Sodano, 2024). Trump wil de status van de dollar als reservevaluta niet ondermijnen, maar wel de wisselkoers drukken. Die combinatie is lastig.

Forse staatsschuld

De inkomsten van de invoerheffingen kunnen volgens Trump gebruikt worden om de hoge staatschuld te verlagen (Macias, 2025). De staatsschuld in de VS is inmiddels veel hoger dan honderd procent van het bbp (figuur 2). In dit opzicht functioneren heffingen niet alleen als instrument om de handelsbalans te beïnvloeden, maar ook als bron van extra overheidsinkomsten die begrotingsproblemen kunnen verlichten.

De Amerikaanse staatsschuld, hoewel fors, is waarschijnlijk op korte termijn nog geen risico: ze wordt grotendeels gefinancierd door binnenlandse beleggers en stabiele buitenlandse investeerders, waaronder Europese en Japanse partijen. Bovendien leert de historische ervaring dat hoge schuldniveaus niet automatisch leiden tot financiële crises, zolang beleggers vertrouwen houden in het Amerikaanse beleid en de rente relatief laag blijft. De VS geniet zoals gezegd een uitzonderingspositie door de exorbitant privilege van de dollar.

Heffingen leveren zeker inkomsten voor de overheid op. Het is alleen moeilijk vast te stellen in welke mate de voorspelde krimp van de economie het effect op de overheidsfinanciën dempt. Naar schatting leveren de heffingen ongeveer 93 miljard in de eerste helft van 2025 op, dat is zo’n vijf procent van het voorspelde begrotingstekort in 2025 (Hufbauer en Zhang, 2025). De recente ‘One Big Beautiful Bill’ zal het begrotingstekort waarschijnlijk wel nog meer laten stijgen (CRFB, 2025).

Ook de vraag in hoeverre buitenlandse bedrijven dan wel Amerikaanse consumenten de heffingen betalen, is op dit moment nog deel van een brede discussie, maar het is helder dat arme huishoudens binnen de VS harder geraakt zullen worden dan rijke. Dat komt doordat de heffingen goederenconsumptie duurder maken en arme huishoudens relatief meer goederen consumeren dan rijke huishoudens (Lawrence, 2025).

Verhoudingen in Nederland en de EU

Hoewel de context verschilt, zijn er parallellen tussen de economische problemen van de VS en de EU te trekken. Toch zijn ook hier heffingen geen goede oplossing.

Het streven van Europa naar strategische autonomie – het verminderen van afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers en het versterken van de eigen industriële basis – is een direct antwoord op zowel de Amerikaanse handelspolitiek als de lessen uit de coronacrisis en de oorlog in Oekraïne – en veel minder op het verdwijnen van werkgelegenheid. Hoewel de China Shock ook in de EU heeft plaatsgevonden, had het weinig effect op de werkgelegenheid (Euwals et al., 2021). Voor strategische autonomie is een actiever industriebeleid, gericht op sleutelsectoren zoals groene technologie en digitale infrastructuur, effectiever dan heffingen, omdat het de binnenlandse capaciteit en technologische onafhankelijkheid versterkt, terwijl heffingen vooral de prijzen van import verhogen zonder de afhankelijkheid structureel te verminderen. Gerichte instrumenten, zoals selectieve tarieven (bijvoorbeeld voor E-auto’s) of vrijhandelsakkoorden met groeimarkten zoals Mercosur, kunnen dit beleid ondersteunen. Bij heffingen moet wel elke keer worden gekeken of ze bedoeld zijn om non-competitieve sectoren onnodig te helpen, dan wel echt leiden tot een gelijk spelveld of een versterking van strategische autonomie.

Een groot deel van Europa kent, in tegenstelling tot de VS, structurele handelsoverschotten (figuur 1). De uitdaging voor Europa ligt vooral in het stimuleren van binnenlandse investeringen, de keerzijde van een handelsoverschot. Een aantrekkelijk investeringsklimaat is hierbij cruciaal, niet alleen om buitenlands kapitaal aan te trekken, maar ook om Europese bedrijven te stimuleren om te innoveren en te groeien. Dit is minder makkelijk dan handelstarieven opleggen, want het vereist een combinatie van stabiel beleid, voorspelbare regelgeving en gerichte investeringen in onderwijs en infrastructuur.

De euro is ver verwijderd van de dominante positie van de dollar, maar door het afzwakken van de waarde van de dollar komt ook hier weer de vraag op in hoeverre een verandering in deze situatie wenselijk is. Beleid kan gevoerd worden om de monetaire soevereiniteit van Europa te vergroten, de afhankelijkheid van dollarfinanciering te verminderen en mogelijk ook om van het exorbitant privilege te profiteren (Alcidi, 2025). Dit vraagt om diepere kapitaalmarkten, meer financiële integratie en mogelijk ook gemeenschappelijke schuldinstrumenten zoals eurobonds. Daarmee zou de EU niet alleen goedkoper schulden kunnen opnemen – nuttig in een tijd van hoge investeringsbehoefte – maar ook een veilige investeringsmogelijkheid aanbieden, die de rol van de euro zou kunnen versterken.

De hoge staatsschuld in sommige Europese landen is een ingewikkeldere kwestie dan die in de VS, vanwege de afwezigheid van een centrale begrotingsautoriteit. Terwijl de VS zijn schulden kan financieren met eigen valuta en een geïntegreerde kapitaalmarkt, is Europa afhankelijk van nationale begrotingen en gedeelde regels. Dit maakt het moeilijker om een uniforme aanpak te vinden. Ook hier kunnen gemeenschappelijke schuldinstrumenten, zoals eurobonds, een deel van de oplossing bieden, mits er politieke overeenstemming is over de voorwaarden en het doel ervan. Dit vraagt om een balans tussen solidariteit en verantwoordelijkheid, en tussen kortetermijnstimulering en langetermijnhoudbaarheid.

Getty Images

Literatuur

Alcidi, C. (2025) For the euro to go global, the EU must match its ambition with real action. CEPS Nieuwsbericht, 3 juli.

Autor, D., A. Beck, D. Dorn en G.H. Hanson (2024) Help for the heartland? The employment and electoral effects of the Trump tariffs in the United States. NBER Working Paper, 32082.

Autor, D., D. Dorn en G.H. Hanson (2016) The China Shock: Learning from labor-market adjustment to large changes in trade. Annual Review of Economics, 8, 205–240.

Autor, D., D. Dorn, G. Hanson en K. Majlesi (2020) Importing political polarization? The electoral consequences of rising trade exposure. The American Economic Review, 110(10), 3139–3183.

Beattie, A. (2025) Trump’s tariff shambles is a helpful warning to the world. The Financial Times, 10 juni.

Bureau of Economic Analysis (2025) BEA Data: International investment position. Te vinden op www.bea.gov.

Caliendo, L., S.S. Kortum en F. Parro (2025) Tariffs and trade deficits. NBER Working Paper, 34003.

CRFB (2025) Breaking down the One Big Beautiful Bill. Committee for a Responsible Federal Budget, Blog, 4 juni. Te vinden op www.crfb.org.

Chimitis, F. (2024) Growing asymmetry: Mapping the import dependencies in EU and US trade with China. Mercator Institute for China Studies, Rapport, 1 oktober. Te vinden op merics.org.

Costinot, A. en I. Werning (2025) How tariffs affect trade deficits. NBER Working Paper, 33709.

Euwals, R., G.H. van Heuvelen, G. Meijerink et al. (2021) The impact of import competition and export opportunities on the Dutch labour market. CPB Discussion Paper, juli.

Financial Times (2025) Trump’s highly political tariffs. Financial Times, 1 augustus.

Freeman, D., G. Meijerink, R. Teulings et al. (2022) Economische verwevenheid met China via handel: Twee kanten van een medaille. CPB/CBS Publicatie, juni.

Furceri, D., S.A. Hannan, J.D. Ostry en A.K. Rose (2019) Macroeconomic consequences of tariffs. IMF Working Paper, WP/19/9.

Hicks, M. J. en S. Devaraj (2015) The myth and the reality of manufacturing in America. Center for Business and Economic Research, juni.

Hufbauer, G.C. en Y. Zhang (2025) Trump’s tariff revenue tracker: How much is the US collecting? Which imports are hit? PIIE Statistiek, 8 september. Te vinden op www.piie.com.

Krugman, P. (2025) A balance of payments primer, Part I. Blog op paulkrugman.substack.com, 23 maart.

Lawrence, R. (2025) Explainer: How do tariffs work and how will they impact the American and global economy? Harvard Kennedy School, Interview, 9 april. Te vinden op hks.harvard.edu.

Macias, A. (2025) Bessent says tariff revenue could help pay down the nation’s $37.2T debt. Fox Business Nieuwsbericht, 19 augustus.

Melitz, M.J. (2005) When and how should infant industries be protected? Journal of International Economics, 66(1), 177–196.

Nievas, G. en A. Sodano (2024) Has the US exorbitant privilege become a rich world privilege? World Inequality Lab Working Paper, 2024/14. Te vinden op prod.wid.world.

Obstfeld, M. (2025) The US trade deficit: Myths and realities. Brookings Papers on Economic Activity, 13 maart.

The White House (2025a) CEA Chairman Steve Miran Hudson Institute event remarks. The White House, 7 april.

The White House. (2025b) President Donald J. Trump declares national emergency to increase our competitive edge, protect our sovereignty, and strengthen our national and economic security. The White House, 2 april.

Wolf, M. (2025) A return to tariffs, Taco or not. The Financial Times. 15 juli.

Auteurs

Plaats een reactie