Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht staan in deze ESB lokale onderwerpen centraal. We openen met de financiën, want deze zijn in de komende collegeperiode de beperkende factor in bijna alle gemeenten.
Krappe financiën
De financiën zijn krap vanwege tegenvallende inkomsten: gemeenten krijgen zo’n negentig procent van hun inkomsten van de Rijksoverheid en daar wordt al jaren op gekort, aldus Jan van der Lei in deze ESB (nota bene: de term ‘ravijnjaar’ is zo vaak gebezigd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dat hij inmiddels synoniem is voor het jaar 2026). De mogelijkheden voor gemeenten om andere inkomsten te genereren, bijvoorbeeld via de onroerendezaakbelasting, zijn beperkt.
De financiën zijn ook krap vanwege de stijgende kosten in de zorg en in het sociaal domein. In 2015 is financiering van zorg (Wet maatschappelijke ondersteuning), werk (Participatiewet) en de jeugdhulp (Jeugdwet) overgegaan van het Rijk en de provincies naar de gemeenten. En hoewel deze decentralisaties initieel gepaard gingen met forse bezuinigingen, stijgen de kosten in de zorg en in het sociaal domein sindsdien rap, laat Raymond Gradus zien. Uitgaven aan deze domeinen maken inmiddels ruim de helft van de gemeentebegroting uit en de jeugdzorg eist daarbij het koekoeksjong. De afgelopen elf jaar stegen de lasten daarvan jaarlijks gemiddeld met negen procent en in 2029 wordt een verdrievoudiging verwacht ten opzichte van 2015.
Decentralisaties leveren niet
Door de decentralisaties is de dienstverlening van de overheid dichter bij de burger komen te staan. Hierdoor zou deze passender worden, kon de overheid experimenteren met verschillende benaderingen en zouden de kosten kunnen dalen. Het experimenteren met verschillende aanpakken is in volle gang; lees in dit verband de bijdrage van Ernst-Jan de Bruijn en Heike Vethaak over de verschillen in de aanpak van bijstandsschulden tussen de vier grootste gemeenten.
Feit is echter dat decentralisatie vooraleerst schaalnadelen met zich mee heeft gebracht. Gemeenten moeten de overgehevelde diensten zelf organiseren. Doordat ze dit op kleinere schaal deden, werd standaardisatie ingewikkeld, werden de volumes te klein voor specialisatie en waren er meer managers nodig.
Tegenover deze schaalnadelen zouden synergievoordelen moeten staan (CPB, 2013). Synergievoordelen is economentaal voor dat wat politici passende zorg noemen, wat bij beleidsmakers een integraal aanbod heet en wat in de praktijk te boek staat als gezond verstand. Bijvoorbeeld dat het beter is om mensen met schuldenproblemen direct te ondersteunen, zodat hun kinderen geen gedragsproblemen ontwikkelen en dure ggz nodig hebben. Of dat daklozen die een huurwoning krijgen toegewezen ook beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt, minder crimineel gedrag vertonen én minder medische zorg nodig hebben.
Helaas zijn de stappen waardoor gemeenten deze synergievoordelen zouden kunnen incasseren niet gezet. Er is weliswaar één partij verantwoordelijk voor het hele domein – de gemeente, maar die partij kan nauwelijks sturen. De financiering vanuit het Rijk is vaak geoormerkt en kent rapportageverplichtingen en toekenningsvereisten per deelthema, waardoor bij de gemeenten alsnog verkokering optreedt. En de beslissing of iemand gebruik mag maken van een publieke dienst ligt meestal niet bij de gemeente, maar bij een indicatiesteller, een school of een huisarts. Gevolg is dat de gemeente vooral de portemonnee moet trekken en geen ruimte kan maken voor goedkoper preventief of groepsgericht beleid. Bernard ter Haar doet in zijn bijdrage verbetervoorstellen.
Lokale invulling
Ironisch is dat bij de komende gemeenteraadsverkiezingen de belangrijkste onderwerpen voor de gemeente niet op de agenda staan. Over de bezuinigingen op het gemeentefonds en de gebrekkige mogelijkheden van gemeenten om te sturen in de zorg en in het sociaal domein gaat de landelijke politiek.
De verkiesbare raadsleden gaan wel over de lokale invulling. Waar snijden ze? Doen ze dat in niet-urgente, maar wel belangrijke zaken als gemeentelijke investeringen in wegen en woningbouw. Dat kan problematisch zijn omdat deze volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek sinds 2008 al zijn afgenomen van 1,6 naar 1,0 procent van het bruto binnenlands product. Doen ze dat door kosten te besparen ten koste van de rechtsbescherming, zoals Eline Linthorst vreest? Of gaat het ten koste van de beleidsinzet op thema’s als kansengelijkheid, waar Coen van der Kraats voor waarschuwt? Op
18 maart mag u het zeggen.
Literatuur
CPB (2013) Decentralisaties in het sociaal domein. CPB Notitie, 4 september.
Auteur
Categorieën