Haan en Schinkel deden in ESB een voorstel voor herinrichting van de brievenpostmarkt. In een reactie erkent de minister de problemen op de postmarkt, maar zegt ze structureel ingrijpen te complex en onzeker te vinden.
In het voorjaar stuurden wij de Tweede Kamer een uitgewerkt voorstel om de brievenpostmarkt opnieuw voor concurrentie in te richten volgens een regionaal concessiemodel (Haan en Schinkel, 2026a; 2026b). De kamer vroeg de verantwoordelijke minister van Economische Zaken en Klimaat om een reactie, die net na de zomer kwam, samen met een routekaart voor de toekomst van de postmarkt (MinEZK, 2026).
Minister Herbert erkent de problemen op de postmarkt inmiddels expliciet: PostNL heeft een zeer sterke marktpositie, de werkelijke kosten van de universele postdienst zijn moeilijk te controleren, en regionale postbedrijven dreigen zonder bescherming uit de markt te worden gedrukt. Ze zet niet langer in op verdere versterking van PostNL, wil strengere controle door de Autoriteit Consument & Markt (ACM), en zegt open te staan voor aanbesteding van poststromen waarvoor publieke borging nodig is. Maar door niet structureel in te grijpen, dreigt de route die de minister nu kiest dood te lopen op PostNL’s monopoliepositie.
Voorstel minister
De minister formuleert vijf “leidende principes voor de toekomst”. Wat daarbij als eerste opvalt is dat betaalbaarheid als voorwaarde ontbreekt. Het eerste uitgangpunt “Iedereen moet ook in de toekomst een brief of kaart kunnen versturen en ontvangen” is gratuit zonder de toevoeging ‘tegen een redelijke prijs’. Dat is geen detail, want de tariefverhogingen van PostNL zijn een belangrijk pijnpunt voor consumenten, bedrijven en de overheid – de laatste bij monde van de Belastingdienst, die onlangs nog een melding van mogelijk machtsmisbruik deed bij de ACM (Van Rein, 2026).
Betaalbaarheid staat ook op gespannen voet met het tweede leidende principe – dat de Universele Postdienst (UPD) rendabel moet zijn, zonder overheidssubsidie. Want voor het aanbieden van een winstgevend product hoef je een commerciële partij geen aanwijzing te geven. De minister geeft PostNL de vrije hand om de dienstverlening te verslechteren en de tarieven te verhogen. Opdat de uitvoering rendabel wordt, hoeft consumentenpost nog maar binnen drie dagen te worden bezorgd, op termijn misschien zelfs zonder de zaterdag en met een verder versoberde zomerdienstregeling, en tegen een postzegelprijs die PostNL zelf mag bepalen. Daarmee schaft de minister feitelijk de UPD-plicht af. Welke post van voldoende maatschappelijk belang geacht wordt om nog wél te borgen – haar derde leidende principe – blijft daarbij onduidelijk.
Beoogde brede bezorgmarkt ontstaat niet vanzelf
De gedachte achter de versoepelingen is om het voor andere bezorgers aantrekkelijk te maken om delen van de brievenmarkt over te nemen. Aangevuld met strengere toegangsregulering, zegt de minister nu een “beleidsinzet gericht op toetreding, transparantie en een marktgedreven transitie” te hebben. De minister verwacht dat zo de traditionele postmarkt geleidelijk zal opgaan in een ‘brede bezorgmarkt’ – haar vierde leidende principe. Brieven zouden daarin worden meegenomen in bestaande netwerken voor pakketten, folders en andere logistieke stromen, zodat een afzonderlijk brievenpostnetwerk uiteindelijk niet meer nodig zou zijn.
De minister meent dat een frequente maar relatief goedkope consumentenpostdienst, zeker wanneer die uiteindelijk gesubsidieerd zou worden, de gewenste transitie naar een brede bezorgmarkt in de weg staat. Mogelijk remde de relatief lage gereguleerde postzegelprijs van 1,40 euro voor een brief die de volgende dag thuis bezorgd werd toetreding tot de markt inderdaad af. De sterk verhoogde 3,95 euro die PostNL sinds half juli vraagt voor bezorging binnen 24 uur (de ‘Priobrief’) komt al dicht in de buurt van DHL’s 4,25 euro (RTL Z, 2026). Het is bijna een verdrievoudiging van de prijs, voor precies dezelfde service, van de ene op de andere dag.
PostNL staat in de weg
Hoe de concurrerende brede bezorgmarkt moet gaan ontstaan, blijft echter onduidelijk. Het vierde principe is meer een wens dan een visie. De minister hoopt de transitie op gang te brengen door de verplichtingen voor consumentenpost steeds verder te versoepelen en marktpartijen – PostNL, regionale bezorgers en alternatieve logistieke netwerken – te laten samenwerken en experimenteren met “nieuwe vormen van dienstverlening”. Maar een monopolie verdwijnt niet vanzelf – en al helemaal niet door samenwerking met potentiële toetreders.
Integendeel. Een private monopolist heeft er alle belang bij om het ontstaan van concurrentie tegen te werken. Zolang PostNL de controle houdt over de landelijke brieveninfrastructuur, zal het bedrijf zijn eigen marktpositie kunnen beschermen omdat andere bezorgpartijen van die infrastructuur afhankelijk zijn. Want PostNL heeft zowel de mogelijkheden als de prikkels om de door de minister gewenste transitie te vertragen, te sturen, en de postmarkt blijvend naar zijn hand te zetten. Door PostNL’s marktmacht als obstakel op de route niet weg te nemen, dreigt de overgang naar een brede, concurrerende bezorgmarkt te vertragen of zelfs vast te laten lopen.
Het winstplafond en de toegangsregulering waarmee de minister het monopoliegedrag van PostNL door de ACM binnen de perken wil laten houden is onvoldoende om dit probleem te omzeilen. Toezicht is een geschikt instrument om PostNL’s monopoliegedrag wat mee te begrenzen. Maar om de transitie naar een concurrerende markt op gang te brengen zijn structurele ingrepen nodig. De contradictie in het beleid van de minister is dat de overheid een concurrerende brede bezorgmarkt wil, maar de essentiële infrastructuur in handen laat van de onderneming die er het grootste belang bij heeft dat die niet tot volle ontwikkeling komt.
Overheidsregie nodig
De minister wijst ons voorstel om de marktstructuur zo in te richten dat de concurrentie wel weer vlot wordt getrokken af met enkele weerlegbare bezwaren (kader 1). Het komt erop neer dat het ministerie herordening van de brievenpostmarkt niet de moeite waard vindt. Een structurele herinrichting zou te complex, ingrijpend, en onzeker zijn in een krimpende markt.
Misschien verdwijnt reguliere brievenpost inderdaad uiteindelijk vrijwel helemaal – al maakten de analoge fotografie en de langspeelplaat ook weer een enorme comeback. Maar dat betekent niet dat de resterende brievenpost, of het bestaan van een betrouwbare bezorgdienst, geen maatschappelijk belang meer vertegenwoordigt. Daarover moet het politiek debat eerst en hoognodig gevoerd worden. Overigens is ook het vijfde leidende principe van de minister – dat de ontwikkeling van de postmarkt “sociaal verantwoord” verloopt – gebaat bij regie door de overheid.
Juist een stervende markt heeft behoefte aan begeleiding. Versneld of vertraagd, de sterfhuisconstructie van PostNL zal afwijken van de maatschappelijk optimale. Door de brieveninfrastructuur in overheidsbeheer te brengen, zoals wij voorstellen, houdt de overheid de controle over de markttransitie en de publieke dienst, en kan ze de infrastructuur desgewenst deels achter de hand houden, voor het geval er weer meer behoefte aan komt – wie weet als vitale infrastructuur, als digitale communicatie ons ooit in de steek laat.
Kader 1: Bezwaren minister tegen ons voorstel
In de bijlage bij de routekaart gaat de minister meer gedetailleerd in op ons voorstel (Haan en Schinkel, 2026a; 2026b) en voert zij daartegen enkele bezwaren aan. Zo meent de minister dat in ons voorstel schaal- en integratievoordelen verloren zouden gaan: “Opsplitsing van het netwerk in regionale concessies doorbreekt de schaal- en integratievoordelen die juist in een krimpende markt nodig zijn om de kosten beheersbaar te houden. Dat verhoogt de kosten per poststuk door de duplicatie van overhead en operationele processen. Daarnaast ontstaan extra overdrachtsmomenten tussen regio’s, met extra sorteer-, transport- en coördinatiekosten. Dit vergroot de logistieke complexiteit en brengt structurele efficiëntieverliezen met zich mee.”
Als dit al juist is, is het sterk overdreven. We stellen immers niet voor om vijf parallelle netwerken naast elkaar te laten bestaan. Interregionale post wordt nu ook al tussen onderdelen van het landelijke netwerk vervoerd en gesorteerd. Zeker, een organisatie in regio’s vergt afspraken tussen verschillende exploitanten. Dat brengt wat coördinatiekosten met zich mee – die vooral voor de aanbestedende overheid zijn. Het lijkt ons zeer waarschijnlijk dat die kosten opwegen tegen de voordelen van concurrentie na het verdwijnen van PostNL als landelijke monopolist, wat juist een prikkel geeft om de bestaande bedrijfsprocessen efficiënter in te richten. Dat is een empirische vraag waar de minister onderzoek naar zou moeten doen.
Vervolgens stelt de minister: “Het is onzeker of een concessiemodel in de praktijk daadwerkelijk tot effectieve concurrentie zal leiden.” Maar er is wel degelijk ruime ervaring, in Nederland en daarbuiten, met dit type concessiemodel, in allerlei sectoren waarin concurrerend is aanbesteed (Haan en Schinkel, 2026a; 2026b). Uit de enkele Estlandse ervaring die de minister aanhaalt kunnen geen algemene negatieve conclusies worden getrokken. Juist regionale concessies maken toetreding eenvoudiger en bovendien hebben zich nu al geïnteresseerde partijen gemeld. Daarbij moet een zorgvuldig ontworpen aanbesteding uitwijzen hoe groot de daadwerkelijke belangstelling is. In ons voorstel leggen we al uit hoe daarin gecorrigeerd moet worden voor het informatievoordeel van de zittende UPD-verlener en wat te doen in geval van te weinig onafhankelijke bieders. De minister zou eens over het ontwerp kunnen nadenken.
Ten slotte ziet de minister een bezwaar dat lijkt te berusten op een misverstand: “Daarnaast mogen lidstaten op basis van EU-regelgeving geen exclusieve rechten geven voor het aanbieden van postdiensten. Aanbesteden mag wel om de universele postdienst op te dragen of te financieren, maar zo’n opdracht geeft het winnende bedrijf geen alleenrecht in dat gebied, zodat andere aanbieders daar gewoon actief kunnen blijven. Daardoor is het voor bedrijven moeilijk om vooraf in te schatten wat een regionale of landelijke concessie waard is omdat het risico op concurrentie groot is. Om dit risico te compenseren zullen partijen om overheidssubsidie vragen: niet alleen om bezorging in bepaalde regio’s in stand te houden, maar ook als compensatie voor het risico dat andere (grotere) partijen ondanks het verlies van een concessie toch actief blijven in dat gebied. Zulke subsidies aan alleen het winnende bedrijf verstoren de markt en kunnen partijen ontmoedigen die juist willen investeren in de brede bezorgmarkt.”
De Europese regel dat een concessiehouder geen exclusief recht op postbezorging mag krijgen, vormt geen bezwaar. Ons voorstel is niet om de brievenpostmarkt exclusief aan één aanbieder toe te wijzen, maar om de UPD samen met de onderliggende brieveninfrastructuur aan te besteden. Andere aanbieders kunnen daarnaast zonder meer actief blijven – dat is geen marktverstoring maar onderdeel van ons model. Dat is niet in strijd met de Europese postrichtlijn, en geeft juist prikkels tot toetreding, innovatie, en investeringen – wat de bestaande monopoliemacht van PostNL dooft. Het maakt de concessie niet onwaardeerbaar: een bieder houdt bij zijn bod eenvoudig rekening met de concurrentie die hij tijdens de concessie verwacht. Meer concurrentie verlaagt dan de waarde van de concessie – precies zoals het hoort.
En als uitvoering van de maatschappelijk gewenste UPD-voorwaarden alleen met subsidie kan worden uitgevoerd, dan is ook dat geen bezwaar maar juist de manier om zichtbaar te maken hoeveel publieke middelen nodig zijn om dat dienstverleningsniveau efficiënt te realiseren. Het is volstrekt normaal voor een overheid om te betalen voor de uitvoering van een publieke dienst. Maar niet meer dan nodig is natuurlijk. Curieus genoeg presenteert de minister het feit dat de aanbesteding zichtbaar maakt óf en hoeveel subsidie nodig is voor de maatschappelijk gewenste dienstverlening als bezwaar, terwijl dat juist een belangrijk voordeel van ons voorstel is.
Literatuur
Haan, M.A. en M.P. Schinkel (2026a) Richt de brievenpostmarkt in volgens een regionaal concessiemodel. ESB, 111(4861), 440–443.
Haan, M.A. en M.P. Schinkel (2026b) Herstel van de brievenpostmarkt: Een voorstel voor structurele hervorming. Markt & Mededinging 2, 68–81.
MinEZK (2026) Routekaart voor de toekomst van de postmarkt. Kamerbrief, 35423, nr. 23. Te vinden op open.overheid.nl.
Rein, E. van (2026) Belastingdienst stapt naar toezichthouder om mogelijke marktverstoring PostNL. Het Financieele Dagblad, 26 mei.
RTL Z (2026) Postbezorging binnen een dag gaat 3,95 euro kosten. RTL Z Nieuwsbericht, 28 mei.
Auteurs
Categorieën