Ga direct naar de content

De bronnen van geo-economische macht

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: februari 17 2026

Geo-economische macht stelt landen in staat een eigen koers te varen en andere landen te bewegen tot concessies op belangrijke dossiers. Maar waar komt geo-economische macht eigenlijk vandaan?

De onzichtbare hand maakt plaats voor de gebalde vuist

Belang van omvang

De eerste bron van geo-economische macht is simpelweg economische omvang. Dit geldt zowel in offensieve als defensieve zin, respectievelijk het verhogen van de kosten van conflict voor anderen en het verlagen ervan voor jezelf (zie blog 4). Economische omvang heeft offensieve waarde omdat een grote economie een grote afzetmarkt impliceert, waartoe toegang grote waarde heeft. Een recent voorbeeld betreft de inzet van tarieven door de Verenigde Staten om bij verschillende handelspartners economische en geopolitieke concessies af te dwingen. Ook het zogeheten Brussel-effect – de invloed van EU-regelgeving op mondiale regels – kan niet los worden gezien van de omvang van de Europese afzetmarkt (Bradford, 2012).

In defensieve zin is daarentegen vooral het welvaartsniveau per capita relevant, omdat een rijker land zich duurdere alternatieven kan veroorloven (Broadberry en Harrison, 2025). Een voorbeeld is de energiecrisis van 2021, toen Rusland de toevoer van gas als geopolitiek drukmiddel inzette. De hoge betalingsbereidheid in Europa zorgde ervoor dat LNG-tankers in plaats van naar klanten in Azië naar Europa bewogen, en daarmee de schaarste in Europa verlichtten (IEA, 2022). Alhoewel Europa daarmee nog steeds een hoge prijs betaalden, verminderde Europese koopkracht de scherpte van de afhankelijkheid van Russisch gas wel. Die koopkracht versterkte daarmee de defensieve economische veiligheid.

Economische omvang is kortom een niet te onderschatten bron van geo-economische macht. Om dit te bereiken is nauwelijks een beleidsverandering nodig: het streven naar een hoger welvaartsniveau is al staande praktijk. Hooguit zou het een overweging kunnen zijn om meer prioriteit te geven aan economische groei versus andere publieke belangen, aangezien groei geo-economische macht als bijvangst heeft. Dit effect is in ieder geval op korte termijn echter klein.

Belang van control points

De tweede bron van geo-economische macht zijn control points: specifieke posities binnen een toeleveringsketen, technologiegebied of infrastructuur waarmee een land invloed kan uitoefenen op de beschikbaarheid van cruciale goederen en diensten voor andere landen (Farrell en Newman, 2019; TNO, 2024). Offensief beleid is gericht op het verkrijgen en behouden van control points; defensief beleid op het voorkomen en tegengaan van (de effecten van) control points van andere landen.

Control points kunnen van enorme waarde zijn. De huidige dynamiek rond bijvoorbeeld de dominante Chinese positie in kritieke aardmetalen laat duidelijk zien dat bepaalde goederen en diensten strategisch zijn, en geo-economische macht voortbrengen. Het wegvallen van de aanvoer van deze grondstoffen zou in veel landen tot economische en maatschappelijke schade leiden die vele malen groter is dan de waarde van de handel zelf.

Kritieke grondstoffen zijn strategisch in te zetten omdat de alternatieven beperkt zijn en het strakke Chinese exportvergunningssysteem het land stevige grip geeft op de sector en daarmee een krachtig drukmiddel op het wereldtoneel. Zo wist China in 2010 tijdens een territoriaal conflict met Japan deze machtspositie effectief in te zetten (ECFR, 2021). Ook recenter, bij de hoogoplopende handelsspanningen tussen de Verenigde Staten en China, speelden de exportcontrolemaatregelen een doorslaggevende rol.

Control points zijn zeldzaam

Wat een control point precies definieert is onderwerp van debat (TNO, 2024; DNB, 2025). Duidelijk is wel dat het moet gaan om goederen of diensten die cruciaal zijn voor een samenleving; dat bij dwang geen redelijke alternatieven beschikbaar zijn; en dat het land in kwestie daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om het als drukmiddel in te zetten. Control points kunnen met name als drukmiddel dienen door een bedreiging te vormen voor de leveringszekerheid. Bij technologisch geavanceerde producten of diensten kunnen ook nationale veiligheidsrisico’s zoals sabotage of spionage reëel zijn.

De voorwaarde dat er geen alternatieven beschikbaar zijn betekent dat control points in de praktijk uiterst zeldzaam zijn. De mogelijkheden voor substitutie zijn in een moderne economie schier eindeloos: de inzet van alternatieve metalen in batterijen, digitaal werk in het geval van brandstoftekorten, import van ammonia bij gebrek aan gas of een vleesarmer dieet bij voedseltekorten. De substitutiemogelijkheden die in een economie verscholen zitten zijn van tevoren nooit geheel te overzien, omdat de informatie erover conform Hayeks notie van dispersed knowledge verspreid is over de samenleving.

Al in 1962 liet Mancur Olson zien dat geallieerde bombardementen op Duitse productie van strategisch geachte rollagers en kogellagers veel minder effect sorteerden dan verwacht, omdat er in de praktijk allerlei aanpassingsmechanismen mogelijk waren (Olson, 1962). Andersom mislukte de Duitse poging om via een onderzee-oorlog voedseltekorten in het Verenigd Koninkrijk te veroorzaken. Hoewel de Britse voedselimport noodgedwongen halveerde bleven tekorten uit, omdat Britse voedselproductie sterk verschoof (Olson, 1963). Een recent voorbeeld betreft de economische schade in Duitsland van de hoge gasprijzen in 2021, die lager uitviel dan verwacht. Een sleutelfactor hierin was de onderschatting van substitutie in de Duitse economie (Moll et al., 2023).

Sturen op control points

Is er bij control points, anders dan bij economische omvang, enig handelingsperspectief voor beleidsmakers? In defensieve zin is dit duidelijk het geval. Met maatregelen zoals diversificatie, voorraadvorming en in het uiterste geval productie op eigen bodem kunnen veel risicovolle strategische afhankelijkheden – oftewel control points van anderen – worden afgebouwd.

Offensief beleid vergt dat zich economische activiteiten vormen die niet eenvoudig kunnen worden gerepliceerd in het buitenland. Sommige control points hangen samen met exogene factoren, zoals de beschikbaarheid van natuurlijke grondstoffen of de geografische ligging. Zonder deze grondstoffen of een strategische geografie ontbreekt ook het handelingsperspectief voor beleidsmakers.

Bij control points die voortkomen uit een technologische voorsprong zijn er echter wel degelijk sturingsmogelijkheden: zowel via randvoorwaardelijk beleid als directe subsidiëring kan economische activiteiten in een specifieke sector worden gestimuleerd. Hoe verstandig het is om dit te doen, hangt voor een belangrijk deel af van hoe endogeen comparatieve voordelen zijn. Ofwel: kun je als land sturen waar je in comparatieve zin goed in bent? In het Ricardiaanse denkkader zijn comparatieve voordelen een exogeen gegeven, en is het antwoord dus nee. Vanuit dit perspectief is de enige sturingsmogelijkheid subsidiëring met een oneindige tijdshorizon. Voor sommige comparatieve voordelen is de aanname van exogeniteit terecht: de beschikbaarheid van natuurlijke grondstoffen of geografische ligging zijn niet te beïnvloeden.

Er zijn echter ook comparatieve voordelen die ten minste in enige mate stuurbaar zijn. Zeker in een moderne diensteneconomie kunnen comparatieve voordelen worden beïnvloed door tal van beleidskeuzes, bijvoorbeeld rond infrastructuur, het onderwijssysteem en industriepolitiek.

Hoewel sturing hierin economisch kostbaar is, kan het wel blijvende effecten hebben op comparatieve voordelen. Als een ecosysteem eenmaal is opgestart, biedt dit een substantieel concurrentievoordeel op in een sector: het is een complex geheel van (technologische) kennis en onderlinge relaties die niet eenvoudig is om te repliceren. De comparatieve voordelen van Nederland in de halfgeleiderindustrie waren anno 1960 wellicht beperkt, maar zijn inmiddels zeer substantieel. Inderdaad is een belangrijke bevinding van moderne handelstheorie dat agglomeratie-effecten bepalend kunnen zijn voor de geografische spreiding van economische activiteiten (Fujita et al., 1999). Dit vergroot de endogeniteit van comparatieve voordelen: als ecosystemen eenmaal zijn ontstaan, zijn ze in enige mate zelfversterkend. Dit impliceert dat de economische kosten van het beïnvloeden van je comparatieve voordelen tijdelijk kunnen zijn.

De casus van kritieke aardmetalen lijkt bij uitstek een voorbeeld van exogene comparatieve voordelen. Ook hier is echter sprake van enige mate van endogeniteit. China heeft naast het winnen van aardmetalen ook een sterke positie verworven bij de verwerking ervan, wat eveneens als control point kan fungeren. Die sterke positie is mede het gevolg van beleidskeuzes ondersteund met substantiële staatssteun, tot wel 10 miljard dollar gedurende 2010 tot 2019 op een exportstroom die gemiddeld jaarlijks slechts 2 miljard dollar bedroeg (Dong et al., 2020; Guo, Mai, 2022).

Concluderend zijn control points essentieel voor het vergroten van geo-economische macht, en is het niet ondenkbaar om beleid te formuleren dat hierop inzet. In het volgende blog bespreken we hoe zulk beleid eruit zou kunnen zien.

Literatuur

Bradford, A. (2012) The Brussels Effect. Northwestern University Law Review, 107(1), Columbia Law and Economics Working Paper No. 533.

Broadberry, S. en M. Harrison (2025) Economic Warfare and Sanctions Since 1688. Cambridge: Cambridge University Press.

Dong, J., M. Zheng en C. Zhong (2020) Effect of government financial support on the development of China’s rare earth industry and influencing factors. Resources Science 42(8), 1551–1565.

DNB (2025) Kijk voor strategische afhankelijkheden naar goederen, niet sectoren. ESB. 28 november.

Auteurs

Categorieën

Plaats een reactie