Ga direct naar de content

De baten van de interne markt worden overschat

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: februari 11 2026

Verdieping van de Europese interne markt staat hoog op de politieke agenda. Steeds wordt daarbij aangenomen dat de baten van de interne markt opwegen tegen de herverdelende kosten die met die verdieping verbonden zijn. Klopt dat wel?

In het kort

  • De analytische literatuur, noch de statistische uitkomsten wijzen op eenduidige positieve effecten van het harmonisatiebeleid.
  • Herbezinning met een bredere blik op de oorzaken van groeiverschillen en kritische reflectie op integratiestudies is nodig.
  • Politici moeten dure Europese compromissen op hun eigen merites aanprijzen en niet vanwege vermeende interne-markteffecten.

Met de in het meerjarig financieel kader 2028-2034 voorgestelde ophoging van het EU-budget en de hernieuwde uitbreiding staan verdieping en verbreding van Europese integratie opnieuw hoog op de politieke agenda. Nieuwe, politiek gevoelige en dure compromissen liggen daarmee in het verschiet (Wesseling, 2025). Een terugkerend argument om verdere integratiestappen te verdedigen, is dat de welvaartsbaten van de interne markt dermate groot zijn dat deze compromissen meer dan goed gemaakt worden (Tweede Kamer, 2025). De aanname is veelal dat de economische baten groot zijn en er nog meer winst volgt als economische integratie wordt ‘afgemaakt’. Hierbij gaat het onder meer om de kapitaalmarktunie (gericht op sparen en investeren), industrie- en technologie­beleid (Draghi, 2024), eurobonds, en het opruimen van handelsbeperkingen zoals die nu ervaren worden (IMF, 2024). Maar is het wel terecht om welvaartsstijging toe te schrijven aan het interne-marktbeleid? In dit artikel maken een scan van modelmatige analyses in de internationale interne-marktliteratuur en we vergelijken de welvaartsgroei van de oude EU-15 met de ontwikkelingen in vergelijkbare OESO-landen.

Model-analytisch perspectief in Nederland

In het Nederlandse debat over de baten van de interne markt zijn de studies van het CPB (2008; 2022) toonaangevend geweest. In de nasleep van het ‘nee’ tegen de Europese grondwet in 2005 schatte het CPB (2008) de opbrengst van de interne markt rond de duizend euro per inwoner per jaar. Dat werd in de media en politiek gepresenteerd als één maandsalaris. Later kwam daar nog de schatting bij dat invoering van de euro één weeksalaris zou hebben opgeleverd (Teulings et al., 2011).

Na de erkenning door de directeur van het CPB dat  de schatting dat de invoering van de euro één weeksalaris had opgeleverd te hoog was (De Telegraaf, 2014; CPB, 2014), ontstond enige ophef. Mede omdat ook het extra maandsalaris als resultaat van de interne markt overoptimistisch bleek. Een latere studie schatte de handelsbaten op 3,1 procent van het bruto binnenlands product (CPB, 2022). Overigens schatte de Amerikaanse kamer van koophandel het effect per hoofd van de bevolking voor Nederland tussen 1995 en 2015 op slechts 0,79 procent (Le Europe, 2017).

Model-analytisch perspectief internationaal

Ook in de internationale literatuur zien we dat de inschattingen van de effecten van de interne markt zeer wisselend zijn en soms overdreven worden. Opvallend daarbij is dat studies gepubliceerd tijdens de beleidsvoorbereiding vaak hogere effecten rapporteren dan studies die op andere momenten worden gepubliceerd. We bespreken de studies in chronologische volgorde.

Aanpak in de literatuur

Aanleiding voor studies naar baten van de interne markt is vaak de achterstand ten opzichte van andere werelddelen met als aanbeveling om deze in te lopen door het ‘vervolmaken’ van de interne markt. Dit gold al voor het boek Le défi américain van Servan-Schreiber (1967), dat de relatie tussen schaalgrootte en concurrentievermogen op de kaart zette, en geldt nog steeds voor het rapport van Draghi (2024). De opdrachtgevers en initiatiefnemers van de onderzoeken lopen uiteen, van onafhankelijke onderzoeken tot analyses in opdracht van overheden, bedrijfsleven of ngo’s (Cecchini et al., 1988; Bertelsmann Stiftung, 2019).

Vaak hebben deze studies de vorm van modelmatige projecties, waarbij het welvaartseffect soms direct wordt geraamd en soms via handelsvolumes loopt. Zo zijn er studies op basis van landenvergelijkingen, en studies op basis van gravitatiemodellen die kijken naar omvang, afstanden en verknopingen van toeleveranciers (Baldwin en Taglioni, 2006). Daarnaast zijn er meer sectorale studies, zoals naar de impact op het midden- en kleinbedrijf, zie kader 1.

Kader 1: Belang van de interne markt voor het mkb

Aan de ene kant staan studies die de interne markt voor het mkb van groot belang achten. Een enquête van de Implement Consulting Group (2024; gefinancierd door Amazon) stelt dat 95 procent van de exporterende mkb’ers in elf lidstaten voordeel heeft bij de interne markt en er meer winst te behalen is met het stimuleren van een digitale infrastructuur en “climate goods and services”. Daartegenover staat het kritische rapport van de National Board of Trade Sweden (2024) dat waarschuwt voor onuitvoerbare regulering (duurzaamheid, digitalisering), een toename in onzekerheid door interfererende wetgeving, handhavingsproblemen en groeiende fricties met andere werelddelen. Sun en Pelkmans (1995) waarschuwden dat slechts een beperkt deel van het mkb daadwerkelijk de behoefte heeft om pan-Europees te opereren. De gravitatiestudies laten op hun beurt meer voordeel voor het mkb zien, omdat de toeleveranciers van bedrijven die op de interne markt opereren, worden meegewogen.

 

Het 1992-programma

De hausse aan interne-marktwetgeving stamt van na het bekende whitepaper van Cockfield (1985) van de Europese Commissie, met de beroemde 300 voorgestelde harmonisatiemaatregelen die de basis werden van de bloei van Europese integratie onder Jacques Delors, commissievoorzitter tussen 1985 en 1995. Deze 300 voorstellen hadden eind 1992 als deadline (het ‘1992-programma’) en bleken een recept dat tal van politieke en maatschappelijke krachten stimuleerde. Het wetgevingsproces werd ondersteund door de Europese Akte van 1986, die wederzijdse erkenning van standaarden mogelijk maakte op basis van minimum-harmonisatie, en door uitbreiding van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheden. Dit beleid is later verdiept en verbreed met, onder meer, de introductie van de euro in het Verdrag van Maastricht (1992) en de stapsgewijze uitbreiding naar uiteindelijk 27 lidstaten.

Studies in de aanloop naar Delors’ 1992-programma tonen de beperkte welvaartseffecten van de interne markt in de zes tot twaalf lidstaten tot dan toe. Aanvankelijke inschattingen van de groei-effecten van verdiepte integratie in de jaren tachtig waren laag (Nelson en Pelkmans, 1985). Landau (1995) en Vanhoudt (1999) zagen in een vergelijking van groei per capita in rijke OESO-landen tussen 1950 en 1990 geen significante verschillen tussen EEG- en niet-EEG-landen. Vanhoudt vond geen schaaleffecten en concludeerde dat de economische groei afnam door de uitbreiding van zes tot tien lidstaten.

Om het 1992-programma op de kaart te zetten, publiceerde de Commissie een studie naar de ‘Costs of Non-Europe’ (Cecchini et al., 1988). Hierin werd het effect over de lange termijn geschat op 5 à 6,5 procent van het bbp. Dit stimuleerde het optimisme over de interne markt en de Europese integratie. Baldwin et al. (1992) en Allen et al. (1998) schatten de baten van een vergrote concurrentie op basis van de interne markt voor goed geïntegreerde kleinere lidstaten en specifieke sectoren zelfs op tien à twintig procent over een periode tot tien jaar.

25 jaar interne markt

De studie van Campos et al. ( 2014) vergelijkt het groeipad van de EU, samengesteld uit de hoogontwikkelde economieën van vroege lidstaten en ex-Oostbloklanden, met dat van een groep van elf OESO-landen (geen EU) en 24 middeninkomenslanden. Die analyse suggereert een positief effect van EU-lidmaatschap (een aanzienlijk bredere vergelijking dan die voor de interne markt alleen) van gemiddeld twaalf procent inkomen per hoofd. France Stratégie (2017) benadrukt het belang van de interne markt maar ziet ook dat de afname in de productiviteitsgroei ten opzichte van de VS is doorgezet. De publicatie bepleit het ‘afmaken’ van de interne markt, waardoor handelsvolumes sterk zouden groeien.

In zijn studie van 25 jaar interne markt concludeert commissieambtenaar In ’t Veld (2019) dat de herschikking van het micro-economische krachtenveld de interne markt tot een succes heeft gemaakt. Met een geschatte toename van het gemiddelde Europese bbp van acht à negen procent op de lange termijn overstijgt zijn schatting die uit het boek van ­Cecchini et al. (1988).

Uitbreiding interne markt

Een andere toon slaan Barnebeck Andersen et al. (2019) aan op basis van een vergelijking van het bbp per hoofd in 21 EU- en non-EU-landen (OESO-landen) sinds 1961. Zij zien geen bevestiging van de hypothese dat groei na de grote uitbreiding van 2004 hoger was dan in de controlegroep. “This constitutes a sobering and transparent piece of evidence to suggest that EU membership is no pre-packaged growth recipe.” Zij pleiten om die reden voor een agnostische opstelling in het debat over de interne markt en plaatsen vraagtekens bij publieksgerichte overheidspublicaties.

Brexit

Tot slot vormde de Brexit een proeftuin voor inschattingen van het belang van de interne markt. In de aanloop naar Brexit was de breed gedeelde inschatting dat die zeer schadelijk zou zijn. HM Treasury (2016) verwachtte een verlies in bbp van zes procent over een periode van vijftien jaar. Dhingra et al. (2016) schatten een terugloop van 6,3 tot 9,5 procent van het bbp op de lange termijn bij een Brexit op basis van WTO-regels, en van 1,3 tot 2,6 procent bbp op basis van de mildere ‘Noorse’ beleidsvariant. De OESO (2016) sprak van een ‘Brexit-belasting’ van vijf procent in 2030 door de gecreëerde onzekerheid en hogere prijzen. The Office for Budget Responsibility schatte dat de goederenhandel op de lange termijn vijftien procent zou achterblijven (OBR, 2023).

De ‘Leave’-campagne schermde daarentegen met een positief macro-inkomenseffect van vier procent door deregulering en handelsakkoorden (Sampson et al., 2016). Hoewel de meeste studies alarmistisch waren, bleef de gevreesde crisis uit en is Brexit, ondanks het ontbreken van adequaat nationaal beleid, vooralsnog minder slecht uitgepakt dan gedacht, met mogelijk een verlies van twee tot vier procent van het bnp (Portes, 2023; Reuters, 2025). Daarbij laten Europese bbp-groeicijfers voor de periode 2017–2024, met daarin Brexit, corona en het grote Europese coronanoodfonds, zien dat het VK gemiddeld onder de EU-15 scoorde maar boven Duitsland (VK 1,0 procent, Duitsland 0,6 procent en de EU-15 1,3 procent). Gezien de stroom van Brexit-studies zijn er natuurlijk nog geen definitieve oordelen of inzicht in de kosten mogelijk.

Het macro-statistisch perspectief

Als de interne markt zo invloedrijk is geweest als de beleidsinzet aanneemt, zouden we de invloed daarvan terug moeten zien in de comparatieve ontwikkelingen. Dat is echter niet of nauwelijks het geval. Dat bewijst niet dat er geen positieve effecten zijn geweest, maar dwingt tot bijstelling van het beeld van de historische empirie op basis waarvan het debat veelal wordt gevoerd.

In alle hoogontwikkelde landen is de economische groei sinds het begin van de jaren zeventig gedaald (figuur 1). De EU-15 groeide echter langzamer dan zowel de rijkere VS als de OESO als geheel. Tussen 1971 tot 1987 was de groei in de EU-15 gemiddeld 0,8 procentpunt lager dan in de hele OESO, tussen 1987 tot 2024 bedroeg het verschil 0,7 procentpunt. Hoewel het verschil ten opzichte van de VS met name eind jaren negentig het grootst was, is er sinds de financiële crisis (2008–2012) nog steeds een negatieve trend zichtbaar. Deze lagere groei vindt plaats terwijl de interne markt harmoniseert en de groei trekt daarna niet aan.

Ook op het niveau van de lidstaten is de groei lager; de kloof met de Verenigde Staten varieert van 0,2 procentpunt voor Zweden tot 1,1 procentpunt voor Italië. Voor alle individuele economieën binnen de EU-15 geldt dat de groei is achtergebleven en dat daarin met de ontplooiing van het actief harmoniserend interne-marktbeleid geen verandering is opgetreden. Uitzonderingen vormden Oost-Europa en de Baltische landen (waarvoor de data pas vanaf 1994 dekkend zijn). Hier was de welvaartsgroei structureel hoger, waarbij het verschil sinds de financiële crisis aanmerkelijk kleiner is geworden. Het is verleidelijk om die groei ook te scharen onder effecten van de interne markt, zoals Bolhuis (2020) doet. Dat leidt echter tot een vorm van spraakverwarring: de groei van Oost-Europa was vooral het gevolg van de uitbreiding van markttoegang, liberalisatie van na de Sovjetperiode en daarmee vooral van ‘catch-up growth’, en nationaal beleid (Schout en Van Riel, 2023).

Marktintegratie maakt arbeidsdeling mogelijk en zou dus in theorie tot productiviteitsstijgingen moeten leiden. De groei van de productiviteit in de EU-15 was tot eind jaren tachtig hoger dan in de VS, maar juist in de periode die overeenkomt met de uitrol van het interne-marktbeleid vertraagde de productiviteitsgroei in de EU-15, zo toont Ameco-data.

Tot slot roept ook de ontwikkeling van de buitenlandse handel op lange termijn twijfel op over het feitelijke belang van het interne-marktbeleid. De groei van de export in goederen (in constante prijzen) binnen de EU veranderde, ondanks de beleidsagenda van verdiepte integratie, voor en na eind jaren tachtig niet; sinds de financiële crisis is de exportgroei zelfs significant lager geworden (tabel 1). De groei in de totale export, ook naar buiten de EU, van zowel goederen als diensten nam tot de financiële crisis daarentegen wel aanmerkelijk toe, en de terugval daarvan sindsdien is ook kleiner. Hoewel de relatieve omvang van intra-EU-exporten groter is, vormde het effect van de globalisering dus ook tijdens de periode waarin het interne-marktbeleid werd uitgerold een sterkere bron van groei in handelsvolumes. Dit komt ook terug in het afnemende relatieve belang van intra-Europese exporten. Bedroeg het aandeel daarvan voor Nederland bij goederen in de jaren tachtig nog 78 procent, in 2024 stond het op 70 procent.

Verklaringen

Macro-economische uitkomsten zijn de resultante van veel factoren: de kwaliteit van nationale instituties, begrotingsbeleid, de efficiëntie van overheidsuitgaven, werking van nationale energiesystemen, en de mate en aard van regulering. Lidstaten verschillen hierin aanmerkelijk en dat beïnvloedt de groei van de interne markt als geheel (Schout en Van Riel, 2023). Nationale en Europese prikkels en beleidsprocessen grijpen daarbij op elkaar in en het is onduidelijk in hoeverre groeiverschillen per saldo toegeschreven kunnen worden aan Europees beleid (Benz en Stutzer, 2004).

Niettemin valt de groei in de interne markt tegen, vergeleken met vergelijkbare landen buiten de EU-15. Daarvoor zijn verschillende verklaringen. Ten eerste is de focus van de interne markt nog altijd gericht op de productie en het verhandelen van goederen, terwijl het macro-economisch belang daarvan is afgenomen en er bij diensten eerder sprake is geweest van vergaande nationale en Europese regulering, met nadelige gevolgen voor de Europese handelspositie (Draghi, 2024).

Ten tweede gaat van EU-beleid niet altijd een positieve invloed uit. Het ‘EU-economisch model’ omvat veel meer dan het wegnemen van barrières. Harmonisatie sluit ook uit, en leidt tot (opwaartse) vervangende reguleringsdruk en nieuwe verstarringen. Het EU-beleid gaat uit van de notie dat harmonisatie per definitie goed is, ook als het concurrentie en innovatie verdringt. Dit is strijdig met conclusies van studies over de dichtheid en effecten van zowel nationale als Europese regulering (ECB, 2017), en over voordelen van beleidsconcurrentie.

Ten derde kent het EU-beleid zijn eigen dynamiek. De uitgangspunten tijdens het Delors-tijdperk waren minimumharmonisatie en wederzijdse erkenning van productnormen. Dit is in de loop van de tijd omgeslagen richting maximum-harmonisatie in de vorm van ambitieuze wetgevingspakketten, uitbreiding van EU-competenties, en r­atcheting up van bestaande Europese regels. Niet voor niets bekritiseerde Draghi (2024) de perverse prikkels die van EU-beleid uitgaan, zoals administratieve lasten, inconsistenties, uitvoeringsproblemen, en het uit de pas lopen bij andere economieën (ECB, 2017).

Ter overdenking

We zien een paradox. Al sinds Servan-Schreiber (1967) leidt de achterstand van de EU in innovatie en concurrentievermogen op de VS en Azië tot de oproep om de nationale handelsbarrières die de interne markt fragmenteren te slechten en om de interne markt verder te integreren. Deze harmonisatie en integratie levert vervolgens onvoldoende groei op, wat weer de voedingsbodem creëert voor verdere harmonisatie.

Sinds het Delors-programma lijkt er sprake van een patroon van aanvankelijk hogere inschattingen dan uit vervolgstudies blijkt. Ook bij de Brexit is dit patroon zichtbaar. Deze tentatieve waarneming levert een hypothese voor nader onderzoek. Wie meent dat de welvaartsbaten van het interne-marktbeleid onbetwistbaar zijn, zal antwoord moeten geven op de vraag welke factoren er voor hebben gezorgd dat de groei in de EU-15 lager was.

De neiging tot aanvankelijk hogere inschattingen zou tot kritische reflectie moeten leiden. Als de interne-markteffecten in de beleidsvoorbereiding hoger werden ingeschat, geldt dat dan niet ook voor de effecten van hogere EU-budgetten, de effecten van het herstel- en veerkrachtfonds, de vormgeving van de kapitaalmarktunie (Gros en Schout, 2023) of het cohesiebeleid (Schout, 2024)? Een studie van evaluatierapporten van de Europese Rekenkamer laat een ‘positive bias’ zien in de inschatting van beleids­effecten (Schout, 2025).

Introspectie is vereist. De besturingstheorie van terugkoppelingen in complexe systemen leert dat als steeds dezelfde patronen verschijnen, de onderliggende modellen niet passen en daarmee de aanbevelingen niet tot oplossingen leiden. In plaats van optimistisch te spreken over een ‘Brussels effect’ (Bradford, 2020) zou de Europese Unie er goed aan doen om kritisch te kijken naar de voor- en nadelen van EU-beleid en harmonisatie in de volle breedte, met daarbij voldoende aandacht voor de complexiteit van de werkelijke ontwikkelingen en de nadelen van harmonisatie, oplopende regeldruk, en werkelijke effecten op het internationaal concurrentievermogen (Rodrik, 2011).

Getty Images

Literatuur

Allen, C., M. Gasiorek, A. Smith et al. (1998) The competition effects of the single market in Europe. Economic Policy, 13(27), 440–486.

Baldwin, R. en D. Taglioni (2006) Gravity for dummies and dummies for gravity equations. NBER Working Paper, 12516.

Baldwin, R., P.-A. Chiappori en A. Venables (1992) The growth effects of 1992. Economic Policy, 4(9), 247–281.

Barnebeck Andersen, T., M. Barslund en P. Vanhuysse (2019) Join to prosper? An empirical analysis of EU membership and economic growth. Kyklos, 72(2), 211–238.

Benz, M. en A. Stutzer (2004) Are voters better informed when they have a larger say in politics?: Evidence for the European Union and Switzerland. Public Choice, 119(1/2), 31–59.

Bertelsmann Stiftung (2019) Estimating economic benefits of the Single Market for European countries and regions. Policy Paper.

Bolhuis, W. (2020) Nederlandse economie afgelopen decennia nog afhankelijker van het buitenland. ESB,105(4786), 264–267.

Bradford, A. (2020) The Brussels Effect: How the European Union rules the world. Oxford: Oxford University Press.

Campos, N.F., F. Coricelli en L. Moretti (2014) Economic growth and political integration: Estimating the benefits from membership in the European Union using the Synthetic Counterfactuals Method. IZA Discussion Paper, 8162.

Cecchini, P., M. Catinat en A. Jacquemin (1988) The European Challenge, 1992: The benefits of a single market. Aldershot: Wildwood House.

Cockfield, F.A. (1985) Completing the internal market. White Paper from the Commission to the European Council, 28-29 juni. Te vinden op europa.eu.

CPB (2008) The Internal Market and the Dutch Economy: Implications for trade and economic growth. CPB Document, 168.

CPB (2014) Toelichting CPB-onderzoek opbrengsten introductie euro: Voor de minister van Economische Zaken. CPB Notitie, 21 mei. Te vinden op www.eerstekamer.nl.

CPB (2022) Handelsbaten van de EU en de interne markt. CPB Notitie, januari.

De Telegraaf (2014)  ‘CPB overdreef voordeel euro’, 17 mei.

Dhingra, S., G. Ottaviano, T. Sampson en J. Van Reenen (2016) The consequences of Brexit for UK trade and living standards. LSE – Centre for Economic Performance.

Draghi, M. (2024), The future of European competitiveness. A competitiveness strategy for Europe. Europese Commissie Rapport, september. Te vinden op commission.europa.eu.

ECB (2017) The slowdown in euro area productivity in a global context. ECB Economic Bulletin, issue 3.

France Stratégie (2017) Making the best of EU’s single market. Les notes du conseil d’analyse économique, 38. Te vinden op www.strategie-plan.gouv.fr.

Gros, D. en A. Schout (2023) Scenarios for the eurozone: A realistic perspective between hopes and fears. CEPS Policy Paper, 15 maart.

HM Treasury (2016) The long-term economic impact of EU membership and the alternatives. UK Stationery Office, april. Te vinden op www.gov.uk.

IMF (2024) Regional Economic Outlook for Europe: A recovery short of Europe’s full potential. IMF, oktober.

Implement Consulting Group (2024) A path to prosperity, competitiveness and growth – putting SMEs back at the centre of the Single Market. Implement Consulting Group, Rapport.

Landau, D. (1995) The contribution of the European common market to the growth of its member countries. Weltwirtschaftliches Archiv, 131(4), 774–782.

Le Europe (2017) The EU single market: Impact on member states. Brussel: American Chamber of Commerce to the European Union. Te vinden op www.amchameu.eu.

National Board of Trade Sweden (2024) The cumulative effect of EU regulations on external trade: From free movement towards more conditioned trade. National Board of Trade Sweden, mei.

Nelson, J.W. en J. Pelkmans (1985) Naar een voltooide interne markt: enkele empirische argumenten. ESB, 70(3534), 1216–1221.

OBR (2023) Economic and fiscal outlook – November 2023. Office for Budget Responsibility; UK Stationery Office, november. Te vinden op obr.uk.

OESO (2016) The economic consequences of Brexit: A taxing decision. OECD Economic Policy Paper, 28 april.

Portes, J. (2023) The impact of Brexit on the UK economy: Reviewing the evidence. VoxEU Column, 7 juli. Te vinden op cepr.org.

Reuters (2025) Brexit offers world a warning about trade barriers, BoE’s Bailey says. Reuters Nieuwsbericht, 18 oktober.

Rodrik, D. (2011) The globalization paradox: Democracy and the future of the world economy. New York en Londen: W.W. Norton & Company.

Sampson, Th., S. Dhingra, G. Ottaviano en J. Van Reenen (2016) Economists for Brexit: A Critique. LSE: CEP BREXIT ANALYSIS No. 6.

Schout, A. (2024) Cohesion policy: A management audit. Clingendael Report, februari.

Schout, A. (2025) The commission’s EU budget proposals: Caught between ambition and governance deficit. Clingendael, te verschijnen.

Schout, A. en A. van Riel (2023) The state of economic convergence in the eurozone: Two decades of monetary union and economic governance. Clingendael Report, december.

Servan-Schreiber, J.-J. (1967) Le défi américain. Parijs: Éditions Denoël.

Sun, J.-M. en J. Pelkmans (1995) Regulatory competition in the Single Market. Journal of Common Market Studies, 33(1), 67–89.

Teulings, C., M. Bijlsma en G. Gelauff (2011) Europa in crisis. Uitgeverij Balans.

Tweede Kamer (2025) Kabinet Schoof, Kamerstuk 21 501-20, 2245, 28 maart 2025.

Vanhoudt, P. (1999) Did the European unification induce economic growth? Weltwirtschaftliches Archiv, 135(2), 193–220.

Veld, J. in ’t (2019) The economic benefits of the EU Single Market in goods and services. Journal of Policy Modeling, 41(5), 803–818.

Wesseling, J. (2025) Europa’s uitdaging ligt binnen de eigen grenzen. ESB, 110(4845), 234–237.

Auteurs

  • Adriaan Schout

    Senior onderzoeker bij Instituut Clingendael

  • Arthur van Riel

    Bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en senior onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Plaats een reactie