Ga direct naar de content

Clusters geen walhalla voor innovatie

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: maart 5 2004

Clusters geen walhalla voor innovatie
Aute ur(s ):
Bruijn, P.J.M. de (auteur)
Muskens, A.C. (auteur)
Manshanden, W.J.J. (auteur)
De auteurs zijn als adviseur ruimtelijke economie werkzaam b ij tno Inro te Delft. De Bruijn is tevens als onderzoeker verb onden aan de Nijmegen
School of Management van de ku Nijmegen. p.deb ruijn@inro.tno.nl
Ve rs che ne n in:
ESB, 89e jaargang, nr. 4428, pagina 103, 5 maart 2004 (datum)
Rubrie k :
Innovatie
Tre fw oord(e n):

In hoeverre speelt het vestigingsklimaat door clustervorming van economische activiteiten een rol in innovatieprocessen? Dit hangt
sterk samen met samenwerking in innovatietrajecten.
In het diamantmodel van Michael Porter nemen clusters van nabijgelegen bedrijven een belangrijke plaats in. Clustervorming stimuleert
innovatie en productiviteitsgroei en daarmee onze nationale concurrentiepositie en welvaart. In dit artikel geven we een bijdrage aan het
innovatiedebat vanuit een ruimtelijk economische invalshoek door na te gaan of de regionale inbedding van bedrijven in zogeheten
clusters een bijdrage aan innovatie levert.
De regio als katalysator
Porter ziet ruimtelijke clustervorming van bedrijven als een belangrijke determinant van concurrentiekracht1. Nabijheid kan innoverende
bedrijven twee belangrijke voordelen bieden. Deze worden door Porter in zijn clusterdefinitie aangeduid als
‘complementarities’ (efficiëntiewinsten door directe samenwerking in innovatietrajecten) en ‘commonalities’ (efficiëntiewinsten door
gezamenlijk gebruik van voorzieningen)2. Persoonlijk contact en vertrouwen drukken transactiekosten in samenwerkingsrelaties,
waardoor bedrijven zich meer op kernactiviteiten kunnen richten en zo maximaal schaal- en scopevoordelen in innovatietrajecten kunnen
benutten. Ook wanneer nabijgelegen bedrijven geen directe onderlinge relatie onderhouden, kan er sprake zijn van synergie.
Innoverende bedrijven gebruiken dezelfde productiefactoren, zoals gekwalificeerde arbeid of ict-infrastructuur. Clusters creëren massa
voor investeringen in dergelijke voorzieningen in het productiemilieu.
Succesvoorbeelden
Clusters van bedrijven vormen een aantrekkelijk concept voor beleidsmakers. Uit Porters model valt niet alleen de positieve relatie tussen
clustervorming en innovatie af te leiden, maar blijkt ook dat innovatie meer gebonden is aan de regio, juist vanwege de afhankelijkheid
van de regionale productieomgeving. In navolging van succesvoorbeelden als Silicon Valley zijn de afgelopen jaren talloze
clusterinitiatieven opgestart. Hoewel het succes van Silicon Valley niet lijkt te worden geëvenaard, blijkt het clusterconcept ook vandaag
de dag nog steeds een aantrekkelijk perspectief voor innovatie te zijn. Tegenwoordig wordt Finland vaak als voorbeeld genomen in de
Nederlandse innovatiediscussie. Anders dan Nederland, koos Finland in het midden van de jaren tachtig niet voor een strategie die
gebaseerd was op loonmatiging, maar mikte het land op investeringen in nieuwe economische sectoren en technologieën. Het Finse
model is voor een belangrijk deel gericht op de ontwikkeling van regionale clusters die gezamenlijk Finland naar een leidende positie op
perspectiefrijke groeimarkten dienen te brengen3.
Clusters in de empirie
Uit empirisch onderzoek blijkt de relatie tussen clustervorming en innovatie minder eenduidig dan de theorie veronderstelt. Beugelsdijk
en Cornet onderzochten deze relatie op basis van naar postcode uitgesplitste innovatiegegevens uit de Innovatie-enquête van het
Centraal Bureau voor de Statistiek. Zij concluderen dat nabijheid tot innovatoren geen significante invloed heeft op het innovatieve
karakter van bedrijven4. Vorig jaar hebben Van der Panne en Kleinknecht in esb een positieve relatie tussen agglomeratievoordelen en
het aantal aankondigingen van nieuwe producten in vaktijdschriften vastgesteld5. Manshanden betrekt het internationale schaalniveau
in de analyse. Regionale clusters worden veelal geleid door internationaal georiënteerde bedrijven die in nauw contact staan met
belangrijke spelers op de wereldmarkt6. Samenwerking in innovatietrajecten vindt juist in deze exportrelaties plaats. Gezien de veelheid
aan gebruikte definities, de focus op verschillende deelaspecten en het gebruik van verschillend datamateriaal als empirische basis, zijn
verschillen in boven aangehaalde conclusies niet verrassend te noemen. Voor tno Inro is dit de aanleiding geweest een meerjarig
onderzoeksprogramma naar de rol van de ruimtelijke omgeving in innovatieprocessen op te starten.
Integraal perspectief
Porters definitie van clusters biedt concrete aanknopingspunten voor een meer integrale benadering. Efficiëntiewinsten door

samenwerking (‘complementarities’) en gezamenlijk gebruik van voorzieningen (‘commonalities’) zijn geoperationaliseerd door enerzijds
toelevering- en uitbestedingrelaties en anderzijds aanwezigheid van innoverende bedrijven in de productieomgeving te relateren aan de
resultaten van innovatieprocessen. Biregionale input-outputtabellen verschaffen kwantitatieve informatie op bedrijfstakniveau over
ruimtelijke patronen van de productiewaarde van intermediaire leveringen. De aanwezigheid van innoverende bedrijven in de
productieomgeving is op basis van de Innovatie-enquête van het cbs geoperationaliseerd als het aandeel van innovatoren in de totale
bedrijvigheid. Op zichzelf zeggen dergelijke clusterindicatoren nog weinig over innovatie7. Ze dienen dan ook gekoppeld te worden aan
de innovatiekracht van bedrijven, die in ons model zijn geoperationaliseerd als het percentage innovatieve producten in de omzet en het
door ondernemers ingeschatte effect van innovatie op de concurrentiekracht. Omdat de Innovatie-enquête slechts ruimtelijk onderscheid
maakt naar provincies (zie kader) is dit het niveau waarop onze conclusies over de rol van de regionale omgeving in innovatieprocessen
dienen te worden geïnterpreteerd.
Resultaten
Op de website van esb staan de onderzoeksuitkomsten grafisch weergegeven8. Uit de figuur valt af te leiden dat provinciale
clustervorming in termen van toelevering en uitbesteding in de productieketen geen statistisch significante relatie blijkt te onderhouden
met innovativiteit van de innoverende onderneming. Dit geldt voor zowel bedrijven die in samenwerkingsverband innoveren als
bedrijven die op eigen kracht innoveren. Alleen voor laatstgenoemde groep oefent clustervorming, in termen van de regionale
aanwezigheid van innovatoren, een significant effect uit op de resultaten van innovatieprocessen. Bedrijven die in
samenwerkingsverband innoveren, stellen zich – ten opzichte van bedrijven die op eigen kracht innoveren – relatief onafhankelijk op
tegenover hun productieomgeving. Het aandeel innovatieve producten in de omzet wordt in eerste instantie bepaald door bedrijfsinterne
innovatie-inspanningen. Deze hebben het grootste effect op resultaten van innovatieprocessen. Innovatie is van strategisch belang
voor de toekomst van de onderneming. Daarom zullen bedrijven geneigd zijn dit belang binnenshuis te houden. Het belang dat gehecht
wordt aan externe informatie kent alleen een statistisch significant effect op resultaten van innovatie voor bedrijven die niet in
samenwerkingsverband innoveren. Bedrijven die wel in samenwerkingsverband innoveren, zijn dus minder afhankelijk van externe
informatie in innovatietrajecten dan bedrijven die niet in samenwerkingsverband innoveren.
Theoretische implicaties
De resultaten van onze analyses staan in schril contrast met theoretische clusterbenaderingen, waar regionale clustervorming,
uitwisseling van informatie en samenwerkingsrelaties in innovatietrajecten gezamenlijk bijdragen aan de resultaten van
innovatietrajecten. Zo stellen Scott en Storper dat kennisuitwisseling en samenwerking verband houden in innovatietrajecten correleren
met regionale verdichtingen in productieketens van
toelevering en uitbesteding9 en brengen Maskell en Malmberg samenwerking in innovatietrajecten in verband met uitwisseling van
kennis binnen regionale clusters10. Waar de theorie uitgaat van een complementaire relatie, duiden onze analyses op substitutie tussen
clustervorming en kennisdiffusie enerzijds en samenwerking in innovatietrajecten anderzijds.
Binnenlandse of buitenlandse partners
Naast regionale clustervorming is ook de herkomst van samenwerkingspartners een belangrijke ruimtelijke dimensie in innovatietrajecten.
In tabel 1 valt af te lezen dat Nederlandse innovatoren vooral innoveren met binnenlandse partners. Bedrijven die met buitenlandse
partners innoveren, zijn aanmerkelijk innovatiever (in termen van het aandeel innovatieve producten in de omzet) dan bedrijven die met
Nederlandse partners samenwerken op het vlak van innovatie. Overigens hoeft dit nog niets te zeggen over de richting van het verband
tussen internationale oriëntatie in het aangaan van samenwerkingsverbanden en innovativiteit. Internationale oriëntatie kan een
verklarende factor zijn voor sterke innovatiekracht. Het kan echter net zo goed een afspiegeling zijn van een relatief hoge
aantrekkelijkheid om als innovatieve partner in wereldwijd georganiseerde innovatienetwerken te worden opgenomen. Uitgesplitst naar
grootteklasse van innoverende bedrijven, blijkt het verschil in innovativiteit tussen grote en kleine bedrijven (het grootbedrijf is
aanmerkelijk meer innovatief dan het midden- en kleinbedrijf) sterk samen te hangen met verschillen in oriëntatie op partners in de
nationale en internationale bedrijfsomgeving.

Tabel 1.Herkomst van partners en innovativiteit, in procenten.
schaal van samenwerkingsverband

binnenland (N = 1008)
buitenland (N = 237)
zowel binnen- als buitenland
(N = 601)

aandeel bedrijven
dat met betreffende
partner(s) innoveert

aandeel innovatieve
producten in de omzet
van betreffende innovatoren

88
40

25
33

28

33

Bron: tno Inro, op basis van cis 2.0

Operationalisatie en modellering
Clustervorming
De twee dimensies in Porter’s clusterdefinitie zijn als het volgt geoperationaliseerd. Voor de twaalf Nederlandse provincies

hebben we complementariteit in productieketens gedefinieerd als het aandeel van binnenprovinciale leveringen in de som van
leveringen tussen Nederlandse bedrijven. Deze maat voor ruimtelijke clustervorming geeft een indicatie van de mate waarin
nabijgelegen bedrijven aan elkaar leveren in het productieproces. Gemeenschappelijk gebruik van productiefactoren is
geoperationaliseerd als het aandeel innovatoren in de provincie waarin het innoverende bedrijf is gelokaliseerd. Voor beide
clusterdimensies is een sectoraal onderscheid gemaakt op basis van negentien industriële sbi-sectoren tussen
binnensectorale clustervorming en clustervorming in het algemeen. Omwille van datatechnische beperkingen is gekozen voor
de twaalf Nederlandse provincies als de ruimtelijke eenheid van analyse.

Innovatie
Genoemde clusterindicatoren, geaggregeerd op het niveau van bedrijfstakken binnen provincies, zijn gekoppeld aan een
uitgebreide set van innovatie-indicatoren uit de Innovatie-enquête op individueel bedrijfsniveau. De analyses hebben betrekking
op exporterende bedrijven in industriële sectoren die in de periode 1994 tot en met 1996 technologisch nieuwe of verbeterde
producten hebben ontwikkeld. In de modelmatige analyses zijn innovatoren met tien tot tweehonderd werknemers in dienst
opgenomen. Voor deze bedrijven is clustervorming gerelateerd aan de resultaten van innovatietrajecten, in termen van het
aandeel van innovatieve producten in de totale bedrijfsomzet. Ook is de door ondernemers geschatte bijdrage van innovatie
aan de concurrentiepositie opgenomen. Naast clustervorming zijn innovatie-uitgaven (ondermeer uitgaven aan onderzoek en
ontwikkeling) en het gebruik van bedrijfsexterne informatie in innovatietrajecten in het model opgenomen.
De analyses zijn opgesplitst voor bedrijven die in samenwerkingsverband innoveren en bedrijven die op eigen kracht innovaties
voortbrengen. Als schattingsmethodiek is gebruik gemaakt van modellering als structuurvergelijking, waarbij regressie- en
factoranalyse gelijktijdig worden toegepast. Het voordeel van deze methode is een correctie op eventuele meetfouten in de
onderliggende variabelen die ten grondslag liggen aan de door het model gegenereerde factoren. In de figuur zijn de
onderliggende indicatoren bij de weergegeven factoren niet weergegeven.

Teveel beleidsinitiatieven
Op basis van de hiervoor uiteengezette analyses kan differentiatie worden bepleit op basis van netwerkoriëntatie tussen enerzijds
bedrijven die zelfstandig innoveren en bedrijven die innoveren in netwerkverband. In het beleid voor de eerstgenoemde groep dient
kennisdiffusie centraal te staan door het beleid te richten op de ontsluiting van externe informatie. In regionale clusters wordt die rol
vervuld door grote leidende bedrijven. Bedrijven die in netwerkverband innoveren, zijn vooral gebaat bij een verlaging van
transactiekosten. Onvoldoende kennis van competenties van ‘concullega’s’ en een gebrek aan vertrouwen staat succesvolle
samenwerking vaak in de weg, zeker wanneer efficiënte controlemechanismen ontbreken, zoals vaak het geval is in dynamische, snel
veranderende omstandigheden. Beleid dient zich voor deze groep te richten op kosten van contact, contract en controle.
Op dit vlak dient zich een paradoxale situatie aan. Juist door de veelheid aan verschillende instanties, netwerken, balies en bijeenkomsten
ziet de innoverende ondernemer door de bomen het bos niet meer en worden kansen op dit vlak onvoldoende benut. Een heldere
taakverdeling tussen verschillende organisaties is dan ook een noodzakelijke voorwaarde voor effectiviteit van dit beleid.
Beleid weinig vernieuwend
Op basis van de in dit artikel uiteengezette analyses kan de aanbeveling worden gedaan regionaal innovatiebeleid op meer te baseren
dan alleen het clusterconcept. Hoewel in de praktijk internationale verbanden meer en meer in het beleid worden betrokken, is vaak de
kern van het beleid zelf weinig innovatief doordat het zich al jarenlang richt op succesvoorbeelden van innovatieve clusters. De relatie
tussen clustervorming en innovatie hoeft helemaal geen algemeen patroon te zijn. Alle klonen van Silicon Valley hebben zich immers ook
niet zo voorspoedig ontwikkeld als het succesvoorbeeld zelf. Wat dit betreft, kan regionaal innovatiebeleid vaak als een van de minst
vernieuwende beleidssectoren worden bestempeld.
Conclusie
Clusterbeleid is zeker geen voldoende voorwaarde voor innovatie. Met name exportrelaties blijken van belang. Regionaal innovatiebeleid
doet er goed aan eerst de eigen uitgangssituatie onder de loep te nemen alvorens klakkeloos elementen van succesvolle clusters over te
nemen. Op basis van secundaire data-analyse van veel en rijke gegevensbestanden kan een dergelijke analyse relatief snel en
gemakkelijk worden uitgevoerd. Niet iedere regio heeft immers een sterke uitgangspositie als het gaat om ‘life sciences’ of ict en niet in
iedere regio zijn vastgelopen interne netwerken de oorzaak van een achterblijvende innovatiekracht.
Pieter de Bruijn, Jos Muskens en Walter Manshanden
Een uitgebreid paper ‘Regional dimensions of cooperation aimed at innovation’ is te vinden op http://www.inro.tno.nl

1 M.E. Porter, Clusters and the new economics of competition, Harvard Business Review, november-december, 1998, blz. 77-90.
2 “A geographically proximate group of interconnected companies and associated institutions in a particular field, linked by
commonalities and complementarities”. Definitie afkomstig uit: M.E. Porter, On competition, Harvard Business Review, Boston, 1998,
blz. 199.
3 www.culminatum.fi, 27 januari 2004.

4 S. Beugelsdijk en M. Cornet, Does proximity matter for knowledge spillovers in the Netherlands?, Research paper nr. 0111, Centraal
Bureau voor de Statistiek, Voorburg, 2001.
5 G. van der Panne en A.J. Kleinknecht, Van Stanford naar Zandvoort, ESB, 16 mei 2003, blz. 236-238.
6 W.J.J. Manshanden, Zakelijke diensten en regionaal-economische ontwikkeling. De economie van nabijheid, Universiteit van
Amsterdam, Faculteit der Economische wetenschappen en Econometrie, 1996
7 A.R. Hoen, Clusters, welke clusters?, ESB, 27 oktober 2000, blz. 859-861.
8 www.economie.nl
9 Zie voor een overzicht M. Storper, The resurgence of regional economies, ten years later, European Urban and Regional Studies, jrg.
2, nr. 3, 1995, blz. 191-221.
10 P. Maskell en A. Malmberg, The competitiveness of firms and regions. ‘Ubiquification’ and the importance of localized learning,
European Urban and Regional Studies, jrg. 6, nr. 1, 1999, blz. 9-25.

Copyright © 2004 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteurs