De huidige generatie 75-plussers beschikt over veel meer vermogen dan eerdere generaties, met name als gevolg van de sterke toename van de huizenprijzen. De komende decennia zal dat zorgen voor een ongekende golf aan erfenissen. Dat zal huishoudens zonder vermogende ouders verder op achterstand zetten.
Een erfbelasting pakt de structurele ongelijkheid aan. Dat is geen straf voor succes, maar een investering in de democratie. Het beschermt de politieke gelijkheid en bevordert gelijke kansen op de lange termijn.
Een deel van de samenleving wordt steeds vermogender. Ondertussen worstelt het kabinet met de belasting van het inkomen
uit vermogen in box 3. Hoe kan vermogen het best worden belast?
Begin dit jaar stemde de Tweede Kamer voor een vermogensaanwasbelasting als oplossing voor de fictieve rendementsheffing in box 3. Na aanzwellende kritiek vanwege liquiditeits- en waarderingsproblemen wordt een vermogenswinstbelasting genoemd als mogelijk alternatief. Dat leidt echter tot uitstel van belasting, het zogenoemde blokkeringseffect. Een retrospectieve belasting ondervangt dit probleem.
Van Denderen (2025) stelt in ESB dat de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek de vermogensongelijkheid vergroot. Een goede beoordeling van de vermogensongelijkheidseffecten van een belastingverhoging op woningen vraagt echter om een bredere blik.
De hervorming van box 3 dreigt te verzanden in kritiek op de vermogensaanwasbelasting. Het kabinet wil uiteindelijk een integrale vermogenswinstbelasting invoeren. Dat zou onverstandig zijn.
Box 3 moet op de schop en de discussie richt zich voornamelijk op de keuze tussen een vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting. Wat betekenen beide systemen voor de belastingopbrengsten, portefeuillekeuzes en de welvaart?
Het nieuwe box 3-stelsel, dat onlangs is aangenomen door de Tweede Kamer, stuitte op veel weerstand. De minister van Financiën kondigde daarom aan het wetsvoorstel te gaan aanpassen. Wat kan er beter?
Vermogens zijn tussen 2006 en 2020 vijftig procent harder gestegen dan het bruto binnenlands product per hoofd, maar de ongelijkheid binnen de top zestien-procent van de vermogensverdeling is stabiel gebleven.
De arbeidsinkomensquote (AIQ) in Nederland is de afgelopen decennia gedaald en dat wordt vaak gekoppeld aan achterblijvende loongroei. Met gedetailleerdere gegevens die eerder nog niet beschikbaar waren, blijkt de AIQ-waarde lager. Een substantieel deel van de bijstelling is toe te schrijven aan de sector zakelijke dienstverlening waarbij fiscale prikkels een rol spelen.