Ga direct naar de content

Canon deel 4: ondernemerschap

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 28 2012

ESB Ondernemerschap & Innovatie

ondernemerschap

&

i n n o vat i e

Canon deel 4:
ondernemerschap
Mirjam
van Praag
Hoogleraar aan de
Universiteit van
Amsterdam
Roy Thurik
Hoogleraar aan de
Erasmus Universiteit
Rotterdam

H

et schrijven van een canon is een heerlijke
uitdaging. Behalve publicaties zijn het
ook gebeurtenissen of wellicht mensen
met hun ideeën en netwerken die vooruitgang markeren. In ons vakgebied lijkt
de persoonlijke rol van David Audretsch bijvoorbeeld nog
belangrijker dan zijn publicaties en lijkt de oprichting van tijdschriften als Small Business Economics en Journal of Business
Venturing invloedrijker dan individuele publicaties. Verder is
ondernemerschap een verschijnsel dat in allerlei disciplines
opduikt: economie, psychologie, geschiedenis, antropologie,
sociologie, bedrijfskunde en tegenwoordig ook in de genetica.
Wij geven dus een partieel beeld van de voortgang in het onderzoek naar ondernemerschap. Onze vensters zijn gericht op
artikelen in internationale tijdschriften die in de afgelopen decennia zijn gepubliceerd over the economics of entrepreneurship
en small business economics. Dus artikelen in ESB die eveneens
een zeer belangrijke rol spelen bij de erkenning van het vakgebied in Nederland, zoals Van der Zwan (1981) en Nooteboom
(1986), blijven buiten beschouwing.

(Schumpeter, 1942). Economen hebben uiteraard enorme
gevechten geleverd om uit te maken welke Schumpeter gelijk
had totdat ze empirisch aantoonden dat beide Schumpeters
gelijk hadden. In het beginstadium van een industrietak, als
het product, de markt, consumentenvoorkeuren en het productieproces nog niet of nauwelijks bekend zijn, prevaleert de
oude Schumpeter. Als het dominante ontwerp (Abernathy en
Utterback, 1978) eenmaal ‘bekend’ is, dan verschuiven de ondernemersactiviteiten van exploratieve kleine bedrijven naar
exploitatieve grote bedrijven en begint de consolidatiefase
van de industrietak (Gort en Klepper, 1984). De vereiste ondernemerskwaliteiten tijdens de productinnovatie-fase zijn
uiteraard anders dan die in de procesinnovatie-fase. Beide
Schumpeters bestaan naast elkaar omdat er nu eenmaal vele
industrietakken in vele verschillende fasen bestaan.
Abernathy, W.J. en J. Utterback (1978) Patterns of industrial innovation.
Technology Review, 80(7), 40–47.
Gort, M. en S. Klepper (1982) Time paths in the diffusion of product innovations. Economic Journal, 92(367), 630–653.
Schumpeter, J.A. (1911) Theorie der wirtschaftlichen Entwicklung. Eine Un-

Nooteboom, B. (1986) De grootheden van de kleintjes: een overzicht van

tersuchung über Unternehmergewinn, Kapital, Kredit, Zins und den Konjunk-

het midden- en kleinbedrijf. ESB, 71(3547), 272–278.

turzyklus. Berlijn: Duncker und Humblot.

Van der Zwan, A. van der (1981) Uit de schaduw van de groten. ESB,

Schumpeter, J.A. (1942) Capitalism, socialism and democracy. New York:

66(3325), 976–978.

Harper and Row.

1

2

_____________

De twee Schumpeters

Joseph Schumpeter heeft in de loop van zijn leven zijn
mening veranderd over het economische systeem dat
het meest zou bijdragen aan groei. In 1911 beargumenteerde
hij dat een decentrale en turbulente industriële structuur,
waarbij het proces van creatieve destructie wordt gestimuleerd door ondernemersactiviteiten, de motor van economische groei zou zijn. In 1942 had Schumpeter zijn theorie
veranderd: een geconcentreerde en stabiele industriële structuur zou beter zijn. In een dergelijke structuur was er eigenlijk
geen plek voor ondernemerschap omdat “Innovation itself is
being reduced to routine. Technological progress is increasingly
becoming the business of teams of trained specialists who turn
out what is required and make it work in predictable waysâ€

580

_____________

Ook het mkb innoveert

Tot het eind van de jaren tachtig heerste de overtuiging dat de structuur van de economie de sleutel was
tot succes en dat die structuur gedefinieerd was door de rol
van grote bedrijven. De oude Schumpeter was in de vergetelheid geraakt. Het werd voetstoots aangenomen dat grote
bedrijven verantwoordelijk waren voor innovatieve activiteiten. Tegelijkertijd waren deze bedrijven ook verantwoordelijk voor de mogelijk schadelijke gevolgen van concentratie
en marktmacht. Het werd als een schok ervaren toen Acs en
Audretsch (1987; 1988) vaststelden dat ook het mkb bijdroeg aan het innovatieve proces. Uit hun onderzoek kwam
naar voren dat grote en kleine bedrijven verschillende rollen
spelen: grote bedrijven genereren een groter aantal innovaties

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Jaargang 97 (4644) 28 september 2012

Ondernemerschap & Innovatie ESB

terwijl kleine bedrijven relatief succesvoller zijn bij hun innovatieve activiteiten. Hun studies kondigden de start aan van
het vakgebied ‘small business economics’, dat de rol van kleine
bedrijven in de economie bestudeert. Hun twee empirische
papers laten zien dat het zinvol is de rol van kleine bedrijven
bij technologische verandering te onderzoeken. Voorts spelen
zij een belangrijke rol bij de verandering van het doel van economisch beleid: niet meer het ondersteunen – en soms beperken – van de daadkracht van grote en bestaande bedrijven,
maar het ondersteunen van kleine en nieuwe bedrijven.
Acs, Z.J. en D.B. Audretsch (1987) Innovation, market-structure, and
firm size. Review of Economics and Statistics, 69(4), 567–574.
Acs, Z.J. en D.B. Audretsch (1988) Innovation in large and small firms: an
empirical analysis. American Economic Review, 78(4), 678–690.

_____________

3

De start van het vakgebied
‘small business economics’

De eerste uitgave van het tijdschrift Small Business
Economics definieerde zonder twijfel de echte start van het
vakgebied – dat later werd uitgebreid tot ‘entrepreneurship
economics’. Het gaf een eerste overzicht van de belangrijke
en groeiende rol van kleine bedrijven voor de economie en
van de factoren die ervoor zorgen dat kleine bedrijven kunnen bijdragen aan economische groei. Drie artikelen springen eruit. Brock en Evans (1989) bediscussiëren zes redenen
waarom het mkb in de lift zit, te weten: de effecten van creatieve destructie, technologische veranderingen, integratie van
de wereldeconomie (globalisering), nieuwe deelnemers in het
arbeidsproces zoals vrouwen, veranderingen van consumentenvoorkeuren en versoepeling van toetredingsregelingen.
Carlsson (1989) voegt daaraan de ontvlechting van grote bedrijven toe en geeft precieze redeneringen waarom computergebaseerde technologieën gunstig zijn voor het mkb. Hébert
en Link (1989) geven een overzicht van de aartsvaders van
het sociaal-economische gedachtegoed over ondernemerschap, verbinden het aan eigentijdse ‘hoe word ik snel rijk’overwegingen en breken een lans voor een herwaardering van
de plaats van ondernemerschap in economische analyses.

Brock, W.A. en D.B. Evans (1989) Small business economics. Small Business Economics, 1(1), 7–20.
Carlsson, B. (1989) The evolution of manufacturing and its impact on industrial structure: an international study. Small Business Economics, 1(1), 21–37.
Hébert, R.F. en A.N. Link (1989) In search of the meaning of entrepreneurship. Small Business Economics, 1(1), 39–49.

_____________

4

ondernemerschap en productiviteit

Bij hun pogingen om werkloosheid te bestrijden zien
Europese politici ondernemerschap veelal als een panacee voor een zorgeloze toekomst. Lagere toetredingsbarrières zouden goed zijn voor ondernemerschap. Baumol (1990)
merkt op dat niet uitsluitend het aantal ondernemers de economische groei beïnvloedt, maar dat het met name de verdeling van het aantal ondernemers over verschillende verschijningsvormen is die groei beïnvloedt. Baumol onderscheidt

drie verschijningsvormen: productief, niet productief en zelfs
destructief ondernemerschap. Politici zouden dus niet zozeer
ondernemerschap in het algemeen moeten bevorderen, als
wel op zoek moeten gaan naar productief ondernemerschap
en zijn instituties en prikkels. Baumol illustreert zijn betoog
met een aantal casussen van verschillende landen met hun
economische systemen, instituties en prikkels. Zijn schitterende beschrijvingen van het antieke Rome, het middeleeuwse China, de vroege en latere Middeleeuwen in Europa,
het Europa van de veertiende eeuw en de eerste industriële
revolutie zijn overtuigend. Er is immers zoveel meer dan het
verlagen van toetredingsbarrières.
Baumol, W.J. (1990) Entrepreneurship: productive, unproductive, and
destructive. Journal of Political Economy, 98(5-1), 893–921.

_____________

5

Ondernemerschap als beroep

Kenmerkend voor de economische theorieën over de
keuze tussen het ‘beroep’ ondernemerschap en alternatieven is het ‘beroepskeuze’-model, waarin de opbrengsten
van keuzen – in termen van nut – worden vergeleken. Lucas
(1978) was de eerste die zo een beroepskeuze-model opstelde.
In zijn model spelen ondernemerskwaliteiten een beslissende
rol voor de keuze om ondernemer te worden en het succes van
ondernemers. Onder een bepaald drempelniveau van deze
kwaliteiten worden individuen werknemers, daarboven gaan
zij ondernemen. En naarmate de ondernemerskwaliteit hoger
is, zal de ondernemer een groter bedrijf opbouwen en leiden.
In een dynamische versie van dit model gebaseerd op de wet
van Gibrat, waarin de groei van de onderneming niet afhangt
van haar grootte, laat Lucas zien dat de vraag naar arbeid in de
loop van de tijd zal toenemen. Dit leidt tot een toename van
de loonvoet en vervolgens tot een verhoging van de drempel.
Met andere woorden, het model van Lucas voorspelt dat de
ondernemingsgrootte zal toenemen en dat het aandeel ondernemers in de beroepsbevolking zal afnemen. Met name deze
voorspelling heeft het model invloedrijk gemaakt (Parker,
2009). De toename van het aantal ondernemers sinds de jaren
tachtig heeft de discussie over de aannamen, implicaties en de
tekortkomingen van het model doen oplaaien.

Lucas, R.E. (1978) On the size distribution of business firms. Bell Journal
of Economics, 9(2), 508–523.
Parker, S.C. (2009) The economics of entrepreneurship. Cambridge, VK:
Cambridge University Press.

_____________

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.
Jaargang 97 (4644) 28 september 2012

581

ESB Ondernemerschap & Innovatie

6

Ondernemerschap en menselijk
kapitaal

Lucas’ model heeft grote invloed gehad op de analyse van de rol van menselijk kapitaal voor ondernemerschap. Een van de aannames in het model van Lucas is dat
de ondernemerskwaliteiten van individuen bekend zijn. Deze
aanname is wellicht onrealistisch: mensen kennen hun ondernemerskwaliteiten niet. We weten dat ze niet alleen gecorreleerd zijn met intelligentie, opleiding en ervaring, maar
ook met ‘zachte’ kwaliteiten zoals creativiteit, proactiviteit en
resultaatgerichtheid. Jovanovic (1982) heeft een model opgesteld waarin ondernemers hun eigen kwaliteiten beter leren
kennen naarmate ze langer ondernemer zijn. Een goede uitkomst is het gevolg van goede kwaliteiten of geluk terwijl een
slechte uitkomst het gevolg is van minder goede kwaliteiten
of pech. Naarmate een ondernemer vaker goede (slechte) uitkomsten ziet, is de kans groter dat dit het gevolg is van goede
(slechte) ondernemerskwaliteiten en dat de toevalsfactor een
kleinere rol zal spelen. Op basis van deze toenemende zelfkennis besluiten ondernemers om al dan niet ondernemer te blijven en hun bedrijf te laten groeien (of krimpen). Een andere
aanname in het model van Lucas (1978) is dat ondernemerskwaliteiten eendimensionaal zijn. Lazear (2005) heeft furore
gemaakt met de theorie dat een ondernemer juist een ‘Jack of
all trades’ is: iemand die van vele markten thuis is maar niet
noodzakelijkerwijs in een ding uitblinkt. De prestaties van
een ondernemer zouden bepaald worden door zijn ‘zwakste
schakel’. Voor werknemers, die complementair zijn met andere werknemers, is dit niet het geval. Daarom worden Jack of
all trades-types eerder ondernemer. Verschillende empirische
studies vinden hier bewijs voor, andere weer niet.

Jovanovic, B. (1982) Selection and the evolution of industry. Econometrica, 50(3), 649–670.
Lazear, E.P. (2005) Entrepreneurship. Journal of Labor Economics, 23(4),
649–680.

_____________

7

Ondernemers zijn minder risicoavers

De meeste mensen die betaalde arbeid verrichten doen
dat met een (tijdelijk of vast) contract voor een werkgever. De rest is ondernemer, met of zonder personeel. Zeker
in Nederland lopen werknemers minder risico dan ondernemers. De combinatie van hun arbeidscontract en het stelsel
van werknemersverzekeringen verzekert werknemers tegen
marktrisico’s, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Ondernemers werken voor eigen rekening en risico. Economische
theorie voorspelt daarom dat mensen die minder risicoavers
zijn eerder ondernemer worden dan anderen, ceteris paribus
(Kihlstrom en Laffont, 1979). Ondernemerschap genereert
weliswaar meer variabele opbrengsten en dus meer risico, maar
de gemiddelde opbrengsten zijn hoger. Het verschil tussen het
gemiddelde loon voor werknemers en de gemiddelde opbrengsten voor ondernemers zou de risicopremie zijn om mensen te
compenseren voor het ongemak van risico. Die risicopremie is
net voldoende om de marginale ondernemer in termen van risicoaversie over de streep te trekken. Er is veel empirisch onderzoek gedaan naar de vraag of ondernemers minder risicoavers
zijn dan werknemers. Hoewel het lastig is om risicoaversie goed

582

te meten, wordt algemeen geconcludeerd dat ondernemers inderdaad minder risicoavers zijn dan werknemers.
Kihlstrom, R.E. en J.J. Laffont (1979) A general equilibrium entrepreneurial theory of firm formation based on risk aversion. Journal of Political
Economy, 87(4), 719–749.

_____________

8

Ondernemers verdienen meestal
niet meer dan werknemers

De keuze voor ondernemerschap wordt niet alleen
bepaald door een afweging tussen risico en rendement. Empirische vergelijkingen tussen de beloning voor ondernemers
en werknemers leveren meestal op dat ondernemers inderdaad meer inkomensrisico hebben; de inkomens kennen een
grotere volatiliteit en variantie, ook wanneer gecontroleerd
wordt voor bijvoorbeeld opleiding, ervaring of geslacht. Maar
uit vele empirische studies blijkt dat ondernemers gemiddeld
helemaal niet meer verdienen dan werknemers in loondienst
(Hamilton, 2000). Integendeel, de zeer veel geciteerde Hamilton laat zien dat de mediane (gemiddelde) ondernemer
minder verdient dan de mediane (gemiddelde) werknemer.
Alleen in het hoogste segment van de inkomensverdeling, zeg
het top-kwartiel, verdienen ondernemers meer dan werknemers. Ook vele andere studies over andere (westerse) landen
dan de Verenigde Staten laten dit resultaat zien, maar er is
geen consensus. Vele empirische uitdagingen om deze inkomensvergelijkingen te trekken zijn nog niet opgelost. Een
uniforme empirische definitie van de ondernemer en zijn inkomsten ontbreekt. Bovendien houden vergelijkingen in verschillende, en meestal onvoldoende, mate rekening met zelfselectie en ongeobserveerde heterogeniteiten die zowel de
keuze voor ondernemerschap als het inkomen beïnvloeden.
Wat vast staat is dat de rechterstaart van de inkomensverdeling van ondernemers langer is dan die van werknemers. In
het huidige tijdsgewricht geven de soms extreem hoge inkomens van ondernemers weinig aanleiding tot publiek debat.
Dit in tegenstelling tot hun evenknieën in loondienst.

Hamilton, B.H. (2000) Does entrepreneurship pay? An empirical analysis of the returns to self-employment. Journal of Political Economy, 108(3),
604–631.

_____________

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.

Jaargang 97 (4644) 28 september 2012

Ondernemerschap & Innovatie ESB

9

ondernemer worden en blijven

Ondernemers verdienen gemiddeld niet meer dan
werknemers. Ook het risico en de onzekerheid zijn
groter, iets wat de meeste mensen negatief waarderen. Waarom kiezen dan toch zo veel mensen voor ondernemerschap?
Ondernemers zijn gemiddeld genomen meer tevreden met
hun werk dan werknemers (Blanchflower en Oswald, 1998),
zelfs als men corrigeert voor (on)geobserveerde verschillen
tussen individuen (Benz en Frey, 2004). Ook blijken grote
groepen werknemers het verlangen te hebben om (ooit) ondernemer te worden. Economen, die de effectiviteit van financiële prikkels als uitgangspunt aanhouden, beschouwen
dit als een anomalie: het ondernemerschap wordt als attractief gezien ten opzichte van loondienst, terwijl loondienst een
hoger voor risico gecorrigeerd inkomen geeft.
In de literatuur worden drie verklaringen gegeven voor deze
anomalie. Ten eerste zijn er de eerder genoemde empirische
uitdagingen waardoor de gemeten inkomensverschillen de
realiteit wellicht onvoldoende weergeven. Ten tweede zijn
er ook andere dan financiële motieven voor het zelfstandig
ondernemerschap: de autonomie en vrijheid die het ondernemerschap bieden zijn de belangrijkste. Het lagere inkomen
kan dan worden gezien in het licht van compensating wage
differentials. Ten derde zijn er ook niet-cognitieve factoren
die ervoor zorgen dat mensen niet-rationele keuzes maken.
Zo zijn ondernemers bijvoorbeeld vaak over-optimistisch.
Zij beginnen met te positieve verwachtingen over de later te
rea­liseren (financiële) opbrengsten van het ondernemerschap.
Die verwachtingen worden niet waargemaakt, maar ze blijven
optimistisch (Landier en Thesmar, 2009).

10

financiële beperkingen als
hindernis

Zoals al opgemerkt, blijkt vaak dat een substantieel deel van de werknemers liever zou ondernemen. Het zijn
vooral financiële beperkingen die hen daarin tegenhouden
(Evans en Jovanovic, 1989; Holtz-Eakin et al., 1994). Deze
beperkingen zijn het gevolg van imperfecties in de kapitaalmarkt. Informatie over de ondernemer en de kwaliteit en
risico’s van zijn plannen en de motivatie om die plannen uit
te voeren is asymmetrisch verdeeld over de ondernemer en
de financier (Stiglitz en Weiss, 1981). Daardoor is het voor
ondernemers vaak lastig om kapitaal te verwerven. De meest
voorkomende financieringsvorm is dan ook eigen spaargeld
of dat van familie. Daardoor zouden vermogende mensen
eerder ondernemer kunnen worden dan mensen met minder
vermogen, wat ook effecten heeft op latere generaties en op de
algehele economische ontwikkeling (Banerjee en Newman,
1993). Uit recente studies (Hurst en Lusardi, 2004) blijkt dat
eerdere studies het negatieve effect hebben overschat: ze hielden er geen rekening mee dat het hebben van eigen vermogen,
of zelfs het verkrijgen van een erfenis, positief gecorreleerd is
met ondernemerstalent. Kortom, de roep om meer kapitaal
voor starters is misschien wat te luid. Het zou kunnen zijn dat
kapitaalverstrekkers wel degelijk de juiste beslissingen nemen
en startende ondernemers met interessante perspectieven niet
te kort doen.

Banerjee, A.V. en A.F. Newman (1993) Occupational choice and the process of development. Journal of Political Economy, 101(2), 274–298.
Evans, D.S. en B. Jovanovic (1989) An estimated model of entrepreneurial choice under liquidity constraints. Journal of Political Economy, 97,(4)

Benz, M. en B.S. Frey (2008) Being independent is a great thing: subjec-

808–827.

tive evaluations of selfemployment and hierarchy. Economica, 75(298),

Holtz-Eakin, D., D. Joulfaian en H.S. Rosen (1994) Entrepreneurial deci-

362–383.

sions and liquidity constraints. Rand Journal of Economics, 25(2), 334–347.

Blanchflower, D.G. en A. Oswald (1998) What makes an entrepreneur?

Hurst, E. en A. Lusardi (2004) Liquidity constraints, household wealth,

Journal of Labor Economics, 16(1), 26–60.

and entrepreneurship. Journal of Political Economy, 112(2), 319–347.

Landier, A. en D. Thesmar (2009) Financial contracting with optimistic

Stiglitz, J.E. en A. Weiss (1981) Credit rationing in markets with imperfect

entrepreneurs: theory and evidence. Review of Financial Studies, 22(2),

information. American Economic Review, 71(3), 393–410.

117–150.

_____________

_____________

ESB canon van de economie
Onderwijseconomie â—Š Monetaire economie â—Š Internationale en ontwikkelingseconomie
â—Š Ondernemerschap â—Š Woningmarkt â—Š Gezondheidszorg â—Š Gedrag â—Š Pensioenen
◊ Personeel & Organisatie ◊ Arbeidsmarkt ◊ Financiële markten ◊ Openbare financiën ◊ Sociale zekerheid
â—Š Marktordening â—Š Governance â—Š Geschiedenis & Denken â—Š Ruimtelijk â—Š Groei & Conjunctuur â—Š Marketing
VOlGENDE KEER IN DE ESB CANON VAN DE ECONOMIE: Woningmarkt

De auteur heeft verklaard dit artikel alleen te publiceren in ESB en niet elders
te publiceren in wat voor medium dan ook. Het is wel toegestaan om het artikel voor eigen gebruik
en voor publicatie op een intranet van de werkgever van de auteur aan te wenden.
Jaargang 97 (4644) 28 september 2012

583

Auteurs

  • Roy Thurik

    Hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Montpellier Business School

  • Mirjam van Praag

    Hoogleraar aan de Copenhagen Business School, Denemarken, en de Universiteit van Amsterdam