Ga direct naar de content

Canon deel 18: Pensioenen

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 24 2015

De lopende pensioendiscussie kan profiteren van een lange onderzoekstraditie op gebieden als sparen, beleggen, risicodeling en langlevenrisico’s. Gedragseconomie voegt nieuwe inzichten toe over keuzegedrag van pensioendeelnemers en de implicaties hiervan voor pensioenbeleid

562Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
Leeft ij dP en sion erin g
M
en se lijk k ap it a al
Ove rlij d en
T o ta le k ap it a al
Co nsu m ptie
F in an cië le k ap it a al
ESB Pensioenen
Canon deel 18:
Pensioenen
P
ensioenen zijn in beweging in veel landen.
Vergrijzing en de bankencrisis hebben be –
staande regelingen onder druk gezet. Opko –
mende landen worstelen met de vraag hoe ze
nieuwe pensioenstelsels kunnen opbouwen.
Welke inzichten kan de economische wetenschap hier nu
bieden? In deze pensioencanon komen de belangrijkste
inzichten aan bod, van micro naar macro naar instituties.
Hierbij kunnen we bogen op een lange wetenschappelijke
onderzoekstraditie – bijvoorbeeld op het gebied van sparen
en beleggen – maar ook op belangrijke nieuwe ontwikke –
lingen, zoals op het gebied van de gedragseconomie.
1
HET LEVENSCYCLUSMODEL
Economische analyses van de rol van pensioenen
vinden in het algemeen plaats binnen het door
Modigliani en Brumberg (1954) ontwikkelde ‘levenscy –
clusmodel’, waarbij individuen eerst gedurende een aantal
perioden werken en vervolgens in de rest van hun leven
gepensioneerd zijn. In de standaardversie van dit model
(figuur 1) beginnen individuen zonder financieel kapitaal,
maar met een maximum aan menselijk kapitaal. Het men –
selijk kapitaal is de verdisconteerde som van de huidige en
toekomstige arbeidsinkomsten. Terwijl het menselijk ka –
pitaal langzaam terugloopt tot nul aan het einde van het
werkzame leven, wordt het financiële kapitaal opgebouwd.
De reden is dat individuen proberen hun consumptie te
spreiden over de tijd. Ze sparen derhalve om middelen te
hebben voor consumptie na hun pensionering , wanneer de
arbeidsinkomsten weg vallen. In het algemeen proberen individuen hun consumptie
dus te spreiden over hun levenscyclus. Het precieze verloop
van de consumptie over iemands leven hangt af van de
tijdsvoorkeursvoet ten opzichte van de rente. Bij een ho –
gere tijdsvoorkeursvoet krijgt het heden een relatief groter
gewicht en zal de huidige consumptie stijgen ten opzichte
van de toekomstige consumptie. Als individuen blootstaan aan onzekerheid zijn er,
naast de levensloopbesparingen gericht op het uitsmeren
van consumptie over de tijd, ook voorzorgsbesparingen ge –
richt op het uitsmeren van consumptie over verschillende
eventualiteiten. Onder standaard-nutsaannamen anticipe –
ren individuen op de onzekerheid, bijvoorbeeld over het
toekomstige inkomen, door extra te sparen om zich in te
dekken tegen het risico dat er in de toekomst bij bepaalde
eventualiteiten te weinig middelen zijn om de consumptie
op een acceptabel niveau te houden (Kimball, 1990).
Kimball, M. (1990) Precautionary saving in the small and in the large.

Econometrica, 58(1), 53–73.
Modigliani, F. en R.H. Brumberg (1954) Utility analysis and the con –
sumption function: an interpretation of cross-section data. In K.K.
Kurihara (red.), Post Keynesian economics, New Brunswick, NJ: Rutgers
University Press, 388–436.
2
BELEGGEN OVER DE LEVENSCYCLUS
Onder een aantal standaardaannamen (zoals con –
stante relatieve risico aversie) is het optimaal om ge –
durende de hele levenscyclus een constante fractie van het
PENSIOENEN
ROEL
BEETSMA
MN-hoogleraar aan
de Universiteit van
Amsterdam
LANS
BOVENBERG
Hoogleraar aan de
Universiteit van
Tilburg
CASPER
VAN EWIJK
GAK-hoogleraar aan
de Universiteit van
Tilburg, hoogleraar
aan de Universiteit
van Amsterdam en
directeur van Netspar
Profielen van kapitaal en
consumptie over de levenscyclusFIGUUR 1

Pensioenen ESB
563Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
Leeft ij d
P en sion erin g Ove rlij d en
T o ta le k ap it a al
Fin an cië le
k a p it a al
R is ic o d ra g en de
b ele g gin g
0
0
1 F
ra ctie f in an cie el v e rm ogen
r is ic o d ra g en d b ele g d
totale vermogen risicodragend in bijvoorbeeld aandelen te
beleggen (Samuelson, 1969). Door een deel van het vermo –
gen risicodragend te beleggen, wordt er geprofiteerd van
het verwachte hogere rendement als vergoeding voor het te
lopen risico. Het totale vermogen is wederom de som van
het menselijke en het financiële kapitaal. Door een deel van
het vermogen risicodragend te beleggen, wordt er geprofi-
teerd van de risicopremie als vergoeding voor het te lopen
risico. De implicatie is dat, als menselijk kapitaal risicoloos
is, het optimaal is om aan het begin van het werkzame leven,
wanneer het opgebouwde financiële kapitaal nog gering is,
te lenen en deze lening risicodragend te beleggen. Tijdens
het werkzame leven daalt het risicodragende vermogen als
deel van het totale financiële vermogen. Dit gebeurt door –
dat het totale kapitaal daalt en doordat er financieel vermo –
gen wordt opgebouwd (figuur 2). Vanaf pensionering bezit
het individu enkel nog financieel vermogen, dat dus opti-
maal voor een constant deel risicodragend wordt belegd.
Pensioen regelingen die een vaste uitkering in het vooruit –
zicht stellen, zijn dus suboptimaal onder standaardaanna –
men: individuen kunnen geen afweging tussen verwacht
rendement en risico maken, en missen dus het voordeel van
de risicopremie tijdens pensionering. Introductie van endogeen arbeidsaanbod leidt tot het
nemen van meer beleggingsrisico. Slechte beleggingsresul –
taten kunnen immers gecompenseerd worden door extra te
gaan werken (Bodie et al., 1992). Aangezien de genoemde
flexibiliteit vaak daalt met de leeftijd, kan dit een reden zijn
om beleggingsrisico terug te nemen naarmate men ouder
wordt. Een andere reden om risico terug te nemen is ge –
woontevorming. Omdat de aversie tegen veranderingen
in het consumptieniveau toeneemt naarmate men ouder
wordt, is het optimaal om de onzekerheid over de beschik –
bare middelen te verkleinen. Ingeval arbeidsinkomen niet meer risicovrij is en on –
der de realistische aanname dat de opbrengsten van mense –
lijk kapitaal en aandelen positief gecorreleerd zijn, kan het
optimaal zijn om het risicodragende deel van het financiële
vermogen tijdens het werkzame leven terug te schroeven,
vergeleken met de situatie zonder risicodragend menselijk
kapitaal (Benzoni et al. , 2007). Een andere belangrijke uitbreiding van het standaard –
model houdt rekening met de eigen woning als belegging
naast de risicovrije belegging en een risicodragende beleg –
ging in aandelen. Voor veel mensen is de eigen woning de
belangrijkste investering die ze in hun leven doen. Jonge
individuen gaan een negatieve positie aan in een risicovrij
asset (hun hypotheek) en gebruiken deze feitelijk voor een
risicodragende investering in onroerend goed. Door deze
mogelijkheid om in onroerend goed te beleggen, zal hun
optimale positie in aandelen kleiner zijn dan wanneer deze
mogelijkheid er niet is.
Benzoni, L., P. Collin-Dufresne en R.S. Goldstein (2007) Portfolio choice
over the life-cycle when the stock and labor markets are cointegrated.
The Journal of Finance, 62(5), 2123–2167.
Bodie, Z., R.C. Merton en W.F. Samuelson (1992) Labor supply flexibility
and portfolio choice in a life cycle model. Journal of Economic Dynamics
and Control, 16(3-4), 427–449.
Samuelson, P.A. (1969) Lifetime portfolio selection by dynamic stochas-
tic programming. Review of Economics and Statistics, 51(3), 239–246.
3
LANGLEVENRISICO EN ANNUÏTEITEN
Wanneer iemand precies weet wanneer hij overlijdt,
dan zorgt hij ervoor dat hij exact op het moment van
zijn overlijden al zijn middelen heeft geconsumeerd (als we
ervan uitgaan dat hij geen erfenis wil achterlaten). Echter,
wanneer hij onzeker is over zijn moment van overlijden en
hiervoor niet verzekerd is, dan wordt hij gedwongen te spa –
ren voor het geval hij heel oud zou worden. Consumptie
zal dan niet meer constant zijn over iemands leven, maar
dalen naarmate iemand ouder wordt. Met het stijgen van
zijn sterftekans bouwt hij zijn kapitaal langzaam af, zodat
de verwachte hoeveelheid onbenutte middelen bij overlij –
den niet te groot is.
De nadelige gevolgen van het – individuele – lang –
levenrisico kunnen ondervangen worden door een verze –
kering in de vorm van annuïteiten (Kotlikoff en Spivak,
1981). Bij leven wordt jaarlijks een pensioen (annuïteit)
uitgekeerd, ook als men heel oud wordt. Daar staat tegen –
over dat bij overlijden het overgebleven kapitaal vervalt aan
de verzekeringsmaatschappij. Op deze manier worden alle
individuele niet-systematische langlevenrisico’s gepoold en
tot nul gereduceerd. In een competitieve markt worden de
Optimale portefeuillesamenstellingFIGUUR 2
Pensioenregelingen die een vaste
uitkering in het vooruitzicht stellen, zijn suboptimaal: individuen kunnen geen afweging tussen verwacht rendement
en risico maken, en missen dus het voordeel van de risicopremie tijdens pensionering

ESB Pensioenen
564Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
opbrengsten van de vervallen kapitalen door de verzekeraar
volledig uitgegeven aan hogere annuïteiten. Pensioenre-
gelingen bieden vaak ook de mogelijkheid voor een nabe –
staandenpensioen, zodat de annuïteit blijft doorlopen voor
de partner wanneer deze langer leeft dan de deelnemer. Ui-
teraard gaat dit gepaard met een lagere annuïteit, omdat de
periode waarover de verzekeringsmaatschappij moet uitke –
ren naar verwachting langer wordt.
Annuïteiten spelen ook een rol bij het verzekeren te –
gen arbeidsongeschiktheid. In dit geval ontvangt de werk –
nemer een annuïteit voor een langere periode, in de regel
tot de officiële pensioneringsleeftijd. Verzekering tegen
arbeidsongeschiktheid kan overigens leiden – anders dan
verzekering tegen lang leven – tot moreel gevaar, bijvoor –
beeld doordat het individu zijn eigen verdiencapaciteit niet
meer op peil houdt. Als hierdoor de gemiddelde schade
toeneemt dan moet de verzekeraar de premie verhogen.
Ten slotte kunnen annuïteiten ook een rol spelen bij ver –
zekering tegen bepaalde hoge medische kosten. Vanaf het
moment dat de verzekerde hiermee geconfronteerd wordt,
keert de verzekeraar periodiek een vast bedrag uit ter dek –
king van deze kosten.
Kotlikoff, L. en A. Spivak (1981) The family as an incomplete annuitie
s
market. Journal of Political Economy , 89(2), 372–391.
4
DE LAGE VRAAG NAAR LANGLEVEN­
VERZEKERINGEN VERKLAARD
Een verzekering tegen langlevenrisico is aantrekke –
lijk omdat je niet door je spaargeld heen wilt zijn als je lan –
ger leeft dan verwacht. Deze verzekering is vooral van be –
lang na pensionering (Scott, 2008). In de werkende fase is
de verzekering minder nodig omdat als je langer leeft je ook
meer inkomen uit arbeid geniet. In feite is er sprake van een
soort levenscyclus voor het verzekeren van langlevenrisico.
Op jonge leeftijd is het vooral belangrijk om kortlevenri-
sico af te dekken om nabestaanden (inclusief minderjarige
kinderen) te beschermen die economisch afhankelijk zijn,
maar naarmate men ouder wordt en de kinderen financi-
eel zelfstandig worden, neemt dit risico af en wil men juist
meer langlevenrisico afdekken.
De vrijwillige vraag naar langlevenverzekeringen is
echter beperkt – ook op hogere leeftijd. De literatuur heeft
daarvoor verschillende redenen geïdentificeerd (Davidoff
et al. , 2005). Zo zijn langlevenverzekeringen meestal on –
omkeerbaar. Dit om selectie als gevolg van privé-informatie
over de levensverwachting te voorkomen. Als individuen
hun langlevenverzekering namelijk zouden kunnen stop –
zetten, is dat een signaal dat men nog maar kort te leven
heeft en zou het verzekeringskarakter verloren gaan. Er is
dus sprake van een afruil tussen liquiditeit en flexibiliteit bij
het benutten van vermogen enerzijds en het verzekeren van
langlevenrisico anderzijds. Andere oorzaken voor de lage
vraag naar deze verzekeringen zijn het tegenpartijrisico van
verzekeringsmaatschappijen, de begrensde rationaliteit van
individuen in het algemeen en kortzichtigheid in het bij –
zonder. Ook de complexiteit en ondoorzichtigheid van de
markt voor annuïteiten speelt een rol. Verder kunnen inko –
mensafhankelijke regelingen voor ouderen een levenslange
inkomensstroom onaantrekkelijk maken. Een andere ont –
moedigende factor is dat de mogelijkheden om een langle –
venverzekering te combineren met risicovol beleggen vaak
beperkt zijn: annuïteitsproducten zijn vaak alleen beschik –
baar zonder dat er beleggingsrisico kan worden genomen.
Davidoff, T., J.R. Brown en P.A. Diamond (2005) Annuities and individu-
al welfare. American Economic Review, 95(5), 1573–1590.
Scott, J.S. (2008) A longevity annuity: an annuity for everyone? Finan-
cial Analysts Journal, 64(1), 40–48.
5
OPTIMALE HERVERDELING EN SPAARPRIKKELS
Vooral publieke pensioensystemen kennen vaak ook
een herverdelingsfunctie: de waarde van de pensi-
oenrechten van burgers met relatief weinig arbeidsinkomen
gedurende hun leven overtreft de waarde van de premies
die deze burgers hebben ingelegd. Men kan deze herver –
delingsfunctie beschouwen als een impliciete verzekering
tegen een beperkte verdiencapaciteit. Deze verzekering van
menselijk kapitaal resulteert in moreel gevaar: de prikkel
om te werken en te investeren in menselijk kapitaal neemt
af. Dit leidt tot een afruil tussen een betere verzekering voor
degenen die pech hebben en weinig menselijk kapitaal op –
Op jonge leeftijd is het vooral belangrijk
om kortlevenrisico af te dekken om nabestaanden
te beschermen die economisch afhankelijk zijn,
maar naarmate men ouder wordt en de kinderen
financieel zelfstandig worden, neemt dit risico af
en wil men juist meer langlevenrisico afdekken

Pensioenen ESB
565Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
bouwen enerzijds, en de prikkel om menselijk kapitaal op te
bouwen en te benutten anderzijds. Deze afruil komt voort
uit beperkte informatie over de redenen waarom individu –
en lage arbeidsinkomens hebben. Inkomensvoorzieningen specifiek gericht op gepensi-
oneerden met weinig vermogen resulteren in hoge impli-
ciete marginale belastingtarieven op besparingen voor de
oude dag (Sefton et al. , 2008). Opgebouwd pensioenver –
mogen wordt immers afgeroomd door de overheid in de
vorm van lagere inkomensvoorzieningen voor degenen die
zelf gespaard hebben. Maar deze voorzieningen kennen het
voordeel dat de negatieve prikkels voor het arbeidsaanbod
relatief beperkt zijn (Diamond, 2011), want ouderen bieden
immers weinig arbeid aan. Bovendien houden veel werken –
den maar in beperkte mate rekening met het negatieve effect
van meer arbeidsinkomen en het daaruit opgebouwde pen –
sioenvermogen op toekomstige inkomensvoorzieningen.
Om de prikkels tot sparen zo veel mogelijk te beschermen,
verstrekken veel overheden fiscale faciliteiten voor pensi-
oenbesparingen. Effectievere manieren om pensioenbespa –
ringen te stimuleren zijn echter een wettelijke spaarplicht of
een standaardoptie om een deel van het arbeidsinkomen te
bestemmen voor pensioen (Engen et al. , 1996).
Diamond, P.A. (2011) Economic theory and tax and pension policies.
Economic Record, 87(1), 2–22.
Engen, E.M., W.G. Gale en J.K. Scholz (1996) The illusory effects of
saving incentives on saving. The Journal of Economic Perspectives, 10(4),
113–138.
Sefton, J., J. van de Ven en M. Weale (2008) Means testing retirement
benefits: fostering equity or discouraging savings? Economic Journal,
118(528), 556–590.
6
VERGRIJZING, GENERATIEREKENINGEN EN
PENSIOENLEEFTIJD
De pensioenleeftijd is in 1916 in Duitsland – overi-
gens niet door Bismarck zoals vaak beweerd – vastgesteld
op 65 jaar en sindsdien gedurende bijna een eeuw niet ver –
anderd. In diezelfde periode is de levensverwachting sterk
gestegen: een 65-jarige had in 1916 naar verwachting nog
twaalf jaar voor de boeg en nu zeventien jaar. Tegelijkertijd
daalde de effectieve pensioenleeftijd na de Tweede Wereld –
oorlog in veel landen tot onder de zestig jaar. Deze situatie
is financieel onhoudbaar gebleken. Met de introductie van generatierekeningen hebben
Auerbach et al. (1994) de gevolgen aangetoond die de ver –
grijzing voor de overheidsfinanciën heeft, en dus voor de
houdbaarheid van pensioenen. Met generatierekeningen
wordt bijgehouden hoeveel iedere generatie aan de over –
heid bijdraagt en ervan ontvangt. Met dit instrument lieten
Auerbach et al. zien dat de last van de publieke pensioenen
– zoals AOW – door de vergrijzing in de toekomst on –
houdbaar hoog zal worden. Zonder aanpassing van beleid
wordt er een impliciete schuld van de vergrijzing naar toe –
komstige generaties doorgeschoven. Een voor de hand liggende en effectieve oplossing voor
de houdbaarheid van de overheidsfinanciën is verhoging
van de pensioenleeftijd. Sinds de jaren negentig worden
wereldwijd de officiële pensioenleeftijden verhoogd; in Ne –
derland is de AOW-leeftijd inmiddels verhoogd tot 67 jaar
en vanaf 2025 is deze gekoppeld aan de levensverwachting.
Hiermee is het probleem van de financiering van publieke
pensioenen in belangrijke mate opgelost. Onduidelijk is
nog in hoeverre de gezonde levensverwachting evenredig
meestijgt en dus in hoeverre met name lageropgeleiden de
stijgende pensioenleeftijd kunnen bijbenen ( Jagger et al. ,
2008).
Auerbach, A., J. Gokhale en L. Kotlikoff (1994) Generational accountin
g:
a meaningful way to evaluate fiscal policy. Journal of Economic Perspec-
tives, 8(1), 73–94.
Jagger, C., M. McKee, K. Christensen et al. (2013) Mind the gap – re-
aching the European target of a 2-year increase in healthy life years in

the next decade. European Journal of Public Health, 23(5), 829–833.
7
INTERGENERATIONELE RISICODELING
Pensioenen kunnen helpen om risico’s te delen tus-
sen generaties, want door tegenvallers en meevallers
te verdelen kan men pech- en geluksgeneraties voorkomen.
In een onzekere wereld kan daarom invoering van een pen –
sioenstelsel – anders dan in een zekere wereld – een Pareto-
verbetering opleveren, zodat alle generaties beter af kunnen
zijn. Dit is het fundamentele inzicht dat de analyse van
Gordon en Varian (1988) oplevert wat betreft van interge –
nerationele risicodeling. Normaliter kunnen risico’s gespreid worden via finan –
ciële markten. Daarbij geldt echter één belangrijke beper –

ESB Pensioenen
566Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
king : een risicocontract is alleen mogelijk tussen partijen
die nu op de markt zijn. Het is niet mogelijk om een con –
tract af te sluiten met toekomstige generaties. Niet alleen
omdat die generaties nog geboren moeten worden, maar –
meer principieel omdat toekomstige generaties op het mo –
ment dat ze moeten beslissen over de verzekering al weten
hoe de risico’s uitpakken. Een pensioenstelsel waarin ook
toekomstige generaties gebonden zijn aan uitkomsten uit
het verleden, kan dit marktfalen verhelpen. In theorie kan intergenerationele risicodeling aanzien –
lijke welvaartswinst opleveren, tot zelfs zestien procent van
het pensioeninkomen, ofwel een 0,5 procentpunt hoger
rendement op pensioenbesparingen (Gollier, 2008). In de
praktijk is de winst echter kleiner. Het doorschuiven van
mee- en tegenvallers naar de toekomst brengt kosten met
zich mee wanneer het leidt tot fluctuaties in pensioenpre –
mies, met daardoor verstorende effecten op de arbeids-
markt. Daarnaast is het moeilijk om toekomstige genera –
ties te binden aan tegenvallers uit het verleden, zeker bij
decentraal georganiseerde aanvullende pensioenen, zoals
in Nederland. Daarom worden in de praktijk risico’s maar
beperkt doorgeschoven naar toekomstige generaties. De
overheid is beter toegerust om deze risicodeling te orga –
niseren. Dat kan via de pensioenen, maar meer algemeen
via alle instrumenten van budgettair beleid, met name de
schuld- en belastingpolitiek.
Gollier, C. (2008) Intergenerational risk-sharing and risk-taking of a
pension fund. Journal of Public Economics, 92(5-6), 1463–1485.
Gordon, R. en H. Varian (1985) Intergenerational risk sharing. Journal of
Public Economics, 37(2), 185–202.
8
KAPITAALDEKKING OF OMSLAG
Kapitaaldekking van pensioenen lijkt aantrekkelijk
omdat het tot lagere premies leidt in de toekomst.
Dankzij het rendement op het opgebouwde vermogens kan
er volstaan worden met lagere lasten. Volgens de befaamde
Aaron-conditie (Aaron, 1966) leveren kapitaalgedekte
pensioenen een hoger rendement op dan pensioenen op
omslagbasis (pay as you go) wanneer het rendement r hoger
is dan de groeivoet van het arbeidsinkomen g . Immers, ie-
mand die 1 euro inlegt in zijn eigen pensioen ontvangt een
rendement gelijk aan r ; iemand die 1 euro betaalt aan het
pensioen van de vorige generatie kan later rekenen op een
hoger pensioen dat stijgt met het algemene groeitempo g .
Deze vergelijking geldt op de heel lange termijn bij een
evenwichtig groeipad. Hieruit mag men echter niet con –
cluderen dat kapitaaldekking goedkoper is (afgezien van
andere factoren die kapitaaldekking aantrekkelijk kunnen
maken). Om kapitaaldekking op te bouwen moet er im –
mers jarenlang gespaard worden. Uiteindelijk zullen toe –
komstige generaties met kapitaaldekking beter af zijn, maar
wel ten koste van de huidige generaties die jarenlang extra
hebben moeten sparen. Dit inzicht heeft een belangrijke rol gespeeld in de
veranderde voorkeur van de Wereldbank voor het ‘ideale’
pensioenstelsel. In de jaren negentig van de vorige eeuw
gold het Nederlandse driepijler-model (AOW – aanvul –
lende pensioenen – vrije besparingen) met een aanzienlijke
kapitaalgedekte tweede pijler als rolmodel. Sindsdien is de
Wereldbank opgeschoven in de richting van het Non-fi –
nancial defined contribution-stelsel (NDC-stelsel), dat ken –
merken van kapitaalgedekte pensioenen verenigt met een
financiering op omslagbasis (Holzmann en Hinz, 2005). In
NDC-stelsels worden pensioenen – net als bij kapitaaldek –
king – gekoppeld aan de in het verleden betaalde premies,
maar dan via een rekenschema dat het pensioen per per –
soon relateert aan de ingelegde premies, vermenig vuldigd
met fictieve rendementen afgeleid van indicatoren voor de
economische ontwikkeling , zoals de groei en financiële ren –
dementen. Deze pensioenen worden vervolgens betaald uit
de lopende begroting (omslagstelsel) en niet uit werkelijk
geïnvesteerde vermogens. Als prototype geldt het stelsel dat
in de jaren negentig in Zweden is ingevoerd. Verschillende
Oost-Europese landen hebben het Zweedse voorbeeld
gevolgd. Het voordeel is dat men niet decennialang hoeft
te wachten voordat voldoende kapitaal is opgebouwd om
volwaardige pensioenen te kunnen uitkeren, maar dat ook
oudere generaties in een NDC-stelsel kunnen meedelen in
de stijgende welvaart.
Aaron, H.J. (1966) The social insurance paradox. Canadian Journal of
Economics and Political Science, 32(3), 371–374.
Holzmann, R. en R. Hinz (2005) Old age income support in the 21st century.
Washington, DC: De Wereldbank.
9
HYPERBOLISCH VERDISCONTEREN EN
ZACHT PATERNALISME
Anders dan in het standaardmodel van het rationele
individu zijn consumenten in werkelijkheid niet altijd in
staat om de ‘goede’ keuzen te maken. Dat geldt in het bijzon –
der bij pensioenen: hoeveel en in welke vorm je moet sparen
voor de oude dag is een complexe beslissing met ook nog
eens een verre tijdshorizon. Juist hier zijn alle inzichten uit
de gedragseconomie over gebrekkige wilskracht, kortzich –
tigheid en tijdsinconsistente preferenties van toepassing.
Dit is een reden om pensioenopbouw verplicht te stellen. Een bekende verklaring voor het feit dat consumenten

Pensioenen ESB
567Jaargang 100 (4718) 24 september 2015
te weinig sparen voor hun pensioen is die van het hyperbo –
lisch verdisconteren (Laibson, 1997). Volgens deze aanpas-
sing van het standaardmodel van exponentieel verdiscon –
teren, hebben consumenten op korte termijn een hogere
tijdsvoorkeur dan voor perioden verder in de toekomst. Dat
wil zeggen dat als men moet kiezen tussen consumptie van –
daag of over een jaar, men vooral voor vandaag kiest, terwijl
als men moet kiezen tussen consumptie over een jaar of over
twee jaar er meer gewicht wordt gegeven aan de consump –
tie in het tweede jaar. Men beseft daardoor wel dat je voor
pensioen moet sparen, maar liever nog niet vandaag. Dit
leidt tot tijdsinconsistent gedrag , waarbij de spaarbeslissing
steeds verder in de toekomst wordt opgeschoven. Vanwege dit kortzichtige gedrag kunnen consumenten
beter af zijn wanneer zij worden verplicht om voor pensi-
oen te sparen. Dat kan echter weer tot een nieuw probleem
leiden: in verplichte regelingen kan er moeilijk rekening
worden gehouden met de verschillen in voorkeuren en ach –
tergronden van de deelnemers. Gelukkig is er een tussen –
weg. Thaler en Sunstein (2008) hebben de basis gelegd van
de literatuur over keuze-architectuur: door keuzen op een
gerichte manier aan te bieden – bijvoorbeeld via defaults
(standaardopties) of opt-out-clausules – kan een midden –
weg worden gevonden tussen verplichting en keuze; deze
benadering wordt ook wel die van ‘het zachte paternalisme’
genoemd. Steeds meer worden deze technieken ingezet om
pensioenkeuzen van consumenten in goede banen te lei-
den: de regie blijft bij de consument, maar de schade van
verkeerde beslissingen kan worden beperkt.
Laibson, D. (1997) Golden eggs and hyperbolic discounting. Quarterly
Journal of Economics, 112(2), 443–477.
Thaler, R. en C. Sunstein (2008) Nudge: improving decisions about health,
wealth, and happiness. New Haven, CT: Yale University Press.
1 0
GOVERNANCE VAN PENSIOENEN
Voor veel mensen is pensioen een ingewikkeld
product dat moeilijk te begrijpen is. Pensioe –
nen hebben betrekking op een langetermijnhorizon en
kennen daardoor aanzienlijke risico’s. Veel mensen hebben
niet of nauwelijks belangstelling voor hun pensioen, hoe –
wel het een grote waarde vertegenwoordigt en vaak een van
de belangrijkste vermogenscomponenten op de balans van
huishoudens is (Barr en Diamond, 2006). Dit roept de vraag op wat de optimale keuzearchitectuur
is bij het pensioenproduct – want wie neemt welke beslissin –
gen? Hierbij is er sprake van een afruil tussen het voorkómen
van enerzijds ondoordachte keuzen door financieel analfa –
bete individuen met een beperkte wilskracht, en anderzijds
het beschikken van voldoende informatie over het betrok –
ken individu ten behoeve van maatwerk. En hoe zorgen we
ervoor dat belangenconflicten worden voorkomen en dat
agenten (pensioenuitvoerders) handelen in het belang van
principalen (de pensioenconsumenten)? De combinatie van
op eigen voordeel beluste financiële dienstverleners en naïeve
consumenten die niet of nauwelijks geïnteresseerd zijn in het
product, creëert een aanzienlijke governance-problematiek. Pensioenmarkten zijn daarom vaak publiek georgani-
seerd of kennen meestal, ook als het om private pensioe –
nen gaat, veel overheidsregulering (Lever et al. , 2015). In
de meeste continentaal-Europese landen (maar niet in Ne –
derland) is de overheid dominant in het pensioendomein
via verplichte publieke (omslag )regelingen. In de Angel –
saksische landen daarentegen is er vaak een belangrijke rol
voor private pensioenregelingen. De praktijk laat zien dat
grootschalige private pensioenbesparingen alleen van de
grond komen door een wettelijke pensioenplicht (Chili,
Australië) of door het opnemen van de verplichting om te
sparen voor pensioen in arbeidscontracten (Denemarken,
Zwitserland, Nederland). Bij pensioen als arbeidsvoor –
waarde helpen afspraken tussen sociale partners op secto –
raal niveau (Nederland) of nationaal niveau (Denemarken)
om concurrentie op pensioenkosten te voorkomen.
Barr, N. en P. Diamond (2006) The economics of pensions. Oxford
Review of Economic Policy , 22(1), 15–39.
Lever, M., E. Ponds, R. Cox en M. García Huitrón (2015). Internationale
vergelijking van kapitaalgedekte pensioenstelsels. Netspar Brief, 3.
ESB canon van de economie
Onderwijseconomie ◊ Monetaire economie ◊ Internationale en ontwikkelingseconomie
◊ Ondernemerschap ◊ Woningmarkt ◊ Innovatie ◊ Arbeidsmarkt ◊ Openbare financiën ◊ Economische Geschiedenis ◊ Energie ◊ Gezondheidseconomie ◊ Milieueconomie ◊ Marketing ◊ Sociale zekerheid
◊ Internationale monetaire economie ◊ Personeel & Organisatie ◊ Gedragseconomie ◊ Pensioenen ◊ Technologie & Arbeidsmarkt
◊ Financiële markten ◊ Marktordening ◊ Econometrie ◊ Ruimtelijk ◊ Groei & Conjunctuur
VOlGENDE KEER IN DE ESB CANON VAN DE ECONOMIE: TECHNOLOGIE & ARBEIDSMARKT

Auteurs