Ga direct naar de content

Radicale verandering in de klas?

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 5 2015

ICT en het onderwijs hebben een boeiende relatie met elkaar. Iedereen is het er wel over eens dat allerlei toepassingen een nuttig hulpmiddel kunnen zijn bij het uitvoeren van bepaalde onderwijstaken, zoals toetsen, het wegwijs maken van kinderen op het Internet of ze de basisvaardigheden van het bedienen van de apparatuur bij te brengen. Soms gaan de suggesties verder. Staatssecretaris Dekker is bijvoorbeeld enthousiast over een Brits programma waarin jonge kinderen leren programmeren en een commissie onder leiding van Paul Schnabel wil de boel helemaal op z’n kop gooien. Soms zijn de resultaten verrassend: een recente OESO-studie vindt dat er nauwelijks een verband is tussen de scores op hun PISA-toets (een internationale toets die de OESO periodiek bij pubers afneemt) en de mate van computergeletterdheid. Het is echter vooralsnog onduidelijk wat de kosten en baten zijn, welke effectieve mogelijkheden er nu zijn ontstaan en vooral hoe de (nieuwe) taken tussen leerkracht en computer moeten worden verdeeld.

ICT biedt diverse mogelijkheden. Een belangrijke mogelijkheid is het aansluiten van de leeromgeving op de dagelijkse omgeving van het kind. Veel ouders hebben het gevoel dat ze de vorige eeuw betreden als ze hun kind voor het eerst naar de basisschool brengen. Het lijkt er op dat er niets is veranderd sinds ze zelf naar de basisschool gingen. Mijn zoon in groep 2 vertelt nog steeds iedere maandagochtend in een grote kring zijn weekendverhaal aan de juf, in groep 4 wordt begonnen met het doornemen en soms kijken van het jeugdjournaal van de dag er voor en in groep 7 moet mijn oudste net als ik dertig jaar geleden eerst een kwartier stillezen alvorens er wordt gerekend, gespeld, etc. Of dit concept achterhaald is, weten we eigenlijk niet maar het voelt misschien niet helemaal lekker als we op het werk aangekomen een bureau moeten vinden in de kantoortuin, de tablet openklappen om een op ons toegesneden selectie van het nieuws te bekijken of op de smart Phone zoeken naar een goedkope taxi, lekkere maaltijd of eenvoudige slaapplaats.

Een andere mogelijkheid die ICT biedt, is dat het kan helpen bij het efficiënter overbrengen en aanleren van lesstof. Net als op het werk heeft ICT een aantal taken overgenomen en zijn andere taken het exclusieve domein van de leerkracht. De afweging die hierbij wordt gemaakt is er hopelijk een van kosten en baten. Voor de leerkracht geldt: zijn de voordelen van het aanleren van delen en vermenigvuldigen op de computer groter dan het klassikaal behandelen van de staartdeling waarbij sommigen wat glazig naar het bord staren en anderen enthousiast het potlood ter hand nemen? De meeste basisscholen in Nederland gebruiken allerlei programma’s om testjes af te nemen of om kinderen te laten oefenen. Ook worden ouders gestimuleerd om software te installeren die hun kinderen helpt bij het oplossen van breuken of die spelling en grammatica op vaak speelse wijze bijspijkert of verder ontwikkelt. Het probleem is echter dat de effecten van deze manier van onderwijs op het aanleren van bijvoorbeeld reken- en taalvaardigheden grotendeels onbekend zijn.

Er zijn namelijk slechts weinig grondige studies naar de impact van dit soort toepassingen gedaan die de balans zoeken en niet lijden onder selectieproblemen. Daarmee doel ik op het probleem dat scholen die vaker gebruik maken van ICT, ook vaak de scholen zijn waarop kinderen van rijkere en slimmere ouders zitten. Een vergelijking van resultaten tussen verschillende scholen gaat daarom al vrij snel mank. Een zorgvuldige studie van Angrist en Lavy vindt geen positieve effecten van dit soort onderricht. In 1996 ontvingen ongeveer tien procent van Israëls basisschoolleerlingen en 45 procent van de middelbare school-leerlingen, computers in de klas om computergestuurd onderricht mogelijk te maken. Bovendien kregen leraren intensieve training om leerlingen op deze nieuwe wijze vaardigheden aan te leren. De resultaten van hun analyse laten zien dat deze investeringen geen positief effect hebben op de prestaties van leerlingen (in sommige gevallen zelfs negatief) en dat het aanleggen en onderhouden van de infrastructuur duur is. Nu dalen de kosten van ICT nog steeds, zijn er nieuwe en mogelijk betere toepassingen beschikbaar en is deze studie alweer een tijdje oud. Het kan nu dus anders liggen, maar de analyse over een effectieve en efficiënte verdeling van werk kom ik nergens tegen.

Een derde mogelijkheid is dat ICT zo belangrijk is dat in het onderwijs nieuwe vaardigheden moeten worden aangeleerd. Doorbraaktechnologieën zetten de wereld inderdaad op z’n kop en vereisen soms radicale aanpassingen. In het licht van het verdelen van de taken zou je dus kunnen stellen dat er taken zijn bijgekomen die noodzakelijk zijn om te kunnen functioneren in de maatschappij. ICT heeft taken op het terrein van sociale interacties belangrijker gemaakt, omdat computers en robots nu eenmaal weinig inlevingsvermogen hebben. Hierdoor is het takenpakket van de mens verder opgeschoven in het sociale domein. Daarnaast zijn taken die het werken met en ontwikkelen van ICT stimuleren belangrijker geworden. Op deze dimensie bevinden zich de studies van de OESO en het enthousiasme van Sander Dekker.

De OESO-studie claimt dat er geen verband is tussen de mate waarin leerlingen in het middelbaaronderwijs kunnen omgaan met computers en hun scores op de PISA-toets. Bij bestudering van het rapport blijkt dat het hier vooral gaat om de mate waarin leerlingen een webbrowser kunnen bedienen om informatie op te sporen en taallesjes op het scherm kunnen maken ten opzichte van hetzelfde lesje op papier. Dit zijn niet bij uitstek vaardigheden die een grote investering vergen, maar meer gaan over het gebruik van ICT. Het werken met bepaalde toepassingen (tekstverwerking, games, browsers) vergt nauwelijks investeringen, maar toch gaat de discussie daar vaak over als ouders het gevoel hebben dat ze de vorige eeuw binnenstappen en als er wordt gerapporteerd over nieuwe vaardigheden die kinderen zouden moeten aanleren. De belangrijke onderliggende vraag is wat we kinderen zouden moeten aanleren en ook wat we niet meer zouden moeten doen. Het enthousiasme van Sander Dekker is daarom interessanter. Programmeren is namelijk logisch nadenken en het ordenen van stappen om een doel te bereiken. Dit proberen ouders hun kinderen aan te leren (eerst sokken aan dan schoenen, eerst eten dan tandenpoetsen, etc.) en is ook op school een belangrijk principe tijdens het leerproces.

Moeten we onze kinderen dan allemaal op de computer laten programmeren? Is dit ordenen nu echt zo veel belangrijker geworden dat het de investering in programmeren waard is? Indien ja, wanneer moeten we dit gaan aanleren en waar moet het dan ten koste van gaan? Hoe verandert dit de eisen die we aan leerkrachten stellen? Veel vragen, weinig antwoorden. Laten we daarom de resultaten van de studie in het Verenigd Koninkrijk en de vele initiatieven die in Silicon Valley en op MIT worden ontplooid goed in de gaten houden, experimenteren op kleine schaal met de nieuwe mogelijkheden en vooral goed nadenken over de optimale verdeling van taken in de klas tussen leerkracht en machine.

Auteur

Categorieën